ANP 446023396 1


In het aankomstcentrum Tegel in Berlijn wonen bijna vijfduizend mensen. Het centrum verslindt 30 miljoen euro per maand. Toch is niemand er gelukkig. Neue Zürcher Zeitung bracht een bezoek aan de omstreden plek.

‘Is je vlucht geannuleerd? Dit zijn uw rechten als passagier.’ Dit staat nog steeds op een vervaagde poster op een muur in de voormalige West-Berlijnse luchthaven Tegel. Maar hier vertrekken geen vluchten meer, niet naar zakelijke bijeenkomsten in Keulen of Zürich, niet naar populaire bestemmingen in Spanje of Griekenland.

Tegel is louter een plaats van aankomst geworden, waarbij ‘aankomst’ in de breedst denkbare zin moet worden opgevat. Toen Rusland in februari 2022 Oekraïne binnenviel en de eerste vluchtelingen een paar weken later in Duitsland aankwamen, met name in de hoofdstad Berlijn, werd op het braakliggende terrein van de luchthaven het ‘Tegel Arrival Centre’ gebouwd.

De tentenstad was bedoeld als een eerste opvangcentrum waar de vluchtelingen hooguit een paar dagen zouden verblijven tot ze geregistreerd waren en elders naar behoren konden worden opgevangen. Maar er is heel weinig ‘elders’ in Berlijn. Flats zijn schaars en de huurprijzen exorbitant hoog.

Bijna vijfduizend vrouwen, mannen en kinderen wonen nu in de tenten in Tegel – ongeveer vierduizend Oekraïners en bijna duizend asielzoekers uit landen als Turkije, Afghanistan, Irak, Georgië en Vietnam. De gemiddelde verblijfsduur in de primitieve noodopvang is tweehonderd dagen. Sommige mensen zitten hier echter al twee jaar. Het is het grootste vluchtelingenkamp in Duitsland.

In het verleden moesten passagiers rekening houden met druk verkeer als ze met een taxi of hun eigen auto van de Berlijnse snelweg A100 naar het knooppunt Tegel reden. De vluchtstrook stond vol met auto’s waarvan de eigenaars bang waren voor de hoge parkeertarieven op het vliegveld.

Griezelige stilte

Vandaag de dag hangt er een bijna griezelige stilte boven het terrein. Geen vliegtuiglawaai van starts en landingen, alleen een paar voertuigen. Het groen langs de wegen, op de parkeerplaatsen en op het asfalt tiert welig en is al bezig het beton te verbrokkelen.

De reis van een Oekraïense oorlogsvluchteling naar een nieuw leven in transitie begint voor de voormalige incheckhal van de ingestorte goedkope luchtvaartmaatschappij Air Berlin. Elke tien minuten arriveren hier pendelbussen. Ze brengen nieuwkomers vanuit het stadscentrum en het hoofdstation. In de terminal zitten deze nieuwkomers naast hun lijvige bagage. Wat neem je mee op een vlucht? Wat is onmisbaar? Wat moet je met een bezwaard hart achterlaten? Er zijn veel oudere mensen te zien, veel mensen die een rolstoel nodig hebben of met een rollator lopen. Tegel heeft een geïmproviseerde verpleegpost voor demente patiënten, voor dialysepatiënten, voor bomslachtoffers zonder benen.

Nu begint een tijd van wachten. Wachten, allereerst, op een soort omgekeerde check-in die mensen toestemming geeft om te blijven, maar niet om verder te gaan. Medewerkers van het Berlijnse staatsbureau voor vluchtelingenzaken (LAF) voeren toelatingsgesprekken met de Oekraïners: wie komt waar vandaan? Wie is familie? Wie heeft welke papieren? Er worden biometrische foto’s en vingerafdrukken genomen. Na de vluchtelingencrisis van 2015, die een organisatorische ramp was, wil de Duitse staat er niet langer van beschuldigd worden niet te weten wie het land binnenkomt.

In Tegel weten ze het wel: het zijn niet de best opgeleiden, niet de talenwonders, niet de jonge, digitaal vaardige Oekraïners die hierheen komen. Vaak hebben ze meteen een ander onderkomen gevonden, bij familie, vrienden, sportmaatjes, Erasmusstudenten. Hierheen, naar Tegel, komen mensen die gewoon weg wilden, die weg moesten, die niet in hun verwoeste steden en dorpen konden blijven. Velen van hen zijn gewoon vluchtelingen, geen aanwinst voor de arbeidsmarkt. De Duitse samenleving zal moeten bedenken hoe met hen om te gaan.

Het echte moment van aankomst – misschien beter: de schok van de realisatie hier te zijn – komt wanneer de Oekraïners inzien waar ze in de toekomst zullen wonen. Namelijk in rijen slaapzalen met tien of veertien bedden en nauwelijks ruimte voor hun koffers, of om zich te draaien. De slaapzalen van maximaal 35 vierkante meter hebben plastic wanden en zijn aan de bovenkant open. Je hoort er alles. 

Gordijnen of soortgelijke schermen tussen de bedden zijn niet toegestaan, vanwege brandgevaar

Het ventilatiesysteem trilt, de constant overbelaste wasmachines draaien op de achtergrond. Kinderen racen door de gangen op stepjes en inlineskates en schreeuwen. Er is geen rust en geen privacy in de honingraten.

Een zeventigjarige vrouw die alleen is gevlucht, kan in een slaapruimte terecht met drie onbekende jonge mannen en een groot gezin. Iedereen kan elkaar ’s ochtends en ’s avonds zien omkleden.

Gordijnen of soortgelijke schermen tussen de bedden zijn niet toegestaan, vanwege brandgevaar. Dat gevaar is er echter ook zónder schermen. Afgelopen maart brandde een zaal volledig uit. De vlammen vernietigden alles wat de bewoners hadden kunnen meenemen uit Oekraïne.

De hygiënische situatie in Tegel is moeilijk. Wastafels zijn vaak vies, douchecabines smerig, defect of beide. De toiletten zijn vaak verstopt omdat onbewaakte kinderen er bergen toiletpapier in gooien – of om andere redenen. De voorzieningen zijn dan uren of dagen gesloten tot ze professioneel worden schoongemaakt.

De vraag die bij een rondleiding automatisch opkomt, is: waarom kunnen de vluchtelingen zelf niet schoonmaken? Dat doen Duitse belastingbetalers thuis immers ook. ‘Maar dat strookt niet met onze principes,’ zegt Kleo Tümmler van het Duitse Rode Kruis (DRK): ‘Als je hier woont, moet je hier niet tegelijkertijd werken. Onze ervaring is dat dit bijna onvermijdelijk tot conflictsituaties leidt, ongunstige hiërarchieën creëert en problemen veroorzaakt met gegevensbescherming.’

Tümmler is de operationeel manager van de DRK in Tegel. Aan de administratieve kant is het staatsbureau voor vluchtelingenzaken verantwoordelijk voor de organisatie van het aankomstcentrum. ‘Buiten het bureau,’ zegt Tümmler, ‘werken hulporganisaties als dienstverleners: wij bij het Rode Kruis, de Arbeiter-Samariter-Bund, de Malteser Hilfsdienst en de Johanniter. We hadden al ervaring opgedaan met het opzetten van vaccinatiecentra tijdens de pandemie en konden snel reageren in deze noodsituatie.’

Een gigantisch hotel

De niet-gouvernementele hulporganisaties zijn verantwoordelijk voor de huisvesting en de sociale en medische zorg van de vluchtelingen, voor het schoonmaken van de gebouwen en tenten, voor beddengoed en handdoeken en voor de catering van drie maaltijden per dag. ‘Eigenlijk runnen we hier een gigantisch hotel,’ zegt Tümmler.

Deze operatie is echter ongelooflijk duur. Volgens het LAF kost een verblijf in het Tegel Arrival Centre maar liefst 200 euro per vluchteling – per dag. Dat is 6000 euro per persoon per maand. Voor alle vijfduizend mensen samen: ruim 30 miljoen euro per maand.

En dit is geen luxe middenklasse hotel, maar een noodopvang op de grens. Zelfs als je de hoge kosten van de bouw van het kamp, water, elektriciteit, verwarming en ventilatie, catering en de ongeveer duizend werknemers van beveiliging, catering, schoonmaakbedrijven en sociale diensten meerekent, moet je je afvragen waar al dat geld naartoe gaat. Nu komen daar nog eens zo’n duizend plaatsen bij. ‘Het centrum wordt groter en dus duurder,’ zegt Tümmler.

Te zout. Te peperig. Te veel azijn. Nauwelijks vitaminen. Het eten maakt je ziek

Dat de vluchtelingen hun dure onderkomen niet als een zegen zien, maar eerder als een ramp, wordt duidelijk als je gaat zitten in de kantine van een van de identiek gebouwde tenthallen. Wie ook maar een beetje officieel overkomt, wordt meteen overspoeld door wanhopige mensen met zorgen, klachten – en vragen, vragen, vragen.

Eén onderwerp dat iedereen echt bezighoudt is het eten. Het is verschrikkelijk, zegt Sergei. Zegt Anatoli. Zegt Prudka. Zegt Aleksandra, zegt Vladislav. Te zout. Te peperig. Te veel azijn. Nauwelijks vitaminen. Het eten maakt je ziek. ‘Waarom kunnen we niet voor onszelf koken?’ vraagt de zestigjarige Lilia Kopilenko, die in Oekraïne een opleiding huishoudkunde heeft gevolgd.

‘Onze cateraar zou zelfs een commerciële keuken op het terrein opzetten,’ zegt Kleo Tümmler: ‘Dat zou zeker goed zijn voor de versheid en kwaliteit van het eten. Maar we hebben de elektriciteit, het water en vooral de ruimte niet.’ Gezien het feit dat het aankomstcentrum gevestigd is op het terrein van een voormalige internationale luchthaven en dat het een maandelijks budget van 30 miljoen euro opslokt, komt deze onderbouwing een beetje raadselachtig over.

Is het ondankbaar van de Oekraïense vluchtelingen om kritiek te hebben op het eten? In elk geval is het kenmerkend dat de (tijdelijke) bewoners van dergelijke organisaties – het leger, ziekenhuizen, internaten – zich het meest met dit onderwerp bezighouden: voedsel heeft alles met overleven te maken.

Ook in een gevangenis kun je leren leven, zeggen de vluchtelingen. We zitten en wachten, zeggen ze. We begrijpen de documenten niet die we moeten invullen. Arbeidsbureau. Immigratiedienst. Sociale dienst. Ziektekostenverzekering. We willen gewoon werken. We hebben Duitse les nodig. We krijgen Duitse les van Arabieren die geen Oekraïens of Russisch spreken. We krijgen helemaal geen Duitse les. We worden ziek en de dokters zeggen: drink water! De bewakers eten hier niet. Er zijn plaatsen in hostels, plaatsen in hotels, goedkope plaatsen, maar vluchtelingen uit Tegel krijgen die niet. We mogen hier niet weg. We dienen klachten in, maar niemand leest ze.

‘Ik kwam uit de hel en nu ben ik weer in een soort hel beland,’ zegt een 77-jarige vrouw uit de Oost-Oekraïense stad Bachmut.

Niemand is verantwoordelijk

‘Je kunt het hier alleen echt uithouden met kalmeringsmiddelen,’ zegt de twintigjarige kokkin Aleksandra Polischchuk. Zij en haar man Vladislav, een programmeur, wonen sinds februari in Tegel. Dat is zo’n vijf maanden. Ze behoren tot degenen die alles zijn kwijtgeraakt bij de brand in maart. Paspoorten. Rijbewijzen. Laptops. Dat betekent nog meer kilometers, nog meer maanden in de bureaucratische hindernisbaan. Ze krijgen de schade niet vergoed, zeggen ze, niemand is verantwoordelijk. Passagiersrechten gelden hier niet.

Het jonge stel komt van de Krim. Ze geloven niet dat ze ooit naar huis kunnen terugkeren. Voorlopig willen ze maar één ding: weg uit het kamp. Ze willen werken. Vladislav en Aleksandra zijn zwaar getatoeëerd. Niet elke Duitse baas houdt daarvan. Maar hier, in dit geïmproviseerde, krankzinnige stadje Tegel, in deze ondraaglijk luide stilte, in dit vreselijke voorgeborchte, zijn ze op de een of andere manier blij dat ze tenminste hun huid hebben kunnen redden. Het enige van thuis wat niemand hun kan afnemen.


Deel dit artikel


Recent verschenen