In Eupen vergaderen vijfentwintig door loting geselecteerde Oost-Belgen samen in een burgerraad over politieke kwesties en brengen advies uit aan het parlement. Maar leidt dit ook echt tot meer inspraak en betrokkenheid van de ‘gewone burger’ in de politiek?
De instituties van de westerse liberale democratie brokkelen af, maar valt er misschien in een stukje van oostelijk België een remedie te ontwaren?
Neem vanuit Brussel de trein, en na bijna twee uur kom je aan in Eupen, de hoofdstad van de Duitstalige gemeenschap in België. Een pittoreske kerk siert het centrale plein, op de stoepen staan bistrotafeltjes, en fietsers zoeken zich een weg door de met kinderhoofdjes geplaveide straten.
In dit rustige, bezadigde en redelijk welvarende provinciestadje verwacht je niet zo snel een radicale democratische vernieuwing. Volgens het onbegrijpelijke Belgische politieke stelsel, waarin territoriale, op taal gebaseerde en federale elementen door elkaar lopen, heeft de Duitstalige gemeenschap haar eigen regering. Met een bevolking van 76.000 zielen is Oost-België of Ostbelgien de kleinste federale eenheid van Europa [sinds 2017 noemt de Duitstalige gemeenschap zichzelf Oost-België], maar het heeft een echt parlement dat besluit over onderwijs, cultuur, energie en sociale zaken. En vanaf volgend jaar krijgen gewone, door loting aangewezen mensen de kans om naast de gekozen parlementsleden beleid te vormen, in de eerste permanente burgerraad ter wereld.
Burgerraden kunnen verschillende vormen hebben, maar het basisprincipe is altijd dat willekeurig geselecteerde burgers zich over politieke kwesties buigen, vaak met hulp van deskundigen of gespreksleiders. Ze worden de laatste jaren geleidelijk aan populairder, maar het bijzondere van het Belgische experiment is dat daar de burgerraad in de bestuursstructuur is opgenomen. Toch is zelfs een bestuur door willekeurig geselecteerde burgers niets nieuws, als je naar de geschiedenis kijkt. De pleitbezorgers van zo’n burgerraad vinden dan wel dat de parlementaire democratie uit de tijd is omdat die sinds de achttiende eeuw niet is veranderd, maar grijpen vervolgens vrolijk terug op het antieke Athene (zie kader) als de ware pionier op het gebied van ‘gelote vertegenwoordigers’.
Het grote gesprek
In de jaren negentig van de vorige eeuw hebben Britse hervormers voorgesteld om het Hogerhuis te vervangen door via loting aangewezen burgers, en niet lang daarna speelde New Labour met het idee om een stel gewone mensen bij elkaar te zetten die dan met beleid moesten komen dat ‘wel werkt’: denk aan de ‘Big Conversation’ van Tony Blair. Maar korter geleden heeft een burgerraad in Ierland concreter succes behaald door de weg te plaveien voor de legalisering van abortus en het homohuwelijk. Dit succes heeft veel juichende krantenkoppen opgeleverd, en veel politici geïnspireerd, van Ed Miliband en Rory Stewart tot Emmanuel Macron, die een grand débat national heeft beloofd.
In Toronto, Madrid en Gdansk zijn burgerraden voor specifieke kwesties opgezet. Onlangs is bij 30.000 Britse huishoudens een uitnodiging op de mat gevallen om deel te nemen aan de nationale burgerraad – een initiatief van een groep parlementariërs van alle partijen. Politiek wetenschappers die de blauwdrukken hiervoor hebben, worden door wanhopige regeringen over de hele wereld met veel égards binnengehaald. Een van de bekendste is de charismatische en veelzijdige Belgische historicus David Van Reybrouck. Hij waarschuwt dat het voor een rusteloos publiek niet langer volstaat om elke vijf jaar een hokje rood te maken en dan weer rustig te gaan slapen. Stemmen, betoogt hij, is nooit bedoeld geweest om mensen een betekenisvolle inbreng te geven, maar om hen op hun plaats te houden: het woord ‘elite’ betekende oorspronkelijk ‘degenen die gekozen zijn’.
Net als de serieuze en kosmopolitische politicoloog Yves Dejaeghere is Van Reybrouck een van de voortrekkers van een democratisch platform dat G1000 heet en zich ten doel stelt de massa’s bij elkaar te brengen in plaats van het handjevol leiders op de G7. Eupen had in 2017 een proef gedaan met een burgerdialoog over kinderopvang. De minister-president was zo tevreden over de resultaten daarvan (later meer over die resultaten) dat hij de G1000 uitnodigde om het ‘Eupen-model’ te ontwikkelen.
Dit najaar zijn er zelfs politici en grondwetexperts uit landen als Australië, Brazilië, Bosnië en Peru in Eupen neergestreken voor een ‘zomerschool’ over gelote burgerraden, waar ze Van Reybroucks ‘laboratorium voor de wereld’ kunnen bestuderen. Persoonlijk ben ik wat sceptisch over loting, maar niet omdat je het niet aan gewone burgers zou kunnen overlaten om goede besluiten te nemen. Bij mij gaat het er meer om dat ik liever heb dat mijn vuilnis op tijd wordt opgehaald dan dat ik ’s avonds naar bijeenkomsten moet om daar ‘iets over te zeggen te hebben’.
Echte (strafrecht) jury’s zijn effectief omdat ze alleen heldere ja-neevragen moeten beantwoorden en zich niet in het moeras van overheidsbestuur en beleidsontwikkeling hoeven te begeven. Het principe van volksvertegenwoordiging berust op de realiteit dat wij, ondanks het plaatsvervangende marktplein van Twitter, niet allemaal voortdurend gehoord kunnen worden, al zouden we het willen, en meestal willen we het niet (en terecht). Naar mijn idee komen onze huidige problemen voort uit het feit dat machtsbeluste populisten de representatieve democratie een slechte naam bezorgen, daarin gesteund door zelfzuchtige lobby’s die het stelsel verwringen.
Zouden de evangelisten me kunnen bekeren?
Oost-België ligt op een steenworp afstand van de Duitse grens en weet maar al te goed wat chauvinistisch extremisme is. ‘Minder dan drie generaties geleden was dit het meest fascistische deel van België,’ zegt Van Reybrouck, maar sindsdien is het totaal ‘gedenazificeerd’. De gemeenschap kreeg een eigen televisiezender, en vervolgens een eigen parlement. De ‘best beschermde minderheid ter wereld’ is nu volkomen loyaal aan de Belgische federale staat, en lijkt ook grotendeels tevreden met haar rustige thuisland. ‘Wil je in een nieuwe boot gaan varen,’ zegt Van Reybrouck, ‘dan moet je op een rustige plas beginnen.’
Het Eupen-model
Zo gaat het in Oost-België werken: Een ‘vaste raad’ van vierentwintig burgers [die inmiddels samengesteld is] komt anderhalf jaar lang maandelijks bijeen. Deze zittende raad houdt min of meer toezicht op verschillende zaken. Ze leidt de selectie van een burgerraad van tussen de vijfentwintig en vijftig leden; ze kiest ook hun onderwerpen en levert informatiepakketten en getuige-deskundigen aan. Is het systeem eenmaal volwassen, dan wordt de raad gevuld door enkele van de mensen die eerder hebben gediend in afzonderlijke raden, die in drie maanden tijd drie keer een weekend bijeenkomen om hun eigen specifieke agenda aan te pakken.
Ook de zes politieke partijen in de regio kunnen onderwerpen aandragen, net als trouwens elke gewone Oost-Belg, als die minimaal 100 handtekeningen weet te verzamelen. (In het veel grotere Groot-Brittannië is dat te vergelijken met de eis dat voor een petitie 10.000 handtekeningen nodig zijn voordat de regering moet reageren, en 100.000 voordat het parlement er aandacht aan moet besteden.) De rol van burgers in het kiezen van onderwerpen is een van de grootste parels van het Eupen-model.
Het woord ‘elite’ betekende oorspronkelijk ‘degenen die gekozen zijn’
Zo is in het geheel een scheiding der machten ingebouwd, wat voorkomt dat de raad in beslag wordt genomen door de eigen favoriete onderwerpen van de deelnemers. De regering is niet verplicht om aanbevelingen op te volgen, maar doet ze dat niet, dan moet ze daarvoor een goede reden geven, op schrift. De macht moet dus op zijn minst verantwoording afleggen. Dat is tenminste de theorie. Iedereen die ooit te maken heeft gehad met een ‘consultatieproces’ georganiseerd door een bureaucratie die onderbouwing zoekt voor iets dat al besloten is, weet dat ‘feedback’ te manipuleren valt.
De retoriek rond burgerraden is dat ze zorgen voor bottom-upmacht, maar in de praktijk blijkt dat ze juist top-down werken en bovendien verschrikkelijk complex zijn. Neem het werven van de leden. ‘De beste, meest representatieve steekproef is een willekeurige steekproef,’ zegt Van Reybrouck. Maar het proces is niet zo willekeurig als wordt beweerd. Zet je alleen een advertentie in de krant, dan komen alleen de hobbyisten en de voorspelbare types opdraven. Dus worden er willekeurig uitnodigingen verstuurd, en op de positieve reacties wordt een algoritme losgelaten om te zorgen dat de uiteindelijke selectie op een andere manier representatief is: een demografische microkosmos van de bevolking, geselecteerd naar geslacht, leeftijd, verspreiding en opleiding. Als je het type individu bent dat de neiging heeft ja te zeggen tegen een uitnodiging, maar binnen een groep valt die voornamelijk nee zegt, heb je een veel grotere kans dan gemiddeld om uiteindelijk geselecteerd te worden.
Twee walletjes
Dit doet denken aan de steeds minder serieus genomen wetenschap van de peilingen. De Ierse raad gebruikte zelfs een opinieonderzoeksbureau om haar leden te vinden. Later bleek dat een aardig deel van deze selectie politicologie studeerde; er zat ook een echtpaar in, en een stel buren. Net als bij de jurydienst in het VK, dat officieel verplicht is maar waar een groeiend aantal mensen toch onderuit zegt te komen, is het moeilijk te voorkomen dat de selectie uiteindelijk voor een groot deel bestaat uit mensen die van huis uit toch al tot burgerparticipatie geneigd zijn.
In Eupen ligt het aantal positieve reacties tot nu toe op slechts 11 procent, ondanks de beloning van tweehonderd euro per weekend, plus onkosten. In Ierland is het ook lastig om de leden vast te houden: slechts twee derde van de oorspronkelijke groep bleef de volle anderhalf jaar meedoen, en maar een kwart was bij elke bijeenkomst aanwezig. De vijand van inclusie is het drukke leven van alledag.
De gelote raad is een worsteling tussen micromanagement en loslaten. Art O’Leary, procureur-generaal onder de Ierse president, adviseerde de deelnemers aan de zomerschool in Eupen om ervaren gespreksleiders uit te nodigen, zodat alle stemmen zouden worden gehoord, aangezien er op egalitaire bijeenkomsten vaak een informele hiërarchie ontstaat. Als er een Nigel Farage binnen wist te komen, zegt Dejaeghere tegen mij, zou die tegenwicht krijgen van 49 anderen; er is ook een bepaling die mogelijk maakt dat al te overheersende deelnemers door het parlement uit de groep worden gezet.
Maar stel dat een raad besluit om, bijvoorbeeld, alle moslims eruit te gooien? Nou, zegt Dejaeghere, de parlementaire controle blijft wel van toepassing. Hij eet een beetje van twee walletjes. De mate waarin burgerraden ergens verstand van hebben is ook de reden waarom ze niet een oplossing voor alles zijn.
Populistische woede is ‘een cadeau verpakt in prikkeldraad’
Britten krijgen nu al een snelcursus in het verschil tussen vertegenwoordigende en directe democratie. De deliberatieve democratie is een derde mogelijkheid. In tegenstelling tot het rood maken van een vakje en de suikerkick van een referendum, is het voor de leden van burgerraden hard werken om beleid te beoordelen en een oplossing te vinden voor conflicterende eisen. ‘Het is het tegendeel van de klik-democratie,’ zegt voormalig Labour-parlementslid en voorstander van politieke hervorming Graham Allen. Hij is in Eupen om tips te krijgen voor een raad die hij probeert op te zetten in het VK. ‘Deliberatie is geen snelle oplossing: het gaat erom dat mensen de tijd nemen om na te denken.’ Of, zoals Dejaeghere zegt: ‘We moeten de politiek saaier maken.’
De procedure is ironisch genoeg nogal technocratisch, maar de belofte is dat de burgerraad een antwoord op het populisme zal bieden. Van Reybrouck weigert populistische kiezers als ‘slechte’ mensen te zien: ‘Het zijn mijn ooms en tantes en mijn neven en nichten, en ik denk dat ze iets waardevols te zeggen hebben.’ Populistische woede is ‘een cadeau verpakt in prikkeldraad. Het zijn mensen die roepen: laat ons alsjeblieft meedoen.’
De bezoekers in Eupen hadden het veel over expertise, kennis en macht. Mensen vertrouwen politici niet, merkt Dejaeghere op, maar ‘We vragen nooit het omgekeerde: in hoeverre vertrouwen politici hun eigen burgers?’ Daar is Van Reybrouck het mee eens: ‘Veel politici zeggen: we moeten niet naar burgers luisteren, want hoor eens hoe ze schreeuwen, of kijk eens hoe ze stemmen, of kijk hoe irrationeel ze zijn, maar als je hen negeert gaat al die woede alleen maar luider klinken.’
Maar als mensen nou niet dom zijn, maar slecht geïnformeerd en zeker minder ervaring met besturen hebben? ‘Politici moeten zich [op dit moment] met alle beleidsproblemen bezighouden,’ werpt Dejaeghere tegen, ‘en dus lezen ze een dossier soms pas een kwartier voordat ze erover moeten stemmen.’ Burgerraden die hun leden de ruimte bieden om zich veel beter in de details te verdiepen, zijn zo bezien juist een voorbeeld van expertise, alleen is die dan niet voorbehouden aan professionele politici.
Macht delen
En wat vinden politici ervan om de macht te delen? Ik liep de heuvel op naar het parlementsgebouw van Oost-België, een honderd jaar oud verbouwd sanatorium waar in 2013 een nieuwe vergaderzaal aangebouwd is, een passende metafoor voor deze democratische vernieuwing. Het gebouw oogt als een hotel of kantoorpand, niet intimiderend voor de leden van de nieuwe burgerraad, waarvan de discussies – hoe symbolisch binnen het gevestigde raderwerk van de democratie blijven, al was het maar doordat ze onder hetzelfde dak plaatsvinden.
Wat ook meewerkt is dat parlementsleden in het kleine Oost-België overdag een baan hebben en alleen ’s avonds vergaderen. Liesa Scholzen, van de christendemocratische ProDG-partij ziet er niet uit zoals je je een parlementslid voorstelt: ze is in de twintig en bezig aan haar master politicologie. ‘De eerste keer dat we de dialoog organiseerden, zeiden sommige mensen: nu zien we pas dat jullie normale mensen zijn,’ zegt ze.
Zijn zij en haar medeparlementsleden sceptisch over de burgerraad? ‘Ik denk dat sommigen alleen de praktische problemen zien, of we verplicht zijn om na afloop actie te ondernemen of niet. Maar volgens mij gaat het om het hele concept en de theorie daarachter: hoe kun je mensen aanmoedigen om mee te doen met en belangstelling te hebben voor de politiek.’
Andreas Jerusalem is een al even fris parlementslid, voor de Groenen, en werkt als leraar op een basisschool; hij zwaait naar het zoontje van zijn collega dat in de gang zit te spelen.
Ik vraag hem naar de proef met de burgerraad over kinderopvang, de enige praktische ervaring met de deliberatieve democratie in Oost-België tot nu toe en de inspiratie voor de hele hervorming, en hij onthult iets wat me verbaast. Namelijk dat nadat de raad haar aanbevelingen had gedaan, de minister gewoon zijn eigen plannen heeft doorgezet. Een cynicus zou zich misschien afvragen of de parlementsleden het juist dankzij dat gebrek aan verplichting in het beleidsproces hebben aangedurfd om een permanente burgerraad in te stellen. Politici zullen toch alleen de ideeën kiezen die hun goed uitkomen: de Nederlandse regering negeerde in 2006 de voorstellen van een burgerraad voor een nieuw kiesstelsel.
Er bestaat natuurlijk een risico dat burgerraden er alleen maar zijn om te zorgen voor een puur symbolische legitimiteit. Van Reybrouck: ‘We gaan nu van het recht om te stemmen over op het recht om te spreken.’ Maar met welk doel? Als mensen zien dat hun inbreng gewicht in de schaal legt, zegt Jerusalem, ‘dan hebben we een supergoed instrument om het vertrouwen terug te winnen. Maar zo niet, dan wordt het alleen maar erger. Want dan heb je de illusie van participatie geschapen.’
Ik twijfel er niet aan dat deelnemen aan zo’n raad ‘een levensveranderend’ experiment is, zoals Van Reybrouck zegt. Veel mensen die gewend zijn aan een bescheiden baan, voelen zich daar voor het eerst gerespecteerd. In een knusse gemeenschap als Oost-België zullen de meeste mensen na een paar jaar wel weten wie er opgeroepen is. Maar kan dit ooit op grotere schaal? ‘Je doet het niet voor de mensen die erbij zijn,’ houdt Dejaeghere onversaagd vol. ‘De meeste mensen willen in het weekend barbecueën. In een zeer grote gemeenschap is de kans groot dat je nooit wordt opgeroepen. Maar je weet wel dat daar “mensen zoals ik” in zitten, dat de postbode erin zit of de vrachtwagenchauffeur, en ik kan barbecueën omdat er iets is waarop ik kan vertrouwen.’
Democratie als soep
Zelfs in zijn puurste, Atheense vorm, werd loting gecombineerd met verkiezingen voor de hoogste generaals en financiële functies. Hedendaagse voorstanders van burgerraden zeggen met nadruk dat die bedoeld zijn als aanvulling en niet als vervanging van de electorale politiek. Democratie is net als soep, legt Van Reybrouck uit, er zitten misschien elementen in (‘de kip en de wortels’) die het beste via verkiezingen afgehandeld kunnen worden, ‘maar de willekeurige steekproef voegt iets toe aan de smaak van het geheel. Ik zou bang zijn voor elk land dat morgenochtend overstapt op een systeem dat alleen op loting is gebaseerd. Maar ik zou ook bang zijn als een land elke vernieuwing afwees.’
Hier klinkt Van Reybroucks kritiek op de representatieve democratie minder scherp dan in zijn laatste boek, Tegen verkiezingen. Daarin suggereert hij dat de integriteit van de stembus in een economische plutocratie nooit beschermd kan worden, omdat donoren hun middelen kunnen gebruiken om kandidaten te kopen en kiezers aan te trekken. Dejaeghere geeft nog een reden waarom verkiezingen volgens hem niet goed werken: ‘Electorale politiek is een spel van winnaars en verliezers’, terwijl de politiek die hij voor ogen heeft ‘over samenwerking zou moeten gaan, over samen aan tafel gaan zitten’.
En dan geeft Van Reybrouck nog een argument voor verandering: ‘Partijpolitiek dwingt de stem af’ tegen het algemeen belang in. ‘Met burgers die door het lot worden aangewezen’ daarentegen, heb je misschien minder professionele competentie, maar je wint ‘meer vrijheid om aan het algemeen belang te denken, aan de lange termijn, en om met een compromis te leven’. Maar is een nieuwe raad werkelijk immuun te maken voor bepaalde belangen?
Een nieuw systeem vastkoppelen aan het oude is in een tijd dat presidenten en premiers minachting tonen tegenover parlementsleden, de wetten die zij aannemen en de rechtbanken die die wetten interpreteren, geen antwoord op de fundamentele vraag. Namelijk: kunnen de bestaande instituties wel worden hervormd en hernieuwd? Je kunt op Parliament Square een pop-upgebouwtje voor een burgerraad neerzetten, maar dat zou geen oplossing bieden voor de vraag wat we dan moeten doen met het Lagerhuis.
Lokale overheden
Britse politici zitten nu misschien wel in een geprofessionaliseerde en bevoorrechte Westminster-bubbel, maar zo hoeft het niet te zijn: in 1979 was 16 procent van de toenmalige parlementsleden daarvoor arbeider geweest; in 2015 lag dat getal op 3 procent, veel verder gezakt dan te verwachten zou zijn op basis van de veranderende arbeidsmarkt. Zou dit ook zijn gebeurd als de teloorgang van de bonden niet de oude route naar selectie voor een verkiesbare plaats had afgesloten? Als de financiering van de lokale overheden de afgelopen tien jaar niet gehalveerd was, zouden mensen zich dan wél betrokken voelen bij besluiten die hun gemeenschap aangaan? En als lokale overheden fatsoenlijk konden functioneren, zou het Eupen-model dan zo heel anders zijn?
Persoonlijk ben ik nog steeds gehecht aan wat we hebben. De botsing van wereldvisies in het parlement is veel spannender dan de behandeling van de finesses van de openbaarvervoersvoorziening of van het rioleringssysteem die burgerraden op hun bord krijgen. Partijen vertegenwoordigen, in ieder geval in principe, tegengestelde klassenbelangen. Politiek gaat evenzeer over filosofie als over pragmatisme, en dat moet ook.
Maar zou loting, misschien doordat daarmee de invloed van de donoren wegvalt, bepaalde ideologieën toch meer kans geven dan andere?
Hebben gewone mensen de neiging om met meer sociaaldemocratisch beleid te komen? ‘Ik zie de resultaten niet per se als links of rechts,’ zegt Dejaeghere. Toen de G1000 in 2011 een ‘burgertop’ hield, kwamen er voorstellen voor plattere bedrijfshiërarchieën, maar ook voor belastingverlaging voor bedrijven (zij het gericht op kleinere bedrijven). Als dat warrig klinkt, maakt Dejaeghere zich er geen zorgen over: ‘In partijpolitiek moet alles een ideologisch label krijgen – maar dat is niet hoe burgers de dingen zien.’
‘Te giftig’
Er is een verschil tussen gezonde ideologische polariteit – die nodig is om een democratie leven in te blazen – en de onproductieve polarisatie die de voorstanders van loting willen terugdringen, terecht, al doen ze dat soms, het moet gezegd worden, door de lastigste problemen te ontwijken.
‘Wij zullen onder geen enkele omstandigheid een brexit behandelen,’ zegt Graham Allen. ‘Dat is te giftig.’ En de groene regioparlementariër Jerusalem staat uitgesproken pessimistisch tegenover burgerbesluitvorming rond klimaatverandering, waartoe niet alleen Britse parlementariërs maar ook Extinction Rebellion-activisten hebben opgeroepen. Aan de andere kant kunnen burgerraden volgens hem rust brengen in omstreden kwesties, zoals in Ierland is gebeurd. Misschien kunnen raden beter functioneren op terreinen waar de botsing van belangen niet al te heftig is of meningsverschillen niet zijn verhard tot identiteitsverschillen.
De relatie van Groot-Brittannië met de EU is in de eerste plaats een formele kwestie die een bizarre verdeeldheid heeft veroorzaakt. In 2017 heeft hoogleraar politicologie Graham Smith een raad opgezet die erin slaagde om met een compromis te komen voor een zachte brexit, maar wel een compromis dat ‘nu volkomen onhaalbaar’ is, volgens Van Reybrouck.
Terug in Brussel, met een witbier op een terras, werd ik verschillende keren aangeklampt door bedelaars. Ik vroeg me af of wat ik in Eupen had gezien, een politieke hamer was om een economische noot te kraken. Ieders stem evenveel gewicht geven is niet per se een manier om iets aan de enorme materiële ongelijkheid te doen. Het gebrek aan participatie van onderaf in ons politieke systeem is een probleem, maar wat te denken van het feit dat dat systeem van bovenaf gekaapt is door de rijken?
De Nederlandse regering negeerde in 2006 de voorstellen van een burgerraad voor een nieuw kiesstelsel
‘In elke samenleving is er een driehoek tussen politici, de mensen en de markten,’ zegt Van Reybrouck. ‘De markten zijn er met de macht vandoor gegaan, en de andere twee schreeuwen tegen elkaar. Als twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen. Dus de beste manier om het evenwicht in die driehoek te herstellen is het vertrouwen herstellen tussen degenen die besturen en degenen die bestuurd worden.’ De echte elites zijn nooit meer terug in het gareel te krijgen, als de mensen en hun politici niet op de een of andere manier weer contact met elkaar krijgen.
Als iets van de populistische woede weggenomen kan worden door te luisteren naar de stemmen van willekeurig gekozen burgers, dan kan loting misschien een rol hebben. Maar het blijft onvermijdelijk aan de politici om het bredere beleid door te voeren. De voorwaarde om het vertrouwen in de democratie weer te kunnen opbouwen is dat zij overtuigend laten zien dat ze dat in het publiek belang doen. Zoals het er nu voorstaat heeft de derde hond nog steeds het been
Toevallige ontmoetingen: recente experimenten met loting
In het geweer tegen het parlement: IJsland
De financiële crisis heeft in IJsland veel banken de kop gekost en ook een politiek bankroet blootgelegd. Burgers die naar verandering hunkerden, richtten een nationale raad op, waarin vier vijfde van de 1500 leden via loting wordt aangewezen. De regering haastte zich om hetzelfde te doen en verzamelde 950 willekeurig geselecteerde mensen in een raad met de taak om de grondwet te herschrijven.
Maar dit nieuwe orgaan schoof het werk al snel door naar een kleinere groep burgers die zichzelf kandidaat hadden gesteld en verkozen waren en die – na een juridische worsteling – door het parlement herbenoemd moesten worden. Er kwam wel een voorlopige opzet voor een progressieve grondwet uit voort, en de belangrijkste aanbevelingen daarin werden ondersteund door een adviserend referen- dum. Maar vervolgens wonnen antihervormingspar- tijen de algemene verkiezingen, en de voorstellen verdwenen in een la.
Slachtoffer van de kleine lettertjes: Canada
Twee provincies, British Columbia (in 2004) en Ontario (in 2006) besloten om burgers iets te vragen wat je niet aan politieke partijen kunt over laten: namelijk de hervorming van het kiesstelsel. Beide provincies plukten willekeurig namen uit hun kiesregister, polsten of die persoon ervoor voelde om mee te doen en selecteerden vervolgens rekening houdend met demografische diversiteit een groep vrijwilligers. Uitgebreide beraadslagingen leidden tot plannen om het meerderheidsstelsel te vervangen door andere vormen van evenredige vertegenwoordiging, maar daar moest wel een referendum over gehouden worden. In Ontario werd de hervorming regelrecht weggestemd. In British Columbia zei 58 procent ja tegen de verandering, maar er was 60 procent nodig om die door te voeren.
Gelukt: Ierland
Zeven jaar geleden ging een constitutionele bijeen- komst met 33 politici en een representatieve groep willekeurig geselecteerde burgers van start, om zich te buigen over omstreden artikelen in de grondwet en de eventuele herziening daarvan. Deze raad kwam een weekend per maand bijeen. Nadat ze de informatie van deskundigen en van andere burgers die iets wilden inbrengen had verwerkt, kwam de raad met aanbevelingen voor het homohuwelijk, abortus en godslastering, die sindsdien door het Ierse parlement en vervolgens via referenda zijn doorgevoerd.
Auteur: Eliane Glaser
Prospect
Verenigd Koninkrijk | maandblad | oplage 44.760
Dit onafhankelijke tijdschrift van links-liberaal Engeland heeft een uitgesproken voorkeur voor tegendraadse meningen. Een vrijhaven voor onafhankelijke denkers.

