Het vijfhonderd jaar oude Ritanpark in Beijing meet slechts een halve vierkante kilometer. Toch wordt het van zonsopgang tot zonsondergang bevolkt door stadsbewoners voor wie het een speeltuin, huiskamer, sportschool, theehuis en concerthal in één is.
Li Zhaolin staat boven op een stenen pagode te schreeuwen, te jodelen haast: stemoefeningen, noemt hij het zelf, om beter te ademen. Sommige mensen lijken met een boom in gevecht, ze slaan hun armen om de stam en duwen uit alle macht. Een man heeft zijn arm over een tak geslagen en wrijft met zijn linkeroksel tegen het hout terwijl hij met zijn rechterhand ritmisch op zijn hoofd slaat. Een paar oudere mensen lopen achteruit, wat naar verluidt rugpijn en knieklachten kan verlichten. Velen doen tai chi, een Chinese vechtsport, in hun eentje of in een groep, sommigen met behulp van een stok of een zwaard.
Het Ritanpark in Beijing komt al voor zonsopgang tot leven. Om half vier ’s ochtends, wanneer de poorten van het park nog gesloten zijn, veegt Wang Jiangyou al met een lange bezem van twijgen alle bladeren bij elkaar. Hij woont al zeventien jaar op het terrein en deelt een driekamerappartementje met negen andere parkbeheerders. Zijn eerste dienst zit er bijna op wanneer om half zes de poorten opengaan. Buiten het park staan al straatventers, die fruit verkopen aan de vroege vogels, meestal mensen op leeftijd, die oefeningen komen doen of een stevige wandeling komen maken langs de randen van het park. De meesten in hun eentje. Iemand heeft een radio bij zich; uit zijn zak klinkt een krakende stem die een uitgesponnen Chinees sprookje vertelt. Vijf oude mannen lopen rustig te kletsen, een van hen laat onophoudelijk een paar houten meditatieballetjes ronddraaien in zijn handpalm.
Liefhebbers weten dat het Ritanpark (het park van de Zonnetempel) een van de oudste parken van Beijing is. Het altaar dateert van de Mingdynastie en is in 1530 gebouwd voor de keizer, om offers te brengen aan de zon. Het maakte ooit deel uit van Beijings officiële stadsplan: het ligt ten oosten van het keizerlijk paleis, de Verboden Stad, en het wordt in het westen in balans gehouden door de Maantempel (Yuetan). De tempels voor de aarde en de hemel (Ditan en Tiantan) vormen de noord-zuidas. Deze tempels zijn nu ook parken.
Turbulente geschiedenis
Toen de tempel werd gebouwd was Beijing vermoedelijk een van de dichtstbevolkte steden ter wereld, met een inwoneraantal van rond de 700.000. Nu komt de stad op de achtste plaats, met 21 miljoen inwoners, en aan alle kanten torenen wolkenkrabbers uit boven dit stukje groen, dat nog geen halve vierkante kilometer meet.
Privéruimte is zo schaars in China dat veel activiteiten naar de openbare ruimte zijn verdreven. Het Ritanpark wordt van zonsopgang tot zonsondergang bevolkt door stadsbewoners voor wie het een speeltuin, huiskamer, sportschool, theehuis en concerthal in één is. Cipressen, treurwilgen en dennen omzomen de kronkelpaadjes die naar beschilderde pagoden leiden, met sierlijke vijvers en rotspartijen ervoor. Aan de andere kant wordt de geschiedenis van het park ook gekenmerkt door een voortdurend vernieuwing – typerend voor een modern land dat zich niet door het verleden aan banden wil laten leggen.
Het grootste deel van de vijfhonderd jaar dat de Ritantempel nu bestaat, is hij slechts toegankelijk geweest voor de keizer. De gewone man woonde in benauwde hutongs, wijken met smalle steegjes en nauwelijks openbare ruimten. In navolging van Europa, waar in de negentiende eeuw vele parken werden aangelegd, opende China in 1907 het eerste openbare park: een voormalige keizerlijke tuin werd omgebouwd tot een dierentuin, het ‘Park van tienduizend dieren’ (Wanshengyuan). Het Ritanpark werd pas in 1956 een openbaar park, als onderdeel van de socialistische visie dat alles wat dan toe verboden terrein was geweest aan het volk diende te worden geschonken.
Tegen half acht ’s ochtends is de noordelijke kant van het park bedekt met poëzie
De overheid haalde muren neer, voorzag de offerplek van een nieuwe vloer zodat er gedanst kon worden, en haalde die later helemaal weg. Er werden bomen geplant ‘om het moederland groen te maken’, maar niet veel later werden veel van die bomen weer vervangen door ‘productieve’ fruitbomen. In 1965 werd gras gezaaid ‘om de hemel geen kale grond te tonen’. Enkele maanden later barstte de Culturele Revolutie los, en het anticommunistische ‘giftige gras van de revisionisten’ werd afgegraven. Op een bepaald moment stonden er kazernes in het park.
Van die turbulente geschiedenis is nu nauwelijks meer iets terug te zien. In 1980 gingen het Ritanpark en de andere parken weer open, met de nadrukkelijke bedoeling traditioneel Chinese elementen te behouden, zoals gestileerde miniatuurlandschappen. Op een muurschildering bij de zuidkant, met als titel ‘Offer aan de zon’, is een fictief verhaal afgebeeld: het tafereel wordt gedomineerd door danseressen, terwijl vrouwen in werkelijkheid niet bij de keizerlijke altaars mochten komen, en nog los daarvan draagt de keizer kleren van de verkeerde dynastie. Naarmate de Chinese economie beter ging draaien werd het Ritanpark steeds commerciëler uitgebuit: er werd entreegeld geheven en gedurende enige tijd waren er verschillende attracties in het park, zoals een rollerskatebaan en zelfs een ‘ruimteschipvlucht’ voor de kleintjes. Maar die attracties werden weer gesloten toen het park steeds meer werd gezien als een plek om de zogeheten traditionele cultuur te behouden – zij het in een nieuw jasje.
Voormalige arbeiders
In de jaren vijftig werd dit deel van Beijing bevolkt door bedrijfjes die uit hun voegen barstten. Die zijn inmiddels allemaal gesloten of hebben moeten plaatsmaken voor buitenlandse ambassades en een winkelcentrum dat bekendstaat om de avant-gardekunst die er te koop is, naast de allernieuwste mode. Ook staan er nu enkele van de duurste appartementengebouwen ter wereld. Maar veel voormalige arbeiders wonen nog in de destijds door de staat verzorgde onderkomens, en dat zijn de mensen die een deel van hun leven in het park doorbrengen. In de loop van de dag vervult vrijwel elk hoekje van het park verschillende functies. Alleen het onlangs weer opnieuw opgebouwde altaar, dat nu door rode muren wordt omsloten, is verboden terrein – na bijna een half millennium nog altijd gesloten voor het grote publiek.
Tegen half acht ’s ochtends is de noordelijke kant van het park bedekt met poëzie. Een handjevol mensen kijkt toe hoe een man een reusachtige kalligrafeerkwast in een emmer water doopt, om er vervolgens mee in het stof te schrijven. Het is een 61-jarige accountant, die hier elke ochtend vóór zijn werk naartoe gaat. Gisteren heeft hij gedichten van zes karakters overgeschreven; vandaag zijn het onder meer Mingcoupletten.
Op dit uur van de dag zijn het vooral mensen die in hun eentje, of anders in heel kleine groepjes, aan beweging doen. Maar vanaf acht uur is in de noordoosthoek van het park tien minuten lang de stem te horen van de 82-jarige Guo Baomu, een charismatische ex-taxichauffeur met een honkbalpetje en een microfoon, die de maat aangeeft terwijl zo’n zeventig mensen dertig keer met hun handen op hun bovenbenen kloppen, vervolgens op hun knieën, schouders, rug en hoofd. De sessie wordt besloten met een ‘Wees gelukkig!’ Daarna gaat meneer Guo ontbijten.
Zoals voor veel van de activiteiten in het park geldt, zijn ook de oefeningen van meneer Guo gebaseerd op de principes van de traditionele Chinese geneeskunst, die een opleving doormaakt. Binnen de Chinese geneeskunst wordt ziekte gezien als het gevolg van een verstoorde interactie tussen verschillende delen van het lichaam. De qi – de levensenergie of levenskracht – moet vrijelijk door het lichaam kunnen stromen, vandaar het kloppen dat de blokkades zou opheffen in de ‘meridianen’, ofwel de doorgangen in het lichaam. Andere mensen gaan op hun handen staan om ‘het bloed terug te laten stromen’. Weer andere mensen maken gebruik van openbare rugmassageapparaten om de bloedsomloop te stimuleren. Ergens in het midden van het park geeft een man ‘natuurlijke yoga’. Hij beweert dat hij ziektes kan diagnosticeren door simpelweg zijn hand op iemands hoofd te leggen.
Een openbaar park is een van de weinige plekken in China waar mensen dergelijke dingen kunnen doen. Het is een toevluchtsoord voor oudere, gepensioneerde Chinezen die elkaar daar kunnen ontmoeten en hun oefeningen kunnen doen. Daarnaast is het een van de weinige vlakke, rolstoelvriendelijke stukken van een stad vol hobbelige stoepen en immens brede wegen. Er zijn tegenwoordig wel meer sportscholen, maar die zijn behoorlijk aan de prijs. De meeste inwoners van Beijing wonen in een klein appartement zonder tuin, vaak met drie generaties onder één dak. Maar het aanbod aan groen heeft geen gelijke tred weten te houden met de ongekende uitbreiding van de steden – waarvan het einde nog niet in zicht is. De helft van de inwoners van China woont in een stad – in 2030 zullen dat een miljard mensen zijn.
Mensen hebben nu de beschikking over vrije tijd, wat onder Mao niet het geval was, maar de meeste mensen hebben niet al te veel omhanden. De meeste vrouwen gaan op hun vijftigste met pensioen, en de mannen op hun vijfenvijftigste of zestigste, waarna hun meestal nog tientallen jaren in goede gezondheid resten (de levensverwachting in Beijing is 82 jaar). Nu al is een op de zes Chinezen boven de zestig; in 2025 zal dat voor een op de vier gelden.
Openbare parken overal ter wereld hebben ook besloten hoekjes, die gelegenheid bieden om te ontsnappen aan alle spiedende blikken. In China is het ongebruikelijk om elkaar in het openbaar te liefkozen: heel soms zie je een stel hand in hand lopen, maar je zult ze nooit zien zoenen. Dus anders dan in parken in andere landen, zijn er in het Ritanpark geen tekenen van heimelijke seksuele activiteiten, noch van drugs- of alcoholgebruik. Openbare ruimte is zo’n schaars goed in Beijing dat er allerlei activiteiten in worden geperst. Handelingen die in veel andere samenlevingen als privé worden bestempeld vinden hier in het openbaar plaats: zingen, dansen, masseren, zelfs slapen. Om kwart of negen is het grootste deel van de kalligrafie aan de noordrand van het Ritanpark weer opgedroogd en bewegen twaalf dansers tussen de bloembedden op de klanken van ‘Xiao pingguo’ (Kleine appel), een populair deuntje. De leidster (en eigenaresse van de radio) is mevrouw Luo, gestoken in een trui met bloemenpatroon en een Engels opschrift: ‘Love and Peace’. Ze heeft de danspasjes van internet gehaald; haar groepje is nu aan het oefenen, omdat ze in het Guinness Book of Records willen komen door met 30.000 anderen tegelijkertijd op hetzelfde nummer te dansen.
Er is een man die van alles en nog wat zingt, ook opera, omdat hij bang is dat de buren gaan klagen als hij thuis zou zingen
In sommige delen van het park is het bijna stil; in andere delen wemelt het van de groepjes die de strijd met elkaar aangaan: leden van een volksdansgroep bewegen brede rode linten zwierig door de lucht op de klanken van ‘De goede kinderen van China’ – een sentimenteel liedje over nationale helden. De groep wordt op ferme toon aangestuurd door hun leidster, een vrouw met een permanentje en een bril. De blikkerige tonen verdringen vrijwel geheel de klanken van twee mensen die even verderop een hulusi leren bespelen, een blokfluitachtig instrument met bovenop een kalebas, oorspronkelijk uit Zuidwest-China. Hun leraar, een elegante man met een blauwe trui met rits, leert hun ‘Huwelijksbeloften’, een melodietje van een populaire film uit de jaren vijftig. De bladmuziek is met een spijker in een boom geslagen en de notatie is in het Chinees, met getallen in plaats van noten op een vijfregelige notenbalk.
De muziek en dans hebben nauwelijks een seksuele lading, of zelfs maar iets sensueels. De meeste dansers herhalen een vastgestelde serie bewegingen zonder ook maar enige persoonlijke invulling. Alleen voor de ballroomdansers in het Ritanpark geldt dat niet. Elk paar danst zijn eigen dans: sommigen walsen langzaam in de rondte terwijl anderen draaitjes maken en hun hele lichaam buigen. Sommige paren bestaan uit een man en een vrouw, maar er zijn ook vrouwen die samen een paar vormen. Zo nu en dan doet een man ergens aan de rand ook een paar pasjes, met in zijn gespreide armen een denkbeeldige danspartner. Aan een boom vlakbij hangen tassen en jassen, omdat men die liever niet op de smerige grond legt.
Li Ruifen, een vrouw van 53 in een groen US Army T-shirt, danst hier al drie maanden met Min Baozhen, een man met schoensmeerzwart haar. Tijdens het dansen ligt zijn handpalm plat tegen haar onderrug terwijl zij alleen de zijkant van haar hand tegen zijn rug drukt; haar gezicht is volkomen onbewogen. Ze zijn allebei gescheiden; Li is met pensioen en ze woont bij haar zoon en zijn gezin. Ze dansen elke ochtend een paar uur en dan ’s avonds weer.
Er is geen duidelijk onderscheid tussen oefenen en optreden. Er is een man die van alles en nog wat zingt, ook opera (‘Ik ben een groot bewonderaar van Pavarotti’), omdat hij bang is dat de buren gaan klagen als hij thuis zou zingen. Twee keer per week rolt een groep van 25 mannen en vrouwen een keyboard naar een groot paviljoen, waar ze ‘China, ik hou van je’ en andere patriottische liederen ten gehore brengen. Ze hangen een rood spandoek op: ‘Zing voor een betere gezondheid en een groter geluk’.
Li Shuling, 65 jaar, zingt elke dag met een vriendin, voornamelijk traditionele Chinese liedjes (en een uitvoering van Scarborough Fair, een Engelse ballade die in China bekend is geworden dankzij een zangeres van de Peking-opera). Ze herinnert zich de chaos in de straten van Beijing ten tijde van de Culturele Revolutie, toen het feit dat ze voor haar zieke moeder moest zorgen voorkwam dat ze naar het platteland werd gestuurd. Ze was vreselijk van slag toen in 1976 Zhou Enlai overleed (de eerste premier van het communistische China), en ‘minder’ toen in datzelfde jaar Mao Zedong overleed. Ze leidt nu een rustiger leven, zegt ze. Ze heeft een eigen appartement; terwijl zij zingt is haar man thuis bezig de lunch klaar te maken.
Kinderen
In elk land komen op een bepaald uur van de dag bepaalde groepen mensen bijeen. In het Westen maken de vroege hondenuitlaters plaats voor de eenzame moeders-met-kinderwagen, gevolgd door de joggers tijdens de lunchpauze. Na schooltijd komen de rennende en schreeuwende kinderen, vervolgens de pubers die wat in het park hangen en roken. In een Chinees park is het ritme enigszins anders. Honden worden geweerd. Om tien uur ’s ochtends zijn de meeste joggers wel weer verdwenen (joggen is een dermate nieuw fenomeen in China dat sommigen het doen in hun werkschoenen en spijkerbroek). Pubers, die omkomen in het huiswerk, zie je doordeweeks maar zelden buiten.
Maar het Ritanpark heeft zijn eigen groepen. Om te beginnen zijn er de vogelliefhebbers. Mu Xionglu, een voormalig fabrieksarbeider, komt om ‘de vogeltjes en zichzelf’ uit te laten. Hij treft zijn vrienden in een rustig hoekje, en ze hebben allemaal twee lijsters bij zich met een blauwe doek eroverheen. Ze halen de doeken weg en hangen de houten kooitjes in de bomen, zodat ‘de vogeltjes samen kunnen fluiten en het gevoel hebben dat ze weer in de vrije natuur zijn’. Een uur is genoeg voor de vogeltjes om zich helemaal uit te leven, zegt hij.
Veel kinderen in Chinese parken zijn samen met hun grootouders, die gewoonlijk het leeuwendeel van de opvang voor hun rekening nemen. Dai Wei, een stralend jongetje van zestien maanden met sterretjes op zijn broek en schoentjes die bij elke stap knarsen, is ook in het park met zijn grootouders, 75-jarige rijstboeren uit de provincie Henan, die een jaar geleden naar Beijing zijn verhuisd om voor hem te kunnen zorgen. Ze brengen veel meer tijd met hem door dan ze deden met hun eigen kinderen toen die zo oud waren, maar ze gaan de andere mensen in het park uit de weg, want die ‘kijken neer op boeren’.
Zelfs na schooltijd wordt het park voornamelijk bevolkt door kinderen van nog geen drie jaar, de leeftijd waarop ze naar de kleuterschool gaan. De afwezigheid van oudere kinderen is niet te wijten aan de luchtverontreiniging waar Beijing berucht om is – zelfs op slechte dagen weerhoudt de smog de kinderen er niet van om buiten te spelen, en maar weinigen dragen een mondkapje – maar aan het feit dat jonge Chinezen veel minder tijd buitenshuis doorbrengen dan Europeanen en Noord-Amerikanen. De meeste kinderen slapen in de lunchpauze, tot ze een jaar of vijf, zes zijn, en ’s avonds wordt er huiswerk gemaakt. Er zijn twee keer zoveel jongens met ernstig overgewicht als mannen met ernstig overgewicht, en bijna 80 procent van de zestien- tot achttienjarigen is bijziend, een algemeen voorkomend gevolg van een gebrek aan daglicht.
Zelfs de glijbaan kost 10 yuan (1 euro 50) per uur.
Spelen is domweg geen prioriteit voor kinderen. Er zijn nauwelijks speelpleintjes, en als ze er al zijn moet er toegang worden betaald. In het Ritanpark staan botsautootjes, een treintje en wat speeltoestellen dicht op elkaar op een klein, afgesloten stukje van het park. Zelfs de glijbaan kost 10 yuan (1 euro 50) per uur. De concurrerende en dissonante deuntjes van de verschillende attracties roepen eerder het beeld op van een horrorfilm dan van een tempel van plezier; er zijn meestal meer begeleiders (met een sigaret tussen hun lippen) dan kinderen.
De Chinese overheid stimuleert lichaamsbeweging voor ouderen. ‘Volwassenenspeeltuinen’ – openbare plaatsen met gymnastiektoestellen voor ouderen – zijn alomtegenwoordig. Je ziet crosstrainers, bankjes om sit-ups te doen en apparaten om de beenspieren te trainen. Dergelijke apparaten doken voor het eerst op in de jaren negentig en inmiddels zie je er miljoenen, langs de weg, in parken en dorpen. In het Ritanpark kun je de hele dag het gekraak en getik van die apparaten horen.
Naarmate er steeds minder Chinezen zijn die fysiek inspannend werk verrichten, wordt het steeds gewoner om cardiotrainingen te doen. Om kwart voor zeven begint het badminton. Een paar mannen zijn aan het gewichtheffen, met zelfgemaakte halters – een stang uit een klerenkast en twee blokken beton. Aan het einde van de middag komen wat personeelsleden uit de omliggende hotels bij elkaar om over te spelen met een jianzi – iets wat het midden houdt tussen een badmintonshuttle en een hacky sack [een balletje gevuld met korrels of bonen]; de bedoeling is dat hij niet de grond raakt.
Er wordt lesgegeven in ‘tai chi-softbal’, waarbij bewegingen uit de oosterse vechtsport worden gemaakt met een racket in de hand waaraan een zachte bal is bevestigd. Elke activiteit is deels spel, deels show: in China is zelfs kaarten iets wat men doet met publiek. Het populairste kaartspel in het Ritanpark is Dou dizhu (Strijd tegen de pachter), een vorm van Chinees poker. Groepen mensen nemen kleine kussentjes mee om op te zitten en sommigen gebruiken een badmat als kaarttafel. Hoewel gokken in China is verboden, spelen de meeste mensen om geld.
Avond
Als de schemering inzet, gaan veel ouderen naar huis om te eten en daalt de gemiddelde leeftijd in het park drastisch. Om kwart over zes ’s middags dansen drie vrouwen ergens bij de bomen op een sentimenteel liedje. Dan ineens zet een man een veel grotere stereo bij het bloembed vlak naast hen en zonder hun zelfs maar een blik waardig te keuren begint hij allerlei balletpassen te oefenen, op een dreunende beat. De vrouwen zetten hun eigen muziek harder maar binnen enkele minuten heeft hun rivaal meer volgelingen, waarop zij mopperend het veld ruimen. Hoewel zowel volume als tempo in het park omhoog zijn gegaan, zwieren er nog altijd ballroomdansers onder de duizend jaar oude cipres. Een paar laatkomers dansen in rokjes, maar de meesten doen de foxtrot in lange broek of sportkleding. Drie jonge vrouwen in een dikke trui bewegen ieder op hun eigen manier op de ballroommuziek, alsof ze op een schoolfeest zijn. Het avondpubliek is gevarieerder: mensen blijven op weg van werk naar huis even staan, en ook zijn er meer mensen van buiten de stad.
Mevrouw Li en meneer Min, de al eerder genoemde danspartners, komen terug nadat ze gestoomde dumplings hebben gegeten. Mevrouw Li is huiverig om een relatie met hem aan te gaan, zegt ze, enerzijds omdat hij niet uit Beijing komt, maar ook omdat hij voor een particulier bedrijf heeft gewerkt, waardoor hij geen overheidspensioen heeft, noch een ziektekostenverzekering, en dat kan ‘problemen opleveren’. Maar hij is een goed en integer mens. Haar zoon mag hem graag.
Tegen negenen gaat ineens de verlichting in het park uit, en een groep bewakers met een rode band op de mouw dirigeert zwaaiend met fakkels de menigte naar de uitgang. De meeste mensen gehoorzamen ogenblikkelijk. De boomtakken worden ontdaan van alle tasjes en de mensen stromen naar de drie uitgangen van het park. De danspartners rapen hun spullen bij elkaar en vertrekken zonder hun medewalsers gedag te zeggen. Langzaam lopen ze in de richting van de poort aan de noordkant. Morgen zijn ze er weer.
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
The Economist
Verenigd Koninkrijk | oplage 1.337.180
Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief. Doet niet aan auteursvermeldingen.

