Onderwerpen: Reportage

  • Dit doen de superrijken op vakantie

    Dit doen de superrijken op vakantie

    Een diner op de Noordpool, kite-skiën op Antarctica of racen op een vulkaan; vermogenden kiezen steeds vaker de meest extreme ‘luxepedities’.

    Henry Reid had de Matterhorn ‘gebeast’ door binnen zes uur naar boven en weer naar beneden te klimmen, en zocht nu naar een nieuwe uitdaging. Zo belandde de eenenveertigjarige op een speedboat die met tachtig kilometer per uur over de Noorse Trollfjord suisde, voorzien van survivalpak, skiboots en ski’s om de verse sneeuw uit te proberen.

    De projectontwikkelaar uit Berkshire had samen met een groep vrienden wekenlang getraind voor de drie uur lange klim – en afdaling – van een 650 meter hoge berg te beklimmen, door kakelverse sneeuw. ‘Ik wist dat dit een van de fysiek uitdagendste dingen was die ik ooit zou doen,’ zegt hij.

    De wandeling door de sneeuw vol kick-turns en zigzags, met ‘skins’ op hun ski’s om de helling op te kunnen lopen, was uitputtend. Maar volgens Reid was het het waard toen ze bij de ijzige afgrond aankwamen en zich ‘konden voorstellen hoe de Scandinaviërs op de mythen van de Walkuren waren gekomen’.

    Toen ze na de terugreis door sneeuw tot aan hun middel weer bij de boot aankwamen was het tijd voor een bezoek aan een plaatselijke herberg genaamd Metro, naar zijn oorsprong als meteorologiestation. Na een diner bereid door een Italiaanse chef kwam de eigenaar van Metro, Matthias, ‘naar ons toe en zei: “Als jullie nog nooit het noorderlicht hebben gezien, moet je nu even naar buiten gaan,”’ vertelt Reid. ‘De hemel werd groen, met witte en blauwe strepen; het was de perfecte afsluiting van een perfecte dag.”

    Het is de norm van een nieuw soort reiziger om met extreme vakanties de grenzen van het menselijke uithoudingsvermogen op te zoeken, op zowel fysiek als mentaal vlak. Dit zijn niet het soort avonturiers die in juni 2023 in de zwarte, ijzige diepte van de Atlantische Oceaan omkwamen in de Titan-onderzeeër van Ocean Gate. Denk eerder aan de techbro’s uit de film Mountainhead van Jesse Armstrong, die in identieke oranje skipakken de top van een berg in Utah beklimmen en daar neerstrijken om uit te rusten en hun netto vermogens met elkaar te vergelijken. Niet alleen de sneeuw was diep, maar ook hun portefeuille.

    Gewoontjes

    Nu recente rapporten aantonen dat de Mount Everest te vol en vervuild raakt – en dergelijke klimsessies inmiddels zo populair zijn dat ze te gewoontjes zijn geworden voor vermogende wereldmigranten – krijgen onaangeraakte bergtoppen, de krochten van de zee en zelfs de ruimte steeds meer aantrekkingskracht.

    Neem Henry Cookson. Hij begon een nieuwe carrière waarbij hij anderen meeneemt naar het einde van de wereld en – als het meezit – weer terug. ‘Ik was een bankier met overgewicht die veel te veel tijd doorbracht in de Londense cafés. Mijn leven veranderde toen ik een uitnodiging ontving voor de Scott Dunn Polar Challenge,’ vertelt hij vanaf de top van een alp, waar hij eindelijk tijd heeft mij telefonisch te woord te staan.

    Hij won de race van 580 kilometer naar de magnetische noordpool en brak met zijn tijd van elf dagen het parcoursrecord. Vervolgens wandelde en kiteski’de hij naar het zuidelijke punt van onbereikbaarheid – het punt in Antarctica dat in alle richtingen het verst van de zee ligt. Op 19 januari 2007, 48 dagen na het vertrek van het Novolazarevskaya-station, vestigde hij met zijn drie teamgenoten een wereldrecord; ze waren de eersten die de plek bereikten zonder gebruik te maken van motorvoertuigen.

    ‘Als je de juiste mensen om je heen hebt kan je de meest wonderbaarlijke dingen bereiken’

    ‘Ik wist helemaal niet hoe je een poolexpeditie ondernam. Ik kon niet langlaufen en was zeker niet fit. Maar als je de juiste mensen om je heen hebt kan je de meest wonderbaarlijke dingen bereiken,’ vertelt hij.

    Met zijn bedrijf Cookson Adventures, dat hij na die reis oprichtte, kunnen klanten overal heen. Zo biedt hij een diner op de Noordpool aan, waarbij klanten vanuit Canada, waar het ijs dik genoeg is, naar het poolgebied reizen, en in een zogeheten jump plane naar de Noordpool vliegen, waar ze vervolgens naar een gedekte tafel op het ijs skydiven.

    ‘Sommige cliënten kunnen al skydiven, anderen worden aan een expert vastgemaakt,’ vertelt Cookson.
    Het ijs rondom de noordpool drijft rond en het is best een opgave om in te schatten welke richting het op gaat. Het is de bedoeling dat ze zich tegen de tijd dat het kamp staat en de gasten per parachute arriveren precies op de pool bevinden. ‘Iedereen wil een foto waarop de GPS bevestigt dat ze op de pool staan,’ legt Cookson uit.

    Nadat de gasten een nacht op het ijs hebben doorgebracht zet Cooksons team een sauna met koelbad klaar om de gasten goed wakker te krijgen. De prijs: ‘Vanaf 1,2 miljoen dollar [ongeveer 1,04 miljoen euro],’ zegt hij, met nadruk op ‘vanaf’.

    Sauna op de pool1
    Na een overnachting op de Noordpool naar de sauna en tussen de sessies een duik onder het ijs. – © Cookson Adventures

    Geen prijslimiet

    Deze nieuwe niche voor reizen voor amateuravonturiers draagt de vreselijke naam luxepedities. Volgens onderzoek van reisconsulent Grand View bedraagt deze sector wereldwijd al ruim 1,4 biljoen dollar, met een verwachte jaarlijkse groei van 7,9 procent. Zo veel nullen op de rekening vallen in het niet naast de belofte van een ultieme uitdaging. ‘Als er een prijslimiet is, hebben we die nog niet gevonden,’ aldus directeur Kevin Jackson van EXP Journeys, die met het Dineh-volk in Noord-Amerika samenwerkt om voor het eerst een expeditie naar de top vande Tower Butte te organiseren, een 300 meter lange rotsachtige toren in Arizona met uitzicht op Lake Powell, om daar vervolgens te kamperen.

    ‘Zo heb je je privébergtop,’ vertelt hij. ‘Het is nooit eerder gedaan. Het uitzicht bij zonsopkomst en zonsondergang is een van de mooiste in de wereld.’

    Na op de 23 meter lange woonboot Sumerset op Lake Powell te hebben overnacht, wandelen de gasten door de ravijnen naar de rotspilaar. Die beklimmen ze vervolgens van de zuidoostelijke zijde met reeds bevestigde touwen en de Jumartechniek – een soort touwladder. Eenmaal aan de top slaan ze hun kamp op met chef Shon Foster, die een ‘veredelde Navajo-tacomaaltijd’ voor ze bereidt. De volgende dag gebruiken ze de touwen om weer naar beneden te abseilen.

    De laatste dag is minder uitputtend. Die besteden ze bij Amangiri, een post van Aman, de hotelgroep met de filosofie ‘less is more’ (totdat je de rekening ziet). De reis kost 20.000 dollar per persoon, uitgaande van een tienkoppige groep. Wrang detail: de dodelijke Titanic-expeditie kostte 250.000 dollar de man.

    ‘Je wilt niet graag terugkijken en denken: “God, wat had ik dat graag eens geprobeerd”’

    Waar komt deze toename in luxepedities vandaan? Voor de techbro-scene van Mountainhead spelen het gevaar voor eigen leven en de kans om jezelf te bewijzen spreken een rol. Maar Geordie Mackay-Lewis en Jimmy Carroll, voormalig kapiteins in het Britse Leger en oprichters van Pelorus, de firma achter Reid’s Noorse odyssee, hebben het niet zo op opschepperij en noemen een andere motivatie.

    ‘Je groeit, ontwikkelt en leert een heleboel over jezelf als je doorzet en jezelf uitdaagt,’ legt Carroll uit. ‘Klanten merken vaak dat ze van dit soort reizen weerbaarder worden, meer waardering krijgen voor teamwork onder druk en dat ze, als het leven wordt gereduceerd tot zijn puurste vorm, beter gaan inzien wat er echt toe doet.’

    Reid stemt hiermee in: ‘Voor mij draait het niet om het patsen. Skiën is een van mijn favoriete bezigheden met vrienden. Je wilt niet graag terugkijken en denken: “God, wat had ik dat graag eens geprobeerd.” Die reis naar Noorwegen wilde ik al jaren maken. Voor mij en mijn vrienden betekent het veel, het gaat niet om de buitenwereld.’ Na de zware klim kozen de vrienden ervoor de laatste twee dagen van hun Arctic Elements ski-ervaring over te gaan op heli-skiën, waarbij ze zich op tussen de 600 en 1500 meter hoogte vanuit de helikopter naar beneden lieten vallen.

    Geprikkeld en uitgedaagd

    Lauren Ho, reisdirecteur van de wereldwijde lifestylebijbel Wallpaper magazine, beaamt dat veel reizigers verlangen naar ‘vervreemding, ontdekking en de mogelijkheid op tijdens het reizen en geprikkeld en uitgedaagd te worden’.

    Op weg van Londen naar Saudi-Arabië legt ze uit: ‘Het is nooit zo makkelijk geweest om ergens te komen, maar tegelijkertijd is het nooit zo moeilijk geweest om te weten waarom. Ooit reisden we om de wereld te ontdekken, nu boeken we hotels en restaurants vanwege hun beoordeling op Tripadvisor, allemaal geselecteerd door algoritmen en voor ons gemak geoptimaliseerd.

    We bewegen ons door de wereld zonder al te veel uitdagingen. De plekken die er echt toe doen – en die ons bijblijven – zijn de plekken die provoceren, die ons confronteren en waar we nog lang na de reis aan terugdenken.’

    ‘Het is nooit zo makkelijk geweest om ergens te komen, maar tegelijkertijd is het nooit zo moeilijk geweest om te weten waarom’

    De door The White Lotus geïnspireerde trend om het nieuwste ‘it’-resort te bezoeken en op sociale media ervaringen met vaak gekunstelde luxe te delen, zet sommige welgestelde reizigers ertoe aan nieuwe horizonten op te zoeken. ‘Voordat het iets werd om te documenteren diende reizen om te ervaren. Men ging niet op reis om in contact te komen met de buitenwereld, maar om eraan te ontsnappen. Het was niet performatief maar persoonlijk. Geen publiek, enkel de spanning om op een plek te komen die niet eens doorhad dat je was gearriveerd.’ Luxereizenonsulent en hoofd van Brown en Hudson Philippe Brown is beaamt dat de drukke plekken, bekend van Instagram, er inmiddels ‘goedkoop’ uitzien voor rijke reizigers die ze al eerder bezochten. Hij ontwijkt de trendy ervaringen en kiest in plaats daarvan voor ‘zeldzame, ongebruikelijke paden, die juist resoneren met mensen die alles al hebben.’

    Reisagent Jaclyn Charles, oprichter van Sienna Charles, beklaagt ‘de celebrityvorming van het reizen. Neem bijvoorbeeld Jeff Bezos en Lauren Sánchez.’ Het stel vierde hun bruiloft door in Venetië een week lang te feesten op Koru, hun superjacht van 500 miljoen dollar.

    Charles, die voormalig VS-president George Bush en zangeres Mariah Carey onder haar klanten mag rekenen, biedt reizen op maat aan waarmee men volledig off the grid kan gaan. ‘We hoeven niet naar Mount Everest om iets speciaals te creëren.’ Of naar Venetië in een superjacht.

    ‘Met de juiste gidsen kunnen “extreme” omgevingen veilig worden voor niet- ontdekkingsreizigers’

    Mackay-Lewis en Carroll merken op dat verbeteringen op het gebied van veiligheid het misschien nog niet makkelijk, maar zeker praktischer maken om vrijwel ieder avontuur aan te gaan – behalve dan naar de maan reizen, maar ook dat is waarschijnlijk slechts een kwestie van tijd.

    Mackay-Lewis, die op een foto op de Pelorus-website hand in poot staat afgebeeld met een wolf, zegt: ‘Met de juiste gidsen en voorbereiding kunnen “extreme” omgevingen veilig worden voor niet-ontdekkingsreizigers en niet-extreme reizigers.’

    Zo is het vandaag de dag mogelijk om vier actieve vulkanen in Nicaragua te beklimmen binnen 24 uur, een prestatie die Carroll de ‘Le Mans 24-hour challenge’ noemt, ‘maar dan met vulkanen in plaats van auto’s. Het gaat om een van de minst bezochte en toch een van de mooiste plekken op aarde, met actieve lavavelden.’

    82.000 euro

    Voor degenen die na deze uitdaging wat willen ontspannen, organiseert Pelorus een uitstapje van een paar dagen naar het privé-eiland Calala, naast de kust van Nicaragua, waar diëtisten, wellness- en herstelexperts beschikbaar zijn. Een avontuur van acht dagen, inclusief de challenge van 24 uur en een week op het eiland, kost vanaf 95.000 dollar (ongeveer 82.000 euro) per persoon, uitgaande van een groep van vier personen.

    Naast veiligheid speelt voldoening een grote rol. Toen een rijke familie een reis naar de Noordpool aanvroeg, organiseerde Pelorus een pakket met genoeg activiteiten om een hele David Attenborough-documentaire mee te vullen, inclusief pinguïns voor de kleuters, een gletsjerwandeling voor de grootouders en een ijsbeersafari op een Zodiacboot voor het hele gezelschap. Lunch werd geserveerd op de rand van een ijskap, op een grote tafel geflankeerd door met bont beklede stoelen.

    Diner op de pool 1
    De tafel is gedekt voor een familite op ‘expeditie’ op de Noordpool. – © Pelorus

    Reizen naar de noordelijkste plek op aarde zijn niet ongewoon voor Pelorus, wiens reizen op een luxejacht rondom Spitsbergen vanaf 20.000 dollar per persoon (exclusief vlucht) worden aangeboden. Degenen die voet aan wal willen zetten op de Noordpool kunnen eventueel met een OceanSky-schip op reis, waar, als ze weer terug aan boord zijn, de klanten worden vergast op sterrendiner.

    Zijn dit soort extreme reisjes het geld waard, al maken ze maar een klein deukje in de portemonnee van de een- procenter? ‘Honderd procent!’ zegt Mackay-Lewis terwijl hij de zoveelste flinke cheque incasseert. Hij wijst ons op de benodigde creativiteit om uit te blinken op de reismarkt.

    ‘Als ze naar een normaal luxueus reisbureau gaan en zeggen: “Ik wil naar Namibië,” staat ze waarschijnlijk een standaardrondreis te maken. Er zit geen verhaal achter. Er is geen echte onderdompeling bij inheemse gemeenschappen en geen aandacht voor natuurbehoud.’

    Donaties

    Cookson beaamt dat maatschappelijke baten op langere termijn een krachtige prikkel zijn voor luxpeditionisten. Hij wijst erop dat na zulke avonturen de donaties snel volgen – of het nu gaat om weeshuizen, de filantropische stichtingen van de reisorganisaties of om hoge toegangs-/permit-fees voor ‘onbereikbare’ locaties die als donatie worden gepresenteerd.

    Om het Bhutaanse Koninklijke Park Manas te mogen bezoeken, waar men naar de bedreigde Bengaalse tijger en de Aziatische olifant op zoek gaat, of om op nieuwe routes in het heuvelgebied van het Himalayagebergte te wandelen, moeten Cooksons klanten een lokale ngo, school of conservatieproject steunen – bovenop de standaardprijs van 250.000 voor de tiendaagse reis. ‘Het koninklijk huis van Bhutan staat erop dat groepsreizen een duidelijk doel hebben en een bijdrage leveren aan het land,’ legt Cookson uit.

    Cookson en Lenin
    Henry Cookson op de Antarctic Pole of Inaccessibility. – © Cookson Adventures

    Zelf doet hij daar graag nog een schepje bovenop. ‘We hebben plannen om een uniek en nooit eerder vertoond eco-kamp te stichten op een prachtige plek in Groenland, een bestemming waar we steeds meer organiseren,’ zegt hij. Het gebied ontwikkelt momenteel een internationale toerismesector – zo werd er vorig jaar een nieuw vliegveld geopend, met nog twee in het vooruitzicht.

    Niet alle welgestelde vakantieaanbieders hebben echter de duurzaamheidsboodschap meegekregen. ‘Sommigen lijkt het helemaal niets te kunnen schelen,’ aldus Mackay-Lewis. Dus ‘rekent Pelorus het door aan de klant’, met een extra ‘planeetrekening’ op elke factuur, en een heffing van 1 procent voor natuurbehoud.

    Luxpeditionisten moeten er van hen aan geloven – of hun miljoenenbudget voor avonturen ergens anders besteden.

  • Een bezoek aan het grootste vluchtelingenkamp in Duitsland

    Een bezoek aan het grootste vluchtelingenkamp in Duitsland

    In het aankomstcentrum Tegel in Berlijn wonen bijna vijfduizend mensen. Het centrum verslindt 30 miljoen euro per maand. Toch is niemand er gelukkig. Neue Zürcher Zeitung bracht een bezoek aan de omstreden plek.

    ‘Is je vlucht geannuleerd? Dit zijn uw rechten als passagier.’ Dit staat nog steeds op een vervaagde poster op een muur in de voormalige West-Berlijnse luchthaven Tegel. Maar hier vertrekken geen vluchten meer, niet naar zakelijke bijeenkomsten in Keulen of Zürich, niet naar populaire bestemmingen in Spanje of Griekenland.

    Tegel is louter een plaats van aankomst geworden, waarbij ‘aankomst’ in de breedst denkbare zin moet worden opgevat. Toen Rusland in februari 2022 Oekraïne binnenviel en de eerste vluchtelingen een paar weken later in Duitsland aankwamen, met name in de hoofdstad Berlijn, werd op het braakliggende terrein van de luchthaven het ‘Tegel Arrival Centre’ gebouwd.

    De tentenstad was bedoeld als een eerste opvangcentrum waar de vluchtelingen hooguit een paar dagen zouden verblijven tot ze geregistreerd waren en elders naar behoren konden worden opgevangen. Maar er is heel weinig ‘elders’ in Berlijn. Flats zijn schaars en de huurprijzen exorbitant hoog.

    Bijna vijfduizend vrouwen, mannen en kinderen wonen nu in de tenten in Tegel – ongeveer vierduizend Oekraïners en bijna duizend asielzoekers uit landen als Turkije, Afghanistan, Irak, Georgië en Vietnam. De gemiddelde verblijfsduur in de primitieve noodopvang is tweehonderd dagen. Sommige mensen zitten hier echter al twee jaar. Het is het grootste vluchtelingenkamp in Duitsland.

    In het verleden moesten passagiers rekening houden met druk verkeer als ze met een taxi of hun eigen auto van de Berlijnse snelweg A100 naar het knooppunt Tegel reden. De vluchtstrook stond vol met auto’s waarvan de eigenaars bang waren voor de hoge parkeertarieven op het vliegveld.

    Griezelige stilte

    Vandaag de dag hangt er een bijna griezelige stilte boven het terrein. Geen vliegtuiglawaai van starts en landingen, alleen een paar voertuigen. Het groen langs de wegen, op de parkeerplaatsen en op het asfalt tiert welig en is al bezig het beton te verbrokkelen.

    De reis van een Oekraïense oorlogsvluchteling naar een nieuw leven in transitie begint voor de voormalige incheckhal van de ingestorte goedkope luchtvaartmaatschappij Air Berlin. Elke tien minuten arriveren hier pendelbussen. Ze brengen nieuwkomers vanuit het stadscentrum en het hoofdstation. In de terminal zitten deze nieuwkomers naast hun lijvige bagage. Wat neem je mee op een vlucht? Wat is onmisbaar? Wat moet je met een bezwaard hart achterlaten? Er zijn veel oudere mensen te zien, veel mensen die een rolstoel nodig hebben of met een rollator lopen. Tegel heeft een geïmproviseerde verpleegpost voor demente patiënten, voor dialysepatiënten, voor bomslachtoffers zonder benen.

    Nu begint een tijd van wachten. Wachten, allereerst, op een soort omgekeerde check-in die mensen toestemming geeft om te blijven, maar niet om verder te gaan. Medewerkers van het Berlijnse staatsbureau voor vluchtelingenzaken (LAF) voeren toelatingsgesprekken met de Oekraïners: wie komt waar vandaan? Wie is familie? Wie heeft welke papieren? Er worden biometrische foto’s en vingerafdrukken genomen. Na de vluchtelingencrisis van 2015, die een organisatorische ramp was, wil de Duitse staat er niet langer van beschuldigd worden niet te weten wie het land binnenkomt.

    In Tegel weten ze het wel: het zijn niet de best opgeleiden, niet de talenwonders, niet de jonge, digitaal vaardige Oekraïners die hierheen komen. Vaak hebben ze meteen een ander onderkomen gevonden, bij familie, vrienden, sportmaatjes, Erasmusstudenten. Hierheen, naar Tegel, komen mensen die gewoon weg wilden, die weg moesten, die niet in hun verwoeste steden en dorpen konden blijven. Velen van hen zijn gewoon vluchtelingen, geen aanwinst voor de arbeidsmarkt. De Duitse samenleving zal moeten bedenken hoe met hen om te gaan.

    Het echte moment van aankomst – misschien beter: de schok van de realisatie hier te zijn – komt wanneer de Oekraïners inzien waar ze in de toekomst zullen wonen. Namelijk in rijen slaapzalen met tien of veertien bedden en nauwelijks ruimte voor hun koffers, of om zich te draaien. De slaapzalen van maximaal 35 vierkante meter hebben plastic wanden en zijn aan de bovenkant open. Je hoort er alles. 

    Gordijnen of soortgelijke schermen tussen de bedden zijn niet toegestaan, vanwege brandgevaar

    Het ventilatiesysteem trilt, de constant overbelaste wasmachines draaien op de achtergrond. Kinderen racen door de gangen op stepjes en inlineskates en schreeuwen. Er is geen rust en geen privacy in de honingraten.

    Een zeventigjarige vrouw die alleen is gevlucht, kan in een slaapruimte terecht met drie onbekende jonge mannen en een groot gezin. Iedereen kan elkaar ’s ochtends en ’s avonds zien omkleden.

    Gordijnen of soortgelijke schermen tussen de bedden zijn niet toegestaan, vanwege brandgevaar. Dat gevaar is er echter ook zónder schermen. Afgelopen maart brandde een zaal volledig uit. De vlammen vernietigden alles wat de bewoners hadden kunnen meenemen uit Oekraïne.

    De hygiënische situatie in Tegel is moeilijk. Wastafels zijn vaak vies, douchecabines smerig, defect of beide. De toiletten zijn vaak verstopt omdat onbewaakte kinderen er bergen toiletpapier in gooien – of om andere redenen. De voorzieningen zijn dan uren of dagen gesloten tot ze professioneel worden schoongemaakt.

    De vraag die bij een rondleiding automatisch opkomt, is: waarom kunnen de vluchtelingen zelf niet schoonmaken? Dat doen Duitse belastingbetalers thuis immers ook. ‘Maar dat strookt niet met onze principes,’ zegt Kleo Tümmler van het Duitse Rode Kruis (DRK): ‘Als je hier woont, moet je hier niet tegelijkertijd werken. Onze ervaring is dat dit bijna onvermijdelijk tot conflictsituaties leidt, ongunstige hiërarchieën creëert en problemen veroorzaakt met gegevensbescherming.’

    Tümmler is de operationeel manager van de DRK in Tegel. Aan de administratieve kant is het staatsbureau voor vluchtelingenzaken verantwoordelijk voor de organisatie van het aankomstcentrum. ‘Buiten het bureau,’ zegt Tümmler, ‘werken hulporganisaties als dienstverleners: wij bij het Rode Kruis, de Arbeiter-Samariter-Bund, de Malteser Hilfsdienst en de Johanniter. We hadden al ervaring opgedaan met het opzetten van vaccinatiecentra tijdens de pandemie en konden snel reageren in deze noodsituatie.’

    Een gigantisch hotel

    De niet-gouvernementele hulporganisaties zijn verantwoordelijk voor de huisvesting en de sociale en medische zorg van de vluchtelingen, voor het schoonmaken van de gebouwen en tenten, voor beddengoed en handdoeken en voor de catering van drie maaltijden per dag. ‘Eigenlijk runnen we hier een gigantisch hotel,’ zegt Tümmler.

    Deze operatie is echter ongelooflijk duur. Volgens het LAF kost een verblijf in het Tegel Arrival Centre maar liefst 200 euro per vluchteling – per dag. Dat is 6000 euro per persoon per maand. Voor alle vijfduizend mensen samen: ruim 30 miljoen euro per maand.

    En dit is geen luxe middenklasse hotel, maar een noodopvang op de grens. Zelfs als je de hoge kosten van de bouw van het kamp, water, elektriciteit, verwarming en ventilatie, catering en de ongeveer duizend werknemers van beveiliging, catering, schoonmaakbedrijven en sociale diensten meerekent, moet je je afvragen waar al dat geld naartoe gaat. Nu komen daar nog eens zo’n duizend plaatsen bij. ‘Het centrum wordt groter en dus duurder,’ zegt Tümmler.

    Te zout. Te peperig. Te veel azijn. Nauwelijks vitaminen. Het eten maakt je ziek

    Dat de vluchtelingen hun dure onderkomen niet als een zegen zien, maar eerder als een ramp, wordt duidelijk als je gaat zitten in de kantine van een van de identiek gebouwde tenthallen. Wie ook maar een beetje officieel overkomt, wordt meteen overspoeld door wanhopige mensen met zorgen, klachten – en vragen, vragen, vragen.

    Eén onderwerp dat iedereen echt bezighoudt is het eten. Het is verschrikkelijk, zegt Sergei. Zegt Anatoli. Zegt Prudka. Zegt Aleksandra, zegt Vladislav. Te zout. Te peperig. Te veel azijn. Nauwelijks vitaminen. Het eten maakt je ziek. ‘Waarom kunnen we niet voor onszelf koken?’ vraagt de zestigjarige Lilia Kopilenko, die in Oekraïne een opleiding huishoudkunde heeft gevolgd.

    ‘Onze cateraar zou zelfs een commerciële keuken op het terrein opzetten,’ zegt Kleo Tümmler: ‘Dat zou zeker goed zijn voor de versheid en kwaliteit van het eten. Maar we hebben de elektriciteit, het water en vooral de ruimte niet.’ Gezien het feit dat het aankomstcentrum gevestigd is op het terrein van een voormalige internationale luchthaven en dat het een maandelijks budget van 30 miljoen euro opslokt, komt deze onderbouwing een beetje raadselachtig over.

    Is het ondankbaar van de Oekraïense vluchtelingen om kritiek te hebben op het eten? In elk geval is het kenmerkend dat de (tijdelijke) bewoners van dergelijke organisaties – het leger, ziekenhuizen, internaten – zich het meest met dit onderwerp bezighouden: voedsel heeft alles met overleven te maken.

    Ook in een gevangenis kun je leren leven, zeggen de vluchtelingen. We zitten en wachten, zeggen ze. We begrijpen de documenten niet die we moeten invullen. Arbeidsbureau. Immigratiedienst. Sociale dienst. Ziektekostenverzekering. We willen gewoon werken. We hebben Duitse les nodig. We krijgen Duitse les van Arabieren die geen Oekraïens of Russisch spreken. We krijgen helemaal geen Duitse les. We worden ziek en de dokters zeggen: drink water! De bewakers eten hier niet. Er zijn plaatsen in hostels, plaatsen in hotels, goedkope plaatsen, maar vluchtelingen uit Tegel krijgen die niet. We mogen hier niet weg. We dienen klachten in, maar niemand leest ze.

    ‘Ik kwam uit de hel en nu ben ik weer in een soort hel beland,’ zegt een 77-jarige vrouw uit de Oost-Oekraïense stad Bachmut.

    Niemand is verantwoordelijk

    ‘Je kunt het hier alleen echt uithouden met kalmeringsmiddelen,’ zegt de twintigjarige kokkin Aleksandra Polischchuk. Zij en haar man Vladislav, een programmeur, wonen sinds februari in Tegel. Dat is zo’n vijf maanden. Ze behoren tot degenen die alles zijn kwijtgeraakt bij de brand in maart. Paspoorten. Rijbewijzen. Laptops. Dat betekent nog meer kilometers, nog meer maanden in de bureaucratische hindernisbaan. Ze krijgen de schade niet vergoed, zeggen ze, niemand is verantwoordelijk. Passagiersrechten gelden hier niet.

    Het jonge stel komt van de Krim. Ze geloven niet dat ze ooit naar huis kunnen terugkeren. Voorlopig willen ze maar één ding: weg uit het kamp. Ze willen werken. Vladislav en Aleksandra zijn zwaar getatoeëerd. Niet elke Duitse baas houdt daarvan. Maar hier, in dit geïmproviseerde, krankzinnige stadje Tegel, in deze ondraaglijk luide stilte, in dit vreselijke voorgeborchte, zijn ze op de een of andere manier blij dat ze tenminste hun huid hebben kunnen redden. Het enige van thuis wat niemand hun kan afnemen.

  • Laatste roman Gabriel García Márquez tóch gepubliceerd. ‘Gabo’s oeuvre is springlevend’

    Laatste roman Gabriel García Márquez tóch gepubliceerd. ‘Gabo’s oeuvre is springlevend’

    En agosto nos vemos, de laatste krachtsinspanning van schrijver Gabriel García Márquez ‘tegen het verdampen van zijn geheugen’, is onlangs in veertig talen uitgebracht. Of dat wel de bedoeling van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar zelf was, is de vraag.

    In het Harry Ransom Center in Texas liggen vijf met de hand gecorrigeerde versies van de roman En agosto nos vemos en wordt ook de rest van het nalatenschap van Gabriel García Márquez bewaard. Behalve die vijf versies met correcties, gedateerd tussen juni en juli 2004, zijn er twee ‘kopieën uit de bureaula’ en een kopie met de aanduiding ‘Los Ángeles’, de stad waar de schrijver aan het boek werkte terwijl hij tegen kanker vocht, verder nog een matig positief leesverslag en verschillende fragmenten die García Márquez naar zijn agente Carmen Balcells in Barcelona had opgestuurd, maar waarvan de schrijver, die de laatste tien jaar wegzakte in dementie, in 2010 of misschien 2011 zou zeggen: ‘Dit boek deugt niet. Het moet vernietigd worden.’

    En agosto nos vemos is niet vernietigd. Het boek is op 6 maart, de dag waarop de schrijver 97 zou zijn geworden, uitgebracht. Rodrigo García en Gonzalo García Barcha, de zonen en erfgenamen van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar, en zijn vrouw Mercedes ­Barcha, die in het begin van de pandemie overleed, hebben de roman een paar jaar geleden herzien en geconcludeerd dat hij het verdiende gepubliceerd te worden. ‘Het was zijn laatste krachtsinspanning tegen het verdampen van zijn geheugen,’ aldus zijn oudste zoon, Rodrigo, een vermaard cineast in Hollywood. ‘Hij heeft er keihard aan gewerkt. Maar naarmate de dingen hem ontglipten, vergat hij ook dat boek. Mijn theorie is dat hij, toen hij zei dat het niet deugde, het vermogen om zijn werk te beoordelen al kwijt was. Dit boek is niet zo puntgaaf als zijn andere romans, maar het is ook weer geen fiasco waar geen touw aan vast te knopen valt. Ik denk dat hij degene was die er op een gegeven moment geen touw meer aan vast kon knopen.’

    Om orde te scheppen in het materiaal dat hun vader bij zijn dood – in april tien jaar geleden – naliet, riepen ze de hulp in van de Spaanse uitgever Cristóbal Pera, die met de schrijver onder andere had samengewerkt aan diens autobiografie Vivir para contarla (2002) [in het Nederlands verschenen als Leven om het te vertellen]. Pera, die nu leiding geeft aan uitgeverij Planeta in de VS, vergeleek in zijn vrije tijd op de zolder van zijn huis in New Jersey alle rode correcties in het nogal woeste handschrift van García Márquez. ‘Ik moest natuurlijk niks toevoegen, maar proberen uit te maken welke versie het dichtst bij de definitieve kwam. Dus aan de hand van zijn aantekeningen voor redacteur spelen, alsof ik naast hem zat,’ licht hij toe.

    De bedoeling van de zonen was om de staat waarin het verhaal verkeerde toen hun vader er de brui aan gaf zo veel mogelijk te respecteren, wat zelfs zo ver ging, vertelt Rodrigo, dat ze ‘een paar tegenstrijdigheden’ weigerden aan te passen toen ze er door een paar van de vertalers op attent werden gemaakt.

    ‘De personages van mijn romans komen pas tot leven als ze een naam hebben die hen typeert’

    Hoofdpersoon is een vrouw van middelbare leeftijd genaamd Anna Magdalena Bach, naar de tweede echtgenote van de componist, een raadselachtige keuze die vast een knipoog van de muziekgek ‘Gabo’ naar zijn lezers inhield, want die weten wel dat namen belangrijk voor hem waren. ‘De personages van mijn romans komen pas tot leven als ze een naam hebben die hen typeert,’ schreef hij in zijn memoires.

    Het type Anna Magdalena Bach is iemand die op reis gaat om de buitenechtelijke liefde te verkennen en tegelijkertijd, zoals ze ieder jaar doet, een bezoek te brengen aan het graf van haar moeder.

    Toen de erfgenamen het archief – tachtig dozen met papieren, 67 floppy’s, en nog eens vijftien dozen en drie grote mappen, in totaal ruim 10 gestrekte meter – verkochten, wilden ze Nos vemos en agosto niet toegankelijk maken voordat ze wisten wat ze met het materiaal wilden doen. Het manuscript werd ook niet meegenomen bij de digitalisering in 2017 van 27.000 documenten die ‘iets meer dan de helft van het geheel’ uitmaken (oftewel de helft van al het materiaal waarover de familie het intellectuele eigendom bezit), aldus Jim Kuhn, die verantwoordelijk was voor die operatie.

    GettyImages 3111729
    © Getty Images

    ‘Het was een grootmoedige geste en tegelijk een uitstekende manier om de nalatenschap en het creatieve proces van de schrijver te delen,’ zegt Kuhn. Rodrigo García bagatelliseert het belang van de geste. ‘Uiteindelijk krijg je als je de titel van een willekeurige roman op Google intikt vanzelf de pdf te zien, ongelooflijk maar waar,’ zucht hij. De digitalisering deed ook niet af aan de belangstelling om de documenten van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar persoonlijk te komen raadplegen. 

    Toen de onuitgegeven roman voor onderzoekers werd vrijgegeven, publiceerde de Colombiaanse journalist Gustavo Arango, die de tekst in Texas las, een artikel waarin hij hoog opgaf van de kwaliteiten, en dat was een reden te meer, vertelt Pera, om de familie te bewegen tot uiteindelijke publicatie. ‘Uiteraard is het niet voor het geld dat het boek nu wordt gepubliceerd,’ benadrukt de uitgever. ‘Gabo’s oeuvre is springlevend. Alleen al in China zijn de laatste jaren 10 miljoen exemplaren van Honderd jaar eenzaamheid verkocht.’

    Samen een geheel

    In het archief vind je ook foto’s van een evenement in 1999 in het Casa de América, in Madrid, dat was georganiseerd door de Spaanse auteursbond en waarbij je de schrijver een versie van het eerste hoofdstuk van Nos vemos en agosto ziet voorlezen, gezeten naast een andere Nobelprijswinnaar, José Saramago. El País-journalist Rosa Mora, die erbij was, maakte een reportage waarin ze inging op de plot en vertelde dat het ging om het eerste van de ‘vijf op zichzelf staande verhalen’ die met elkaar zijn volgende boek zouden uitmaken. ‘Het lijken volstrekt afgeronde, op zich staande verhalen, maar ze vormen met elkaar een geheel’, schreef ze in haar artikel. 

    De zondag erna publiceerde de krant een herziene versie van de bewuste tekst. Uit een map met brieven aan zijn literair agent is ook op te maken wanneer Gabo besloot aan El País (en aan het Colombiaanse tijdschrift Cambio) ander materiaal te geven dat te maken had met de onuitgegeven roman, een verhaal dat in 2003 werd gepubliceerd onder de titel ‘La noche del eclipse’ (De nacht van de eclips). 

    Uit deze voorpublicaties bleek dat Nos vemos en agosto heel goed het derde deel zou kunnen zijn van een trilogie ‘over liefde op rijpere leeftijd’, waarvan Over de liefde en andere duivels en Herinnering aan mijn droeve hoeren als de eerste twee delen kunnen worden beschouwd. ‘Ook daarom wilden wij deze roman publiceren,’ zegt Rodrigo García, ‘want ik denk dat het boek dat drieluik met feministische inslag uitstekend afsluit. Vanwege het specifieke gezichtspunt, dat van een vrouw, dachten we dat het Gabo’s wereld voor zijn lezers, en vooral voor zijn lezeressen, zou verruimen.’

    Als je deze doorhalingen en notities in de kantlijn aandachtig bestudeert, krijg je een inkijkje in het brein van de schrijver

    De verschillende in Austin bewaarde versies zijn geschreven in Palatino, het lettertype dat hoort bij de eerste Apple-computers waarover Gabo heel enthousiast was. ‘Hij gebruikte ze alleen om te redigeren en de krant te lezen, verder niet. Hij was heel perfectionistisch en hield ervan een pagina schoon achter te laten, op de schrijfmachine verdeed hij veel tijd met het verbeteren van fouten,’ herinnert Rodrigo García zich. ‘Met de computer ging hij van één pagina per dag naar vier of vijf.’

    Op die pagina’s gaf de auteur met rode pen of met potlood herhalingen aan, schrapte zinsneden als ‘donkere wolken vulden de stad als een duister voorteken’ of veranderde van gedachten over de leeftijd van de hoofdpersoon: in het begin nabij de 30, later 36, en ten slotte 46 jaar. Als je deze doorhalingen en notities in de kantlijn aandachtig bestudeert, krijg je een inkijkje in het brein van de schrijver voordat hij in zijn labyrint verdween. Pera had ze nodig om zijn bedoelingen te achterhalen. Hij baseerde zich, vertelt hij, op de vijfde versie, die zich bevond in een zwarte map van Gabo’s favoriete merk Leuchtturm, waarop hij ‘Gran OK’ (‘Klaar!’) had gezet. Pera vergeleek de versie met een ‘Word-document dat zijn secretaresse, Mónica Alonso, bijhield’. In feite was Pera’s bemoeienis met de roman al lang begonnen voordat de zoons hem twee jaar geleden benaderden. ‘Op een dag in 2010 zei Balcells in Barcelona tegen me: ‘Cristóbal, je moet Gabo zover zien te krijgen dat hij de roman waaraan hij werkt afmaakt,’ herinnert hij zich. ‘Terug in Mexico vertelde ik het hem. Hij moest lachen en zei dat hij al klaar was, en om het te bewijzen las hij me de laatste alinea voor. Daarna liet hij me maandenlang verder niks zien, tot hij me op een dag toestond om hem hardop drie hoofdstukken voor te lezen. Heel ontroerend.’

    GettyImages 2061063410
    © Getty Images

    Tijdens zijn reconstructie kon Pera ook rekenen op de hulp van Alonso, Márquez’ trouwe en nog steeds discrete (ze weigerde aan deze reportage mee te werken) secretaresse de laatste jaren, toen de schrijver, die zichzelf, zoals zijn biograaf, Gerald Martin, memoreert, altijd had beschouwd als een ‘crack qua geheugen’, dat geheugen begon kwijt te raken. Dat ‘pijnlijke proces’ heeft Rodrigo García beschreven in zijn aangrijpende boek Gabo y Mercedes. Una despedida [in het Nederands verschenen als Er is nog tijd. Herinneringen van een zoon aan Gabriel García Márquez], een verslag van zijn rouw en van de laatste levensfase van zijn beide ouders. Hij vertelt daarin openhartig over die jaren zonder voorbij te gaan aan de ‘moeilijkste maanden’, waarin de schrijver ‘zich zijn levenslange echtgenote weliswaar herinnerde maar dacht dat de vrouw die tegenover hem zat en hem verzekerde dat het om haar ging een bedriegster was.’ ‘Waarom loopt dat mens hier te commanderen en het huishouden te runnen als ze helemaal niet bij mij hoort?’ vroeg hij. ‘Hier is niet hij, maar de dementie aan het woord,’ zei haar zoon.

    ‘Die constante zelfcorrectie is een van de dingen die hem als schrijver kenmerken. Hij zat zijn teksten altijd te verbeteren, wat zijn journalistieke inslag verraadt,’ verklaart Álvaro Santana Acuña, die sociologie doceert aan het Whitman College, in de staat Washington. 

    Santana Acuña is een van de grootste kenners van het archief in Austin. Zijn expertise stelde hem in staat het boek Ascent to Glory (2020) te schrijven, een soort biografie van Honderd jaar eenzaamheid en het enorme, onverwachte succes van het boek. Het Harry Ransom Center vroeg hem de samenstelling op zich te nemen van de tentoonstelling Gabriel García Márquez. The Making of a Global Writer, waarin hij Gabo plaatst tussen andere grote auteurs uit de twintigste eeuw, meesters of vrienden als Joyce, William Faulkner, Jorge Luis Borges of Julio Cortázar.

    Eerste klapper

    Dat idee paste bij de opzet van het instituut om de nalatenschap van Márquez openbaar te maken, aldus de directeur van het Harry Ransom Center, Stephen Enniss. Hij vertelt dat de aanschaf van Márquez’ archief zijn eerste klapper was toen hij tien jaar geleden in functie trad. De aankoop lokte kritiek uit vanwege de beslissing om de geschriften van de Nobelprijswinnaar naar de VS over te brengen in plaats van ze te laten in Colombia, waar hij werd geboren, of in Mexico, tientallen jaren zijn woon- en verblijfplaats. Misschien dat het Harry Ransom Center er daarom zoveel aan gelegen was om het archief te catalogiseren en zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor publiek. Het laatste item dat via aankoop op een veiling in bezit van het centrum kwam, is een brief uit 1950 van García Márquez aan zijn vriend Carlos Alemán waarin hij het centrale personage uit Honderd jaar eenzaamheid ter sprake brengt. 

    Dat het archief buitengewoon toegankelijk is, blijkt wel uit het feit dat wie met een geldig identiteitsbewijs naar Austin komt maar twintig minuten nodig heeft om het typoscript van Honderd jaar eenzaamheid in handen te krijgen en te ontdekken dat het legendarische begin, over kolonel Aureliano Buendía die staande voor het vuurpeloton terugdacht aan die middag dat zijn vader hem meenam om het ijs te leren kennen, bijna uit drie zinnen had bestaan.

    GettyImages 515138774
    De schrijver van Honderd jaar eenzaamheid in 1982 in zijn huis. – © Getty Images

    Santana Acuña betreurt het lot van het archief van Gabo’s literair agent, zeker als hij het vergelijkt met de gang van zaken rond Gabo’s nalatenschap. ‘De Spaanse staat kocht het [in 2010 en na de dood van Balcells, in 2015] en na al die jaren liggen de spullen nog steeds in dozen, ze zijn niet eens toegankelijk voor wetenschappers, om over digitalisering maar niet te spreken,’ zucht hij. En dat is zeker jammer. Wie de brieven leest die van haar in Austin liggen, ontdekt een schrijver die weliswaar een keiharde zakenvrouw was maar ook hart had voor de mensen die zij vertegenwoordigde en de kunst van de ironie verstond. Bijvoorbeeld als zij haar sterauteur bij wijze van groet schrijft: ‘Dikke kus en eens zien wat we je voor je verjaardag kunnen geven. Die 3000 dollar is zo afgezaagd.’

    Het agentschap Balcells blijft met de toewijding van de vrouw die het oprichtte het nalatenschap van García Márquez beheren met als komende mijlpalen de viering van zijn honderdste geboortedag, in 2027, en de première van de acht eerste hoofdstukken van de serie die Netflix op basis van Honderd jaar eenzaamheid in voorbereiding heeft en die is voorzien voor het einde van dit jaar. Opnieuw iets waarmee zijn erfgenamen tegen de wil van de schrijver besloten in te gaan: ‘De bedenking die hij had, is dat hij liever niet in beelden bestond maar alleen in de verbeelding van zijn lezers,’ geeft Rodrigo García toe. ‘Maar hij zei als film- en televisieliefhebber ook vaak dat er niets mis was met een productie van een heleboel uur. Honderd, zei hij. Hij was vooral geen voorstander van een verfilming van twee, hooguit vier uur met Hollywoodacteurs. Hij had trouwens niets tegen televisie; hij hield van goede series.’

    García zegt erbij dat de familie tot de conclusie kwam dat het ‘er vroeg of laat van moest komen’. ‘Anders doen onze kinderen of kleinkinderen het wel, of het gebeurt als de roman rechtenvrij is. Wij zagen de belangstelling van Netflix, dat een flinke bom duiten voor de productie overhad – en dan moet je niet denken aan het budget van een soap – en bovendien rekening wilde houden met al onze eisen, dus dit leek ons het juiste moment.’ Die voorwaarden hielden in dat de nodige omvang werd betracht en dat de serie in Colombia in het Spaans werd gedraaid met een Latijns-Amerikaanse crew. ‘Er zal vast veel discussie over ontstaan. Men zal zeggen dat Gabo tegen was. Maar er is iets wat ons altijd kan vrijpleiten en dat is dat hij placht te zeggen: ‘Na mijn dood mag je doen wat je wilt.’

    Het zal dankzij deze uitspraak zijn, een uitspraak die niet zou misstaan in de mond van een van de lapidaire personages uit zijn romans, dat de lezers van García Márquez met de serie zullen kunnen terugkeren naar Macondo. Ook kunnen ze binnenkort eindelijk kennisnemen van Nos vemos in agosto, het hoofdstuk dat zijn literaire oeuvre afsluit. 

  • In het talibanhotel: ‘Vrede is goed voor Afghanistan. Maar voor ons is het saai’

    In het talibanhotel: ‘Vrede is goed voor Afghanistan. Maar voor ons is het saai’

    Het Intercontinental in Kaboel was het eerste luxehotel van Afghanistan. Ooit werden er legendarische feesten gehouden, nu is het in handen van de taliban en worden niet-taliban gedwongen met hen samen te werken. Journalist Andreas Babst bracht een bezoek aan de omstreden plek.

    Bij de eerste slagboom staat een talib te glimlachen, zoals hem is opgedragen. Bij de tweede slagboom staat op een bord: ‘Overdrachtspunt voor wapens’. Wie hier zijn kalasjnikov afgeeft, ontvangt een bonnetje en krijgt zijn wapen bij het verlaten van het hotel terug. De weg slingert de heuvel op tussen cirkelvormig gesnoeide heggen. Bij de derde barrière wordt er gefouilleerd. Dan verschijnt eindelijk achter een metalen hek de oprit naar het hotel. Voor de ingang piepen de autobanden op de grote marmeren tegels.

    Het Intercontinental Hotel torent als een kasteel boven Kaboel, de door oorlog geteisterde hoofdstad van Afghanistan. Hier is het geluid van toeterende auto’s niet meer te horen.

    In 1969 werd het Intercontinental Hotel geopend, het eerste luxe hotel in Afghanistan. Maar het voelt als veel langer geleden. Afghanistan is meer dan veertig jaar in oorlog geweest. Heersers kwamen en gingen en allen verbleven hier, in het Intercontinental. Ondanks zijn vergane glorie is het hotel nog steeds een symbool: wie in Kaboel regeert, regeert niet alleen over Afghanistan maar ook over het Intercontinental. Nu is dat dus de taliban.

    Op 15 augustus 2021 drongen ze Kaboel binnen. Ze hebben al twee jaar de macht, maar zijn nog steeds niet te peilen. We horen alleen de gruwelverhalen: vrouwen en meisjes mogen al twee jaar niet meer naar middelbare scholen en universiteiten. Vrouwen mogen niet meer in openbare parken komen. Zowel vrouwen als mannen krijgen zweepslagen voor overspel.

    Het grootste experiment van de taliban bleef tot nu toe voor de rest van de wereld onopgemerkt. Het vindt plaats achter bureaus in het hele land. De nieuwe regering dwingt taliban en niet-taliban om samen te werken, zowel binnen de regering als bij overheidskwesties. Jonge mannen delen een kantoor met de jonge strijders die ze ooit vreesden, jonge strijders zitten naast jonge mannen die ze ooit verachtten. Er hangt veel af van dit experiment. Het bepaalt grotendeels of er vrede zal blijven, of er echte verzoening komt of op zijn minst een zo normaal mogelijke manier van samenleven. 

    En dat grote experiment kan op kleine schaal worden geobserveerd in het Intercontinental. Misschien is dit zelfs wel de beste plek om een blik op de toekomst van Afghanistan te werpen; hier komen heden en verleden samen.

    De receptie

    Als ze opengaan, knarsen de automatische schuifdeuren van ouderdom. De gasten van het Intercontinental worden verwelkomd aan een enorme marmeren balie met daarachter een houten wand met vier klokken – Kaboel, New York, Londen, Dubai. Kosmopolitisme in een gesloten land. Het Intercontinental accepteert geen creditcards, omdat Afghanistan grotendeels is afgesneden van het internationale bankwezen. Een gast arriveert met een plastic tas vol contant geld.

    Slechts elke tweede kroonluchter in de lobby is verlicht. ‘We besparen op elektriciteit,’ zegt Samiullah Faqiri, die verantwoordelijk is voor marketing bij het Intercontinental. Faqiri was meteen enthousiast over het idee om een buitenlandse journalist een paar dagen achter de schermen te laten meekijken.

    Hij is achtentwintig jaar oud en zijn baard op zijn ronde wangen is netjes getrimd. Hij werkt al twee jaar in het hotel, sinds de taliban aan de macht kwamen. ‘Ik heb als een gek aan de marketing gewerkt,’ zegt hij in vloeiend Engels en hij vertelt dat hij de nieuwe slogan heeft bedacht: ‘Intercontinental for everyone’. Die tekst heeft hij op billboards in Kaboel laten zetten. Faqiri weet natuurlijk dat maar weinig Afghanen zich op dit moment een maaltijd of een nacht in een luxe hotel kunnen veroorloven. Volgens de VN kunnen negen van de tien gezinnen zich niet eens genoeg eten veroorloven. Een nacht in de goedkoopste kamer kost 95 euro, wat voor velen een maandloon is.

    Faqiri heeft – net als iedere marketingmanager – een winstdoel voor ogen. Het hotel is van de overheid, en die wil dat het wat opbrengt. Alle winst gaat naar de staat, die het geld weer besteedt aan lonen, onderhoud en renovatie. Hoewel Faqiri voor de taliban werkt, is hij er zelf geen.

    Hij spreekt dan ook over ‘ze’ als hij het over de heersende partij heeft. ‘Ze zullen me niet doden als ik mijn target niet haal,’ zegt hij lachend. Als Faqiri lacht, zie je eerst zijn neus op en neer gaan, dan zijn schouders en dan zijn buik. Het is een fysieke en aanstekelijke lach, die meestal volgt op een zin die anders te zwaar zou klinken.

    Faqiri komt uit een familie waar het aan niets ontbreekt. Zijn vader is professor aan de universiteit. De hele familie woont samen in een huis vlak bij het hotel. Hij studeerde bedrijfskunde in India. Voordat de taliban de macht overnamen, droeg hij graag mouwloze T-shirts en speelde hij basketbal. Tegenwoordig draagt hij, net als bijna iedereen, een shalwar kameez, een traditioneel Afghaans kledingstuk.

    Om zijn doel te behalen zou Faqiri meer kamers in het hotel moeten verhuren. Het Intercontinental heeft er in totaal 198. Ongeveer een vijfde daarvan is bezet, zegt hij. Zolang geen enkel land ter wereld de taliban erkent, zullen er ook geen massa’s toeristen komen. Maar hij geeft niet op. Tijdens de evacuatie van bedreigde Afghanen door de Canadese regering sloot hij een contract met het verantwoordelijke reisbureau: het Intercontinental werd het trefpunt voor de evacués. Hij verhuurde honderdtwintig kamers en kreeg het voor elkaar dat degenen die de taliban wilden ontvluchten, incheckten in een talibanhotel.

    Faqiri werkt tot het begin van de middag. Bij de receptie staat een jonge talib, leunend tegen het zwarte marmer. Hij heet Mohammed Elyas Niazai. ‘De nachtploeg,’ zo stelt Faqiri hem voor.

    Faqiri en Niazai maken deel uit van het grote talibanexperiment in het Intercontinental: een gewone Afghaanse man en een talib, twee jonge mannen die geacht worden samen te werken voor het grotere geheel.

    Steeds weer wordt Niazai gebeld op zijn mobiele telefoon. Ze vragen hem waarom er een journalist in het hotel rondloopt

    Niazai neemt de gouden lift naar boven. Op de wanden van de kleine cabine is zijn verwrongen weerspiegeling zichtbaar. Hij is drieëntwintig en heeft een weerbarstige, nogal onregelmatige baard. Zijn ogen staan helder maar zijn blik is wat onvast, waardoor hij er tegelijkertijd uitziet als jager en opgejaagde.

    Niazai woont op de derde verdieping in kamer 311, die een standaard inrichting heeft: zware mosgroene gordijnen, een dik tapijt met een ingewikkeld patroon om mogelijke vlekken te verdoezelen, een asbak. In tegenstelling tot Faqiri woont Niazai in het hotel. Hij vertelt dat hij de personeelsmanager is. Ook hij heeft bedrijfskunde gestudeerd. ‘Het hotelwezen is een goede business, nauwelijks risico,’ zegt hij. Er is geen enkel persoonlijk voorwerp in de kamer te ontdekken, maar deze kamer is ook niet echt van hem. Hij vertelt dat hij een tweede, geheime kamer heeft. Daar bewaart hij zijn wapens: een M4 aanvalsgeweer, buitgemaakt op Franse soldaten, en een glock 22.

    HotelTaliban 73A
    Slechts de helft van de lobby wordt verlicht. – © Elise Blanchard

    Het is alsof achter het hotelbehang met golfpatroon iets onzichtbaars op de loer ligt. Steeds weer wordt Niazai gebeld op zijn mobiele telefoon. Het is de GDI, de geheime politie van de taliban. Ze vragen hem waarom er een journalist in het hotel rondloopt. Niets blijft onopgemerkt. Ze houden zich ergens schuil en kijken. In de gangen hangen camera’s, maar in de kamers zouden die er niet zijn. Op de derde verdieping verblijft een groep Russen. Ze houden zich afzijdig.

    Niazai sloot zich bij de taliban aan toen hij zestien was. Een speciale legereenheid had zijn oom en neef vermoord, en naar verluidt waren er ook buitenlandse soldaten bij de operatie betrokken. Zo begon zijn jihad, zijn heilige oorlog: uit wraak. Hij groeide op in Kaboel, in een arme buurt. De taliban gebruikten hem als mol. Hij studeerde aan een universiteit in Kaboel en zegt dat hij toen heel goed Engels sprak, maar dat hij inmiddels veel is vergeten. Op zijn smartphone laat hij ons foto’s uit die tijd zien: een jongeman met een modieus geföhnde pony en een sikje. 

    Niazai bespioneerde zijn medestudenten namens de taliban. Toen zijn studie het toeliet, vocht hij buiten Kaboel tegen NAVO-troepen en tegen het Afghaanse leger. Hij beweert dat hij met een plastic fles en twee dollar een bom kan maken. Als hij te laat kwam en zijn professor vroeg hem naar de reden, antwoordde hij in het Engels: ‘Legends are always late.’ Hij is trots op deze zin en kent hem nog steeds uit zijn hoofd.

    Dat was in de jaren voor de val van Kaboel. De hoofdstad had het hart moeten worden van het nieuwe Afghanistan dat de Amerikanen en hun bondgenoten met miljarden dollars aan ontwikkelingshulp in twintig jaar hadden opgebouwd. Maar in deze stad was het nooit helemaal duidelijk aan wie je eigenlijk loyaal was – al geloofden sommigen liever iets anders.

    Op 15 augustus 2021 viel Kaboel in handen van de taliban. In de weken daarvoor hadden ze de ene provincie na de andere veroverd. Volgens experts zou Kaboel standhouden, ten minste voor een paar weken. Maar er was weinig weerstand. Laat in de avond reden de taliban in hun pick-uptrucks naar het Intercontinental. In de uren daarvoor hadden de bewakers van het hotel hun posten verlaten. Sommigen bestormden de lobby en stalen de computers. De taliban verspreidden hun strijders over het hotel en stuurden het personeel naar huis. Twee dagen later belden ze het hotelpersoneel op met de boodschap dat ze terug moesten komen en dat het Intercontinental nu weer open was.

    ‘In het begin waren de medewerkers bang voor ons,’ zegt Niazai. ‘Maar we hadden de opdracht om aardig tegen ze te zijn.’

    Vijfde verdieping

    De gouden lift stopt op de vijfde verdieping. Hier komt de hele geschiedenis van het Intercontinental samen. Links naast de lift is de ingang van de Pamir Supper Club. Vanaf 1969 werden hier uitbundige feesten gehouden. Hier traden de eerste Afghaanse popmuzikanten met lang haar en gitaren op. Afghanistan had toen nog een koning, Mohammad Zaher Shah. In 1973 werd hij door zijn neef van de troon gestoten en vijf jaar later vermoord door de communisten. De feesten gingen door. Maanden na de moord nodigde het Intercontinental gasten uit voor een Beiers feest in de club, inclusief een drankbuffet en ‘schnaps van het huis’, gesponsord door Lufthansa. In 1979 viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen. De Amerikaanse functionarissen in de Pamir Supper Club maakten plaats voor Russische functionarissen.

    Terwijl het land afgleed naar een burgeroorlog, bleef het Intercontinental een wereld op zich. Toen de Russen in 1989 vertrokken, stopte de Afghaanse president Najibullah in zijn zwarte Mercedes voor het hotel.

    In 1992 marcheerden de mujahedin Kaboel binnen, groepen islamistische heilige strijders die door de Verenigde Staten waren uitgerust en getraind om tegen de communisten te vechten. De mujahedin aten gratis in het Intercontinental en vochten in de hoofdstad al snel tegen elkaar. Raketten vlogen het Intercontinental binnen. De beruchte Ahmad Shah Massoud en zijn mannen namen het hotel over.

    Op de vijfde verdieping, rechts aan het einde van de lange gang, ligt de Khyber Suite, het penthouse van het Intercontinental. De suite is rondom omgeven door een balkon waar gasten een uitzicht hebben over heel Kaboel. Op dit moment geeft de VN er een cursus over het oplossen van interpersoonlijke conflicten. Van hieruit zou Massoud zijn aanslagen hebben gepland met een verrekijker. Tot er in 1996 nieuwe, nog radicalere islamisten uit het zuiden kwamen en Kaboel voor de eerst keer veroverden: de taliban. Najibullah, de ex-president met de Mercedes, werd door hen gecastreerd en geëxecuteerd. Ze sleepten zijn lichaam door de stad en hingen hem in het openbaar op. De taliban verwijderden de stoelen in de bar van het hotel en gingen op de tapijten zitten.

    Er zijn geen ramen in deze lange gang op de vijfde verdieping. Neonlichten op de muren verdringen de duisternis en werpen harde schaduwen. Geluiden en geschiedenis zinken weg in het tapijt. Het ruikt naar stof en naar iets anders, iets zurigs. De medewerkers van het hotel zijn niet graag op de vijfde verdieping. Het spookt hier, zeggen ze.

    De taliban hadden de leiding over het Intercontinental tot 2001. Een dag na de aanslagen op het World Trade Center in New York hielden ze er een persconferentie. De minister van Buitenlandse Zaken van de taliban zei dat ze niet wisten waar Osama bin Laden was. ‘Ik weet alleen dat hij niet hier is,’ zei hij. Dat was een leugen. Bin Laden was een gast van de taliban en een paar maanden later de reden voor de Amerikaanse invasie van Afghanistan.

    Na de invasie van de Amerikanen en hun bondgenoten werd het Intercontinental weer de ontmoetingsplaats van buitenlandse diplomaten, zakenmensen en rijke elites. De nieuwe regering renoveerde de plek met de hulp van aannemers, maar het was niet meer hetzelfde als vroeger. Eén bedrijf sloot het balkon in de eetzaal af, waar gasten de koude wind uit de bergen konden voelen als ze van hun koffie genoten. Een ander bedrijf voegde nog een eetzaal toe; op het plafond zijn wolken geschilderd en het ziet eruit als een cruiseschip. Weer een ander bedrijf verkocht de marmeren tegels in de tuin. Het hotelpersoneel zegt dat corrupte ambtenaren uit het Intercontinental pakten wat ze pakken konden, zoals ze met zoveel hebben gedaan in Afghanistan. ‘Die rotzakken hebben alles vernietigd. Het enige wat is overgebleven zijn de naam en het gebouw zelf,’ zegt een oude ober. ‘Verder is er niets meer zoals vroeger.’

    De gasten barricadeerden zichzelf in de kamers, kropen in de grijzige badkuipen met hun antislipmatten

    Jarenlang vochten de taliban ondergronds. Ze wonnen aan kracht, ondanks de duizenden NAVO-soldaten in het land. In 2011 vielen ze het hotel aan. Negen zelfmoordterroristen doodden twaalf mensen en zichzelf. De laatste aanvaller liet zijn bom ontploffen op de vijfde verdieping, in kamer 523. De kamer is sindsdien gerenoveerd, de badkamer is nu versierd met roze tegels. In 2018 volgde een tweede aanslag. Twaalf uur lang bezetten vier of vijf moordenaars het hotel. Ze vermoordden veertig mensen. De gasten barricadeerden zichzelf in de kamers, kropen in de grijzige badkuipen met hun antislipmatten. Een geestelijke die op dat moment in kamer 519 verbleef werd gedood bij de aanval. De man die nu schoonmaakt op de vijfde verdieping zweert dat hij hem soms hoort douchen.

    In 2021, slechts drie jaar later, veroverden de taliban Kaboel voor de tweede keer. Een van de bewakers buiten het hotel kende enkele van de zelfmoordterroristen. ‘Ze waren ongelooflijk dapper,’ zegt hij. Sirajuddin Haqqani, die de aanslagen organiseerde, is nu minister van Binnenlandse Zaken. In de balzaal van het Intercontinental hield hij een toespraak waarin hij de families van de moordenaars bedankte. De deuren van de hotelkamers herinneren nog steeds aan de aanslagen. Het kogelwerende staal is bruin geverfd.

    De Keuken

    In de keuken wijst Faqiri, de marketingmanager, naar een grote pan waarin een lam staat te sudderen. ‘Dat heb ik verkocht voor 230 dollar. Schrijf dat op,’ beveelt hij. Twee families hebben een vergaderzaal gehuurd waar de mannen onderhandelen over de bruidsprijs voordat hun kinderen gaan trouwen. Faqiri heeft hen overgehaald om ook te blijven eten.

    De ketels in de keuken bevatten voedsel voor negenhonderd mensen. ’s Middags en ’s avonds bereidt het Intercontinental een buffet. Vandaag kookt de keukenploeg ook voor zevenhonderd mensen van het ministerie van Defensie. Het eten wordt geleverd per geëscorteerde vrachtwagen – het Intercontinental is ook de cateraar van de taliban.

    Sayed Mazaffar Sadat is de chef-kok van het hotel. Ze noemen hem Goldfinger. Hij deed vijf keer mee aan een kookwedstrijd op televisie en won vier keer. Hij kwam naar het Intercontinental voordat de taliban de macht overnamen, en werd verkozen boven twintig andere kandidaten. ‘Ik had geen connecties. Normaal gesproken kom je hier zonder goede connecties niet binnen.’

    Sadat vertelt dat hij nooit heeft overwogen het land te verlaten, zelfs niet nadat de taliban de macht hadden overgenomen. Binnenkort vertegenwoordigt hij Afghanistan bij een kookwedstrijd in Frankrijk, en zijn vrienden zeggen dat hij daar moet blijven. Dan zou hij een van de vele jonge mannen zijn die Afghanistan legaal of illegaal verlaten in de hoop elders een beter leven te vinden. Naar schatting 1,6 miljoen Afghanen zijn gevlucht sinds de taliban aan de macht zijn. De meesten van hen leven onder precaire omstandigheden in buurlanden Iran en Pakistan. Sadat zegt: ‘Mijn filosofie is: de dood komt hoe dan ook – ook als je je land verlaat.’

    In de hitte van de keuken roept een van Sadats koks tegen een talib die werkloos staat toe te kijken: ‘We hebben je niet nodig, hier. Ga naar je kantoor!’

    Toen de taliban in de jaren negentig voor het eerst regeerden, werd slechts een van hen aangesteld als hoofd van het hotel. Nu hebben ze strijders in elk kantoor gezet, volgens verschillende hiërarchische niveaus: taliban en niet-taliban worden gedwongen samen te werken.

    Vrouwen spelen geen rol in de beslissingen van de taliban. Alle vrouwelijke werknemers van het hotel zitten thuis. Ze zouden nog steeds hun loon ontvangen, maar mogen niet meer komen werken. De enige vrouw in het gebouw werkt beneden bij de ingang van een van de beveiligingspoorten, om vrouwelijke gasten te controleren. Haar lichaam en hoofd zijn volledig bedekt, maar ze weigert haar gezicht te bedekken. Daarvoor is ze te oud, zegt ze.

    Faqiri regeert in de keuken, zwaaiend met zijn armen als iemand die zijn hele leven al instructies geeft. Hij kijkt voortdurend op zijn mobiel en is constant aan het troubleshooten. Niazai weet niet waar hij z’n handen moet laten. Hij verschikt de broodmandjes in de keuken, draait een kiwi rond in zijn handen of kijkt naar de houdbaarheidsdatum op een blikje cola. Hij is ook verantwoordelijk voor de kwaliteitscontrole, vertelt hij.

    HotelTaliban 54
    De taliban stuurden het personeel naar huis. – © Elise Blanchard

    De taliban worden geacht te leren. De leiding heeft voor sommigen van hen een opleiding betaald en voormalige guerrillastrijders volgen nu computercursussen. De nieuwe machthebbers kondigden vrede en verzoening af. En toch blijft het voor velen een vreemde situatie: rebellen die twintig jaar lang door iedereen gevreesd werden, zitten plotseling ook op kantoor. Een voormalig werknemer van het Intercontinental zegt: ‘Een van de strijders was mijn ondergeschikte. Maar welke bevelen kon ik hem geven? Hij had een wapen.’

    ‘Een klant bood me ooit een visum aan voor de Verenigde Staten. Maar ik wilde niet weg. Kaboel was de beste plek ter wereld’

    Niazai kijkt rond op de vervallen tennisbaan, waar het net ontbreekt en de scheidsrechtersstoel in een hoek staat te roesten. De tenniscoach is naar Spanje gevlucht, zo heeft Niazai gehoord. Hij is hier voor het eerst, want ‘Wie kan er nou tennissen?’

    Niazai heeft de afgelopen twee jaar veel functies in het hotel gehad, momenteel is hij de hr-manager. Hij krijgt een salaris van 530 euro per maand en spaart voor zijn huwelijk. Op een dag zal hij dit uitbundig vieren. Hij heeft zijn bruid nog niet ontmoet.

    ‘Als ze mij morgen de opdracht geven om kamers schoon te maken, zal ik geen vragen stellen,’ zegt Niazai. Hij volgt blindelings bevelen op. De taliban hebben een ondoorgrondelijke commandostructuur. Duidelijk is dat de emir en zijn vertrouwelingen in Kandahar de top vormen, gevolgd door de ministers in Kaboel en hun plaatsvervangers. Maar er zijn ook sterke lokale commandanten, in Kaboel en daarbuiten. De taliban zijn een minder homogene beweging dan het soms van buitenaf lijkt. 

    Ooit werd Niazai door zijn commandant bevolen om zijn geliefde lange haar af te knippen. Hij deed het onmiddellijk. Eigenlijk wacht hij op een bevel dat nog niet is gekomen, dat hem terugstuurt naar een of ander front. Als dat bevel komt, vertrekt hij niet de volgende dag, zegt hij, maar direct. ‘Dit hotel is net een gevangenis,’ zegt hij. Hij mist de bergen, de bossen en de ijskoude rivieren. Als Niazai over het gras in de tuin loopt, trekt hij zijn schoenen uit om op blote voeten te lopen. Hij wil het gras onder zijn voetzolen voelen. Want dan, zegt hij, verdwijnen alle negatieve gedachten.

    Tweede verdieping

    De familie Hakimi verblijft op de tweede verdieping, in kamer 238 en 239. Er zijn niet veel gasten in het Intercontinental. Er zijn de Russen, die elke ochtend in een witte SUV worden opgehaald. Er is de ontwikkelingswerker uit India. De Pakistaanse zakenman die lampen van himalayazout verkoopt. En er zijn de Hakimi’s.

    Hayatullah Hakimi (67) en zijn vrouw Aziza (64) ontvluchtten Afghanistan in 1988. Hayatullah had zijn eigen juwelierszaak. Maar toen kreeg de geheime dienst hem in het vizier.

    Het echtpaar heeft de meest grandioze tijden van het Intercontinental meegemaakt. Als Hayatullah op vrijdagmiddag de winkel sloot, gingen hij en zijn vrouw naar het hotel. ‘In die tijd hielden we van The Beatles, de popmuziek kwam net naar Afghanistan,’ vertelt Hayatullah. Bij het zwembad speelden bands. Vrouwelijke toeristen zwommen er in badpak. Het hotel lag iets buiten de stad, omringd door pijnbomen. In de tuin klonk uit luidsprekers muziek van Ahmad Zahir, de Afghaanse Elvis, die veel te jong stierf bij een auto-ongeluk. De Hakimi’s tonen foto’s van toen: hij met een dikke snor, lang haar en een glimmende gesp aan zijn riem, zij draagt een broek met wijde pijpen.

    Hayatullah zegt: ‘Een klant bood me ooit een visum aan voor de Verenigde Staten. Maar ik wilde niet weg. Kaboel was de beste plek ter wereld.’ Aziza vult aan: ‘Niemand wilde weg uit het land, niemand wilde naar Europa of Amerika. Mensen kwamen naar ons toe.’

    Vanaf het balkon van de Hakimi’s kun je over Kaboel uitkijken. De stad heeft het hotel de afgelopen decennia omcirkeld. De zon komt op voor het Intercontinental en aan de achterkant onder. Witte betonnen elementen steken van het balkon van de Hakimi’s naar het balkon eronder; boven fungeren ze als borstwering en onder als zonnescherm. Daardoor lijkt het alsof elke kamer zware witte wimpers heeft. De brandende zon legt de scheuren in het beton bloot, de stad lost op in het verblindende licht en het stof. De airconditioning ratelt en beneden schrapen de harde bezems van tuinmannen over het asfalt.

    De Hakimi’s wonen nu in Canada. Ze zijn naar Kaboel gekomen om hun volwassen dochters de stad te laten zien die ze ooit verlieten. Ze brengen veel tijd door met rijden door straten die ze niet meer herkennen. Aziza zegt: ‘Iedereen in dit hotel droeg prachtige pakken. Mannen droegen hun traditionele kleding alleen thuis. Het is pijnlijk om al deze veranderingen te zien.’ Hayatullah: ‘Ik huil elke nacht. Ik hoop dat het hotel openblijft. Het is een deel van onze identiteit.’

    De lobby

    Faqiri leunt over een bureau dat niet van hem is. Dat van hem staat in een hoek van het kantoor, maar hij gaat als vanzelfsprekend aan het grote bureau in het midden zitten. Het is van zijn supervisor, een taliban die zich zelden laat zien. Faqiri typt op zijn smartphone. Vandaag is het de Afghaanse Onafhankelijkheidsdag, waarop het vredesverdrag met de Britten, de Great Game en andere conflicten worden gevierd – gebeurtenissen die plaatsvonden aan het begin van de twintigste eeuw. Faqiri werkt aan een bericht voor sociale media, een fotocollage: Faqiri onderaan, een wapperende zwart-rood-groene vlag bovenaan. Het is de vlag van de oude Afghaanse Republiek, die werd vervangen door de witte vlag van de taliban. ‘We hebben goede herinneringen aan deze vlag,’ zegt hij, verwijzend naar de zwart-rood-groene.

    ‘De meeste mensen hebben meisjes thuis en hopen dat de toekomst voor hen beter wordt. Ik hoop dat alles goed komt,’ zegt Faqiri. ‘Ik wil niet weg, ik wil eerst zien hoe het allemaal loopt.’ Afghanistan ontvluchten is duur en ingewikkeld. Veel Afghanen hopen dat het leven uiteindelijk beter zal worden onder het talibanbewind. Of dat ze het kunnen uitzitten tot het voorbij is. De vorige keer waren de taliban vijf jaar in Kaboel. Alleen is er deze keer weinig teken van weerstand in het land. Kaboel ziet eruit als een stad in winterslaap, en niemand weet hoelang die zal duren. Degenen die niet vluchten – en dat is het grootste deel van de bevolking – leggen zich neer bij de situatie. ‘We moeten samenwerken met de taliban. Zij zijn de regering,’ zegt Faqiri.

    Zonder goede connecties kom je het Intercontinental niet binnen. Faqiri’s vader was een van de hotelmanagers tijdens het eerste talibanbewind. Nadat Kaboel was gevallen belden ze hem en vroegen of hij terug wilde komen. In plaats daarvan stuurde hij zijn zoon.

    Tijdens het eerste talibanbewind bezocht Mullah Omar, oprichter en hoofd van de taliban, ooit het hotel, kamer 124. Er waren geen gasten. Omar vroeg aan Faqiri’s vader: ‘Waarom is hier niemand?’ Faqiri’s vader zei tegen de talibanleider: ‘Mensen komen niet omdat ze bang voor je zijn.’ Waarop Mullah Omar via de radio aankondigde dat alle buitenlanders die veilig in Kaboel wilden verblijven moesten inchecken in het Intercontinental. Het verhaal gaat dat het hotel de volgende dag vol zat.

    Ook Faqiri heeft veel ideeën over hoe het hotel volgeboekt kan raken. De balzaal vergroten, een helikopterplatform bouwen. Of een van de faculteiten van de universiteit op het enorme terrein van het Intercontinental neerzetten. Een ziekenhuis misschien. Maar dat alles kost geld, wat niemand op dit moment heeft.

    En dan is er nog de kwestie van de bruiloften. Vroeger vonden er grote feesten plaats in de balzaal van het hotel. Afghaanse bruiloften worden door honderden gasten bijgewoond en hebben traditioneel een mannen- en een vrouwenafdeling. Onder de taliban is het verboden om muziek te spelen op bruiloften, maar soms is er in het vrouwengedeelte nog wel muziek te horen. Het lukt Afghaanse vrouwen doorgaans wel om dat voor elkaar te krijgen en de taliban durven de afdeling voor vrouwen niet te inspecteren. Maar in het Intercontinental, het hotel van de taliban, is muziek ten strengste verboden. Faqiri schat dat het muziekverbod hem al meer dan een half miljoen euro heeft gekost. ‘De taliban moeten opener worden. Dat heb ik nodig, anders kan ik mijn targets niet halen.’ Maar waarschijnlijk lijdt het hotel dit jaar opnieuw verlies.

    Faqiri had kunnen vluchten. Op 15 augustus 2021, de dag dat Kaboel viel, was een vriend van hem op het vliegveld. Hij kon een plekje voor hem bemachtigen op een van de evacuatievluchten. Maar Faqiri bleef. Hij wilde niet alleen vertrekken, hij wilde eerst trouwen met zijn verloofde. De bruiloft vond later plaats in de grote balzaal van het Intercontinental. Zijn vrouw beviel kort na de bruiloft van een zoon. Hij heeft het idee om naar het buitenland te gaan nog niet helemaal opgegeven. Hij zou graag ergens zijn proefschrift willen schrijven. Maar voorlopig blijft hij hier. Hij is aan het wachten. Mist hij het oude Afghanistan? ‘Natuurlijk wel.’

    ‘Men denkt dat de taliban hier zijn om iets kapot te maken. Maar we willen hier juist iets opbouwen’

    De gouden lift stopt op de eerste verdieping. Terroristenleider Osama bin Laden verbleef hier kort, in kamer 196 en 197. Direct naast de lift slingeren dikke kabels naar een deur en verdwijnen onder de vaste vloerbedekking van kamer 114. Hier zit de geheime politie voor videoschermen. Ze willen de kabels in de toekomst beter wegwerken, vertelt een van de agenten op spijtvolle toon. Verderop in de gang, in kamer 122, bevindt zich het kantoor van Hafiz Zia-ul-Haq Jawad, de directeur van het hotel. Hij heeft plaatsgenomen in zijn fauteuil. ‘Men denkt dat de taliban hier zijn om iets kapot te maken. Maar we willen hier juist iets opbouwen,’ zegt hij.

    Jawad zegt dat het hem pijn doet om de kamers in het hotel te zien verloederen. Het is de vijf sterren niet langer waard, volgens hem. Hij vertelt ons dat hij het wil renoveren en voor iedereen toegankelijk maken. Sinds de taliban de macht overnamen, komen de inwoners van Kaboel, taliban en niet-taliban, soms naar het hotel om een foto van het uitzicht te maken. Vroeger zouden ze bij de eerste veiligheidsbarrière al zijn weggestuurd.

    ‘Wij geven veel om dit hotel,’ zegt Jawad. Het is onduidelijk wat er zal gaan gebeuren. Het merendeel van het personeel werkt hier al jaren. Maar goed opgeleide jonge mannen verlaten het land. De taliban denken nu aan een hotelacademie. En het Intercontinental moet een van de beste vijfsterrenhotels in de hele regio worden. Het verantwoordelijke ministerie is momenteel op zoek naar investeerders. Een Turks bedrijf heeft een bod uitgebracht op het hotel, maar dat was niet goed genoeg, zegt Jawad. ‘We doen het niet zo slecht dat we het hotel weg gaan geven.’

    HotelTaliban 17A
    Samiullah Faqiri, marketingmanager van het Intercontinental. – © Elise Blanchard

    Jawad zegt dat hij geen onderscheid maakt tussen taliban en niet-taliban als het om zijn werknemers gaat. ‘Ik discrimineer niet.’ Hij vertelt dat hij maar om één ding geeft: dat iedereen hard werkt, eerlijk is en de natie dient. ‘Soms ga ik naar de keuken. Daarmee laat ik iedereen zien: ik ben een van jullie. We willen niet dat iemand denkt dat de taliban hier maar voor een korte periode zullen zijn.’

    Aan de muur van zijn kantoor hangt een foto van de hoogtijdagen van het hotel, waarop mensen in het zwembad te zien zijn. De vrouwen op de ligstoelen zijn overgeschilderd met witte verf.

    Zwembad

    Boven het zwembad fladderen ’s avonds de vleermuizen. Ze jagen op de zwermen muggen boven het stilstaande water. In het diepe gedeelte bevindt zich een groenachtig bezinksel; het water moet nodig ververst worden. Een mug landt op de frietjes van Niazai. Zoals elke avond heeft hij zijn bord bij het buffet gevuld. Naast hem aan tafel zit Faqiri. Lampjes boven hen verlichten het tafereel.

    Het verval, de scheuren, die in het scherpe daglicht zo zichtbaar zijn, worden nu verdoezeld door de gekleurde lichtjes. De wind ruist door de dennenbomen. Faqiri heeft zijn hand op Niazais stoel gelegd. Hij zegt dat ze vrienden zijn. En even lijkt het er echt op dat ze dat zijn, twee jonge mannen, allebei glimlachend. Faqiri rookt dunne sigaretten. Niazai rookt niet.

    De meeste vrienden van Faqiri hebben Afghanistan verlaten. Degenen die bleven waren altijd al taliban, zonder dat hij dat wist. Op de universiteit in India namen ze ooit een grappige video op, hij en zijn Afghaanse medestudenten, dansend voor de universiteit. Na de val van Kaboel belde een van zijn medestudenten hem op met de vraag of hij de video wilde verwijderen, omdat hij een taliban was.

    Voor Niazai was het een spel om een mol te zijn, anderen te bespioneren en in het geheim oorlog te voeren. ‘Nu is het spel voorbij,’ zegt hij. De Russen zitten in een donker hoekje bij het zwembad. Zij zijn er op uitnodiging van het ministerie van Defensie. Zij hebben de opdracht gekregen om oude Russische helikopters weer luchtwaardig te maken voor het leger.

    Ik vraag Faqiri even later wat hij leuk vindt aan Niazai. ‘Het is een goeie kerel. Hij zegt nooit nee als er werk gedaan moet worden.’ Faqiri zegt dat de taliban hem en de andere niet-taliban in het hotel nodig hebben. Hij legt uit dat Niazai en de andere taliban slechts heel langzaam leren hoe ze een hotel als dit moeten runnen. Faqiri vormt een soort brug tussen de taliban en de overige medewerkers, maar ook tussen de taliban en de klanten. Het is niet gemakkelijk met de nieuwe heersers. ‘Het is belangrijk dat ik ze begrijp. Maar ze verklaren zichzelf nooit.’

    Ik stel Niazai dezelfde vraag: wat vindt hij leuk aan Faqiri? ‘Hij heeft een zuiver hart. En hij is nooit jaloers.’ Als Niazai iemand van het Intercontinental niet mag, zijn diens dagen in het hotel over het algemeen geteld, zegt hij. Formeel zijn hij en Faqiri gelijk. Maar hij heeft meer invloed omdat hij een taliban is, legt hij uit.

    Niazai houdt van motorrijden. Jarenlang voerden de taliban hun strijd op oude Honda’s, altijd met een deken op het zadel om ’s nachts te kunnen slapen. Ze reden altijd hard. Faqiri heeft nog nooit motorgereden. Hij vertelt dat werken bij het Intercontinental zijn droombaan is. ‘Ik wil een paar jaar hard werken, dan ben ik tevreden en ben ik klaar met het hotel.’ Hij wil dit jaar drie miljoen euro winst maken, dat is zijn doel. ‘Ik kan het,’ zegt hij.

    Op een gegeven moment staat Faqiri van de tafel bij het zwembad. Hij gaat naar huis, waar zijn vrouw en zoon op hem wachten.

    Kelder

    Het is na elven en het licht in de kroonluchters wordt gedoofd. Het Intercontinental is gehuld in duisternis. De wasruimte in de kelder is gesloten, de sauna en de schoonheidssalon zijn sowieso gebarricadeerd. Alleen vanuit de fitnessruimte valt een glinstering van neonlicht op de witte tegels. Niazai fietst er op een hometrainer. Elke avond oefenen hij en zijn vrienden hier, vertelt hij. Zijn vrienden zijn de talibanbewakers van het hotel. Maar vandaag is hij alleen. Hij heeft zijn traditionele kledij afgelegd en draagt een trainingspak van Under Armour, een sportmerk dat ooit populair was bij Amerikaanse soldaten in Afghanistan. De vuilnisbakken zitten vol lege Red Bull-blikjes.

    Niazai zei een keer tegen mij: ‘Vrede is goed voor Afghanistan. Maar voor ons is het saai.’ Hij is bang om aan dit leven te wennen. Hij was nooit bang om te vechten, maar maakt zich nu zorgen dat hij op een dag bang zal zijn om weer te strijden.

    Veel apparatuur in de fitnessruimte is kapot. Het handvat van de roeitrainer ontbreekt; een vriend van Niazai trok het er in zijn enthousiasme af. Ook de bokszak is kapot door verwoed gebruik. Het is stil, alleen het zoemende geluid van Niazais pedalen verstoort de stilte. Hij vertelt dat hij niet veel slaapt, dat doen zijn vrienden ook niet. Hij vertelt me waar hij naar kijkt als hij soms alleen in de lobby zit met een koptelefoon op: video’s van talibanoperaties in heel Afghanistan, die worden gedeeld in relevante WhatsAppgroepen. Hij hoeft het nieuws niet te volgen, zegt Niazai. Hij weet beter dan de journalisten wat er in het land gebeurt.

    Zijn geoliede haar valt in zijn gezicht terwijl hij over het stuur leunt. In zijn trainingspak ziet hij er bijna uit als een gewone jongeman. Uitgespuugd door de oorlog. 

    Het Intercontinental is gehuld in duisternis. Niazai weet nog niet wanneer hij gaat slapen.

  • Miljarden bankbiljetten zijn spoorloos. Waarom maakt niemand zich daar druk om?

    Miljarden bankbiljetten zijn spoorloos. Waarom maakt niemand zich daar druk om?

    In veel winkels kun je al niet meer met contant geld betalen, toch beleeft ouderwets papiergeld hoogtijdagen. De totale waarde van alle Britse bankbiljetten is in twintig jaar verdriedubbeld tot 75 miljard pond. Maar 50 miljard pond is van de radar verdwenen. Hoe is dat mogelijk?

    In oktober 2020 kwam Tara Hanlon op een zaterdagavond met vijf koffers naar Heathrow. Toen de douane de jonge vrouw vroeg waarom ze zo veel bagage bij zich had, legde ze uit dat ze met vrienden naar Dubai vloog en nog niet wist welke kleren ze daar wilde dragen. Met haar lange haar, pronte lippen en geprononceerde wenkbrauwen had ze wel iets weg van Kim Kardashian, en ook haar uitleg was een diva waardig, maar de douanier nam er geen genoegen mee. 

    Haar bagage werd doorzocht en bleek stapels bankbiljetten te bevatten (1.940.120 pond [ruim 2,3 miljoen euro] in totaal) die waren bestrooid met koffie, blijkbaar in een poging de snuffelhonden op een dwaalspoor te zetten. De politie gaf later een foto vrij van alle stapeltjes bankbiljetten naast elkaar op een tafel – de Britse vorstin staarde je vanuit alle hoeken aan. Het was de grootste inbeslagname van contant geld in Groot-Brittannië dat jaar.

    Toen ik op mijn telefoon een melding kreeg over het nieuws van die vangst, had ik al in maanden geen bankbiljet meer in handen gehad. Ik was bijna vergeten hoe glad zo’n polymeren briefje van 10 in je vingers voelt. Sinds het begin van de lockdown accepteerden de winkels in mijn buurt, zoals in heel het land, alleen nog pinbetalingen, uit angst dat briefgeld het virus kon overdragen. Het aantal opnames uit geldautomaten kelderde tot ongeveer de helft van het aantal in 2019. Maar de daling van het gebruik van papiergeld is al ver voor de coronacrisis begonnen. Al sinds 2017 worden in Groot-Brittannië meer winkelaankopen betaald met pintransacties dan met contant geld. De pandemie heeft die trend alleen maar versneld.

    GettyImages 1234215757 a
    Tara Hanlon komt aan in Isleworth Crown Court, West-Londen, waar ze twee jaar en tien maanden gevangenisstraf kreeg nadat ze schuld bekende aan witwaspraktijken ter waarde van meer dan 5 miljoen pond. –  © Yui Mok / PA Images / Getty

    Toch lijkt contant geld ook zonder de steun van saaie consumenten als ik zich nog prima te redden. Sterker nog, het beleeft hoogtijdagen. De totale waarde van alle Britse bankbiljetten die in omloop zijn is volgens de Britse Rekenkamer de afgelopen twintig jaar verdriedubbeld en bedraagt nu zo’n 75 miljard pond. 

    Als je naar een verklaring voor die grote vraag naar contant geld zoekt, zijn daar weinig openbare gegevens over te vinden. Slechts een derde van die 75 miljard gaat om in het soort alledaagse transacties die de overheid kan vastleggen. De resterende 50 miljard zwerft ergens rond zonder dat men weet waarvoor het wordt gebruikt. ‘De Bank of England weet niet waar, door wie of waarvoor en lijkt er ook niet erg benieuwd naar,’ aldus Meg Hillier, voorzitter van een parlementaire commissie die zich onlangs boog over de toekomst van contant geld.

    Er is 7000 dollar aan contant geld in omloop op elke Amerikaanse burger, en meer dan 4000 euro op elke ingezetene van de eurozone

    Dat gebrek aan interesse beperkt zich niet tot de Bank of England. Nergens lijken centrale banken zich erg druk te maken om al die ontraceerbare biljetten. Alleen al in 2020 is de gezamenlijke waarde van alle papieren dollars die in omloop zijn met 16 procent gestegen en daarmee voor het eerst boven de 2 biljoen dollar gekomen, viermaal zoveel als twintig jaar geleden. Er is 7000 dollar aan contant geld in omloop op elke Amerikaanse burger, en meer dan 4000 euro op elke ingezetene van de eurozone. En toch wordt contant geld zowel in de VS als in Europa door de meeste mensen nauwelijks nog voor grotere aankopen gebruikt dan een kop koffie.

    Dat de hoeveelheid contant geld zo is gegroeid terwijl er steeds minder geregistreerde betalingen mee worden verricht is een echte denkpuzzel, en zo kijken de meeste centrale banken er ook tegen aan. Af en toe komen ze met een speculatieve verklaring waarin weinig urgentie doorklinkt. Toch toont het geval van Tara Hanlon wel aan dat al die verdwenen bankbiljetten meer zijn dan alleen een rimpeltje in een abstract model. Volgens de Britse opsporingsdiensten vertegenwoordigt de vangst slechts een fractie van al het geld dat jaarlijks het land uit wordt gesmokkeld. Misschien is de echte vraag niet wat er met al dat contant geld gebeurt, maar waarom het de mensen die de geldpers bedienen zo onverschillig laat.

    De eerste centrale bankier die erkende dat er met briefgeld iets vreemds aan de hand was, was Andrew Bailey in 2009. Nu is hij hoofd van de Bank of England, destijds was hij er hoofdkassier. Sinds 1853 staat op elk Brits bankbiljet de handtekening van de hoofdkassier, wiens taak het is ervoor te zorgen dat er in Groot-Brittannië genoeg geld in omloop is. Bailey verkeerde dus in een goede positie om te weten wat er gebeurde met al het geld dat er wordt gedrukt.

    Elektronisch geld 

    Contant geld stond in 2009 niet bovenaan het prioriteitenlijstje van de Bank of England. Na de kredietcrisis van 2007-2008 begonnen centrale banken aan een radicaal project om krediet goedkoop te houden, de zogenaamde kwantitatieve verruiming. Dat wordt vaak omschreven als het laten draaien van de geldpers, al wordt er niet daadwerkelijk geld bijgedrukt. In plaats daarvan scheppen de centrale banken elektronisch geld dat ze gebruiken om staatsobligaties en andere effecten op te kopen.

    De kwantitatieve verruiming heeft een duizelingwekkende hoeveelheid nieuw geld in omloop gebracht, vooral sinds de pandemie: aan het begin daarvan injecteerde de Fed, de Amerikaanse centrale bank, zo’n 3 biljoen dollar in de economie. De toename van de hoeveelheid elektronisch geld is vele malen groter dan de stijging van het aantal gedrukte bankbiljetten, en is er verder niet zo relevant voor. Maar die toename van de hoeveelheid elektronisch geld verklaart misschien wel waarom zo weinig mensen zich druk maken om al dat briefgeld dat spoorloos is.

    ANP 361063843g 1
    Frank Grap, medewerker van het US Bureau of Engraving and Printing (BEP), haalt een vel gedeeltelijk bedrukte biljetten van twintig dollar 
    uit de printer voor inspectie, Washington D.C.  © Karen Bleier / AFP

    Al was er dan een financiële crisis en werden er overvloedige hoeveelheden elektronisch geld bij gemaakt, Bailey bleef ook verantwoordelijk voor de prozaïschere taken van de centrale bank. Alle grote centrale banken hebben een ‘elastische’ geldvoorziening, wat inhoudt dat ze de financiële instellingen zoveel contant geld laten opnemen of storten als zij of hun klanten willen. Een commerciële bank laat elektronisch geld bijschrijven in het grootboek van de centrale bank, die dat bedrag dan uitkeert in bankbiljetten die kunnen worden opgenomen in een geldautomaat of gedistribueerd naar geldwisselkantoren. Het doel is duidelijk: iedereen die wil, moet geld kunnen opnemen.

    Historisch gezien was de Bank of England er altijd op gericht de vraag naar contant geld bij te benen (pas sinds de jaren zestig kunnen Britten met een creditcard betalen). De bank laat haar geld drukken door De La Rue, een particulier bedrijf dat voor verschillende landen geld drukt. Maar toen Bailey in 2009 een lezing gaf op een conferentie in Washington D.C., waren digitaal betaalverkeer en online-winkelen al zo gemeengoed geworden dat er voor de centrale banken een nieuw probleem leek op te doemen: wat moesten ze doen met het papiergeld waarnaar geen vraag meer was?

    Dat was de vraag waarop Bailey voor zijn publiek van valutadeskundigen en centrale bankiers nader inging. Hij wees erop dat het aandeel van alle aankopen die cash werden betaald in twintig jaar tijd was gehalveerd. Maar hij had een verrassing in petto voor wat hij de ‘cash-is-doodlobby’ noemde: in diezelfde periode was de vraag naar contant geld ook gestegen. Hij noemde dat ‘de paradox van de bankbiljetten’.

    Bailey had daar een tweeledige verklaring voor. Ten eerste had de kredietcrisis het vertrouwen in banken aangetast, betoogde hij, zodat veel mensen liever contant geld in huis hadden. En ten tweede groeide het aantal geldautomaten en was er meer briefgeld nodig om die gevuld te houden. Die verklaringen waren niet echt toereikend, want de toename van de hoeveelheid contant geld dateerde al van voor de explosieve groei van het aantal geldautomaten en van voor de kredietcrisis (al had die crisis de toename wel versneld). En vanuit ons huidige perspectief schieten ze helemaal tekort. In Groot-Brittannië is het aantal geldautomaten nu aan het dalen en de financiële crisis ligt alweer ver achter ons, maar zowel het aantal bankbiljetten in omloop als hun totale waarde groeit steeds sneller.

    Elektronisch geld was alleen maar gedoe en het leverde niets op

    De Amerikaanse centrale bank had zo zijn eigen kijk op de paradox: omdat de inflatie zo laag was, voelden burgers geen behoefte hun geld op de bank te zetten. Als het geld zijn waarde toch wel behoudt, waarom zou je dan de moeite nemen om de stad in te rijden en een stortingsformulier in te vullen? Daarnaast waren de rentetarieven al sinds 2008 ongekend laag, zo betoogde de Fed, dus spaarders waren er nauwelijks bij gebaat om geld op hun rekening te zetten: elektronisch geld was alleen maar gedoe en het leverde niets op.

    Die twee verklaringen pasten mooi bij elkaar en klonken ongetwijfeld overtuigend voor iedereen die zijn tijd vooral doorbrengt met nadenken over inflatie en rentetarieven. Maar in de echte wereld klinken ze nogal bizar. Voor de meesten van ons is een bankrekening geen kwestie van winst of verlies, maar van zekerheid: je voorkomt ermee dat je al je spaargeld in één keer kwijtraakt aan een brand, een inbraak of een knaagdierenplaag. En je verhindert jezelf om in een opwelling met al je geld naar het casino te gaan en alles op zwart in te zetten. Allemaal goede redenen om je spaargeld naar de bank te brengen, hoe laag de rente ook staat. (Zo’n 5 procent van de Amerikaanse huishoudens maakt geen gebruik van een bank, meestal omdat ze niet genoeg geld hebben om te voldoen aan de minimumeisen.)

    Andere economen hebben andere verklaringen geopperd, meestal gerelateerd aan de omstandigheden van een specifiek moment: dat de hoeveelheid briefgeld in omloop stijgt omdat de situatie te stabiel is, of te onstabiel is, omdat mensen te weinig vertrouwen in financiële instellingen hebben om zich daarmee in te laten, of omdat er zo veel gebruik wordt gemaakt van geldautomaten. Deze verklaringen kunnen niet allemaal tegelijk opgaan, ze zijn vaak strijdig met elkaar.

    Paradox

    Toch zijn al deze verklaringen nog beter dan die waar de Europese Centrale Bank (ECB) in februari 2021 mee kwam, toen die een lang rapport over de paradox van de bankbiljetten uitbracht. Na analyse van de cashtransacties in de landen van de eurozone kwam de bank tot de conclusie dat maar ongeveer een vijfde van de in omloop zijnde bankbiljetten in het betalingsverkeer werd gebruikt – een aandeel dat sinds het begin van de coronapandemie nog verder is geslonken. Maar in 2020, het jaar van de pandemie, was de vraag naar bankbiljetten blijkbaar zo hoog dat de centrale banken van de eurozone voor zo’n 140 miljard euro aan geld hebben bijgedrukt. De waarde van de bankbiljetten die nu in omloop zijn nadert de 1,5 biljoen euro.

    ‘Deze schijnbaar onmogelijke paradox kan worden verklaard uit de vraag naar bankbiljetten als waardeopslag in de eurozone in combinatie met de vraag naar eurobankbiljetten buiten de eurozone,’ zo luidde de conclusie van de ECB. Denk het jargon even weg en er staat gewoon dat mensen bankbiljetten willen omdat mensen bankbiljetten willen. Niet waarom ze dat willen.

    Als je echt meer te weten wilt komen over de onzichtbare vraag naar contant geld, is het geen gek idee om je licht op te steken bij Kenneth Rijock. Deze charmante Vietnamveteraan met een vierkante kin en een gulle glimlach heeft tegenwoordig alle tijd om met je in een koffietentje van gedachten te wisselen. In de jaren tachtig zou hij daar geen tijd voor hebben gehad: toen was hij druk met geld witwassen voor drugdealers in Miami.

    Hij propte sjofele oude koffers vol met geld en reed daarmee naar het vliegveld, uitgedost als ‘de sufste toerist die ooit uit een vliegtuig was gestapt’. Dan vloog hij naar een piepklein staatje in de Cariben, naar een bank die al dat geld zonder naar de herkomst te vragen maar al te graag op de rekening van een brievenbusfirma liet storten. Was het eenmaal omgezet in giraal geld, dan sluisde hij het via banken in verschillende landen eerst naar allerlei tussenrekeningen om het moeilijk traceerbaar te maken, om het ten slotte weer over te maken naar Florida, waar zijn klanten het in vastgoed konden steken, alsof het wit geld was.

    Die gouden tijd van offshorebankieren door criminelen is voorbij. Eind jaren tachtig begonnen overheden banken te verplichten tot strengere controle op het geld dat ze doorsluisden. En dat toezicht is zeker na 9/11 alleen maar intensiever geworden. (Rijock liep zelf tegen de lamp en verdween in 1990 achter de tralies. Tegenwoordig adviseert hij opsporingsdiensten over het aanpakken van criminelen.)

    Offshorerekeningen zijn tegenwoordig een heel riskante manier om illegaal verkregen geld naar een ander rechtsgebied te sluizen. En cryptomunten zijn niet-liquide, onstabiel en moeilijk uit te geven in de legale economie. Daarom grijpen criminelen vaak terug op de oudste technologie, die anoniem, robuust en universeel geaccepteerd is. ‘Het smokkelen van grote hoeveelheden contant geld is de botste en primitiefste maar nog steeds de effectiefste manier om ongezien geld wit te wassen,’ zegt Rijock.

    Dus terwijl de centrale bankiers overpeinzen waar hun bankbiljetten toch zijn gebleven, is dat volgens de bestrijders van witwaspraktijken niet zo’n mysterie. Volgens sommige schattingen wordt misschien wel de helft van al het contant geld in omloop door criminelen gebruikt om te ontkomen aan het steeds intensievere toezicht van de overheid op het betalingsverkeer.

    Vijf koffers vol geld

    De avonturen van Tara Hanlon zijn daar een voorbeeld van. Ze kreeg 3000 pond om met die vijf koffers vol geld naar Dubai te vliegen, en op drie eerdere reisjes had ze in totaal al 3,5 miljoen pond het land uit gesmokkeld. ‘Die koffers zijn ZWAAR. En niemand die je helpt. Staan alleen maar te kijken. Ik dacht echt van hallo,’ appte ze naar de vrouw die haar had geronseld. Ze maakte deel uit van een netwerk van koeriers die crimineel geld naar de Verenigde Arabische Emiraten smokkelen, waar de gebrekkige rechtshandhaving een ideale omgeving creëert voor het witwassen van zwart geld.

    Het Britse National Crime Agency (NCA), dat zich bezighoudt met de bestrijding van de georganiseerde misdaad, heeft geanalyseerd hoeveel bankbiljetten er worden gedrukt, hoeveel er bij geregistreerde transacties worden gebruikt en wat de omvang van de criminele economie in het land is. De conclusie is dat er elk jaar zo veel geld het land uit gaat dat er vrachtwagens nodig zijn voor het vervoer. De NCA heeft dan ook een nieuwe taakgroep opgezet om de geldstromen te onderzoeken, ‘Project Plutus’.

    Groot-Brittannië is niet het enige land dat moeite heeft om in beeld te krijgen hoeveel geld er illegaal de grens over gaat. Er zijn ook miljarden dollars in omloop buiten de VS, en 750 miljard aan euro’s buiten de eurozone. Dat zal niet allemaal voor louche doeleinden worden ingezet, maar het is duidelijk dat er sprake is van een enorm mondiaal schaduwbankstelsel waar de autoriteiten praktisch geen vat op hebben.

    Corrupte ambtenaren, terroristen en maffiosi gebruiken allemaal contant geld om invloed te kopen, geld te verplaatsen en hun organisatie te financieren

    Corrupte ambtenaren, terroristen en maffiosi gebruiken allemaal contant geld om invloed te kopen, geld te verplaatsen en hun organisatie te financieren. En handhavers en compliance-officers doen wel hun best om criminelen de toegang tot het mondiale bankenstelsel steeds moeilijker te maken, maar ondertussen hebben de mensen die een rem kunnen zetten op de beschikbaarheid van contant geld nauwelijks oog voor het probleem. 

    De kern van de complexe relatie die centrale banken met contant geld hebben is gelegen in het muntloon, een begrip zo oud dat er in het Engels een Oudfrans woord voor wordt gebruikt: seigniorage, ‘wat wordt opgeëist door de seignior’, oftewel de landheer. In de tijd dat zich voor het eerst staten begonnen te vormen, eisten de vorsten het monopolie op de uitgifte van muntgeld op. Het goud ging naar de Munt om te worden gewogen en getaxeerd, waarna er munten van werden geslagen met daarop een afbeelding van de vorst als een garantie voor de kwaliteit. Seigniorage was het bedrag dat de vorst hiervoor opstreek.

    Dat leverde die vorsten grif geld op, zeker toen ze eenmaal beseften dat ze om de zoveel jaar met een nieuw muntontwerp konden komen, zodat de munten geregeld moesten worden omgesmolten en opnieuw geslagen. En de winsten stegen nog verder toen men er ook andere, goedkopere metalen voor ging gebruiken, al hielden de vorsten vol dat de nieuwe munten dezelfde waarde hadden als hun voorgangers van goud of zilver.

    Maar het slaan van al die munten was een bewerkelijke zaak en dat beperkte de hoeveelheid geld die op deze manier kon worden gemaakt. Een grote stap vooruit werd in de zeventiende eeuw gezet, toen Europese centrale banken eerst zelf bankbiljetten begonnen uit te geven en later ook bepaalden dat niemand anders daartoe gerechtigd was. Het drukken van een bankbiljet kost slechts een paar cent, maar de waarde van het biljet is wat erop gedrukt staat. Zo begonnen de seigniorage-inkomsten lekker op te lopen.

    In het tijdperk van elektronisch geld is het moeilijker om dat muntloon te berekenen dan in de Middeleeuwen, maar het idee blijft hetzelfde: het is de opbrengst van het monopolie op de uitgifte van geld. Het drukken van een biljet van 100 dollar, een fraai versierd stukje papier dat 100 dollar waard is louter omdat de Amerikaanse overheid dat zegt, kost een schamele 14 cent. En elke keer dat de Fed zo’n briefje uitgeeft, kan ze de resterende 99,86 dollar dus investeren in iets wat rente oplevert. Het is wel duidelijk: geld drukken geeft centrale banken een vrijbrief om geld te drukken. 

    Aan het drukken van de bijna 2 miljoen pond van Tara Hanlon zou de Bank of England meer dan 1,5 miljoen pond hebben verdiend (het drukken van een pondbiljet kost maar een paar penny). Een deel van die opbrengst gaat op aan diverse kosten, maar de rest komt ten goede aan de schatkist. Seigniorage is dus een mooie bron van inkomsten voor een regering – als je even vergeet hoeveel geld belastingontduiking en de georganiseerde misdaad de schatkist kosten.

    Apathie

    Als er al een keer een debat is over waar alle bankbiljetten in de wereld toch naartoe gaan, komt dat lucratieve muntloon bijna nooit ter sprake. Volgens Kenneth Rogoff, econoom aan Harvard en schrijver van het boek The Curse of Cash, praten economen liever over verfijnde nieuwe concepten als kwantitatieve verruiming dan over zoiets prozaïsch als de vraag hoe bankbiljetten eigenlijk worden gemaakt. ‘Economen hebben de neiging om te denken: Dat is niet keynesiaans, dus dat doet er niet toe,’ zegt hij. 

    En waarschijnlijk speelt ook apathie een belangrijke rol in de bereidheid van centrale bankiers om geld te blijven drukken. De opgave om fundamentele hervormingen voor de geldvoorziening te bedenken is weinig aanlokkelijk in een situatie waarin er al zoveel andere eco-nomische problemen zijn om je zorgen over te maken.

    Maar Peter Sands, oud-topman van de bankengroep Standard Chartered, denkt dat de seigniorage-inkomsten mede verklaren waarom er geen actie wordt ondernomen. ‘Als een geneesmiddel ongunstige bijwerkingen heeft, wordt de fabrikant verplicht uitgebreid onderzoek te doen naar de frequentie, de ernst en de onderliggende oorzaken daarvan,’ zo zei hij op een conferentie over de toekomst van contant geld in 2017. ‘Maar als de hoogste opsporingsambtenaar van het continent zegt dat contant geld een cruciale rol speelt in witwaspraktijken en de financiering van terrorisme, als de fiscus stelt dat het niet aangeven van cash-inkomsten de grootste bron van belastingontduiking is, zien we dan de producenten van contant geld ook hun best doen om daarover data te verzamelen en analyses op te stellen?’ Het antwoord was natuurlijk nee. ‘Ik wil hier niet beweren dat het allemaal alleen maar eigenbelang is,’ besloot Sands. ‘Maar ik denk dat je toch moet inzien dat hier sprake is van belangenverstrengeling.’

    De veroordeling van Tara Hanlon ging gepaard met een persbericht met foto’s en al waarin het National Crime Agency zichzelf op de borst sloeg. Maar binnenskamers was de stemming bij de opsporingsdienst een stuk somberder. Het criminele netwerk waarvoor Hanlon werkte had niet echt veel moeite gedaan om voorzichtig te zijn met het smokkelen van die 2 miljoen pond. Dat wekte de indruk dat dit bedrag een druppeltje was in een grote oceaan van contanten die continu de grens over stroomt. ‘We moeten inzien dat criminelen niet in één keer 2 miljoen zouden proberen te smokkelen als ze zich grote zorgen maakten dat het wordt onderschept,’ kreeg ik van een opsporingsambtenaar te horen. ‘De omvang van deze vangst geeft waarschijnlijk alleen maar aan hoeveel zendingen ons ontgaan.’

    De Britse misdaadbestrijders hebben één troost: het Britse pond is niet de favoriete munt van de criminele netwerken. En één blik op de foto met het in beslag genomen geld van Hanlon maakt ook wel duidelijk waarom. Het waren bijna allemaal paarse briefjes van 20, met hier en daar een biljet van 10. Er was maar één briefje van 50 te zien, de grootste coupure die de Bank of England uitgeeft. In de zin van ruimte versus waarde zijn Britse bankbiljetten onaantrekkelijk voor smokkelaars: je hebt heel veel briefjes van 20 nodig om een groot bedrag te smokkelen. Had Hanlon haar hele buit in biljetten van 100 dollar vervoerd, dan had alles in anderhalve koffer gepast. Met briefjes van 500 euro had ze aan één koffer genoeg gehad. Dus als je geld wilt smokkelen, kun je beter de grote coupures van de EU en de VS gebruiken dan de flappen die de Bank of England drukt.

    Er zijn genoeg goede redenen voor centrale banken om geld te blijven drukken. Maar er zijn wel mensen die zich afvragen of het nou echt nodig is om zo veel grote coupures uit te geven. Meer dan 80 procent van al het dollargeld in omloop is in de vorm van briefjes van 100, meer dan zestien miljard biljetten in totaal, dus twee voor ieder mens ter wereld (en ik heb er geen, dus minstens één persoon moet er vier hebben). 

    Er zijn bijna vierhonderd miljoen paarse katoenflappen met de tekst ‘500 euro’ in omloop (al is de ECB in 2016 met het drukken daarvan gestopt op aandrang van de Franse regering, die meende dat de biljetten bijdroegen aan de financiering van terrorisme). In de eurozone zijn in totaal voor 750 miljoen aan biljetten van 200 euro gedrukt, en voor nog eens 3,5 miljard aan biljetten van 100. Waarom willen de meeste rijke landen die grote coupures niet afschaffen? India heeft dat in 2016 met zijn twee hoogste coupures immers al gedaan (al was het geen onverdeeld succes). 

    Iedereen op één lijn 

    Het probleem is, zoals zo vaak bij de regulering van het internationale financiële systeem, dat het zo moeilijk is om iedereen op één lijn te krijgen. Zodra de Fed of de ECB bijvoorbeeld de grote coupures afschaft, stappen internationale criminelen en kleptocraten gewoon over op andere valuta. En dan gaan alle inkomsten van het drukken van bankbiljetten dus naar een centrale bank die wel grote coupures blijft uitgeven, zonder dat de andere landen de mondiale misdaad zien teruglopen. In afwachting van een wonderbaarlijk staaltje multilateralisme zal in de afzienbare toekomst het huidige systeem wel blijven voorbestaan.

    Afgelopen juni bekende Tara Hanlon in de rechtszaal via een videoverbinding dat ze schuldig was aan witwassen. Ze kreeg drie jaar celstraf opgelegd. Een week daarvoor had De La Rue, de drukkerij van het Britse papiergeld, haar jaarcijfers bekendgemaakt. De geldpers, gehuisvest in een modernistische fabriek in Essex die De La Rue in 2003 overnam van de Bank of England, draait op volle toeren, aldus 
    het bedrijf. Hoe dat komt? ‘De aanhoudend grote mondiale vraag naar contant geld.’ 

  • ‘Je kunt nog beter iemand vermoorden.’ De gevaren van drugsgebruik in Belarus

    ‘Je kunt nog beter iemand vermoorden.’ De gevaren van drugsgebruik in Belarus

    De helft van de gevangenen in Belarus is veroordeeld wegens drugsbezit. Vooral jongeren zijn de dupe. Ze krijgen vijftien jaar voor bezit, twintig als er sprake is van een ‘georganiseerde’ misdaad. Moeders die zich tegen de uitspraken verzetten worden tot wanhoop gedreven. ‘Geef ze straf, maar pak hun leven niet af.’

    De telefoon ging: ‘Uw zoon is gearresteerd.’

    Dat moet een vergissing zijn, zei Julia, want wat kan een moeder in zo’n situatie zeggen – dat Emil zeventien jaar is en over een maand eindexamen doet? Dat hij nog nooit voor problemen heeft gezorgd, dat hij op school aan alle olympiades heeft meegedaan en dat hij in Polen zou gaan studeren?

    Ze greep haar tas en holde de deur uit.

    Emil stond geboeid bij de tramhalte. De militieagenten hadden hem uit de tram gehaald toen hij op weg was naar zijn vriendin. ‘Als je ons alles vertelt, laten we je naar huis gaan,’ hadden ze beloofd.

    Hij had kunnen antwoorden: ‘Ik wil eerst dat jullie mijn moeder waarschuwen.’ Het fouilleren van een minderjarige dient namelijk te gebeuren in aanwezigheid van een van de ouders, aldus het internationaal recht. Maar welke middelbare scholier weet zulke dingen? En wie durft in Belarus tegen militieagenten in te gaan?

    Voordat ze er was, had Emil hun verteld waar hij de marihuana bewaarde (in zijn kamer, in een theeblikje). Ze vonden dertien gram.

    ‘Er lag een beetje op de bodem van het blikje,’ zegt Julia. ‘Ik had er geen idee van dat hij blowde. Als ze het niet hadden gezegd, had ik gedacht dat het kruidenthee was.’

    ‘Een beetje’ – het Belarussische recht kent dat begrip niet. Er wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen soft- en harddrugs, een hoeveelheid voor eigen gebruik of een handelsvoorraad. Hasj telt even zwaar als heroïne; elke joint telt als een zakje marihuana. Ook leeftijd doet er niet toe, een veertienjarige kan ook in de gevangenis terechtkomen, maar dat weet Julia niet. Ze gelooft dat ze haar zoon nog voor zijn eindexamen vrij kan krijgen.

    ‘Hij wilde economie gaan studeren in Warschau, aan de Leon Koźmiński-academie. Hij is al twee jaar Pools aan het leren bij de Poolse kerk,’ vertelt ze. ‘Hij las de biografieën van Steve Jobs en van Bill Gates, hij had het voortdurend over startups en bitcoins. Hij wilde niet naar school in een trui, maar droeg altijd een colbertje. Ik dacht dat ik een directeur had grootgebracht.’

    Bij de foto’s in het schoolalbum – donkere bos haar, glimlach, glinsterende ogen – schreef hij: ‘Ik ben onsterfelijk en ongrijpbaar! Een toekomstige zakenman en trader.’

    20 jaar gevangenisstraf

    Borysów, een industriestad op anderhalf uur rijden van Minsk; op het centrale plein een standbeeld van Lenin, aan de rand van de stad een houtbewerkingsbedrijf (vroeger heette het Overwinning van het Proletariaat, nu Borysowdrew). In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werden hier lucifers geproduceerd voor de Sovjetmarkt, tegenwoordig vezelplaten en multiplex voor de export.

    Daar waar de stad eindigt staan lage huisjes tegen elkaar aan, met wat armetierige aanbouwsels, de daken zijn opgelapt met metaalplaat.

    Galina Makarowa verontschuldigt zich bij mijn binnenkomst dat het zo armoedig is. ‘Mijn man is met pensioen, ik krijg een uitkering omdat ik geopereerd ben aan kanker. Ik maak zuurkool en die verkoop ik op de markt om wat roebels bij te verdienen.’

    Op het fornuis in de hal worden pelmeni klaargemaakt voor het eten. Achter een gordijn staat een emmertje waar je je behoefte kunt doen, voor als je vanwege de vorst niet naar het toilet achter op het plaatsje wilt gaan. ‘Hier moest de badkamer komen, we hebben de tegels gezet, maar hebben geen geld om het af te maken. Al ons geld gaat op aan advocaten. We hebben alles verkocht, tot en met de vitrage, alleen in de kamer van Maksim is alles gebleven zoals het was.’

    Galina heeft uitgerekend dat ze tot nu toe al veertienduizend dollar hebben uitgegeven om hun zoon te redden

    Een gemiddeld pensioen bedraagt in Belarus ongeveer driehonderd dollar, een consult bij een advocaat kost honderdvijftig dollar. Galina heeft uitgerekend dat ze tot nu toe al veertienduizend dollar hebben uitgegeven om hun zoon te redden.

    ‘Het was een goede jongen, ijverig. Hij wilde het leger in, net als zijn vader, maar hij werd afgekeurd op zijn platvoeten, en dus ging hij naar de technische universiteit in Polatsk. Hij studeerde in het weekeinde, zodat hij ons kon helpen,’ vertelt zijn moeder.

    Hij werkte in Borysowdrew, waar hij machines programmeerde. Hij had de technische school eerder afgerond.

    Galina was gescheiden van de vader van Maksim toen de jongen nog klein was. Ze trouwde opnieuw, weer met een officier. Wiktor Wladimirowitsj schilt de aardappelen in de keuken en zegt niet veel.

    ‘Sinds ze onze zoon hebben gearresteerd, is mijn man in zichzelf gekeerd,’ legt Galina uit. ‘Hij heeft Maksim opgevoed als zijn eigen zoon, en nu mag hij hem niet eens bezoeken. En dat alles omdat wij niet op de formaliteiten hebben gelet. Ik heb zelf een boodschappentas met eten voor mijn zoon naar de gevangenis gesjouwd omdat ze mijn man voor de poort lieten wachten. Hij heeft gediend in Vietnam, Afghanistan, Tsjernobyl, hij heeft de dood in de ogen gekeken, maar hij heeft nog nooit zo gehuild als toen.’

    Lees ook:

    We kijken naar foto’s: een vierjarig jongetje in een trui met een aapje; met de kat Barsik, met een speelgoedrobot die Galina uit Polen had meegebracht.

    ‘Vijftien jaar kom ik al in Polen voor de handel. Bij ons was er zelfs geen water met prik in de schappen, maar Maksim nodigde zijn vrienden uit en deelde alles met ze.’

    Hij had drie vrienden: Ilja, Andrej en Maksim P. Ze kenden elkaar uit de buurt. Op een foto knuffelen Maksim en Ilja een pluchen Mickey Mouse, op een andere foto staan ze op een grasveld bij een flatgebouw, lachend, alsof ze zojuist een spelletje hebben onderbroken. De laatste oudejaarsnacht hadden ze ook samen doorgebracht, ze hadden hun vriendinnen uitgenodigd; de foto’s van dat feestje had hij daarna op het populaire Vkontakte gezet.

    ‘Ik zei tegen hem: “Ga jij maar lekker feesten, ik blijf wel bij je vader,”’ vertelt Galina. ‘Want de biologische vader van Maksim had een maand daarvoor een infarct gekregen. Hij kwam verlamd uit het ziekenhuis. Bij ons helpt de overheid je op geen enkele manier, zolang je niet bent erkend in een bepaalde invaliditeitscategorie, dus heeft Maksim hem zelf verschoond, te eten gegeven en gewassen. Hij kwam hier alleen even langs om wat te eten, en dan meteen weer naar zijn vader. Als het nodig was, belde hij Ilja, Andrej of de andere Maksim om hem af te lossen. Andrej studeerde informatica aan de Nationale Technische Universiteit van Belarus, vijfde jaar. Hij is zonder ouders opgegroeid; ze zijn beide gestorven toen hij vier jaar oud was.’

    Maksim P. volgde een opleiding voor boswachter. ‘Die boompjes heb ik van hem’, ze wijst naar een rij naaldboompjes in het tuintje. ‘Hij is ook halfwees, hij is opgegroeid zonder moeder.’

    Ilja deed aan boksen, hij wilde beginnen met wedstrijden.

    Ze werden allemaal op 2 april 2015 gearresteerd. Maksim Makarow en Ilja werden uit hun auto getrokken door de antiterroristische troepen van de OMON, een van de wreedste militie-eenheden. Andrej en de andere Maksim werden door de militieagenten van huis gehaald. De oudste van de jongens was tweeëntwintig jaar, de jongste twintig. Tenlastelegging: handel in drugs door een georganiseerde criminele groep. Daar staat twintig jaar gevangenisstraf op.

    Moeders 328

    De Belarussische jeugd moet rein, gezond en gehoorzaam zijn. Sinds enkele jaren komen er synthetische drugs uit Azië het land binnen; ze zijn goedkoper dan de klassieke drugs (hasj en marihuana) en veel gevaarlijker (de samenstelling is moeilijk te bepalen, nog afgezien van de bijwerkingen). In de kranten wordt een ongeluk beschreven: drie vrienden uit Homel kopen samen synthetische drugs, een van hen wordt na een feest gevonden met uitgestoken ogen. Aleksander Loekasjenka verklaart drugs de oorlog en in december 2014 ondertekent hij presidentieel decreet nr. 6, waardoor de regels worden aangescherpt. Op de handel in drugs staat nu tot vijftien jaar gevangenisstraf: als er sprake is van een georganiseerde criminele groep twintig jaar. De veroordeelden komen terecht in speciale heropvoedingskampen: om hen te onderscheiden van andere gevangenen krijgen ze groene strepen op hun gevangeniskleding. ‘We zullen ze zo hard aanpakken dat ze zullen smeken om de dood,’ aldus Loekasjenka.

    De arrestaties beginnen in de eerste maanden van 2015. Een van de eerste arrestanten, de achttienjarige Maksim, de jongste zoon van Larissa Zjigarowa uit Grodno, krijgt acht jaar omdat militieagenten bij hem thuis een hennepplant vinden.

    Aleh Wolczak, oppositielid en activist van de organisatie Rechtshulp voor het Volk, denkt dat de rechter zich gewoonweg heeft vergist. Maar hoe vaak kan hij zich vergissen? Twee keer? Drie keer? Tegenwoordig worden dit soort vonnissen in heel Belarus geveld. Toen begreep hij dat het geen toeval was, dat het stelselmatig is. Alsof er van boven een order is uitgevaardigd om ervoor te zorgen dat de statistieken van de militie omhooggaan.

    Een oproep om drugs in Belarus te legaliseren.

    De moeder van Maksim, Larissa, richt op Vkontakte de groep Moeders 328 op (naar het artikel in het wetboek van strafrecht op grond waarvan hun kinderen worden veroordeeld). In het begin zijn er tientallen leden, vervolgens honderden en nu zijn het er bijna duizend. Ze komen uit Minsk, Brest, Lida, Vitebsk en Homel. Ze ontmoeten elkaar thuis, in cafés, schrijven petities. De juristen van Rechtshulp voor het Volk helpen hen bij het invullen van aanvraagformulieren om de beweging te registreren, maar de autoriteiten weigeren. Ze krijgen ook geen vergunning om te demonstreren.

    Journalisten bellen Wolczak met het verzoek om commentaar te geven. Hij is jurist, werkte vroeger als onderzoeksrechter bij het OM. ‘Ik heb in mijn carrière vijftig moordzaken meegemaakt,’ aldus Wolczak. ‘Ik herinner me dat ze acht of tien jaar kregen, evenveel als de jeugd nu voor drugs.’ Hij is er zelf van overtuigd dat deze nieuwe rechtspleging nergens toe leidt. ‘Je kunt vooral niet mensen veroordelen wegens drugsbezit voor eigen gebruik. Als iemand verslaafd is, moet hij worden behandeld. En in de gevangenis is daartoe geen enkele mogelijkheid. Het probleem daarbij is dat er in Belarus geen moderne behandelmethodes zijn, er is geen preventie. Mensen zijn bang om het over hun problemen te hebben, omdat ze niet willen worden opgenomen in het centrale register van verslaafden dat Loekasjenka in 2015 heeft opgericht.’

    ‘Mensen die voor kleine vergrijpen de gevangenis in gingen, kwamen er jaren later weer uit, helemaal vervreemd van de samenleving’

    Wolczak is van mening dat de straffen te zwaar zijn. ‘In veel gevallen kun je naar andere middelen grijpen: een ondertoezichtstelling door een curator, taakstraffen, vooral als de pleger jong is, nog geen strafblad heeft en met een geringe hoeveelheid drugs is betrapt. Wij waarschuwden de autoriteiten dat je jongeren niet eindeloos kunt veroordelen, omdat je dan eindigt zoals in het Amerika onder Reagan. Mensen die voor kleine vergrijpen de gevangenis in gingen, kwamen er jaren later weer uit, helemaal vervreemd van de samenleving.’

    ‘De helft van de gevangenen in Belarus is veroordeeld wegens drugsdelicten,’ aldus Piotr Markielow, een vierentwintigjarige activist van de beweging Legalize Belarus. ‘Massa-arrestaties lossen het probleem niet op.’

    De beweging Legalize Belarus werd in 2017 opgericht door jonge mensen die verontwaardigd waren over de schaal waarop mensen werden gearresteerd op grond van artikel 328. Ze organiseren happenings en lezingen, ze sturen de veroordeelden briefkaarten, verzamelen handtekeningen voor een petitie om marihuana te legaliseren.

    ‘Ik heb ook wel eens een joint gerookt,’ erkent Markielow. ‘Maar niet in Belarus. Hier is het te gevaarlijk.’

    Een jaar geleden is hij van de universiteit gestuurd (theoretische natuurkunde), officieel omdat hij te vaak absent was. Twee keer is hij gearresteerd – één keer hebben ze hem aangehouden bij antiregeringsbetogingen, en één keer op een rave party in een verlaten bunker bij Minsk.

    Tegenwoordig zitten er wegens druggerelateerde delicten 18.000 mensen in de gevangenis. Mensenrechtenactivisten schatten dat 80 procent van hen nog geen dertig is. Onbekend is hoeveel van hen er minderjarig zijn.

    Op een bijeenkomst van Moeders 328 krijg ik een lijst:

    Marina Wladimirowna, haar zoon is gearresteerd op 17-jarige leeftijd. Hij kreeg 11 jaar en 7 maanden;

    Olga Borysowna, haar dochter is gearresteerd op 16-jarige leeftijd. Zij kreeg 10 jaar;

    Natalja, haar dochter is gearresteerd op 15-jarige leeftijd. Zij kreeg 10 jaar;

    Elena Georgijewna, haar zoon is gearresteerd op 16-jarige leeftijd. Hij kreeg 10 jaar;

    Zjanna Waclawowa, haar zoon is gearresteerd op 16-jarige leeftijd. Hij kreeg 8,5 jaar;

    Enzovoorts. Vijfendertig namen. En dat zijn alleen nog maar de namen van de mensen die ermee instemden de petitie aan de parlementariërs te ondertekenen.

    Striemen

    Sinds haar zoon gearresteerd is, eet en slaapt Galina niet meer. Drie dagen mogen ze iemand vasthouden zonder tenlastelegging. Op de derde avond belt ze haar broer, samen rijden ze naar de vader van Maksim. Zwijgend kijken ze naar de klok. De deurbel gaat.

    ‘Aan zijn ogen zag ik meteen hoe laat het was. Ik hoefde niks te vragen. Ik gaf hem een handdoek toen hij onder de douche stond en zag dat zijn hele lichaam onder de blauwe striemen zat. Ze moeten hem op z’n nieren hebben geslagen. Op zijn lever. In zijn hals had hij kleine rode plekjes; later kwam ik erachter dat die van de taser [een stroomstootwapen] zijn.’ Ze besluiten geen klacht in te dienen. ‘Toen ik dat zag, huilde ik in mijn kussen, maar het belangrijkste was dat ze me mijn zoon teruggaven.’

    Maar de molens draaiden, ze riepen Maksim weer op voor een verhoor.

    Andrej bekent meteen – hij gebruikte ook wel eens drugs, handelde er wat in. Bij Ilja wordt een rolletje vijfroebelbiljetten gevonden en een kaartje waarop – zo tonen experts aan – sporen van alfa-PVP worden aangetroffen, een stof die een vergelijkbare werking heeft als amfetamine.

    Alleen tegen de Maksims hebben de militieagenten niets, maar dat sluit voor hen nog niet uit dat zij geen verdachte zijn, tenslotte gingen zij veel met die andere twee om.

    ‘Andrej verklaarde dat hij alles in zijn eentje deed. Maar de onderzoeksrechter wist dat als hij van hen een georganiseerde criminele groep maakte, hij een wit voetje zou kunnen halen bij zijn superieuren.’

    Soms belt Galina Maksim P., om te horen hoe het met hem gaat. Hij is per slot van rekening halfwees, hij moet het in z’n eentje zien te redden. Hij nam een keer niet op, en toen maakte ze zich zorgen of alles wel in orde was met hem.

    Op die dag wachtte Maksim P. tot zijn zus naar haar werk in het winkelcentrum was gegaan, en hij alleen thuis was. Hij schreef drie brieven – aan zijn zus, aan zijn vader en aan zijn vriendin (ze waren drie maanden samen). Of hij bang was? Galina zegt dat ze hem, de jongste van het viertal, tijdens het onderzoeksverhoor opsloten in een zogenaamde press-chata (waar een nieuweling onder handen wordt genomen door recidivisten). Overdag sloegen de militieagenten hem, ’s nachts hoorde hij wat een twintigjarige als hem in de gevangenis boven het hoofd hing. Misschien had hij die beelden voor ogen, of misschien alleen de rust als hij zich van die beelden zou bevrijden.

    ‘Zelfmoord door het doorsnijden van de polsen,’ noteerden de militieagenten later.

    Andrej, Ilja en Maksim Makarow krijgen vijftien jaar gevangenisstraf.

    Nu gaan de moeders het internet op en leren nieuwe woorden kennen: zouten, kristallen, spices, mixjes om te roken

    Ze zeggen dat ze voor de arrestatie een gewoon leven leidden: werken, boodschappen doen, ’s avonds voor de televisie. Zelfs als dat leven je een dronken man, een scheiding of een ziekte bracht, dat was allemaal je vertrouwde lot, en geen dreiging die je van je verstand berooft.

    Nu gaan de moeders het internet op en leren nieuwe woorden kennen: zouten, kristallen, spices, mixjes om te roken – synthetische psychoactieve stoffen, in gewoon Nederlands namaakdrugs genoemd. Enkele jaren geleden konden sommige daarvan in Belarus nog legaal worden gekocht, na het presidentiële decreet nr. 6 worden ze beschouwd als drugs.

    ‘Dat houdt alleen maar in dat de handel erin is verplaatst naar het internet. Je hoeft maar als zoekterm in te typen: “Waar koop ik drugs in Minsk?” en meteen verschijnen er adressen van winkels,’ aldus Elena, en ze laat een prijslijst zien die ze heeft afgedrukt van het internet: stad, naam van de drug, prijs. Haar zoon Kiryl zit al twee jaar in de gevangenis (hij kreeg negen jaar).

    Verstopplaats – plaats waar de bestelde waar wordt verstopt. Dat kan een uitgeholde boomwortel in het bos zijn, een kuiltje in het veld buiten de ring van Minsk. Op de site van de winkel registreert de cliënt zich in een speciaal systeem, dat de gesprekken versleutelt; als je betaalt krijg je een kaart met de verstopplaats, waar de drugs op je wachten.

    Verstoppers – degenen die de handelswaar op de verstopplaats leggen. Verstoppers zijn meestal jonge mensen die op het internet afkomen op oproepen om wat bij te verdienen. Zij lopen ook het vaakst tegen de lamp.

    Irina, de moeder van Wladek, vertelt: ‘We hadden het thuis niet breed, en onze zoon zat op de middelbare school, hij wilde met zijn vriendin naar de bioscoop. Eerst werkte hij voor een bakkerij in de Komarowka-markthal, zwart, maar na een paar weken betaalde de eigenaar hem zijn loon niet uit.’

    De Komarowka is een van de grootste markten van Minsk, met meer dan tweehonderd kramen, het is er druk van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. ‘De jongen wist dat ze hem gewoon aan het lijntje hielden. Maar waar hij ook heen ging, het was overal hetzelfde liedje: werk zonder contract en een baas die allerlei smoezen verzint om niet te hoeven betalen,’ aldus Svetlana, de zus van Irina en de peetmoeder van Wladek. ‘En toen las hij dat berichtje op Vkontakte, dat een winkel in aromatische mengsels om te roken koeriers zocht. Ze zijn juist op zoek naar kinderen, doen hun rechtstreeks een aanbod om samen te werken en schrijven dat alles legaal is.’

    Misschien vermoedde Wladek dat dat niet helemaal waar was, want over zijn nieuwe baantje vertelde hij niks aan zijn ouders. Twee weken na het verzorgen van de eerste zending werd hij gearresteerd. Hij liep samen met zijn vriendin, Valerija, tegen de lamp. Ze waren zeventien en kregen tien jaar, omdat de onderzoeksrechter vond dat er sprake was van een georganiseerde criminele groep.

    OPG – de Belarussische afkorting van Organizowanaja prestoepnaja groepa, ofwel Georganiseerde criminele groep

    ‘De kinderen krijgen tien, vijftien jaar, de onderzoekers een premie en goeie baantjes’

    Loedmila legt een appel op tafel: ‘Ik zal je laten zien hoe onze kinderen een georganiseerde criminele groep vormen. Een appel is een winkel met drugs. De tweede appel is mijn zoon, die voor verstopplaatsen zorgde. Het baantje vond hij via het internet, zoals zij allemaal.’ ‘En dit’, Loedmila legt naast de eerste appel nog meer appels, ‘zijn andere kinderen, die voor dezelfde winkel voor verstopplaatsen zorgden. De militie spoort een winkel op en pakt ze allemaal op. Ze zien elkaar voor het eerst in de rechtszaal, maar voor de rechter is het een georganiseerde criminele groep. De kinderen krijgen tien, vijftien jaar, de onderzoekers een premie en goeie baantjes.’

    Haar zoon Artur, zit al vijf jaar in de gevangenis (hij kreeg dertien jaar).

    ‘En ik vraag dus: “Als het dan een georganiseerde criminele groep is, wie is dan de baas van deze business? Waar zijn de producenten, de laboratoria?”’ zegt Elena opgewonden. ‘De militie sluit een winkel op internet, maar onmiddellijk worden er tien andere geopend. En ze arresteren nog meer kinderen.’ De mensenrechtenactivisten stellen dat in deze oorlog die Loekasjenka heeft verklaard aan de drugs hoofdzakelijk kleine dealertjes en jongeren die voor eigen gebruik drugs kopen in de gevangenis belanden. Het recht zit zo in elkaar dat wie drugs koopt en het met vrienden deelt op een feestje, kan worden veroordeeld wegens distributie van verdovende middelen, waarop acht tot dertien jaar staat.

    ‘Tegen mijn zoon zeiden de militieagenten: “Je kunt nog beter iemand vermoorden,”’ aldus Alla, de moeder van Aleksander (veroordeeld tot veertien jaar).

    Loedmila: ‘Het strafdossier van mijn zoon beslaat acht ordners, de rechter bladerde er nog geen uur in. Toen de advocaat opstond om een vraag te stellen, zei hij: “Zitten!”’

    Julia: ‘Vóór ons was een proces van een man die zijn vrouw in elkaar had geslagen. Dat was een recidivist, hij was al twee keer veroordeeld. Nu had hij haar zo toegetakeld dat ze twee maanden in het ziekenhuis had gelegen met hoofdwonden. Hij kreeg twee jaar en zes maanden, en mijn zoon tien jaar.’

    150 gevangenen in een cel

    Galina brengt haar zoon iedere maand een pakket: dertig kilo, meer mag niet.

    In een emmer giet ze een liter gekookt water, thee, uienringen, brengt het op smaak met zout en suiker, en op de bodem legt ze stukken rauwe vis. Na drie dagen haalt ze de vis eruit en hangt deze op boven het fornuis om te drogen. Gezouten vis is lichter dan gekookte, er past meer in het pakket. Spek zout ze ook zelf, omdat dat goedkoper is. Voor zes roebel koopt ze een kilo rauw spek op de markt. Voor gezouten spek zou ze in de winkel twaalf roebel moeten betalen.

    ‘Het zijn jonge kerels, ze moeten eten, en wat krijgen ze daar te eten? De hele zomer hebben ze daar alleen gort gekregen. Dat heeft mijn zoon drie tanden gekost, zoveel steentjes zaten erin,’ klaagt Galina en wikkelt het spek in papier.

    ‘Elke maand sturen we Maksim honderdtwintig roebel, meer mag niet. Ze werken in tweeploegendienst in een meubelfabriek, iedere maand krijgen ze dertig kopeken in de hand gedrukt. Honderdvijftig mensen slapen in een zaal. De britsen staan naast elkaar, vijfhoog, van de vloer tot het plafond. Ze hebben drie badkamers met z’n allen.’

    Maksim heeft al twee keer straf gekregen wegens overtreding van het reglement. Eén keer was hij op de grond gaan liggen in plaats van op zijn brits; hij had gezegd dat hij last had van zijn rug. Een andere keer had hij zijn kraagje niet dichtgeknoopt. Toen mocht hij zijn familie niet zien.

    ‘Ik ben toen naar de directeur gestapt: “Ik wacht al een half jaar om mijn zoon te zien. Jullie hebben mij, zijn moeder, veroordeeld!”’

    Eén keer per week mogen ze telefonisch met hun kinderen praten, niet langer dan een minuut. 

    ‘Hij vertelt me niks, maar als hij ’s avonds in zijn kussen ligt te huilen, hoor ik dat, dat kun je niet uitleggen. Dat is je moederhart.’

    Boeken

    Een half jaar na de arrestatie van haar zoon heeft Julia Ostrowsko een uitgebluste blik, de wallen onder haar ogen verbergt ze met poeder. Ze is tien kilo afgevallen. Ze is gestopt met haar werk, ze heeft haar jongste dochtertje naar haar moeder in Wilejka gestuurd, honderd kilometer van Minsk. Kamila mist haar broer, vraagt waarom hij geen afscheid is komen nemen toen hij ging studeren. Voorlopig heeft ze haar niet de waarheid verteld. ‘Ze hebben mijn zoon gevangengezet, maar het hele gezin wordt gestraft,’ zegt Julia.

    ‘Ik weet niet hoe ik me zo in de nesten heb gewerkt, mama,’ schrijft Emil haar. ‘Zeg tegen mijn vrienden, want ik zal ze de komende tien jaar niet zien, dat ze geen stommiteiten begaan. En stuur me niks, alleen boeken.’

    De militieagenten hadden bij hem thuis zijn telefoon en computer meegenomen (bij de halte had hij hun alle wachtwoorden gegeven). Ze hadden het berichtje gevonden dat hij had uitgewisseld met de internetwinkel die de namaakdrugs verkocht; daar bleek uit dat hij een pakje bij hen had opgehaald. Hij kreeg tien jaar voor de handel in drugs als lid van een georganiseerde criminele groep.

    ‘Het is niet bekend wat dat voor groep is, want verder hebben ze niemand opgepakt: noch een leider, noch andere leden van de groep. Ook geen enkele meerderjarige die deel uit zou maken van die groep, alleen mijn zoon.’

    In de strafkolonie werkt Emil nu bij de recycling van metaal uit oude elektriciteitskabels. Volgens Julia worden die uit de zone van Tsjernobyl gehaald; geen enkel vrij persoon zou dat materiaal aanraken, maar de gevangenen halen ze uit elkaar met hun blote handen. En wie er iets van zegt, gaat de isoleercel in. Ze wonen bijna onder de grond, in de cellen is het koud en vochtig, alleen een klein raampje onder het plafond laat wat licht binnen. Ze krijgen alleen maar waterige soep met stukjes aardappel.

    Lees ook:

    Eén keer in de drie maanden krijgen ze bezoek, veertig minuten. Ze praten door een telefoonhoorn, de ouders aan de ene kant van het glas, de kinderen aan de andere kant, en achter in de zaal zit een cipier die met een schakelaar beslist welke cabine hij afluistert. Eén keer per half jaar mogen ze elkaar zonder glas ertussen zien.

    ‘Als ik eruit kom, kan ik alleen nog straatveger worden,’ schrijft hij haar vertwijfeld.

    Ze troost hem dat hij nog eindexamen kan doen. Ze neemt zijn boeken voor Engels mee. Ze schrijft naar de directeur van de gevangenis, naar de minister van Onderwijs om te vragen of haar zoon de hoogste klas mag afmaken en examen mag doen bij een commissie. Ze antwoorden dat het recht niet voorziet in de opleiding van gevangenen.

    Tegenover haar zoon geeft ze niet toe dat ook zij last heeft van sombere gedachten. Als hij eruit komt, zal hij achtentwintig jaar oud zijn. Wie komt hij daar tegen, wat voor mens word je daar? Julia durft er niet over na te denken.

    Hongerstaking

    Galina is ervan overtuigd dat haar zoon onschuldig is. Ze heeft het over afgedwongen bekentenissen, manipulaties van de rechter, twijfelachtig bewijsmateriaal.

    Er zijn ook moeders die erkennen: ‘Ja, onze kinderen hebben de wet overtreden.’ ‘Maar geef ze dan drie jaar, en geen tien. Geef ze straf, maar pak hun leven niet af,’ aldus Elena, de moeder van Kiryl.

    Samen met de juridische adviseurs hadden ze een wetsvoorstel opgesteld om het wetboek van strafrecht te wijzigen. Belangrijkste eis: verlaging van de vonnissen. De parlementariërs die ze met het wetsvoorstel benaderden schudden hun hoofd: ‘We begrijpen het wel, maar er is niets aan te doen.’ Anderen zeggen ronduit: ‘In fatsoenlijke gezinnen laten kinderen zich niet in met drugs.’ Nu worden ook de moeders veroordeeld dat ze hun kinderen hebben opgevoed tot slechte mensen.

    Ik vraag naar de vaders: strijden zij ook voor hun zoons?

    ‘Ze zijn bang,’ zegt Marina. ‘Die van mij zei: “Als vrouwen de straat op gaan krijgen ze een boete. Maar wij worden in elkaar geslagen door de militie.”’

    ‘Ze moeten geld verdienen,’ voegt Irina eraan toe. Zij werkt op het consultatiebureau voor autistische kinderen, haar man is chauffeur. Elke avond vraagt hij haar met vermoeide stem hoeveel ze nog nodig hebben voor de advocaat. Ze vonden het verstandiger niet allebei met de autoriteiten overhoop te liggen.

    ‘Maar er is er eentje,’ zegt Elena, ‘een jurist uit Grodno. Hij zit urenlang op internet en zoekt alles uit: wie richt de bedrijfjes op, waar komt het geld vandaan, hoe de banken er geld aan verdienen. We hebben een document met de resultaten van zijn onderzoek, maar helaas zijn de autoriteiten er niet in geïnteresseerd.’

    In april 2018 gingen de moeders in hongerstaking. Zeven hongerden in een datsja in de buurt van Kalinkowitsje, in het district Homel, zeven bij Poechowitsje onder Minsk. ‘Ze gaven ons geen vergunning om te protesteren in de stad, maar in mijn datsja, wie zal het ons verbieden?’ zegt Elena.

    De grond was nog koud: ze namen warme slaapzakken mee, zetten tenten op.

    Om iets te doen te hebben, pootten ze de eerste dag aardappelen. Er zoemde iets boven hun hoofd. Een drone, de KGB? Elena haalde haar schouders op en groef verder in haar tuintje.

    Er kwamen journalisten, vertegenwoordigers van ngo’s. ‘Ik werd gedwongen om de keuken uit te komen en oppositielid te worden,’ zei een moeder in Poechowitsje tegen het tv-kanaal Belsat.

    ‘Dehydratie, tachycardie,’ verklaart de arts. ‘Als u wilt blijven leven, moet u onmiddellijk ophouden met uw hongerstaking’ 

    Het huisje van Elena is het laatste huis van het dorp, verder zijn er alleen velden en weilanden, er is geen mens te zien. Als iedereen weer weg is, praten de moeders over hun kinderen, dan is het gemakkelijker de honger te vergeten.

    Op de tiende dag valt Loedmila flauw, de oudste van allemaal (64 jaar). Ze geven haar water met honing, dat helpt een beetje, maar dan beginnen de problemen met haar hart, dat verschrikkelijk tekeergaat in haar borst.

    ‘Dehydratie, tachycardie,’ verklaart de arts. ‘Als u wilt blijven leven, moet u onmiddellijk ophouden met uw hongerstaking.’ 

    Bij Poechowitsje blijven er nog zes hongerstaaksters over; ze zeggen steeds minder, ze gaan steeds meer op het gras liggen. Ze hebben last van duizelingen, misselijkheid en problemen met hun nieren.

    Op de veertiende dag gaat de telefoon: ze bellen van het kabinet van de president, dat ze bereid zijn om te praten. De groep uit Kalinkowitsje krijgt een onderhoud; Natalja Katsjanowa, chef van het kabinet van Loekasjenka, ontvangt de moeders. Ze belooft hun dat er nog dit jaar over project Moeders 328 zal worden gedebatteerd in het parlement.

    ‘Ze hebben ons voorgelogen,’ zegt Elena. ‘Alleen om ervoor te zorgen dat we onze hongerstaking beëindigden.’

    Roosjes van crème

    Op kerstavond is Galina naar de kerk gegaan, ze heeft de tafel gedekt. Dit was al het vierde jaar dat ze met Wiktor Wladimirowicz tegen de lege stoel van Maksim aankeek. Bij het laatste bezoek heeft ze iets raars aan hem gemerkt, zegt ze terwijl ze haar tranen wegslikt. Maksim zat achter het glas en krabde zich aan zijn bovenbenen, heel mechanisch, keer op keer. Zijn ogen waren heel onrustig, alsof hij iets zocht. ‘Jongen, wat is er toch met je?’ vroeg ik. ‘Toen pas drong het tot hem door, hield hij op met krabben en keek hij me met zo’n verwonderde blik aan. Ik ben bang dat hij psychisch al erg veranderd is.’

    Julia organiseerde een feestje voor Emils achttiende verjaardag: er was taart met roosjes van crème, champagne, er kwamen vrienden, familie. De kaarsjes bliezen ze met z’n drieën uit: zij, haar zus Emila en zijn vriendin Palina. Ze stuurden hem in de strafkolonie een foto met de tekst: ‘We wachten op je’.

    Wanneer we afscheid nemen, krijgen ze net bericht: in de strafkolonie heeft een meisje van zestien dat op grond van artikel 328 was veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf, zelfmoord gepleegd.

  • De 27e keer dat Toby Obed stierf

    De 27e keer dat Toby Obed stierf

    Over de misstanden in Canadese internaten voor Inuït-kinderen is de laatste jaren steeds meer bekend. Er werden verschillende massagraven gevonden. Toby Obed is een van de overlevenden. Een voorpublicatie uit het verhaal over zijn leven (en vele doden).

    Over de auteur

    In de reportages van de Poolse Joanna Gierak-Onoszko (1980) staan vaak mensenrechten en maatschappelijke kwesties centraal. Ze publiceert regelmatig in weekblad Polityka, dagblad Gazeta Wyborcza, het literaire non-fictietijdschrift Pismo en het reportageblad Non/fiction. Ze woonde een aantal jaar in Canada en schreef daar haar literaire debuut Het 27 keer sterven van Toby Obed (Dowody na Istnienie, 2019) over hoe werd omgegaan met de kinderen van de inheemse Canadese bevolking. Geschat wordt dat ongeveer 150.000 kinderen het slachtoffer zijn geworden van lichamelijk en psychisch geweld en seksueel misbruik.

    Het boek belandde in 2020 op de shortlist van de prestigieuze Nike-prijs en won de publieksprijs.

    Als Toby Obed eindelijk wakker wordt, is het al lente.

    Hij ligt op zijn rug in ongesteven beddengoed en herkent het plafond en de muren om hem heen niet. Net was hij nog in een kalme kunstmatige slaap, maar nu zijn zijn neuronen witheet en proberen alle informatie tegelijk te verwerken.

    Waar ben ik? Waarom doet het pijn? Zal het eindelijk overgaan?

    Toby kijkt om zich heen, zoekt naar het uitzicht uit het raam, een aanknopingspunt. Maar zijn blik dwaalt steeds af naar het midden van het bed. Dat is de plek waar zijn armen en benen zich zouden moeten bevinden, maar de deken waarmee Toby is toegedekt ligt vlak.

    Toby denkt dat hij hallucineert – dat gebeurt soms als je flink gedronken hebt. Hij wil in zijn ogen wrijven en heft zijn armen.

    Maar onder zijn linker elleboog is niets meer.

    Hij kijkt naar rechts. Wat er van zijn andere hand over is, zit in dik verband.

    ‘Wacht eens even! Waar zijn mijn benen? Wat hebben jullie verdomme met mijn armen gedaan?!’

    Een vrouw in een wit schort buigt zich over het bed.

    ‘Wat ben ik blij dat je wakker bent! We wisten niet of dat nog zou gebeuren. Toby, we zijn in het ziekenhuis in St. John’s, in de hoofdstad van Newfoundland en Labrador. Het is al maart. Je bent net tweeëntwintig geworden. En ik kan je zeggen dat je echt iets te vieren hebt.’

    Maar Toby is het oneens met dat het al maart is en ook met zijn nieuwe ingekorte lichaam. Hij kan zich niet herinneren dat iemand die veranderingen met hem heeft besproken.

    Het laatste dat hij zich herinnert is een feest in Happy Valley-Goose Bay, ruim zestienhonderd kilometer ten noorden van het bed dat van nu af aan altijd veel te lang zal lijken.

     * * * 

    Goose, zoals het stadje in de volksmond heet, ligt op het schiereiland Labrador – het deel van Canada dat in het oosten aan de Atlantische Oceaan en in het noorden aan het Noordpoolgebied grenst. Er wonen iets meer dan achtduizend mensen. Goose is het resultaat van het samenvoegen van twee plaatsen: Happy Valley en Goose Bay, maar de idyllische naam van het stadje is misleidend. Want de aanleiding van zijn bestaan is oorlog.

    In de jaren veertig stond in de kranten dat er in de Labradorzee torens van Duitse U-boten waren gezien. Nu de VS aan de oorlog deelnam was het duidelijk dat er in deze regio zo snel mogelijk een sterke militaire basis moest komen voor de verdediging van het continent. Voor de bouw werden mannen uit dorpen in heel Labrador naar Goose gehaald. Ze werkten in verschillende ploegendiensten. De bevoorrading had berekend dat ze vier- tot vijfduizend pakjes sigaretten per dag nodig hadden.

    De arbeiders kregen een fractie van het loon dat de mensen die in de binnenlanden werkten verdienden, maar ze morden niet. Ze klaagden maar over één ding: voor hun vertrek naar de bouw hadden ze hun huizen moeten afsluiten. En dat betekende dat ze voor vertrek hun honden hadden moeten afmaken.

    In 1943 beschouwde men Goose als het grootste vliegveld ter wereld. Na de oorlog bleef het een belangrijk knooppunt van de lucht-, asfalt- en zeewegen van Labrador. In vredestijd hielden NAVO-eenheden hier oefeningen en de door het leger beheerde terreinen zouden moeten dienen als reservelandingsplaats voor ruimtevaartuigen van de NASA.

    Maar Goose bleef voor altijd een reservestad. De oorlog ging eraan voorbij, er landde geen ruimteveer en in 2010 vertrokken de eenheden van de NAVO van de basis. Nu kom je hier voor satelliettelefoons – die zijn gratis te leen als je de omgeving gaat verkennen, wat het werk van de politie en de reddingsteams moet vereenvoudigen als een toerist verdwaalt. Tijdens lange tochten door Labrador kun je onderweg in Goose kariboeworstjes of gepaneerde kabeljauwtongetjes eten. Vroeger was het armeluisvoedsel, maar nu is het een chic hapje van 13 dollar per portie.

    Dat is nu Labrador, het Grote Land. Hier hoor je de Aarde bewegen, zeggen ze.

    Maar het stadje met de naam Happy Valley-Goose Bay bracht Toby Obed geen geluk. Hier stierf Toby voor de zesentwintigste keer.

    Dat was vlak voor hij tweeëntwintig werd, achttien jaar na zijn eerste dood.

    * * * 

    Als je in een piepkleine nederzetting van walvisjagers in het afgelegen Labrador woont, is een uitstapje naar Goose een hele afwisseling. Toby ging er zijn neef opzoeken. Ze hadden elkaar lang niet gezien en trokken een fles open. Toen kwam er een vriend: ‘Hoe is het? Laten we drinken.’

    Ze dronken.

    De rest zal door de verpleegster worden verteld.

    ‘De politie heeft je pas de volgende dag in de sneeuw gevonden. Ze waren ervan overtuigd dat je dood was.’

    Toby kwam in het Miller Center terecht, een ziekenhuis voor oorlogsveteranen waar chirurgen, fysiotherapeuten, psychologen en prothesemakers verminkten terugslepen naar het leven. De artsen hielden Toby twee maanden lang in een kunstmatig coma om hem zo uit zijn diepe hypothermie te krijgen.

    ‘Dat is gelukt, maar we hebben je moeten amputeren’, zegt de verpleegster aan zijn bed.

    ‘Mens, ik weet niet waar je het over hebt. Geef me mijn benen terug! Geef me onmiddellijk mijn arm terug!’

    ‘Je bent een gelukskind, Toby. Ik leef erg met je mee.’

    * * * 

    Sinds die nacht is er een kwarteeuw verstreken. In het voorjaar van 2018 is Toby Obed zevenenveertig, en zijn vijfhonderd Inuit uit het Dal van de Hoop zijn spiegel.

    Voordat de Europeanen hier arriveerden (onder wie de Portugese ontdekkingsreiziger João Fernandes Lavrador) woonden er op dit grondgebied inheemse gemeenschappen, zoals de Inuit en de Innu. Beide groepen noemden elkaar eskimo’s, wat rauwvleeseters betekent. Dat begrip werd overgenomen door witte antropologen en archeologen voor wie de Eskimo’s een algemene, brede benaming voor de mensen van het Noorden was: van Labrador, het Canadese Poolgebied en Alaska tot aan Kamtsjatka.

    In sommige Europese landen wordt het woord nog altijd gebruikt. In Canada daarentegen hoor je dat niet meer te zeggen, omdat het opgedrongen, discriminerend en beledigend is. De inwoners van de noordelijke provincies worden nu genoemd zoals ze zelf willen. In hun taal, ofwel het Inuktitut, betekent inuk mens, en inuit gemeenschap.

    En zo ziet Toby Obed hen en zichzelf: niet als museumstukken, maar als mensen. Hij zoekt hun gezelschap op, want ze zijn voor hem tegelijk een spiegel en identiteitsbewijs, belangrijker dan zijn Canadese paspoort.

    ‘Ik vind het fijn als een buurman terloops opmerkt dat ik net zo’n gezicht trek als mijn moeder. Of dat ik net zo loop als mijn vader, dat we van een afstand niet van elkaar te onderscheiden zijn. Dan ben ik zo gelukkig! Want dat betekent dat zij hebben bestaan – en dat ik een overblijfsel van hen ben.’

    Als Toby zijn moeder wil zien, raakt hij met zijn rechterhand zijn wang aan. Een gladde, strakke huid, zonder poriën, zonder ook maar een rimpel. Hoge, prominente jukbeenderen. Daarboven diepgelegen smalle ogen, verscholen onder dikke zwarte wenkbrauwen. Toby’s haar is als peper en zout. Zwart en helder wit, niets ertussenin. Dik en stug, tot aan zijn kleine driehoekige kin.

    Had zijn moeder zulk draadachtig haar? Zulke kleine ogen, zo zwart dat je maar moeilijk de pupil van de iris kunt onderscheiden?

    Dat weet Toby niet.

    ‘Ik heb geen enkele foto. Ik herinner me niet hoe ze eruitzag. Ik weet dus niet waar ik vandaan kom, en waarom.’

    * * * 

    De naam Tobijah betekent in het Hebreeuws ‘Jahweh is goed’. Een woord van troost voor iemand die alles heeft verloren en geen hoop meer heeft. Volgens het Oude Testament wordt Tobias blind, en gemarteld smeekt hij God te mogen sterven. Maar God heeft andere plannen met hem. De Schrift leert dat het grote lijden van Tobias geen straf voor hem is, maar een welgemeende beproeving. De liefhebbende God zendt eerst kwellingen, maar voorziet op zijn tijd een beloning voor gehoorzaamheid en loyaliteit. Het is een didactisch verhaal – de dreunen van het lot moet je opvatten als tekenen van de barmhartige God.

    Die profetische naam kreeg Toby van zijn moeder.

    Ze had vijf kinderen. Kinderen die moeite hadden om het thuis uit te houden. Hun ouders besteedden niet al te veel aandacht aan hen. Ze dronken. Emily en Sonny, ofwel Zoontje, waren een jaar of tien ouder dan de rest. Zij zorgden voor de kleintjes: Sara, Elias en Tobias.

    Hoe kwamen ze in zo’n afgelegen nederzetting voor walvisjacht aan zulke namen?

    Vroeger heette die plek Arvertok, wat in de taal van de Inuit de Walvissenplek betekent. Er werd op walvissen gejaagd in de wintermaanden – de Inuit woonden dan in diep in de rauwe, ongastvrije grond verborgen huizen die maar deels boven het oppervlak uitstaken. Ze zochten daar beschutting tegen de snijdende wind, en in de lente, als het zeehonden- en walvissenseizoen was afgelopen, trokken ze dieper het land in. Ze namen tenten van zeehondenhuid mee en gingen jagen op vleesrijke kariboes. Ze raapten de karige vruchten die de toendra mondjesmaat verschafte en bereidden zich voor op het doorstaan van de volgende winter.

    Suikerziekte, aderverkalking, kanker – dat waren ook geschenken die de witte kolonisten met zich meebrachten

    Dat ritme werd verstoord door de bewoners van het Oude Continent, Duitse mennonieten uit Moravië, missionarissen met een protestantse arbeidsethiek. Ze waren hier gebracht door de imperatief hun rijkdom te vergroten en de kerkelijke schola te vullen. Ze begrepen de mensen die ongehaast de cyclus van de natuur volgden niet. Ze verlangden er vurig naar om in naam van de handel onder zware omstandigheden te zwoegen: in Europa was grote vraag naar echte, warme bontjassen. Daarmee werd een fortuin verdiend, dat nu in Canada ‘oud geld’ wordt genoemd. De Moravische kolonisten waren verrukt over de ondiepe wateren vol zeehonden en de dichte bossen vol vossen. In 1782 doopten ze de Walvissenplek om in het Duitse Hoffenthal, het Dal van de Hoop.

    Ze brachten hetzelfde mee als de meeste anderen die van zichzelf zeiden dat ze nieuwe landen ontdekten: het woord Gods, gereedschap, wapens, groente en ziektes.

    Suikerziekte, aderverkalking, kanker – dat waren ook geschenken die de witte kolonisten met zich meebrachten. Labrador is ze tot op de dag van vandaag niet te boven gekomen.

    De mennonieten veroverden de gebieden met de hoorn en de trombone. Ze geloofden dat met Haydn en Bach als bondgenoten de Inuit verrukt zouden raken over de barokmissen en ze hun ziel zouden openstellen voor een hun onbekende God. Tot op de dag van vandaag kun je in het kleinste gehucht een blaasorkest vinden dat in de woestenij van de Canadese toendra Bachcantaten speelt.

    De missionarissen deelden graag hun bladmuziek, maar ze zeiden dat het hun God niet beviel hoe er in de huishoudens met elkaar geslapen werd: zonder sacrament, met meerderen tegelijk, in het bijzijn van de kinderen. Volgens de lokale traditie was een levenspartner precies zoals het klinkt: een compagnon, iemand met wie het leven draaglijker was of überhaupt mogelijk. Het gezin was een onderneming om te overleven, maar de mensen wilden naar bed met degenen die ze aantrekkelijk vonden, niet per se met de mensen met wie ze samenwerkten om te overleven. Soms woonden er meerdere gezinnen onder één dak en waren genegenheid en seks binnen handbereik.

    De missionarissen uit Moravië waren gekomen om hun mee te delen dat ze in zonde leefden en God beledigden, die zijn volk in de hitte door de woestijn had geleid. De bewoners van deze gebieden begrepen niet wat een zonde was en hadden nog nooit een woestijn gezien.

    De Duitse kolonisten zijn er nu niet meer – ze hebben de oorlog met het handelsimperium Hudson’s Bay Company (HBC) om de vachten verloren en hebben het Grote Land verlaten. Van hen zijn grafstenen, resten van de houten gebouwen van de mennonitische missie en de gewoonte om Inuitkinderen Bijbelse namen te geven achtergebleven. Na verloop van tijd, toen de Britse monarchie dit deel van de wereld in haar macht kreeg, werd de naam veranderd – van Hoffenthal in Hopedale.

    Er is hier niet veel meer veranderd dan dat.

    * * *

    In 1975 stond er opeens een politieagent in een rood uniform op de drempel en zei: ‘Kinderen, jeugdzorg is geweest, we moeten jullie meenemen.’

    Toby’s ouders waren verrast, want ze kwamen onaangekondigd. Geen gelegenheid om in te pakken, geen gelegenheid om afscheid te nemen.

    ‘We gingen zoals we er toen bij liepen. Later hoorden we dat ouders dergelijke situaties eigenlijk geen keuze hadden. Op het niet meegeven van de kinderen stonden straffen, waaronder hechtenis en het intrekken van de uitkering, waarvan de meeste gezinnen in de omgeving leefden. Of we ons verzetten? Dat weet ik niet meer. Of we huilden? We huilden allemaal. Emily was dertien, Sonny vijftien, en ik pas vier. Toen, in 1975, in de deuropening bij de laarzen van de agent van de bereden politie, stierf ik voor het eerst.

    We stapten in een klein vliegtuig dat op water kon landen. We vlogen een kilometer of tweehonderd naar het zuiden, naar North West River. Eerst brachten ze ons naar het ziekenhuis. Daar werd nagekeken of alles met ons in orde was. Routineonderzoek: of er geen actieve infecties waren, parasieten, ondervoeding. En of niemand ons kwaad had gedaan.

    Natuurlijk werden we gescheiden, mijn broers en zussen waren van een andere leeftijdscategorie. Ik begreep het niet. ’s Ochtends had ik nog familie, en nu was ik ineens alleen, terwijl ik pas vier jaar oud was. Alles wat ik weet van het leven, heb ik daar geleerd, in het internaat, in het juniorenhuis in North West River. Dat waren verplichte lessen die ik niet wilde. Rekenen en grammatica deden er nog het minste toe, je moest vooral snel door zien te krijgen wie je vriend was en wie je beter kon mijden. Waar je heen moest en hoe, en achter welke deur je nooit mocht komen. Wat je mocht zeggen en waar je jarenlang over moest zwijgen. Ik was een kleuter toen ik begreep dat ik, net zoals ik onbewust en automatisch ademhaalde, onophoudelijk en instinctmatig in de gaten moest houden of ik veilig was. Ik controleerde constant of ik niet in gevaar was. In zulke omstandigheden loeit er constant een alarm in je hoofd.’

    Toby Obed, een Canadees uit Labrador, zegt niet over zichzelf dat hij de Yale-school heeft afgerond die in North West River door de liefdadigheidsorganisatie Grenfell werd geleid.

    Hij zegt: ‘Ik ben een overlever. Ik heb het overleefd, ik ben in leven gebleven.’

    * * *

    Toby vertelt over school alsof er een veer is losgesprongen, alsof er een la met mappen vol politiedocumentatie is opengeschoten. Hij praat en praat, kalm, systematisch, alsof hij verslag uitbrengt van iets wat een ander is overkomen. Hij gaat bijna twee uur lang door.

    In Toby Obeds vroegschoolse herinneringen komen niet veel kaligrafie-oefeningen, lessen over scheepsbouw of zelfs het verplichte corvee in de koeienstal voor.

    De volgende sleutelwoorden komen wel steeds terug:

    zwiep, klets, pats (zo klapte de zweep); 

    taal, accent, slaag (voor het spreken van Inuktitut kreeg je ervan langs); 

    cel, duisternis, honger (een triade die elk kind zonder uitzondering verlamt).

    Ik hoor van Toby dat in je broek plassen van angst helemaal geen beeldspraak is.

    In zijn herinneringen komt een persoon in het bijzonder naar voren: een lerares, Miss Devil, Juffrouw Duivel.

    ‘Ze liet ons toekijken’, zegt Toby. ‘Ik wilde niet kijken, maar geen kind mocht zijn gezicht afwenden.’

    ‘Je bent vier, zes, tien jaar oud en je weet dat niemand, maar dan echt niemand zich voor je interesseert’

    Toby vat zijn schooltijd als volgt samen: ‘De volwassenen van buiten wisten het. Ze deden er niets aan.’

    Wat er binnen de houten wanden van Grenfell gebeurde was een verschrikking, maar werd mettertijd de norm. Maar je kon er echter niet aan wennen dat er niemand in de buurt was aan wie je erover zou kunnen vertellen. En die je niet zozeer om redding, om ingrijpen kon vragen, want daar hoopten de kinderen al niet meer op, maar om wat troost.

    Toby wachtte op mededogen, dat jarenlang niet kwam. Ook had hij niet het gevoel iemand dierbaar te zijn.

    ‘Je bent vier, zes, tien jaar oud en je weet dat niemand, maar dan echt niemand zich voor je interesseert.’

    Toen dachten de kinderen dat er van de door de liefdadigheidsorganisatie gerunde school geen bevrijding mogelijk was. Maar een zomer was het geld op en werd de instelling gesloten. Dat was in 1979 of 1980, de bronnen stemmen niet overeen.

    Er zijn in Canada geen kindertehuizen. De oplossing waren pleeggezinnen, waar de kinderen rechtstreeks van de kostschool heen werden gestuurd. Uiteraard zonder rekening te houden met familiebanden.

    De kinderen Obed maakten geen kans om samen te blijven. Wie wilde er nu voor een paar gebroken Inuit-kinderen zorgen? 

    Ze werden opnieuw gescheiden, deze keer voor jaren. De kinderen verloren elkaar volledig uit het oog. Die vakantie raakten ze echt alles kwijt, werden de laatste lijntjes verbroken. Toby zag zijn zus Sara pas zevendertig jaar later terug.

    ‘Ze maakten ons gezin helemaal kapot’, zegt Toby. ‘Ik was acht toen mijn leven opnieuw ten einde kwam.’

    Dat was tijdens de Koude Oorlog. In de Canadese bossen werden legereenheden ondergebracht, Goose Bay werd uitgebreid, er werden militairen gestationeerd. Velen van hen hadden al een vrouw, maar nog geen kinderen. Ze konden zorgen voor de beschermelingen van de school in het dennenbos.

    Toen Toby bij het eerste pleeggezin terechtkwam was hij acht jaar oud en dacht hij dat zijn lijdensweg ten einde was, dat hij nu een thuis zou krijgen. Maar in plaats daarvan verplaatsten ze hem van de ene verzorgers naar de andere.

    ‘De acht jaar die volgden heb ik bij twintig gezinnen gewoond. Gemiddeld eens in de vierenhalve maand verhuisde ik, of eerder – werd ik verhuisd. Wat ik wilde, wat ik ervan vond, vroegen ze niet. We werden behandeld als meubels, als obstakels, als zakken met vuilnis.

    In elk huis was het weer anders, maar ik werd geloof ik overal geslagen’, herinnert Toby zich. ‘Ik was niet klein meer, ik hoefde niet meer gespaard te worden. Ik ging al naar de tweede klas, dus ze konden me flink op m’n sodemieter geven. Dat verdiende ik op zich ook: ik begreep niet wat er tegen me gezegd werd. Ik wist niet hoe ik ze tevreden moest stellen. Ik probeerde ernaar te gissen, ik probeerde me aan te passen, maar ik was machteloos.’

    Uiteindelijk wende hij eraan. Het werd dus routine: eten, slapen, school, slaag. Nepmoeders en nepvaders sloegen met de riem en sloegen met de hand voor van alles en nog wat. Hoe je de klappen moest ontwijken, hoe je moest overleven leerde Toby van twintig gespierde, sportieve mannen die werden gesteund door twintig vooruitziende, toegewijde echtgenotes.

    Toby’s lichaam was sterk, dat hielp hem erdoor. Zijn geest was hem ook goedgezind, de meeste huizen heeft hij kunnen vergeten. Toby weet dat ze ergens zijn, hij ze in zich draagt als wild vlees, als littekens, als kanker. Maar zijn hoofd heeft hem ervan afgesneden. In het dagelijks leven ziet hij ze niet, zijn de ziektehaarden niet vast te stellen. Maar Toby weet dat ze nog altijd schade aanrichten, net als gezwellen die bij onderzoek niet te zien zijn.

    Van alle twintig gezinnen kan Toby er misschien vijf of zes voor de geest halen. Aan sommige heeft hij goede herinneringen. Hij gelooft dat ze hun best deden. Bijvoorbeeld enkele nepmoeders. Soms waren ze aardig, kookten ze, wilden ze Toby’s stijve dikke haar kammen.

    Als achtjarige had Toby het overlevens-abc voor kinderen onder de knie: hij loog, stal en bedroog

    ‘Rot op, zei ik, laat me met rust. Niet jij, maar mijn echte moeder zou me nu over mijn hoofd moeten aaien. Maak dat je uit m’n buurt komt, zei ik. Ook sommige nepvaders deden hun best. Soms maakten ze tijd voor me vrij. Probeerden me uit te leggen dat ik zelf om problemen vroeg. Dat spijbelen en weglopen nergens goed voor waren. Maar ik had geen zin om te luisteren. Ik neem het ze niet kwalijk. Ik was geen kind om van te houden, want waarvoor ook?’

    Als achtjarige had Toby het overlevens-abc voor kinderen onder de knie: hij loog, stal en bedroog. Hij vocht veel. De school in Goose waar hij toen op zat, was voor hem één grote boksring. Hij vocht vier, vijf keer per dag, dag in dag uit. En hij verloor nooit, hij was altijd degene die anderen tot bloedens toe sloeg. Hij hield niet op voor hij zeker wist dat ze pijn hadden. De kinderen op school zeiden dat Toby gevaarlijk was. Dat beviel hem wel. Vechten was die opening, die lichtflits, het moment waarop hij even sterk was en er iets van hem afhing. Hij werd dan overweldigd door geluk. Hij voelde geen pijn, het waren de anderen die leden. Ze leden, omdat hij zo beslist had.

    Dat zorgde ervoor dat hij zich kon wapenen voor de middag en avond. Want na school moest hij natuurlijk terug naar zijn pleeggezin en was hij degene die ervan langs kreeg. Maar er waren meer straffen, alledaagse, gewone. Meestal moest hij gewoon zijn mond houden en naar zijn kamer gaan. Ze stuurden hem weg, hij kreeg geen eten. Dat is zogenaamd alleen vervelend, geen marteling.

    ‘Weet je, een of twee keer kun je het best zonder avondeten doen. Maar zelfs als duidelijk is dat je het ergste, vervelendste kind bent, wil je niet de hele tijd honger hebben. Met een kind kun je alles doen. Het is voldoende om hem niet genoeg te eten te geven.’

    Jarenlang was hij ervan overtuigd dat hij slecht was, dat hij het niet verdiende om niet geslagen te worden, niet gestraft. Later drong tot hem door dat de militairen vaak moesten verhuizen. Er kwamen orders, en dan werden de in huis opgenomen kinderen en hun zaken achtergelaten. Maar niemand die dat aan de kinderen uitlegde. Die waren er dus van overtuigd dat ze steeds opnieuw werden verlaten, omdat ze net zo veel waard waren als knellende of afgedragen pantoffels.

    Terugkeren naar zijn vader en moeder was geen optie. De jaren gingen voorbij, maar zijn ouders hielden niet op met drinken. De autoriteiten lieten de kinderen niet terug naar huis gaan, maar er werd ook niet veel gedaan om de ouders te steunen. De kinderen uit huis plaatsen: dat was een radicale en eenvoudige, en vrijwel de enige mogelijke therapie.

    ‘Toen, mijn hele jeugd en nog vele jaren daarna, was ik kwaad. Agressief. Ik voelde me gekwetst en verworpen. Waarom konden anderen bij hun moeder blijven maar ik niet? Waarom konden anderen een normaal leven hebben, alleen ik niet?’

    Toen had Toby er nog geen idee van dat er in de omgeving meer dan duizend kinderen waren zoals hij.

    Deze vertaling kwam tot stand in samenwerking met CELA, Connecting Emerging Literary Artist.

  • Wat de Japanse sneeuwaap ons leert over cultuur bij dieren

    Wat de Japanse sneeuwaap ons leert over cultuur bij dieren

    Lange tijd is de westerse wetenschap beheerst door antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats inneemt in het centrum van de wereld. Doordat dit voor Japan niet gold, ontdekten studenten hier ‘precultuur’ bij dieren. Ben Crair wilde dit zelf waarnemen en koos ervoor de Japanse sneeuwaap te bestuderen: die was het schattigst.

    De Snow Monkey Express was bijna leeg toen ik met een paar andere toeristen van Nagano naar de laatste stop in Yamanouchi reed, een stad met 12.400 inwoners. Een spandoek verwelkomde ons in Snow Monkey Town en borden op het station toonden rode Japanse makaken die tot aan hun nek in warm bronwater zaten te weken. De apen hadden de ogen gesloten en de armen uitgestrekt terwijl stoom om hen heen opsteeg en sneeuwvlokken neerdaalden in de droge vacht op hun hoofd.

    Na een lange reisdag besloot ik zelf een duik te nemen in een van de onsenbaden van de stad. Ik liet mezelf in het kokendhete zwavelhoudende water zakken en dacht aan soortgelijke ervaringen die ik op andere plaatsen had gehad: de geurige vochtige hitte van de Russische banya, het Indiase ayurvedische stoombad in de kitscherige cabine. Door de eeuwen heen hebben mensen over de hele wereld de eenvoudige praktijk van het baden op vele verschillende uitgebreide manieren beoefend. Japanse primatologen waren de eersten die zich afvroegen of ook dieren hun eigen rituelen hebben ontwikkeld.

    De sneeuwapen zijn een van de vele groepen Japanse makaken die de manier waarop we dieren en onszelf zien hebben veranderd. Ze hebben ons geholpen de ware complexiteit van dierlijk gedrag te herkennen – en daarmee inzicht gegeven in de evolutionaire oorsprong van ons gedrag. Mijn plan was om verschillende van deze apentroepen door heel Japan te bezoeken en in deze Snow Monkey Town te beginnen omdat, nou ja, de apen hier het schattigst waren.

    Allesbehalve zen

    De volgende ochtend liep ik enkele kilometers door het bos naar het Jigokudani Monkey Park, waar een bord voor een ‘apenonsen’ over een voetgangersbrug wees. De poel stoomde op de rand van een klif boven de Yokoyu-rivier, en in het midden zat een enkele aap, een oud vrouwtje met een lange snuit en ronde amberkleurige ogen. Ze was een van de ongeveer veertig makaken die wel eens in bad gingen. Andere apen kibbelden over het graan dat arbeiders in het apenpark op de rivieroever en op de berghelling hadden uitgestrooid.

    De foto’s die ik voor de reis had gezien, gaven een indruk van ontspannen kleine dieren, maar het tafereel was allesbehalve zen. Wetenschappers beschrijven Japanse makakengemeenschappen als ‘despotisch’ en ‘nepotistisch’. Elke aap binnen een bepaalde groep had een plaats in een lineaire dominantiehiërarchie, één voor mannen en één voor vrouwen, en ze verdrongen voortdurend ondergeschikten om hun rang te versterken. De apen waren waakzaam terwijl ze graan uit de sneeuw plukten, ze keken voortdurend over hun schouders om hun buren in de gaten te houden; een hogere aap zou ze aan hun been mee kunnen slepen of zijn tanden in hun nek kunnen zetten.

    snow monkey 3971841 1
    © Pixabay

    Toen etenstijd voorbij was, begonnen de apen elkaar te verzorgen – hun manier om niet alleen parasieten te elimineren, maar ook om een ​​meerdere te paaien of een alliantie te vormen. Een paar juvenielen sprongen in de onsen, terwijl volwassen vrouwtjes voorzichtig het water in waadden. Ik hurkte neer voor een vrouwtjesmakaak, die met beide handen een steen vastpakte en haar achterhand onder water plaatste. Haar puberzoon hurkte achter haar terwijl haar dochtertje naast haar peddelde. De zoon kamde met zijn poot door haar vacht, eerst met zijn linkerhand en toen met zijn rechterhand, werkte door haar grijze ondervacht naar de blanke huid en at de stukjes op die hij erin vond. De moeder sloot haar blauwachtige oogleden en legde haar rode wang op de rots tussen haar handen. Haar naam was Tomiko, vertelde een parkmedewerker me. ‘Tomiko houdt erg van onsen’, verklaarde hij.

    Apen zoals Tomiko begonnen bijna zestig jaar geleden te baden in de onsen in Jigokudani. ‘Ik was de eerste die ze erin zag gaan’, vertelt een gepensioneerde professor genaamd Kazuo Wada van het Primate Research Institute van de Universiteit van Kyoto. Het was 1963, en hij bestudeerde de apen in Jigokudani. Het park voorzag in die tijd een groep van 23 apen van appels, in de buurt van een onsen waar gasten van een lokale ryokan, een traditionele Japanse herberg, kwamen om te baden. De apen vermeden het water, tot op een dag een appel het bad in rolde. ‘Een aap ging erachteraan en ontdekte dat het warm was’, herinnert Wada zich. Een paar minuten later nam de aap nog een duik. Jonge apen die vanaf de rand toekeken, werden nieuwsgierig en probeerden het al snel zelf.

    Zowel wetenschappers als de lokale bevolking keken al jaren naar de Jigokudani-apen, maar tot dat moment had niemand ze het water in zien gaan. Binnen een paar maanden was baden populair bij de jongere apen in de groep. Het was meer dan een rage. Hun baby’s leerden ook zwemmen. Uiteindelijk was een derde van alle apen in de troep aan het baden. In 1967 moest het park om hygiënische redenen een speciale apenonsen in de buurt bouwen zodat ze niet samen met hun gasten in het bad zouden gaan.

    GettyImages 52050622 1 1
    Een heetwaterbron bij Jigokudani-Onsen. – © Koichi Kamoshida/Getty Images

    ‘Monkey see, monkey do’ is een meestal spottend gebruikte uitdrukking voor leren middels imitatie, maar wetenschappers van Jigokudani geloofden dat ze getuige waren van iets diepgaands. Ze waren discipelen van Kinji Imanishi, een ecoloog en antropoloog die in 1967 het Primate Research Institute mede oprichtte. Terwijl westerse wetenschappers het leven als een darwinistische strijd om te overleven beschouwden, geloofde Imanishi dat in de natuur harmonie de basis vormde, en dat cultuur een uitdrukking was van deze harmonie. Hij voorspelde dat bij alle dieren die leefden in een ‘eeuwige sociale groep’ waar individuen van elkaar leerden en generaties lang bij elkaar bleven, een eenvoudige vorm van cultuur zou ontstaan. Antropologen hadden nooit aandacht besteed aan dieren, omdat de meesten van hen aannamen dat ‘cultuur’ strikt menselijk was. Vanaf de jaren vijftig ontdekten Imanishi’s studenten in Jigokudani en andere locaties in Japan dat dit niet het geval was.

    Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken

    Tegenwoordig zijn culturen niet alleen erkend bij apen, maar ook bij verschillende zoogdieren, vogels en zelfs vissen. Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken. De verspreiding van dit gedrag wordt bepaald door de sociale relaties tussen de dieren – degenen met wie ze tijd doorbrengen en degenen die ze mijden – en verschilt per groep. Onderzoekers hebben bijna veertig verschillende gedragingen bij chimpansees gevonden die ze als cultureel beschouwden, van een groep in Guinee die noten kraakt tot een andere in Tanzania die danst in de regen. Potviswetenschappers hebben verschillende vocale clans geïdentificeerd met hun eigen klikdialecten, waardoor wat een wetenschapper ‘multiculturele gebieden’ noemt in de zee zijn ontstaan.

    Cultuur is zo belangrijk voor sommige dieren dat Andrew Whiten, een evolutionair en ontwikkelingspsycholoog aan de Universiteit van St. Andrews in Schotland, het een ’tweede overervingssysteem’ noemt naast genetica. En wanneer dieren verdwijnen, verdwijnen ook de culturen die ze in de loop van de generaties hebben ontwikkeld. Instandhoudingsprogramma’s kunnen soms nieuwe dieren in een leefgebied herintroduceren, maar deze nieuwkomers kennen niets van het culturele gedrag van hun voorgangers. In 2019 publiceerde het tijdschrift Science twee artikelen waarin werd betoogd dat inspanningen voor natuurbehoud de impact van menselijke activiteit op gedrags- en culturele diversiteit bij dieren altijd over het hoofd hebben gezien. De auteurs van een van de artikelen drongen aan op het creëren van ‘culturele erfgoedsites’ voor chimpansees, orang-oetans en walvissen.

    nagano 3068677 1
    © Pixabay

    De kranten maakten geen melding van Japanse makaken, die namelijk geen bedreigde diersoort zijn. Maar het voorstel van culturele erfgoedsites voor dieren deed me meteen denken aan Japan, waar Imanishi en zijn studenten in de eerste plaats dierenculturen leerden herkennen. Van Jigokudani trok ik naar mijn volgende bestemming: de meest legendarische van hun veldsites, een eiland genaamd Koshima.

    ‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn’

    Vanuit Jigokudani reed ik met een oude bus langs de Pacifische kust door Kyushu, het meest zuidelijke van de vier belangrijkste eilanden van Japan. Kleine huizen werden door hun tuinen grotendeels aan het zicht onttrokken, bergen rezen op en omarmden het water in de ronde blauwe baaien. Deze regio was ooit populair bij Japanse pasgetrouwden, maar de gouden eeuw eindigde toen het gemakkelijk werd om naar plaatsen als Hawaï te vliegen. Ik stapte uit de bus bij het veldstation dat in 1967 was opgericht door het Primate Research Institute en nu wordt beheerd door de Universiteit van Kyoto.

    Een Amerikaanse student genaamd Nelson Broche Jr. wachtte me op bij de bushalte. Hij bestudeerde acute stress bij Japanse makaken in het Koshima Field Center. ‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn,’ vertelde hij me. Je kunt verschillende soorten makaken vinden in heel Azië, ook in de harten van grote steden zoals Delhi. Japanse makaken hebben zich aangepast aan bijna elke natuurlijke habitat in het land, van de besneeuwde bergen van Jigokudani tot de subtropische bossen op Kyushu.

    Broche stelde me voor aan Takafumi Suzumura, die al achttien jaar voor de universiteit van Koshima werkt. We liepen naar het water en ze wezen naar Koshima, een stuk groen bos in een kalme turquoise zee. Het was zo dichtbij dat surfers erheen konden zwemmen. We betaalden een visser om ons om de rotsachtige kustlijn heen naar een verborgen inham met een strand te varen.

    De apen stonden op het zand te wachten, als overlevenden van een schipbreuk. Zodra we verschenen begonnen ze te kirren en te zoemen. ‘Dat betekent: “Geef me eten”’, zei Suzumura. Het alfamannetje, Shika, stapte op Suzumura af met zijn staart in de lucht en joeg elke andere aap die te dichtbij kwam weg. In tegenstelling tot de apen in Jigokudani, die volledig onverschillig waren voor mensen, gromden sommige apen op Koshima naar me en vielen me aan als ik in de buurt kwam. Suzumura zei dat ik rustig moest blijven, oogcontact moest vermijden en me geen zorgen moest maken. ‘Ze bijten nooit,’ zei hij.

    Imanishi en zijn studenten arriveerden in 1948 op hetzelfde strand. Ze waren op zoek naar bewijs van ‘precultuur’ bij dieren, een fundamenteel proces dat ook de evolutionaire grondslag zou kunnen zijn van de diverse en verfijnde samenlevingen van de mens. Hun doel was om te onderzoeken hoe ‘een eenvoudig gedragsmechanisme zich heeft ontwikkeld tot een hoger complex mechanisme’, schreef Syunzo Kawamura, een student van Imanshi. Ze begonnen hun onderzoek ergens daar in de buurt op halfwilde paarden maar schakelden over op apen nadat ze merkten hoe goed hun troep was georganiseerd. Ze ontmoetten een plaatselijke leraar, Satsue Mito genaamd, die bekend was met de apen van Koshima. In 1952 hielp zij hen om twintig apen te voorzien van graan en zoete aardappelen op bospaden en op het strand.

    monkey 3132624 1
    © Pixabay

    Het was ongebruikelijk voor onderzoekers om wilde dieren te voeren, maar er was wel meer ongebruikelijk aan het onderzoek van Imanishi. Hij moest de apen tolerant maken tegenover menselijke waarnemers, zodat ze elk individueel dier konden identificeren en gedetailleerde observaties konden doen over hun gedrag en sociale relaties gedurende meerdere generaties. Het zou nog een decennium duren voordat westerse wetenschappers zoals Jane Goodall en Dian Fossey op deze manier naar apen gingen kijken. De meeste westerse wetenschappers waren gedrild om dieren nooit te antropomorfiseren. Ze gaven ze alfanumerieke identiteiten in plaats van namen en deden niet aan langetermijnobservaties: in hun ogen waren individuele dieren uitwisselbaar en niet in staat tot complexe sociale relaties.

    Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt

    Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt. De moderne westerse wetenschap ontwikkelde zich in samenlevingen met ouderwetse opvattingen over de suprematie van de mens over dieren, zoals de Nederlandse primatoloog Frans de Waal opmerkte. In de religieuze tradities in Japan heeft de mens daarentegen geen speciale status. ‘De Japanse cultuur benadrukt het verschil tussen mensen en dieren niet’, schreef de Japanse primatoloog Junichiro Itani. ‘En we hebben het gevoel dat dat veel belangrijke ontdekkingen mogelijk maakte.’

    Preculturele verspreiding

    Nadat de apen het graan van Suzumura op Koshima hadden opgegeten, begonnen ze op het strand naar eten te zoeken. Ze ontspanden zich en namen weinig zelfbewuste houdingen aan. Sommigen ploften languit op het zand neer terwijl een metgezel zich over hen heen boog, als Orpheus die om Eurydice rouwde. Anderen gingen slap over rotsen hangen, als offerslachtoffers. Eentje keek me bedeesd over haar schouder aan; een ander bekeek me hooghartig, met de kin in de lucht. Moeders hielden hun baby’s tegen hun borst gedrukt zoals elke Madonna die ik ooit heb gezien met haar kind doet.

    Terwijl ik met mijn smartphonecamera zo dicht mogelijk bij de apen probeerde te komen, verzamelde Suzumura met een paar eetstokjes fecesmonsters uit het zand. Hij hield gedetailleerde gegevens bij van elke aap op het eiland. Hij kon elk van hen identificeren en wist van alle apen de naam, leeftijd, sociale rang en status en de persoonlijkheid te vertellen. De gegevens gingen helemaal terug tot de tijd van Imanishi en volgden de levensgeschiedenis van elke individuele aap op Koshima gedurende meer dan zeventig jaar. Ze lieten zien hoe sommige apenfamilies de overhand kregen terwijl andere gaandeweg verdwenen. Imanishi en zijn studenten waren de eersten die zich realiseerden dat apen hun hele leven hechte allianties met familieleden onderhielden – en dus ‘nepotistisch’ waren. Precies het soort complexe sociale orde waaruit Imanishi voorspelde dat cultuur zou ontstaan.

    Imanishi en zijn team waren al vijf jaar op Koshima toen ze op een dag zagen hoe een anderhalfjarige aap genaamd Imo een zoete aardappel pakte en deze naar de rand van een beek droeg. Ze doopte de aardappel in het water en veegde het zand van de schil. Zo smaakte hij mogelijk beter, want daarna bleef ze haar aardappelen op die manier schoonmaken. De eerste apen die Imo kopieerden, waren twee die veel tijd met haar doorbrachten: haar moeder en een speelkameraadje. Al snel probeerden haar familieleden het ook, en hun speelkameraadjes kopieerden hen weer. Het wassen van zoete aardappelen werd een rage onder jongere apen. In 1958 wasten vijftien van de negentien jonge apen hun aardappelen.

    Masao Kawai, een andere student van Imanishi, beschreef deze fase als ‘preculturele verspreiding’. Imo had nieuw gedrag ontwikkeld dat zich verspreidde onder haar leeftijdsgenoten. Leeftijd en geslacht waren beide van invloed op de overdracht: jongere apen en vrouwtjes leerden zich vaker aan hun aardappelen te wassen dan volwassen apen en mannetjes. De volgende fase begon toen Imo en haar leeftijdsgenoten volwassen werden en zich voortplantten. Nu werd het gedrag overgegeven aan de volgende generatie, zowel mannetjes als vrouwtje, die het wassen van de zoete aardappelen van hun moeder leerde. Leeftijd en geslacht speelden niet langer een rol. ‘Preculturele druk werkt’, schreef Kawai. Een nieuw gedrag was vastgesteld binnen de troep.

    sugarman joe LybgMpDCCXI unsplash 1
    © Unsplash

    In 1961 wasten de meeste apen hun aardappelen niet langer in de beek maar in de zee. Misschien omdat zeewater overvloediger was, hoewel sommige wetenschappers dachten dat de apen misschien de smaak van het zoute water prefereerden: sommige doopten de aardappel er na elke hap weer in.

    Ik had gehoopt de huidige populatie apen op Koshima hun zoete aardappelen te zien wassen, maar Suzumura voerde ze nog slechts één of twee keer per jaar zoete aardappelen. De oorspronkelijke groep van twintig apen groeide in 1971 tot honderdtwintig. Sinds 1972 leverde het Primate Research Institute alleen nog graan. Toch was de culturele impact van het zoete aardappelen wassen nog altijd zichtbaar op Koshima.

    De kieskeurige kleine Imo had nóg een nieuw gedrag ontwikkeld dat zich snel verspreidde binnen de groep: ze scheidde haar tarwe van het zand waarmee het vermengd raakte door het in het water te gooien. Het graan bleef drijven en het zand zonk. (Sommige apen wassen hun tarwe nog steeds, zei Suzumura, maar zelf zag ik het niet gebeuren.) Baby’s die tijdens het wassen van de aardappelen door hun moeder mee het water in werden gedragen, begonnen tijdens het spelen te zwemmen, iets wat hun ouders nooit hadden gedaan.

    Voordat Imanishi’s team arriveerde, brachten de apen bijna al hun tijd door in het bos. Nu brachten ze ook een groot deel van hun tijd op het strand door en hadden ze een nieuw repertoire van gedragingen aangeleerd. ‘Sinds de wetenschappers voor het eerst begonnen met het voeren van de makaken op het eiland Koshima, heeft zich een geheel nieuwe levensstijl ontwikkeld’, schreven de Israëlische onderzoekers Eva Jablonka en Eytan Avital. Ze noemden dit een voorbeeld van ‘cumulatieve culturele evolutie’. Kawai was verrast door hoe snel de apen zich aanpasten aan hun nieuwe strandomgeving, gezien hun aanvankelijke afkeer van water. ‘We leren via de Koshima-troep dat zodra dat sterke traditionele conservatisme door een of andere oorzaak begon af te breken, het gemakkelijk helemaal verdween’, schreef hij.

    Toen ik er was slenterden de apen enkele uren over het strand. Het was middag, de temperatuur begon al te dalen en de dieren verdwenen in het bos om te foerageren. Het lege strand stak misschien bleek af bij ‘culturele erfgoedsites’ in de mensenwereld, zoals paleizen en kathedralen. De apen hadden niets gebouwd dat op architectuur leek, zelfs geen zandkasteel. Maar wat Koshima ons liet zien, is dat cultuur geen product was. Het was een proces. Stap voor stap begon het leven van de apen in Koshima er anders uit te zien dan dat van andere apen – en begon het iets meer op het onze te lijken.

    Ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd

    Ik moest kiezen waar ik heen wilde na Koshima. Er waren andere sites die in aanmerking konden komen als cultureel erfgoed voor Japanse makaken. In Arashiyama bij Kyoto begonnen sommige apen in de jaren zeventig met stenen te spelen, en dat gedrag verspreidde zich in hetzelfde patroon als het wassen van zoete aardappelen in Koshima en het baden in Jigokudani: eerst horizontaal onder leeftijdsgenoten en vervolgens van de ene generatie op de andere. De wetenschapper die het gedrag voor het eerst observeerde, een Amerikaan genaamd Michael Huffman die nu verbonden is aan het Primate Research Institute, merkte dat verschillende groepen apen in de loop der tijd hun eigen manier ontwikkelden om met stenen om te gaan. In sommige groepen wreven de apen ze tegen elkaar, in andere knuffelden ze de stenen of sloegen ermee op de grond.

    Maar ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd. De Japanse onderzoekers realiseerden zich ook dat het nieuwe gedrag op plaatsen als Koshima, Jigokudani en Arashiyama niet bepaald natuurlijk was. De wetenschappers zelf hadden hun ontwikkeling gestimuleerd door te voeren, waardoor de dieren in onbekende habitats terecht kwamen en tijd hadden om nieuw gedrag uit te proberen. Ook op andere plekken had het voeren invloed op het leven van de groep. ‘In de voederplaatsen waren de relaties tussen de mannetjes heel duidelijk. De ene is dominant, de andere is ondergeschikt,’ vertelde Yukimaru Sugiyama, een voormalig wetenschapper van het Primate Research Institute. Maar toen hij apen het bos in volgde, zaten jonge mannetjes vaak in de buurt van dezelfde dominante apen die ze op de voederplaats hadden vermeden.

    Naarmate de interesse van onderzoekers in het natuurlijke leven van de primaten toenam, leerden ze ze beter kennen door ze simpelweg te volgen. Aanvankelijk renden de primaten weg, maar de meeste verloren uiteindelijk hun angst voor mensen. Vanaf het einde van de jaren vijftig brachten Imanishi en zijn studenten wat ze in Japan hadden geleerd naar Afrika om chimpansees, gorilla’s en andere primaten te bestuderen. Door een combinatie van veldobservatie en experimenteel werk hebben ze daar veel van wat ze van apen in Japan hadden geleerd over cultuur, kunnen verifiëren en verbeteren. Dankzij het werk van mensen als Goodall kwamen westerlingen tot hun huidige technieken en bevindingen.

    Onheilspellend

    Omdat ik ze niet helemaal naar Afrika kon volgen, ging ik naar een ander eiland, genaamd Yakushima. Je kan naar Yakushima vliegen of een hogesnelheidsveerboot nemen, maar ik koos voor de goedkoopste optie: een tocht van dertien uur op een nachtelijk vrachtschip vanuit Kagoshima, een stad naast een vulkaan op de zuidpunt van Kyushu. Het eiland zag er onheilspellend uit toen we de volgende ochtend de haven binnenvoeren, de bergen omringd door mist en regen. Yakushima was beroemd om zijn oude mos en oerbossen. Ook leefden er ongeveer 10.000 Japanse makaken op het eiland – ongeveer evenveel als de menselijke populatie van ongeveer 13.000. De apen leefden in groepen van minder dan vijftig, en er was geen bevoorrading. Ze zochten naar fruit, bladeren, eikels en scheuten, maar ook naar insecten en spinnen.

    ‘Op Yakushima houden apen van paddestoelen’, zegt Akiko Sawada, een onderzoeker van de Chubu Universitaire Academie van Opkomende Wetenschappen. De Yakushima-apen aten meer dan zestig verschillende soorten en Sawada onderzocht of ze konden ruiken of een paddestoel al dan niet giftig was. Ze dacht dat dit sociale kennis was, waarbij een jonge aap leerde welke paddestoelen hij moest eten en welke hij moest vermijden door naar zijn moeder en andere volwassenen te kijken. Het was moeilijk te zeggen of gedragingen in Yakushima cultureel waren of op een andere manier aangeleerd, zoals door instinct of gewoon door vallen en opstaan. Al deze processen werkten samen om het leven van een aap vorm te geven en konden in een volledig natuurlijke omgeving niet gemakkelijk van elkaar worden gescheiden.

    Sawada nam me mee naar de rustige westkust van Yakushima, waar wetenschappers verschillende groepen hadden ondergebracht. De apen waren gemakkelijk te vinden, omdat ze onderweg graag elkaar verzorgden en zonnebaadden. Ze haastten zich uit de weg voor auto’s die snel reden, maar reageerden nauwelijks op langzaam rijdend verkeer. Het was ook paartijd en mannetjes en vrouwtjes zochten elkaar op en maakten leeftijdsgenoten op een afstand jaloers. Sawada wees erop hoe een van de oudere apen achterover leunde en naar haar armen keek terwijl ze een partner verzorgde: haar zicht werd slechter.

    We volgden een grote groep vanaf de weg het bos in. Professor Sugiyama had gelijk: er waren minder conflicten, omdat de apen een groot gebied hadden om te foerageren. Sommige braken eikels met hun tanden; anderen klommen in bomen voor fruit. Een jonge vrouw ontdeed de bodem van het bos van opgekrulde dode bladeren. ‘Ik denk dat ze cocons zoekt,’ zei Sawada.

    nomao saeki yuqwzT3C7yk unsplash 1
    © Unsplash

    Tijdens de wandeling werden we door vier herten vergezeld. Ze waren zo klein als honden en bijna net zo vertrouwd met mensen. De apen waren rommelige eters en de herten volgden hen om hun restjes op te rapen. Er ontstond een relatie: de apen verzorgden de herten, en klommen er soms op. Op een andere onderzoekslocatie in de buurt van Osaka bestegen apen soms zelfs herten in een zeldzaam voorbeeld van seks tussen soorten. Het is mogelijk dat de herten zachtaardiger partners waren voor kleine adolescenten die routinematig werden afgewezen door het andere geslacht of fysieke schade riskeerden van agressieve volwassenen. ‘Toekomstige observaties op deze plek zullen uitwijzen of deze groepsspecifieke seksuele eigenaardigheid een kortstondige rage was of het begin van een cultureel in stand gehouden fenomeen’, schreven de onderzoekers.

    Die middag liet Sawada me verschillende video’s zien die zij en haar collega’s in het bos hadden opgenomen. In één verslond een aap een gigantische duizendpoot; in een andere wreef een aap een rups tussen haar handen heen en weer om de stekende stekels te verwijderen voordat ze hem at; in een derde plukte een aap mollige witte horzellarven uit een nest. Sawada giechelde toen ze een video afspeelde van de apen die op grote hoogte leefden en bamboe aten: ze waren, om redenen die niemand echt begreep, extreem dik.

    Later, toen ik in mijn eentje de berg beklom, waren er geen bamboebossen of mollige apen op de rotsachtige top. Ik keek neer op het bladerdak van het oude cederbos en over de zee, denkend aan wat de primatoloog Itani had waargenomen: dat de Japanse cultuur geen sterk onderscheid maakt tussen mensen en dieren. In het Westen lijken cultuur en wetenschap vaak gescheiden krachten, maar hier versterkten ze elkaar. De wetenschap had de makakencultuur ontcijferd en de cultuur had ons wetenschappelijke begrip van de dierenwereld verbreed.

    Maciek Pożoga, gevestigd in Frankrijk, heeft voor dit verhaal twee weken lang Japanse makaken gefotografeerd. Bekijk in het originele artikel zijn werk.

  • Chili droogt op door avocado’s voor het buitenland

    Chili droogt op door avocado’s voor het buitenland

    Chili kampt al jaren met een grote droogte en een tekort aan water, wat in belangrijke mate aan de dorstige avocado-industrie te wijten is. Bovendien is door privatisering de drinkwaterrekening torenhoog. Toch zijn de bewoners van het dorpje Petorca blij met de kansen die de avocado hen biedt.

    Avocadodroogte

    In 2016 publiceerden wij een longread over de ‘oergezonde waterslurper’: de geliefde avocado. De bekendste soort superfood die er is, maar blijkbaar zijn voor de productie enorme hoeveelheden water nodig, waardoor de landen van herkomst, zoals Brazilië, Chili, Spanje, Zuid-Afrika en Peru, gevaar lopen.

    Deze reportage over een Chileens dorpje maakt duidelijk hoe ingewikkeld het probleem is. Zo zijn de bewoners als de dood dat door slechte pers mensen stoppen met avocado’s eten.

    Net buiten Petorca, een dorp in de gelijknamige provincie op ruim drie uur rijden ten noorden van de hoofdstad, ligt plantage La Chimba. Aan weerszijden van de ingang staan metershoge palmbomen. Achter hoge hekken groeien de avocado’s. Ook hier hebben ze een aanhoudend tekort aan water. 

    Hector Cavieres is opzichter, hij wijst naar boven en zegt: ‘Daar zijn we de bomen aan het snoeien. We hadden vijftig hectare maar we snoeien terug tot dertig hectare. Die bomen doen niks meer vanwege de droogte. Op deze manier kunnen ze een jaar overleven zonder water. Mocht het gaan regenen, dan gaan ze weer groeien.’

    Chincolco22 1
    Chimbaplantage, Chincolco, Chili.

    Iets hoger op de heuvel klinkt onafgebroken het geluid van kettingzagen. Het heeft iets treurigs, al die gekortwiekte gezonde bomen. Drie mannen zagen stug door. Als een van hen even stopt om het zweet van zijn voorhoofd te vegen, vertelt hij dat ze per omgezaagde boom betaald krijgen. ‘We tellen zelf de bomen, per rij staan er dertig. Voor een grote boom krijgen we meer dan voor een kleine.’ Op de vraag of hiermee een redelijk salaris te verdienen valt zegt hij een beetje aarzelend: ‘Jawel. Er wordt op heel veel plaatsen gesnoeid omdat er geen water is.’

    Het afgelopen jaar heeft La Chimba 700.000 kilo avocado’s geoogst. ‘Alle mooie avocado’s zijn voor de export,’ vertelt Cavieres, ‘als ze niet de goede maat hebben, kunnen we ze niet exporteren. Weinig water en de droogte leveren een kleinere avocado op, die blijven in Chili. Dit jaar kunnen we maar ongeveer 10 procent van het aantal van vorig jaar exporteren, zo’n 80.000 kilo.’ Cavieres gaat weer aan het werk, op zijn crossmotor scheurt hij tussen de avocadobomen weg.

    Zwaar werk

    Tijdens de oogst van de avocado’s werken hier vijfentwintig mensen die zijn ingehuurd via een soort uitzendbureau. Met lange stokken waaraan een net en een soort schaar zitten, verdwijnen ze tussen de bomen. Stevige zakken hangen aan hun schouders, hier worden de losgeknipte avocado’s in verzameld. Wanneer de zak vol is sjouwen ze hem naar de weegschaal. Hoe voller, hoe beter.

    Een meisje schrijft op een wit vel papier hoeveel kilo iemand geplukt heeft. Aan het einde van de dag telt ze alles op en wordt er uitbetaald. 

    De mannen, en een enkele vrouw, werken gestaag en veelal zwijgend door. Een van de mannen zegt: ‘Als je alleen lagere school hebt, kun je eigenlijk alleen in de landbouw werken en dan betaalt een avocadoplantage het best. Het ligt aan de grootte van de avocado wat we verdienen. Meestal rond de 24 euro per dag. Maar dan moet je goede en grote avocado’s hebben.’

    Hij knikt: ‘Ja, het is zwaar werk.’ En weg is hij weer, tijd is hier geld.

    Het is een slecht avocadojaar voor La Chimba. Ook hier verlangt men naar regen. 

    Lees ook:

    Een kilometer of twintig noordwaarts staat het bedrijf Agricola Santa Juana. Een grotere speler op de avocadomarkt. Met een heus ontvangstkantoor en een receptioniste. Ze belt haar meerdere maar die laat weten niets te willen zeggen. Buiten hangt een van de chefs over zijn autoportier en vertelt dat ze slechte ervaringen hebben met een Duits tijdschrift waarin werd opgeroepen de avocado niet meer te eten. 

    ‘Als het niet gaat regenen moeten we ons water ergens anders vandaan halen, uit de zee bijvoorbeeld’

    Manuel Montenegro (65) uit Chincolco ziet ook voordelen van de avocadoplantages in de regio. De werkgelegenheid bijvoorbeeld. ‘Verder is hier weinig werk. Er zijn alleen avocado’s, noten en cactussen.’

    Zijn dochter woont even verderop, vertelt hij. Al twintig jaar, in een wijkje waar veel alleenstaande vrouwen met of zonder kinderen wonen. Werken bij een avocadoplantage gaf deze vrouwen financiële onafhankelijkheid. Manuel knikt: zeker, dat is belangrijk, met eigen geld hebben ze geen man meer nodig. De verdiensten van zijn dochter zijn ongeveer 420 euro per maand. 

    Dat het watertekort een probleem is voor de regio zal hij niet ontkennen. ‘Sí, claro, avocado’s hebben veel water nodig. Dat heeft absoluut consequenties. Als het niet gaat regenen moeten we ons water ergens anders vandaan halen, uit de zee bijvoorbeeld.’

    Chincolco27 1 1 1 1

    Complex van factoren

    Op de vraag of de grote avocadotelers ook schuld hebben aan het watertekort geeft watermanagementspecialist Ricardo Ferreira uit La Ligua een ontwijkend antwoord. De problematiek van de provincie Petorca is een complex van factoren, zegt hij. Zo is een groot aantal waterrechten toegekend aan landbouwbedrijven zonder de resultaten van eerdere studies over de hoeveelheid water in de bekkens mee te nemen. ‘Ook daarom is er nu een tekort aan water.’

    Andere oorzaken zijn volgens hem het gebrek aan regen en het ontbreken van een bergketen in de provincie Petorca die het mogelijk zou maken om waterreserves vast te houden.

    Over de privatisering van water zegt Ferreira: ‘De huidige waterwet stamt nog uit de tijd van de dictatuur. Water mag als product worden verhandeld. De overheid levert gratis waterrechten aan private partijen en dat maakt het voor de overheid moeilijk om de watervoorraden te beheren. Het is dus van groot belang dat de grondwet gewijzigd wordt en er een nieuwe waterwet komt, zodat de overheid op democratische wijze het beheer over het water krijgt. Want nu kunnen waterrechten ook gekocht, verkocht of geleased worden zonder dat er rekening wordt gehouden met plaatselijke prioriteiten, zoals de behoefte aan drinkwater.’

    Lees ook:

    Er moeten verschillende acties ondernomen worden om het beheer van de watervoorraden te verbeteren en om nieuwe bevoorradingsbronnen te genereren.

    Ontzilting van zeewater is een initiatief dat ongetwijfeld belangrijk is, denkt Ricardo Ferreira. Zeker voor menselijke consumptie. Voor de landbouw zou het nog beter onderzocht moeten worden, maar de uitvoeringskosten zijn zeer hoog.

    Zout

    Ook Paula Quiroz (70) denkt dat het gebruik van ontzout zeewater een oplossing voor het watertekort zou kunnen zijn. ‘Hemelsbreed zitten we hier op zestig kilometer van de oceaan. We zitten niet zo hoog in de bergen, dus het kan niet heel moeilijk zijn om het water hierheen te brengen. We zijn te afhankelijk van regen die er niet is.’

    Wat te doen met al het zout? ‘Daar kunnen bakstenen van gemaakt worden,’ oppert Paula, ‘of we verkopen het aan landen waar het veel sneeuwt.’

    Ze lacht om haar laatste opmerking maar ze meent het wel, want ook zij maakt zich zorgen. Het grondwater daalt, de landbouw slaat steeds diepere putten, soms wel tot honderdvijftig meter diep. 

    Chincolco31 1 1

    Paula daalt de houten trap af die vanuit haar keuken naar de tuin leidt. Ze stapt over het betonnen irrigatiekanaal waar een keer per week water doorheen stroomt vanuit een verderop gegraven put. Omdat Paula relatief dicht bij die put zit, krijgt zij nog water maar de mensen die verder weg wonen moeten het zonder stellen, ‘daar komt het water niet eens’. 

    De dorre takjes op de droge grond knisperen onder haar voeten bij iedere stap die ze zet. ‘Kijk,’ zegt ze en ze buigt zich voorover naar een zwarte tuinslang met hele kleine gaatjes. ‘Dankzij dit irrigatiesysteem kan ik nog een paar fruitboompjes houden.’ Sinds een maand heeft ze deze slang in haar tuin. Heel langzaam, druppel voor druppel, komt er water uit de gaatjes. 

    Tegenwoordig moeten we ook betalen aan de fabriek die het water reinigt, voor de elektriciteit die dat kost en voor de leidingen

    Water is duur, en aan deze kant van het dorp is het nog duurder ‘dan beneden’, waar de bewoners water krijgen via een ander bedrijf. ‘Wij hebben een coöperatie voor het drinkwater,’ zegt Paula. ‘Vroeger was het goedkoop, toen betaalden we alleen het opgepompte water. Tegenwoordig moeten we ook betalen aan de fabriek die het water reinigt, voor de elektriciteit die dat kost en voor de leidingen.’ 

    De dorpsbewoners willen zich aansluiten bij een zonnepanelenproject om de kosten omlaag te brengen. Deze projecten worden gesubsidieerd door de overheid. 

    Chincolco13 1 1
    Paula Quiroz: ‘Dankzij dit irrigatiesysteem kan ik nog een paar fruitboompjes houden.’

    Van Paula’s tuin is nog maar een fractie beplant. Het grootste gedeelte ligt braak. Aan de randen groeien nog cactussen. Die krijgen haar afwaswater om te drinken. ‘Want ik wil echt niet dat mijn cactussen doodgaan.’

    Het is rond een uur of drie als Paula in haar oude Peugeot stapt. Ze klemt haar handen strak om het stuur en rijdt met dertig kilometer per uur naar haar zussen beneden in het dorp voor het dagelijkse theeritueel.

    Kleine groene oase

    Jorge Castro (70) brengt regelmatig hooi en stro bij Maria Roderiquez (78), die boven op een berg woont. Jorge rijdt met zijn pick-up kilometers over een onverharde weg, steekt de droge rivierbedding over en vervolgens gaat het omhoog, de bergen in. 

    Maria staat al op de uitkijk. Een struise dame met een verweerde, gebruinde huid zoals alleen mensen kunnen hebben die buiten wonen, daar waar de zon veel schijnt en de wind vaak waait. Ze leunt op een stok. Aan verschillende bomen zijn honden vastgebonden. Ze blaffen hard tegen elkaar op tot Maria en Jorge uit hun zicht verdwijnen. Maria gaat maté maken, een traditionele Argentijnse thee met kruiden en vooral ook veel suiker. Als Maria geen maté drinkt, krijgt ze hoofdpijn, zegt ze. Geboren en getogen is ze op deze plek. Zeven kinderen heeft ze er grootgebracht, en ze is hier alle dagen, behalve die ene keer per maand dat ze ‘naar beneden’ gaat om olie, thee, suiker en rijst te halen. 

    Ze slurpt van haar maté en knikt: ‘Ja, er is heel veel veranderd. Ik heb geen groenten meer in de tuin, vijf jaar geleden had ik nog mooie grote aardappelen. Maar de waterput is helemaal opgedroogd.’ Ook heeft Maria bijna geen dieren meer vanwege de droogte. Die eten een baal hooi per dag. ‘Ik kan geen dertig hooibalen per maand kopen van tien euro per stuk.’

    Toch prijst Maria zich gelukkig, zij kan het afvalwater opvangen uit de even verderop gelegen kopermijn. Daarmee heeft ze een kleine groene oase gecreëerd naast haar golfplatenhuisje, met druivenranken als afdak tegen de brandende zon.

    Chincolco06 1
    Maria Roderiquez: ‘Ik heb geen groenten meer in de tuin, vijf jaar geleden had ik nog mooie grote aardappelen. Maar de waterput is helemaal opgedroogd.’

    ‘Als ik hier drinkwater voor moest gebruiken dan zou ik een hele hoge waterrekening hebben. Ik dank God voor het water uit de mijn.’ 

    Nee, Maria gaat hier nooit meer weg. Onlangs zei een kleinkind tegen haar: ‘Oma, als u doodgaat dan kom ik hier wonen.’ Maria lacht: ‘Hij heeft erover nagedacht want hij wil een opvang voor gepensioneerde geiten beginnen.’

    Ze kijkt op haar horloge, dat aan haar schort geknoopt zit. Het is kwart voor twaalf, ze wil gaan koken.

    Brandbrief 

    Barbara Astudillo (31) opgegroeid in de provincie Petorca, is ecofeministe en onderzoeker bij Fundación Territorios Colectivos. Ze voert al jaren actie. ‘Want in het gebied waar ik zoveel van hou, worden de mensen- en milieurechten geschonden zodat men geen toegang heeft tot water.’

    Astudillo is van mening dat Chili nu prioriteit moet geven aan klimaatveranderingswetten en vermindering van het water- en energieverbruik van grote industrieën. Ook zij vindt dat de grondwet moet worden aangepast, maar er is in Chili gebrek aan politieke wil om veranderingen teweeg te brengen. 

    ‘Stop met de privatisering van water,’ zegt ze, ‘transformeer het naar een nationaal bezit waarbij de consumptie door burgers en de ecologische belangen vooropstaan. Maak de economie daaraan ondergeschikt.’

    Chincolco01 1 1 1 1
    Chincolco, Chili.

    Onlangs heeft ze een brandbrief gestuurd naar de speciaal rapporteur van de VN voor water en hygiëne Leo Heller. Daarin schrijft ze onder meer dat met name de gemeenten Cabildo, La Ligua en Petorca al jarenlang te lijden hebben onder het watergebruik van de agrobusiness, door de aanplant en het telen van citrusvruchten en avocado’s.

    Er groeien nog wat cactussen maar zelfs die hangen er een beetje treurig bij

    Dorpen zitten zonder watervoorziening als gevolg van accumulatie van grote hoeveelheden zoet water in boven- en ondergrondse kanalen voor deze agro-industriële bedrijven. Regelmatig zijn ze aangeklaagd door nationale en internationale organisaties zoals het bekende Chileense Modatima. De leiders van deze milieuactivistische organisatie worden niet zelden vervolgd en soms zelfs met de dood bedreigd. 

    Veel gezinnen worden tegenwoordig bevoorraad met een tankwagen, vijftig liter per persoon per dag. ‘Ja, natuurlijk is dat veel te weinig,’ zegt Barbara, ‘maar het is complex om met gebrek aan overheidsbeleid en investeringen de watercrisis in dit gebied te bestrijden.’

    Onlangs heeft het geregend in de provincie Petorca, voor het eerst in zestien jaar.

    ‘Maar het water bereikte de rivieren van onze vallei niet,’ verzucht ze. ‘Het bleef achter in de bassins van de avocado- en citrusfruittelers. Betaald met het geld van alle Chilenen om de grote ondernemers van het land te subsidiëren. We moeten de wereld écht anders in gaan richten.’

    Verloren paradijs

    Aan de onverharde weg tussen Petorca en Chincolco staat achter een hek het huisje van Zoila Lemus (73). De hond blaft onophoudelijk, zoals eigenlijk overal. Zoila woont hier samen met haar dochter en haar twee kleindochters. Alle bomen in haar tuin zijn dood, zo ook alle groene planten. Er groeien nog wat cactussen maar zelfs die hangen er een beetje treurig bij. 

    Het huisje kijkt uit op gortdroge bergen. Aan het einde van de vorige eeuw waren deze bergen veel groener. Maar men kapte alle bomen om de huizen te verwarmen en om te koken. Niemand plantte ooit een boom terug. 

    Zoila’s woning staat aan de oever van een rivier waar al twintig jaar geen water meer door stroomt. Ze pakt een ingelijste foto van een kastje. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘de rivier was vroeger prachtig, we konden er zelfs in zwemmen. Onze tuin stond vol bomen en rozen in allerlei kleuren. We verbouwden alles zelf: tarwe voor het brood, bonen, mais, linzen, aardappelen, uien, knoflook, courgettes. Gewoon om zelf te eten en om in te maken. Nu kan ik hier niks meer laten groeien. We wonen in een woestijn zonder water. Alle putten die we gegraven hebben zijn opgedroogd.’

    Chincolco12 1 1 1 2
    Zoila Lemus: ‘De rivier was vroeger prachtig, we konden er zelfs in zwemmen. Onze tuin stond vol bomen en rozen in allerlei kleuren.’

    Zoila en haar familie krijgen vijftig liter water per dag om te koken, te wassen en te douchen. ‘Je kunt je beter wassen met een bakje water. Haren wassen kost heel veel water, we gebruiken een sok om ons haar nat te maken.’

    Tot voor kort kwam er een tankwagen om het water te brengen maar Zoila heeft sinds een maand een nieuwe waterput. Met een automatisch systeem dat niet goed werkt. ‘Soms hoor je water, soms hoor je niks. Maar het bedrijf dat de meter heeft geïnstalleerd geeft niet thuis.’

    Maar heeft ze, als het systeem goed zou werken, dan wel genoeg water?

    Zoila schudt haar hoofd: ‘Nee, er komt een liter water per seconde langs voor acht families.’ 

    Ze legt uit hoe het met de waterrechten in Chili zit. Het gaat zoals gezegd om een wet die nog stamt uit de tijd van de dictator Pinochet. Je kon je toen inschrijven voor water: een boer met bijvoorbeeld drie hectare grond had recht op drie ‘delen’ water. ‘Maar,’ zegt Zoila, ‘dat ging over oppervlaktewater. Ook voor het ondergrondse water kon je rechten kopen maar dat wisten de boeren niet. Het recht op ondergronds water is stiekem verkocht aan grote bedrijven. Die eisen nu alles op en oppervlaktewater is er allang niet meer. De regering moet nu de rechten kopen van die bedrijven zodat ze het water kan verdelen. Al die bedrijven verdienen er nog meer aan. En ik heb geen “recht” op water. Dat is waarom de mensen de grondwet willen veranderen.’

    Soms is er een project vanuit de overheid. Zo zouden Zoila en haar buren ook een waterleiding krijgen, er was bijna 35.000 euro voor beschikbaar. Verschillende aannemers en onderzoekers zijn langs geweest om te bestuderen hoe dat zou moeten. Al het geld is opgegaan aan onderzoek en er is verder niks gebeurd.

    Buiten blaft de hond. ‘Pasqalle!’ roept Zoila, ‘de hond!’ De oudste kleindochter hoort het niet. Ze is doof. Ze kunnen het niet bewijzen maar Zoila is ervan overtuigd dat het komt omdat haar dochter, toen drie maanden zwanger, op de avocadoplantage liep op het moment dat er een vliegtuigje overvloog met pesticiden.

    Ze trekt haar kleindochter even stevig tegen zich aan, de hond buiten is inmiddels stil.

    Auteur: Karin Stroo

    Foto’s: Goedele Monnens

  • Mijn leven als Avatar

    Mijn leven als Avatar

    Als de werkelijkheid niet meer bevalt biedt virtual reality tal van mogelijkheden. Misschien ontmoeten we elkaar daar in de toekomst, nu er in de fysieke wereld (tijdelijk) niet meer zo veel te beleven valt. Die virtuele realiteit wordt bovendien steeds echter. ‘Hier worden je zintuigen zo geprikkeld dat mijn lichaam de rest gewoon invult.’

    Het maakt allemaal een nogal onschuldige indruk. Een zonnestraal komt precies voor mijn voeten terecht, hij heeft een lange reis achter de rug, ook al bestaat hij eigenlijk niet echt. De zonnestraal heeft zich een weg gebaand door het dikke pak wolken buiten, is meegereisd op de piepkleine regendruppeltjes uit de hemel, tot hier bij mij. Zachtjes en warm kietelt hij mijn voet op de parketvloer. Ik kijk om me heen: de ruimte heeft de vorm van een kubus, aan drie zijden begrensd door enorme glazen wanden. De vierde muur is vrijwel over de hele breedte bedekt door een reusachtig scherm waarop een film speelt. Een paar lachende mannen staan ernaar te kijken.

    Waar ben ik? Ik ben in de toekomst. En tegelijk ben ik in het hier en nu. Ik ben in de realiteit. En tegelijkertijd in iets heel anders, iets dat wel wat weg heeft van een droom. Ik ben in de virtuele realiteit. Ze zeggen dat virtual reality onze toekomst is en dat we elkaar over een jaar of tien, twintig hier zullen ontmoeten, in plaats van verre reizen te maken om onze geliefden te zien. Nu zijn er nog maar weinig mensen op pad in deze wereld, die eigenlijk nog niet echt bestaat, ook al ziet hij er voor mij op dit moment verdomd echt uit.

    Andere wereld

    In de niet-virtuele werkelijkheid heb ik nu een grote koptelefoon en een enorme virtualrealitybril op die in het begin zwaar aanvoelde, en sta ik in mijn eigen woonkamer. Maar wat is nou echt: zodra ik me bevind in de kubusvormige ruimte met de glazen wanden die alleen in mijn bril bestaat, verdwijnt de andere realiteit. De headset voel ik niet meer, ik sta niet meer in mijn woonkamer, ik ben in deze met licht overgoten ruimte met het grote scherm tegen de muur. Als ik op de vloer van mijn woonkamer een stap zet, ga ik ook in de virtuele ruimte een stap naar voren. Buig ik mijn hoofd, dan doet mijn avatar, in wiens lichaam ik de andere wereld beleef, dat ook.

    Ik draai een rondje en ben verbaasd hoe echt het allemaal lijkt: boven, onder, links, rechts, waar ik ook kijk, de illusie is zo perfect dat mijn woonkamer en daarmee de hele andere wereld verdwijnt. Ik verbaas me over de bomen achter het raam die wiegen in de wind, net als echte bomen, ervoor loopt een beekje dat uitkomt bij een waterval. Als ik dichter bij de uitgang kom, hoor ik het beter, net als het getsjilp van de vogels en het ruisen van de bladeren, terwijl het gesprek van de mannen op de achtergrond zachter wordt. Dit hier is de ‘Hang out area’. Op het menu heb ik deze gekozen omdat het klinkt naar vrije tijd, gezelligheid, smalltalk, mensen leren kennen, relaxen. Ik voel de zon op mijn huid, ook al kan dat eigenlijk niet. Hier worden je zintuigen zo geprikkeld dat mijn lichaam de rest gewoon invult. Er komt een rust over me waarvan ik niet weet of die misschien ook alleen virtueel is.

    Worlding Worlds, MU – © Hanneke Wetzer
    Worlding Worlds, MU – © Hanneke Wetzer

    Wie zal me horen?

    Opeens wordt de zonnestraal verduisterd en staat er een grote, rode man voor me. Ik heb hem niet zien aankomen, maar nu hoor ik hem hijgen, vlak bij mijn oor, veel te dichtbij. Hier klopt iets niet. Zijn hand komt dichterbij, ik kijk omlaag, zie mijn blauwe jurk en zijn hand op mijn borst. Ik heb een vrouwelijke avatar gekozen, was dat misschien verkeerd? Mijn avatar heeft een wespentaille en ziet er verder uit als een kleine robot, met ronde, lege oogkassen die oplichten als je spreekt. Mijn vrouwelijke avatar heeft de man ertoe verleid om mij te grijpen. Ik wil schreeuwen. Maar wie zal me horen? In welke wereld komt mijn kreet terecht? De rode man staat voor me, breedgeschouderd, met agressief flitsende groene ogen, hij betast me en zegt niets. Hij kijkt me recht in de ogen, alsof hij zich afvraagt hoe ver hij kan gaan. Grijnst hij? Verlustigt hij zich aan mijn hulpeloosheid? Wil hij zien wat er nu gaat gebeuren, als een klein kind? In dit gezicht kun je van alles menen te zien. Het voelt shit. Ik wil een stap achteruit doen, maar daar is een trap. Wat als ik struikel? Zijn het echte treden? Of beweeg ik me over de vlakke vloer van mijn woonkamer in de andere wereld?

    Ik probeer tegen mezelf te zeggen dat het allemaal niet echt is. Als door drijfzand banen de gedachten zich een weg door mijn hoofd. Deze ruimte lijkt te echt. Maar wat is nu echt? In mijn echte handen heb ik twee controllers, zwarte ringen ter grootte van een armband. Die brengen mijn bewegingen over naar de virtuele wereld. Daar heb ik dus geen handen met vingers, maar twee ringen. Ik probeer de man weg te duwen, maar de controllers gaan dwars door hem heen. ‘Look!’ roept hij naar opzij, ‘kijk!’ Er komt nog een man aan, even rood, even enorm. Nu staan ze daar allebei te lachen. Ik hoor ze ademhalen, de een bij mijn rechter- en de ander vlak bij mijn linkeroor, de ene lacht zo hard dat hij moet hoesten. Het komt allemaal mijn hoofd in alsof er echte mensen naast me staan. En ze zijn echt. Deze mannen staan net als ik ergens op de wereld in een woonkamer, ze hebben precies dezelfde stem, hoesten in werkelijkheid ook en grepen zojuist een vreemde vrouw bij haar borsten alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Hun avatars hebben metalen blinddoeken voor, die oplichten als ze praten. Anders dan ik hebben ze wel handen: in plaats van een controller gebruiken ze een techniek die de bewegingen van hun echte handen en vingers filmt en overbrengt naar de virtuele werkelijkheid. De tweede man geeft een teken: met wijsvinger en duim maakt hij een rondje en steekt de wijsvinger van zijn andere hand erdoor. ‘Neuken’, betekende dat vroeger bij ons op school. Ik draai me om.

    Het is niet zo dat ik niet gewaarschuwd ben. In talloze gesprekken met ontwikkelaars, filosofen en psychologen heb ik vooral één ding steeds opnieuw gehoord: virtual reality is echt heel realistisch, bijna té. Gamers vertellen over veel te gewelddadige killergames, sommigen van hen hebben problemen een virtuele moord te verwerken, andere waarschuwen: in deze realiteit voelt misbruik zo echt dat mensen er trauma’s van kunnen krijgen en die meenemen naar de echte wereld. Weer anderen vertellen enthousiast over de mogelijkheden voor sociale interactie, net als in het echte leven. Onderzoekers garanderen me: in de toekomst, als deze technologie geschikt is gemaakt voor de grote massa, gaan we echt niet alleen driedimensionale computergames spelen. Mensen die te ver van elkaar af wonen om elkaar te ontmoeten, kunnen in de virtuele wereld samen avonturen beleven, musiceren, een film kijken of gewoon een beetje praten. Ruimte en tijd worden overwonnen. Ik moet bij zulke gesprekken altijd denken aan mijn vriendin in Nieuw-Zeeland of aan mijn broer in Brazilië, met wie ik weinig contact heb omdat ik, als we bellen, e-mailen of chatten, altijd iets mis. Social virtual reality, het klinkt als een mooie droom.

    Toekomst

    Hoe zou die toekomst voelen? Ik ga op zoek en vind AltspaceVR, tot nu toe de grootste chatroom van de virtual reality. Nog klein, maar vervuld van een groot optimisme. Optimisme niet alleen bij de eerste gebruikers, maar vooral bij Amerikaanse verstrekkers van durfkapitaal. De virtuele werkelijkheid lijkt hen een superinvestering voor hun in het geheel niet-virtuele geld. Via een forum zoek ik gebruikers van AltspaceVR en vraag hun: waar is hier de toekomst? Niemand van hen wil me in het echte leven ontmoeten. Een van hen schrijft: ‘Als je wilt weten waar de toekomst is, moet je absoluut met Crystal kennismaken! Ze is echt een beroemdheid in de community.’ Crystal, de toekomst, het klinkt geheimzinnig. Ik neem me voor Crystal te vinden en ga op reis in deze ver verwijderde, andere wereld.

    De dagen daarna zijn ontzettend opwindend. Ik ben weer kind, met iedere dag nieuwe speelkameraadjes. We verkennen allemaal verschillende ruimtes in Altspace, de ‘Welcome area’, een taveerne, we ontdekken wat we allemaal met onze avatars kunnen doen, beamen, vliegen, we zwerven door een labyrint en houden zwaardgevechten, die ook in het echt een beroep doen op alle spieren in je lijf. Want als ik met mijn zwaard zwaai, zwaai ik ook in de werkelijkheid van mijn woonkamer met mijn arm en de controller. Als een andere strijder door mijn dekking breekt, duik ik weg op de vloer van de woonkamer die voor mij op dat moment niet bestaat, ik zit immers op de krakende vloer van de taveerne. Gelukkig staat er in de echte wereld niemand naar me te kijken, denk ik af en toe als de herinnering aan mijn andere leven even opkomt.

    Sommige gebruikers zijn zo enthousiast over de nieuwe techniek, over wat ze kunnen en wat er in virtual reality mogelijk is, dat ze alle grenzen overschrijden. Ze rennen tussen andere gebruikers door, wapperen met hun handen voor het gezicht van andere gebruikers of bepotelen vreemde vrouwen.

    26511 original

    Ik word beter in het mezelf wegbeamen, dat is de nooduitgang uit de virtuele realiteit. Ik hoef alleen maar met mijn controller naar een plaats in de ruimte te wijzen en op een knop te drukken en dan land ik precies op die plek.

    Dat kan gevaarlijk zijn: op een dag heb ik me samen met mijn nieuwe speelkameraden op een rots gebeamd, pal voor mijn voeten gaat het honderden meters omlaag. Beneden zie ik de piramide die gisteren nog enorm en onoverwinnelijk voor me stond, nu is hij piepklein, de mensen die erop staan lijken luizen. Ik kijk voorzichtig achterom; achter me niets dan rots, geen mogelijkheid om weg te komen. Ik sta te trillen, kan me niet bewegen, denk even aan de andere wereld die zo ver weg is, en waar ik op de solide vloer van mijn woonkamer sta. Of niet? De gedachte stelt me niet gerust. Dit hier voelt te echt. Ik verstijf, mijn lichaam signaleert: gevaar!

    Ook dat wist ik en desondanks kon ik het niet geloven. Veel gamers en psychologen waarschuwden me al voor dat effect. Ontelbare keren heb ik het zinnetje gehoord: ‘Het lijkt zó echt, dat kun je je niet voorstellen.’ En ik moet zeggen: dat klopt. Maar tegelijk creëert juist datgene wat mij tot de grens brengt van wat ik aankan – hoewel ik in het echte leven niet erg bang ben uitgevallen – voor andere mensen enorme mogelijkheden. Zo kunnen er in de toekomst therapieën ontwikkeld worden voor allerlei angststoornissen. De eerste experimenten lopen al en de resultaten zijn veelbelovend. Mensen met hoogtevrees oefenen om in een virtuele afgrond te kijken.

    Mensen met ruimtevrees zitten in virtuele liften en rijden door tunnels, patiënten met sociale fobie kunnen virtuele mensen ontmoeten en leren met hen om te gaan. De therapie van de toekomst.

    Ik heb een vrouwelijke avatar gekozen, was dat misschien verkeerd?

    Maar ik ben niet op zoek naar de therapie van de toekomst, en niet naar avonturen en games van de toekomst, ik zoek het sociale leven van de toekomst! Waar zit die Crystal? Hoe kan het dat ik haar in al die uren die ik al in de andere wereld heb doorgebracht nog niet ben tegengekomen? Alleen haar naam klinkt al veelbelovend. Zou zij me duidelijkheid kunnen geven, me helpen in de kristallen bol te kijken? Is zij iemand die nu al leeft zoals wij dat in de toekomst zullen doen?

    Verschillende culturen

    Op een avond zit ik naar een virtuele hemel te kijken, naar dikke wolken met gerafelde omtrekken waar ik allerlei fantasiefiguren in zie, net als bij echte wolken. De zon schijnt door de open plekken in het wolkendek. Hier en daar staan groepjes mensen te praten. Een paarse vrouw haalt me uit mijn dromerige stemming. Haar ronde ogen lichten zachtroze op als ze zich voorstelt als Sana en me vraagt wie ik ben. Ze heeft een zachte, warme stem. Ook al kan ik haar gezicht niet zien, ik heb het gevoel dat ze naar me glimlacht. Ze spreekt langzaam en bedachtzaam, kleine signalen waardoor ze een vriendelijke indruk maakt. Haar hoofd een beetje voorover, de knikjes die uit de echte wereld naar de virtuele wereld worden overgebracht, het nauwelijks hoorbare ‘hm’. Ik hoor dat ze uit Egypte komt, een gelovige moslima is en iedere dag na het vasten van de echte naar de virtuele wereld reist. En jij? Aha, een Duitse. Aanvankelijk had ze vooroordelen tegen Duitsers, tegen Europeanen, eigenlijk tegen westerlingen in het algemeen. ‘Je hoeft je niet aangevallen te voelen,’ zegt ze beleefd, ‘maar ik heb lang gedacht dat westerlingen geen manieren hadden, dat ze zich onbehoorlijk gedroegen, gewelddadig waren en overal rommel lieten liggen. Maar hier heb ik veel aardige Europeanen leren kennen.’

    Dat kan de virtuele werkelijkheid ook: mensen uit verschillende culturen bij elkaar brengen. Onder avatars heerst grote tolerantie, noodgedwongen. Er is immers maar een beperkt aantal modellen voor onze virtuele lichamen, je kunt zelf alleen de kleur kiezen, dus uiterlijk zijn we allemaal min of meer gelijk. Pas in een gesprek en vooral door de stem komt de echte mens achter de avatar tevoorschijn. Verbazend snel vergeet ik dat de mensen met wie ik hier praat, eruitzien als robots.

    ‘Kom, ik laat je mijn ruimte zien,’ zegt Sana.

    Gebruikers van AltspaceVR kunnen zelf hun eigen ruimte vormgeven. Soms zijn ze heel creatief, afhankelijk van hoeveel programmeerervaring en zin om te experimenteren ze hebben. De ruimtes zijn open voor iedereen, je kunt ze niet afsluiten. Ik kies in mijn menu ‘Sana’s time machine’, de computer heeft een paar seconden nodig en dan sta ik in een grote ruimte met een open haard, waar een gezellig houtvuur knappert, aan de muren hangen schilderijen en foto’s met Arabische letters, een scene uit een sprookje en zwart-wit foto’s van twee kleine kinderen met grote, donkere ogen. Sana is er al, ze vraagt of ik op het balkon kom. ‘Welkom in mijn domein, kijk gerust rond.’ De hemel is paars, haar lievelingskleur, er zweven lichtbolletjes door de lucht, sterren zo groot als sneeuwvlokjes, de hele tijd vliegt er een tussen ons door. Het is bijna een beetje romantisch. Voor het eerst hier in Altspace heb ik het gevoel dat ik tot rust kom. Sana’s tijdmachine vormt een tegenwicht tegen de hectiek in de andere ruimtes, het onafgebroken gamen in de taveerne en het labyrint, en tegen de korte, oppervlakkige gesprekjes met al die verschillende gebruikers.

    Evildoer

    Ik wil meer over Sana te weten komen. Maar ze is opeens erg zwijgzaam. Haar leeftijd wil ze niet vertellen. ‘De mensen hier hebben snel hun oordeel klaar, iedereen boven de dertig vinden ze stokoud.’

    Ze vertelt wel dat ze niet werkt. ‘In onze godsdienst kan dat niet. Nu heb je vast je oordeel klaar. Maar waarom zou ik werken? Ik vind het niet leuk.’ We praten wat over verschillende culturen, hoe het haar vergaat, haar vrienden hier. Opeens staat er een grote, zwarte avatar met neongroene ogen in de deuropening naar het terras. ‘Hé, Evildoer,’ roept Sana, ‘dit is Eva, ze is journalist. En dit is Evildoer, een goede vriend van me. Hij heeft mijn hemel geprogrammeerd. Hij kan alles!’ De zwarte man knippert vriendelijk met zijn neongroene ogen en zegt verlegen: ‘Nou ja, ik vind het nu eenmaal leuk om te doen.’

    ‘Het lijkt zó echt, dat kun je je niet voorstellen’

    Sana legt uit dat zijzelf het vuur niet kan zien. Ze heeft een andere virtualrealitybril dan ik en ziet alleen de houtblokken. ‘Maar Evildoer is ermee bezig.’ Haar stem klinkt zacht en een beetje wee-moedig. Voor Sana is hij niet iemand die ‘kwaad doet’, zoals de letterlijke vertaling van zijn naam is, integendeel, hij doet juist goede dingen. Hij versiert Sana’s ruimte met kunstwerken. Als hij voor een muur staat verschijnt daar opeens een nieuw schilderij: de wijzerplaat van een klok, het lijkt of hij op de zeebodem ligt en vanuit de diepte goud oplicht. Sana en ik lopen over haar groene retro bloemen-tapijt naar Evildoer, die voor het kunstwerk staat. Sana leest het Arabische schrift: ‘Mijn gedicht,’ zegt ze nadenkend. Wat staat er?

    ‘Dat is moeilijk te zeggen, omdat deze symbolen in het Engels niet bestaan,’ zegt Sana. De strekking luidt: ‘De wijzers van de klok vallen omlaag en steken me als een schorpioen. Het gif blijft in mijn lichaam zitten.’

    Gedachten schieten door mijn hoofd: tijd, tijdreizen… In Sana’s ruimte gaat het over een of ander thema dat ik nog niet begrijp. Ik durf er niet naar te vragen, het lijkt me te persoonlijk gezien onze recente kennismaking. In plaats daarvan vraag ik, onschuldiger: ‘Waarom heet je ruimte de tijdmachine?’ ‘Och, ik ben een boekenwurm en ik hou van tijdreizen.’ ‘Sciencefiction?’ ‘Nee, alleen tijdreizen.’

    In de loop van de avond komt er meer bezoek. Sana zegt tegen iedereen vriendelijk: ‘Welkom in mijn ruimte.’ Ze vraagt iedereen naar welke tijd hij wil reizen en waarom. Veel bezoekers gaan meteen weer weg, zulke vragen zijn ze in Altspace niet gewend. Sommigen kijken alleen in stilte rond, reageren niet op Sana’s woorden en verdwijnen geluidloos weer, als geesten. ‘Wacht, blijf nog even!’ roept ze hen achterna, ze klinkt bedroefd. Met de paar die blijven heeft ze filosofische gesprekken, over de zin van tijdreizen, of je beter naar de toekomst of naar het verleden kunt gaan, en of het toegestaan zou moeten worden om in het verleden dingen te veranderen.

    Evildoer heeft geen rust, voortdurend is hij op zoek naar plekken in de ruimte die hij kan verfraaien. Laat op de avond komt ook hij tot rust. We staan voor een ander kunstwerk dat hij zojuist heeft geprogrammeerd. ‘Wie ben je in het echt?’ vraag ik hem. Maar veel wil hij niet kwijt. Zijn echte naam is Eric, hij komt uit Canada en heeft als freelancer met computers gewerkt, zijn leeftijd doet er niet toe.

    Wat bevalt hem hier? Sana’s ruimte inrichten. En het sociale. ‘In het echte leven ben ik heel verlegen, ik heb niet veel vrienden. Mijn avatar is een soort masker, hier ben ik meer op mijn gemak en heb ik vrienden gemaakt.’ Op het schilderij waar we voor staan, zijn carnavalsmaskers in het zand afgebeeld, ze maken al een beetje een verweerde indruk. Ernaast staan Arabische letters. ‘We verstoppen ons allemaal achter ons masker, omdat we allemaal iets meedragen dat stuk is gegaan,’ leest Sana voor. ‘Sommigen geven het toe, anderen verdringen het, omdat datgene wat stuk is, pijn doet.’ We zwijgen. ‘Tja, ik ben een zwaarmoedig mens,’ zegt Sana.

    Wat maakt haar zo bedroefd?

    De volgende dag zit de melancholie van die avond als een breedgerande hoed op mijn hoofd. De melancholie schermt me af van de oppervlakkige stralen van de realiteit. Ik denk aan mijn nieuwe vriendin en aan haar wereld, die ze in de virtuele wereld heeft opgebouwd en die ze blijkbaar verkiest boven de echte wereld. Ik probeer te gissen wat er bij haar stuk zou kunnen zijn, wat haar ertoe brengt zich achter een masker te verbergen. Maar, doet ze dat eigenlijk wel? In haar virtuele wereld maakt ze een heel oprechte indruk. Ze is uit haar dagelijkse bestaan geëmigreerd, een bestaan dat haar wellicht zwaar valt. Als je kon tijdreizen, was ze misschien al lang weg geweest, ergens naar het verleden. Tot het zover is, lijkt de virtuele wereld haar toevluchtsoord te zijn.

    Ik zet mijn melancholiehoed af en mijn virtual-realitybril op om afleiding te zoeken in de Welcome area van Altspace. Voor de afwisseling heb ik geen bezwaar tegen wat onschuldige smalltalk. Ik ontmoet een Duitser die in een hoekje staat en in opdracht van Altspace in de gaten houdt dat niemand zich ongepast gedraagt. Een zogenaamde moderator. Ik vertel hem over mijn ontmoeting met de rode man op mijn eerste dag. ‘Hier in de Welcome area is altijd iemand van ons aanwezig,’ zegt hij.

    ‘We zorgen ervoor dat zulke mensen er onmiddellijk uitvliegen! Kom de volgende keer hiernaartoe.’ Dit is zijn eerste virtuele baan, altijd ’s ochtends, als Amerika nog slaapt. Virtuele banen, ook die zijn in de toekomst nodig: virtuele uitsmijters, virtuele politieagenten. ‘Zero tolerance’ is het devies in Altspace als het om racisme en seksisme gaat. Gebruikers die de regels overtreden worden er zonder waarschuwing uitgezet, een volgende keer wordt hun voor 48 uur de toegang ontzegd en een derde keer wordt hun account gewist.

    Worlding Worlds , MU – © Hanneke Wetzer
    Worlding Worlds , MU – © Hanneke Wetzer

    Dubbele X-chromosoom

    Het schijnt een moeizame strijd te zijn. ‘De raadselachtige aantrekkingskracht van het dubbele X-chromosoom,’ zegt de Duitse politieagent geheimzinnig. Hij schat het aandeel vrouwen in Altspace op twintig procent. ‘En die staan niet allemaal open voor een avontuurtje.’ Een probleem voor mannen die op een avontuurtje uit zijn. Vooral jonge vrouwen zijn er niet veel, ‘en als ze er al zijn, zijn ze net zo opgefokt als Crystal’. Mijn hart slaat over: dé Crystal? Ik wil meer vragen, maar zijn dienst zit erop. In het echte leven heeft hij een afspraak.

    Na de eerste week maak ik de balans op. Ik ben oververzadigd door de honderden, zo lijkt het wel, vergelijkbare gesprekjes. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Wat doe je hier? Welk apparaat gebruik je? Ik blijf een paar dagen offline, trek me terug in mijn echte leven en denk na over hoe het verder moet. Ik zou graag relaties aanknopen, met een paar bezoekers intensiever omgaan. Als dat lukt, is dat toch de toekomst! Ik besluit Sana te gaan zoeken. Ik ga een paar keer naar haar ruimte, maar ze is er niet. Ik zou wel een berichtje voor haar willen achterlaten, maar daar is in Altspace niet in voorzien. Hier bestaan geen post-its, geen prikbord en ook geen telefoon.

    ‘Missen jullie hier niet een level? Iemand kunnen omhelzen bijvoorbeeld?’

    Of je komt iemand tegen, of niet. Een vriendschap onderhouden is in de virtuele wereld helemaal niet eenvoudig. Ik wen me aan om ’s avonds altijd even te kijken welke gebruikers online zijn. Dat is heel makkelijk, via de app op mijn telefoon, ik hoef niet eens zelf in de virtuele wereld te zijn. Ik voel me net een spion als ik ’s avonds de lijst uit de andere wereld doorkijk. Als Sana’s naam opduikt, zet ik vlug mijn headset op en klik op haar naam. Ik land direct naast haar, onder een boom aan de rand van de Welcome area.

    Liefde

    Sana herkent me meteen. ‘Hé, welkom terug, wat fijn dat je er weer bent!’ Ze zit te praten met haar vriendin Lun uit Kroatië. Luns avatar is helemaal roze, die van Sana paars, de mijne blauw. We praten over het echte en over het virtuele leven, over mannen die eeuwige trouw beloven en zich nooit meer laten zien. We lachen, omdat Lun vertelt dat ze dat zelfs hier heeft meegemaakt met iemand die absoluut haar nieuwe verkering wilde worden. Daarna verdween hij. ‘En sindsdien wacht Lun tot hij terugkomt,’ giechelt Sana.

    Evildoer schiet me te binnen, de man die Sana’s wensen van haar gezicht lijkt te kunnen aflezen, die zelfs het vuur in haar haard wil aansteken nu ze dat zelf nog niet kan. En ook omdat Sana en Lun zo moeten giechelen over Luns aanbidder, voel ik dat ze het al vaker over dit onderwerp hebben gehad.

    Als ons sociale leven in de virtuele wereld moet gaan plaatsvinden, dan moet daar ook liefde bestaan. Dan schiet me een vraag te binnen die me al bezighoudt sinds ik hier ben: ‘Missen jullie hier niet een level? Iemand kunnen omhelzen bijvoorbeeld?’ Lun en Sana kijken elkaar aan, ze twijfelen. ‘Misschien,’ zegt Lun zachtjes.

    Op dat moment weet ik nog niet dat Crystal me binnenkort zachtjes over mijn wang zal strelen.

    Ons paars-roze-blauwe vrouwengroepje aan de rand van de Welcome area valt nogal op. Steeds weer komen er mannen die ons gesprek onderbreken, ze stellen de bekende ‘wie zijn jullie en wat doen jullie hier’-vragen, een van hen wil weten of we zussen zijn. Als er hier al zo weinig vrouwen zijn, dan is een groepje vrouwen helemaal uniek. Lun vertelt over haar twee kleine kinderen, die nu liggen te slapen en over haar man, een zeiler, die al maanden op zee is. Het lijkt er steeds meer op dat de virtuele wereld er vooral is voor mensen die op dit moment in het echte leven niets beters te doen hebben, die niet gewoon kunnen uitgaan. Lun met haar kleine kinderen en haar man die er nooit is. Sana met haar strenge islamitische geloof.

    Maar wat heb ík eigenlijk in deze virtuele realiteit te zoeken? Na ieder bezoek voel ik me leger. Het is leuk om al die gekke games uit te proberen; Altspace met al zijn details is met veel liefde geprogrammeerd.

    Het is leuk om hier met iedereen een beetje te kletsen. Maar aan het eind van de dag, als ik mijn headset afdoe, dringt zich toch de vraag op: wat dóe ik hier met al die onbekenden? Een gevoel van leegte volgt me uit de virtuele naar de echte. Ik voel me eenzaam. Terwijl ik in de onvirtuele wereld toch echte vrienden heb! Die ik verwaarloos vanwege dit virtuele avontuur. Dit kan niet de toekomst zijn.

    Ik geniet van een dagje offline. Maar dan mis ik Sana een beetje en stuur ik haar een mail: ‘Kunnen we morgen afspreken?’ Het antwoord komt meteen: ‘Graag. Ik ben er ’s avonds, na het vasten.’

    Ik vind Sana in haar tijdmachine, ze is alleen en staat peinzend naar de muur met tekeningen uit een kinderboek te kijken. Er staan een jongen en een meisje op met hun armen om elkaar heen, maar voor elk plaatje lijkt een net van prikkeldraad te zijn gespannen.

    Opeens staat daar Evildoer, Sana knikt, alsof ze op hem heeft gewacht. Op zijn karakteristieke manier glijdt hij als het ware door haar ruimte en bekijkt de muren uit alle hoeken. ‘En?’ vraagt hij uiteindelijk als hij naast Sana staat en met zijn hoofd naar de muur knikt. ‘Is goed geworden,’ zegt Sana met haar zachte stem. ‘Wat heb je erbij geschreven?’ vraagt hij met een blik op de Arabische letters. ‘Een verhaal over mensen die zijn weggegaan,’ leest Sana voor, ‘en hoe we op hen blijven wachten, ook al komen ze nooit meer terug.’

    Helaas heeft Sana geen echte tijdmachine die haar naar de mensen kan brengen die zijn weggegaan en nooit meer terugkomen. Er is kennelijk iemand die ze zó erg mist dat de virtuele realiteit voor haar een steun is om de echte realiteit te kunnen verdragen. Voor haar opent die wereld hier de mogelijkheid om een tweede leven te hebben, een virtueel leven dat alles goedmaakt. Iets wat in de werkelijkheid niet voor haar is weggelegd. Of om dingen te vergeten die in de echte wereld misgegaan zijn. Ik ga er stilletjes vandoor en ben blij dat Evildoer bij haar is. Hij lijkt haar alleen al door zijn aanwezigheid te kunnen troosten.

    Ondanks de verdrietige ontmoeting ben ik de volgende dag tevredener dan eerder in deze twee weken. Voor mijn innerlijk oog vormen de puzzelstukjes langzaam een geheel: onze virtuele toekomst. Wellicht biedt die toekomst een nieuwe ruimte voor iedereen en alles, voor dromen en visioenen. Voor mensen die alleen willen gamen. En voor anderen die hier een sociaal leven opbouwen omdat ze dat in de realiteit niet lukt. Op een of andere manier is het een troostrijke gedachte. Dan zit er in mijn postvak een mailtje van de voorlichtingsdienst van Altspace: ze zijn blij dat ze me in contact kunnen brengen met een van hun powerusers voor een interview. Ze is ’s avonds altijd online: Crystal uit Las Vegas! De vrouw van de toekomst! Opgewonden reken ik vlug uit: negen uur tijdverschil, acht uur ’s avonds in Las Vegas is vijf uur ’s ochtends bij mij.

    Crystal

    Als de grote dag daar is, voel ik me moe. In mijn echte wereld slaapt iedereen nog als ik mijn headset opzet en Crystal ontmoet. Ze lijkt wel dolgedraaid en haar snelle Amerikaans-Engels komt in een spraakwaterval: ‘Hé Eva, how are you, nice to see you, kom, ik laat je alles zien, het is hier zo prachtig, ik heb enorm veel lol, het is net als in het echte leven, maar dan beter, ik heb waanzinnig veel vrienden hier en ik kan haast niet wachten tot het weer weekend is en ik weer een party kan organiseren. Die zijn altijd waanzinnig vol, daarom hebben we nu een wachtlijst.’

    Pas als ik weer boven kom uit haar woordenvloed en Crystal beter bekijk, valt me op dat ze er precies zo uitziet als Sana. Ook zij heeft de elegante paarse avatar met de wespentaille gekozen. Maar verwarring is uitgesloten. In tegenstelling tot Sana kan Crystal niet stilzitten, ze huppelt om me heen, lacht, praat luid en raakt steeds buiten adem. Haar energie is aanstekelijk, zodat ik helemaal vergeet dat ik op dit moment eigenlijk te moe ben voor dit soort gesprekken. Ik hoor dat ze in het echt ook Crystal heet, 26 jaar is en in Las Vegas werkt als doktersassistente. Ze brengt hier al haar avonden en het hele weekend door. ‘Dit is mijn sociale leven,’ zegt ze, ‘het is net de echte wereld.’ Wat zeggen haar echte vrienden, die uit de andere wereld, daarover? ‘In het echte leven heb ik geen vrienden,’ zegt ze met een ontwapenende openheid. Ze heeft een probleem met nabijheid, een angststoornis. ‘Als ik iemand tegenover me heb, sta ik te trillen en te zweten, daar kan ik niet tegen.’ ‘En hier?’ ‘Hier is het makkelijker. In geval van nood draai ik me om of beam mezelf weg.’

    ‘Mis je het niet dat je mensen niet kunt aanraken?’ vraag ik. Ze komt dichterbij en streelt met haar wijsvinger zachtjes over mijn wang. Ze gebruikt dezelfde techniek als de grote rode man die me bij mijn borsten greep: een camera die de bewegingen van haar echte handen overbrengt naar de virtuele realiteit. ‘Maar dat voel je toch niet!’ protesteer ik. ‘Ik voel het wel,’ zegt ze. Daarna neemt Crystal me mee op een wilde tocht door Altspace. We beamen onszelf hierheen en daarheen en opeens staan we onder een adembenemende sterrenhemel. Mijn hoofd tolt van zo veel input op de vroege morgen. ‘Welcome to the campsite,’ staat op een affiche te lezen, daarnaast brandt een kampvuur. ‘Dit heeft een vriend geprogrammeerd voor mijn laatste party,’ zegt Crystal. Haar party’s duren altijd twee dagen, zodat al haar vrienden uit verschillende tijdzones erbij kunnen zijn. ‘Ze kunnen op de camping slapen.’ Hoe bedoel je, slapen? ‘Ga maar liggen.’ Ik ga op de grond liggen, in de ene wereld op de vloer van mijn woonkamer, in de andere op het malse gras van het kampeerterrein, en door mijn bril zie ik sterren, kometen, de Melkweg. Ik wil nooit meer opstaan, zo mooi is deze hemel. Maar hoe kun je nu feesten als je in werkelijkheid alleen thuis bent? ‘Ik maak altijd wat te eten en zet drankjes klaar. We drinken met zijn allen! Ik bedoel, anderen gaan naar een club om alcohol te drinken. En dit is mijn club.’

    Tijdmachine


    Als ik mijn bril afzet, schijnt buiten de zon. In het park voor mijn huis zijn eersteklassertjes op weg naar school. Zo heerlijk onschuldig, de echte wereld. Het is acht uur. Voor vandaag heb ik wel weer genoeg meegemaakt.

    Een paar uur later krijg ik een mailtje van Sana: ‘Hallo, lieve vriendin, ben je er vanavond? Laat het me weten, dan kom ik ook.’

    Als ik die avond in Sana’s tijdmachine arriveer, is ze er nog niet. Ik slenter wat door de ruimte en kijk plotseling in de vertrouwde neongroene ogen van Evildoer. Hij staat voor het schilderij met de kinderen die elkaar omhelzen. ‘Wie zijn die kinderen?’ vraag ik. ‘Vraag maar aan Sana, ik weet niet of ze het wil vertellen.’

    Is ze een goede vriendin? Evildoer aarzelt. Dan fluistert Sana opeens zachtjes in mijn oor: ‘Dat is het magische van de virtuele realiteit, de mensen voelen hier zo dichtbij.’

    Ze is thuisgekomen en omhelst me ter begroeting, het voelt als warm gekriebel.

    Buiten rommelt het onweer en plenst de regen uit de paarse hemel, binnen knappert het haardvuur.

    ‘Ik kan het vuur nu ook zien!’ zegt Sana. Ze klinkt erg gelukkig. Vanavond praten we over God en over de wereld. Of je je kinderen godsdienstig moet opvoeden of dat je de keuze aan hen moet laten. Dat ze haar puberdochter heeft gedwongen een hoofddoekje te dragen en daar nu spijt van heeft. Evildoer luistert meestal alleen en knikt af en toe instemmend, op zeker moment is hij zonder iets te zeggen weggegaan.

    Laat op de avond, als we helemaal alleen zijn, vraag ik aan Sana: ‘Waar wil je met je tijdmachine naartoe?’ ‘Ik zou graag terugreizen naar de tijd dat mijn man nog leefde. Ik mis hem zo erg.’ Ik zou haar graag in mijn armen nemen. Maar zij zit in Egypte, ver weg en helemaal alleen. Virtueel is de realiteit nog moeilijker te verdragen dan in het echte leven.

    Eva Wolfangel

    screenshot 2021 01 07 at 13 29 41

    Reportagen
    Zwitserland | 6 x per jaar | oplage 16.000

    Bij Reportagen geen breaking news, maar berichten uit de Nebenschauplätze, verteld vanuit een ongewoon perspectief door een ongewoon goeie pen. Ter plaatse onderzocht, persoonlijk en buiten de gebaande paden. ‘Vroeger was het kampvuur de plek waar de opwindendste verhalen werden verteld. Vandaag zijn er reportages.’