Duitsland heeft het de laatste jaren zwaar. Een stagnerende economie en toenemende inkomensongelijkheid doen de huidige regering kelderen in de peilingen, waar radicaal rechts vervolgens gebruik van maakt.
Een jaar na zijn aantreden doen bondskanselier Friedrich Merz en zijn coalitieregering het beroerd in de peilingen. De extreemrechtse Alternative für Deutschland (AfD) profiteert van de wijdverspreide onvrede, staat juist hoog in de peilingen en ruikt aan de macht. Tot overmaat van ramp hebben de VS, na weer zo’n kenmerkende opwelling van Trump, de terugtrekking van troepen uit het land aangekondigd, waarmee de traditionele geopolitieke verhoudingen in gevaar komen. Alles waar Duitsland tot voor kort voor stond staat onder druk: politieke stabiliteit, sociale cohesie en een op militaire en politieke samenwerking met de Verenigde Staten gericht buitenlands beleid.
Aan deze strubbelingen ligt een dieper probleem ten grondslag. De Duitse economie, ooit bekend om haar efficiëntie, orde en stabiliteit, is een puinhoop. Dat blijkt niet alleen uit de cijfers, die aangeven dat het land zich al drie jaar in een recessie bevindt. Of uit de duizenden ontslagen die wekelijks worden aangekondigd door een bekend, oud bedrijf – meest recent de Commerzbank, opgericht in 1870. Maar ook uit de serie die het eerbiedwaardige weekblad Die Zeit vorige maand publiceerde: ‘Hoe Duitsland nog wel functioneert’ – dan weet je dat het echt behoorlijk slecht met Duitsland is gesteld.
Het ergste is dat die dynamische economie het naoorlogse Duitsland identiteit gaf. Ondanks alle tekortkomingen functioneerde het land beter dan andere. Nu is dat niet langer het geval en heerst er verbijstering alom. Toch is verbetering van de economie mogelijk. De politieke koers van het land zal misschien niet veranderen, en een verongelijkte Trump zal zeker niet tot bedaren worden gebracht, maar het tij van de stagnatie kan worden gekeerd. De legendarische veerkracht van het Duitse bedrijfsleven is tot herstel in staat.
Commentatoren focussen vaak op onmiddellijke problemen. De opkomst en ondergang van de Duitse economie is echter een veel langer verhaal. Op zijn welvarendst kende Duitsland hoge belastingen, hoge lonen en een omvangrijke bureaucratie – iets om in gedachten te houden voor wie nu simpelweg pleit voor lagere lasten voor bedrijven. Gedurende tientallen jaren van krachtige naoorlogse groei leek de economie zelf op het soort product dat ze zo uitstekend voortbracht: een dure en zeer complexe machine waarvan de raderen mooi in elkaar grepen.
‘Hoe Duitsland nog wel functioneert’ – dan weet je dat het echt behoorlijk slecht met Duitsland is gesteld
Waaruit die raderen precies bestonden? Een onderwijssysteem dat erop gericht was bedrijven te voorzien van technisch bekwame werknemers; managers die waren opgeleid als ingenieurs of wetenschappers in plaats van als generalisten; banken en verzekeraars met grote belangen in de grootste bedrijven en met langetermijndoelen in plaats van kortetermijnwinsten voor ogen; arbeidsverhoudingen die werknemers veilige en goedbetaalde banen boden, evenals medezeggenschap. Dit alles droeg bij aan de technologische superioriteit die lange tijd met het keurmerk ‘Made in Germany’ in verband werd gebracht.
De kentering kwam in de jaren negentig, toen de Amerikaanse economie een enorme groei doormaakte dankzij de financiële macht van Wall Street en het agressieve ondernemerschap van Silicon Valley. Duitsland begon ondertussen te lijden aan ideeënarmoede. In een poging tot vernieuwing opende de economie zich voor buitenlands kapitaal: banken en verzekeraars verkochten hun aandelen in Duitse bedrijven en topmanagers richtten zich op internationale investeerders. Om het concurrentievermogen te herstellen, nam de regering van Gerhard Schröder het rigide arbeidsmarktbeleid op de schop en schafte ze een aantal beschermende voorzieningen voor werknemers af.
Op het eerste gezicht leken deze maatregelen effect te sorteren. In de eerste twintig jaar van de nieuwe eeuw leek het Duitsland voor de wind te gaan, doorstond het de financiële crisis beter dan andere landen en behield het zijn industriële hart. Achteraf bleek het uitstel van executie. Zo verkochten autofabrikanten miljoenen auto’s in Oost-Azië, maar investeerden ze niet in de broodnodige omschakeling naar elektrische voertuigen. Diezelfde combinatie van risicoangst en kortetermijndenken kenmerkte ook andere Duitse bedrijfstakken. Dankzij goedkoop Russisch gas, een groeiende Chinese markt en de multilaterale vrijhandel onder leiding van de Verenigde Staten bleven de winsten echter binnenstromen.
Die vrijhandel is nu verleden tijd als gevolg van Amerikaans protectionisme, Chinees concurrentievermogen en ontwrichting door kunstmatige intelligentie. Maar die ontwikkeling hoeft niet fataal te zijn. Het land kan zijn bedrijfsleven moderniseren en de succesvolle elementen van het oude systeem opnieuw benutten in een nieuwe, vijandige omgeving. Er zijn drie belangrijke aandachtspunten.
Steun, onderwijs en arbeidswetten
Ten eerste: financiering. Veel Duitse bedrijven zijn grotendeels in handen van buitenlandse investeerders, en een aantal toonaangevende middelgrote familiebedrijven is overgenomen door private equity of ander buitenlands kapitaal. De invloed van onafhankelijke investeerders die in de eerste plaats financieel resultaat op het oog hebben kan natuurlijk gunstig zijn, mits ze niet te ver gaat. Maar dat is precies wat wél is gebeurd. Zonder robuuste steun kunnen gevestigde bedrijven geen langetermijnplannen maken, terwijl jonge bedrijven behoefte hebben aan geduldige begeleiding.
De regering lijkt dat in te zien. Ze erkent dat een te groot deel van de enorme financiële middelen van het land in vastgoed, vastrentende activa of spaarrekeningen is gestopt, en heeft daarom het investeringsinitiatief genaamd ‘Deutschlandfonds’ opgericht, bedoeld om particuliere investeerders te ondersteunen die geld willen steken in groeibranches en andere strategisch belangrijke sectoren. Dat is alvast een stap in de goede richting.
Dan het onderwijs. Het befaamde Duitse duale beroepsopleidingssysteem, waarin leerlingen leren en werken combineren, zorgde lange tijd voor een constante aanvoer van goed opgeleide vakmensen. Het systeem worstelt nu met een tekort aan sollicitanten, wat deels is te wijten aan vergrijzing en deels aan het feit dat veel jongeren voor een andere carrière kiezen. Bovendien hebben Duitse middelbare scholieren problemen met vakken waarin het land vroeger uitblonk: wiskunde en natuurwetenschappen.
Duitsland investeert onvoldoende in onderwijs – en een te klein deel van die investeringen gaat naar wetenschappelijke en technologische excellentie, terwijl de economie daar juist zo’n grote behoefte aan heeft. Technische universiteiten die tal van Nobelprijswinnaars voortbrachten leggen het steevast af tegen concurrenten met meer geld elders. Een terugkeer naar de ambitieuze onderzoeksprojecten van vroeger, doorgaans de vrucht van een samenwerking tussen overheid, academische wereld en bedrijfsleven, zou een goed begin zijn.
Topmensen in het bedrijfsleven hebben goodwill verspeeld door zichzelf exorbitante salarissen toe te kennen
Tot slot de arbeidsmarkt. De Duitse verzorgingsstaat is te duur geworden en er zal langer moeten worden gewerkt om deze in stand te houden. Veranderingen dienen echter in het teken te staan van de ‘Sozialpartnerschaft’, de op consensus gebaseerde arbeidsverhoudingen die een belangrijke rol speelden in de naoorlogse economie. Het wederzijdse vertrouwen is de afgelopen tientallen jaren uitgehold, en hiervoor zijn alle partijen verantwoordelijk. Topmensen in het bedrijfsleven hebben goodwill verspeeld door zichzelf exorbitante salarissen toe te kennen, terwijl de vakbonden te vaak kleine compromissen van de hand wezen en snel terugvielen op terminologie van de klassenstrijd.
Opmerkelijk genoeg zou de opkomst van kunstmatige intelligentie kunnen helpen. Gezien de technologische voorsprong van de Verenigde Staten klinkt het misschien naïef om te stellen dat Duitsland een deel van de taart kan opeisen. Het neemt niet weg dat kunstmatige intelligentie zeer geschikt is om de traditionele sterke punten van het land op het gebied van hoogwaardige techniek aan te vullen. Een aanpak met aandacht voor de belangen van de werknemers zou veel kunnen opleveren: technologie die het werk van mensen verbetert in plaats van hen massaal vervangt.
Natuurlijk is een terugkeer naar het verleden niet mogelijk. Er is iets kostbaars verloren gegaan: een diepgeworteld vertrouwen in de sterke punten van het land. De stemming in Duitsland is nu veel te somber. Er ontbreekt een duidelijk beeld van waar het land naartoe moet. De nog steeds op twee na grootste economie ter wereld heeft slimme investeringen, overheidssteun en een gezonde dosis zelfvertrouwen nodig om zich te kunnen aanpassen. Daarmee zijn de problemen van het land niet de wereld uit, maar kan wel het pad naar nieuwe welvaart worden geëffend.
Vertaald door Carl Stellweg
Verder lezen?
Kwaliteitsjournalistiek kost geld. Maar je wilt 360 misschien liever eerst proberen. Neem daarvoor een proefabonnement en lees een week lang gratis.
Heb je al een account?

