De muur rond de autoritaire eenpartijstaat Eritrea brokkelt af. Trump in het Witte Huis en de oorlog in Jemen, aan de overzijde van de Rode Zee, helpen daarbij een handje. Aartsrivaal Ethiopië kijkt met argusogen toe.
Twee recente, maar volstrekt verschillende gebeurtenissen, zullen op een dag wellicht gelden als symbolische keerpunten voor Eritrea, een autoritaire eenpartijstaat, alom bekend als het geïsoleerdste land van Afrika. De eerste gebeurtenis betrof de bloedige botsing aan de grens met Ethiopië, een jaar geleden, die herinneringen opriep aan de verwoestende tweejarige oorlog die in 1998 tussen de twee aartsvijanden uitbrak. Bij dit oplaaien van de strijd vielen honderden doden.
De tweede gebeurtenis was een wetenschappelijk congres, een maand later, in de Eritrese hoofdstad Asmara – de eerste bijeenkomst van dien aard in vijftien jaar. De deelnemers aan het congres waren hogelijk verbaasd over de relatieve vrijheid waarmee in de beruchte politiestaat over de meest uiteenlopende onderwerpen – van vrouwenrechten tot buitenlandbeleid – kon worden gedebatteerd. ‘Je zou het een politieke gebeurtenis kunnen noemen,’ zegt Harry Verhoeven, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Georgetown University in Qatar. ‘Het was voor regionale begrippen al uitzonderlijk, maar voor Eritrea helemaal.’
Welbeschouwd zijn deze ogenschijnlijk tegenstrijdige aangelegenheden twee lijnen in hetzelfde verhaal: Eritrea doorbreekt schoorvoetend het isolement waarin het land al tien jaar verkeert, en rivaal Ethiopië probeert aan die verschuiving het hoofd te bieden.
Sancties
Het congres toonde in elk geval aan dat Eritrea voorzichtig naar buiten treedt. Het grensconflict was een teken dat buurland Ethiopië bang is dat het zijn dominante positie in de regio kwijtraakt als Eritrea wordt gerehabiliteerd. Samen laten de twee gebeurtenissen zien dat de zeventienjarige toestand van ‘geen vrede én geen oorlog’ zijn einde nadert.
In april kondigde Ethiopië aan dat het land aan een nieuw beleid ten opzichte van het buurland werkt. Nog niet alle details zijn bekend, maar één ding is duidelijk: de regering in Addis Abeba erkent dat haar strategie om Eritrea na het einde van de grensoorlog in te tomen – in 2009 formeel bekrachtigd door een wapenembargo van de VN – is mislukt. Voor het eerst in jaren wordt er in Addis Abeba serieus over een koerswijziging gesproken.
Het sanctiebeleid van de Verenigde Naties is afhankelijk van de steun van de internationale gemeenschap, maar die steun brokkelt geleidelijk aan af. De sancties waren altijd al controversieel omdat Eritrea in een regio vol bad guys als enige tot boeman werd bestempeld. Binnen de VN is inmiddels een groeiende consensus dat er geen duidelijke grond meer is voor de sancties: er is geen bewijs dat Eritrea de islamitische terreurgroep Al-Shabaab in Somalië nog steeds steunt. En hoewel het land wel achter andere gewapende oppositiegroepen in de regio – met name in Ethiopië – blijft staan, is het daarin geen uitzondering: omringende landen doen dat eveneens. Ethiopië kan de versoepeling – of opheffing – van de sancties hooguit tegenhouden tot eind 2018, wanneer de termijn van Addis Abeba als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad afloopt.
Spanningen tussen Eritrea en buurland Djibouti, die in juni een hoogtepunt bereikten na het besluit van Qatar om zijn blauwhelmen uit het betwiste grensgebied terug te trekken, zouden Ethiopië op de korte termijn in de kaart kunnen spelen. Maar op de lange duur zal het nog niet meevallen de andere VN-leden ervan te overtuigen de status-quo te handhaven nu de steun van de Verenigde Staten dreigt weg te vallen. Met het vertrek van president Barack Obama – en vooral van diens nationale veiligheidsadviseur Susan Rice, die zich onverbiddelijk opstelde tegenover het Eritrese regime – is Washington waarschijnlijk minder geneigd Eritrea in het strafbankje te laten zitten. ‘Rice liet de Eritreeërs geen enkele speelruimte,’ zegt Bronwyn Bruton, adjunct-directeur van het Africa Center van de Amerikaanse denktank Atlantic Council. ‘Alle Afrikaanse dictators wrijven zich in de handen nu Donald Trump in het zadel zit.’
Eritrea heeft op meer fronten de wind in de rug. De oorlog in Jemen – op nog geen 150 kilometer afstand, aan de overkant van de Rode Zee – heeft onder de Golfstaten een stormloop veroorzaakt op ‘bedrijfsruimte’ langs de Eritrese kust, de ideale plek om troepen te stationeren. De Verenigde Arabische Emiraten bijvoorbeeld huren al sinds 2015 de haven van Assab, waar de VAR een militaire basis bouwen. In Jemen zelf vechten naar verluidt vierhonderd Eritrese soldaten voor de door de Saoedi-Arabië geleide coalitie, en dat levert Eritrea olie en geld op.
En door de migratiecrisis heeft de Europese Unie, die de stroom van vluchtelingen en migranten uit Afrika wanhopig probeert in te dammen, tegen wil en dank toenadering gezocht. Van 2014 tot 2016 bestond het leeuwendeel van de Afrikaanse vluchtelingen uit Eritreeërs – en dat levert president Isaias Afewerki, die al sinds 1993 aan de macht is, een aardige som geld op. In 2015 zegde de EU een hulppakket van 200 miljoen euro toe, geld dat overigens nog moet worden uit–betaald. Dit bedrag komt boven op de beloofde hulp om het functioneren van het justitiële apparaat en de veiligheidsdiensten te verbeteren zodat mensensmokkel effectiever kan worden aangepakt.
Individuele Europese landen en humanitaire organisaties laten hun neus ook weer zien. Zo is Duitsland weer begonnen met technische hulpprogramma’s, terwijl het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking van plan is een kantoor te openen in Asmara. Amerikaanse functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, die het land jaren hebben gemeden, hervatten voorzichtig diplomatieke bezoekjes. ‘De muur die de Ethiopiërs zorgvuldig rond Eritrea hadden opgebouwd is danig aan het afbrokkelen,’ zegt Martin Plaut, auteur van het boek Understanding Eritrea. ‘En iedereen staat ineens te dringen om vriendschapsbanden aan te knopen.’
President Afewerki is nog altijd gebaat bij de huidige situatie – en dat verklaart waarom het land in een permanente staat van oorlog wordt gehouden
Eritrea zelf is ook druk bezig zich aan zijn status van paria te ontworstelen. Asmara probeert buitenlandse investeerders te paaien, met name in de mijnbouwsector. In een poging meer buitenlandse investeerders te trekken heeft de regering in de haven van Massawa een vrijhandelszone ingesteld. Ook heeft ze kleine, maar symbolische stappen gezet om haar slechte naam op gebied van mensenrechten op te vijzelen. Tussen mei 2015 en mei 2016 kregen vijftig buitenlandse journalisten toegang tot het land, aldus Atlantic Council. En de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, kreeg onlangs toestemming voor een bezoek aan een gevangenis.
Addis Abeba beziet al deze ontwikkelingen met argusogen. Het vooruitzicht dat Eritrea zijn invloed in het gebied rond het Rode Zee uitbreidt, bevalt Ethiopië, gefrustreerd doordat het zelf geen toegang heeft tot de zee, allerminst. De regering vreest ook dat de Eritrese president Afewerki zijn verbeterde financiële positie zal gebruiken om de steun aan het gewapende verzet in Ethiopië op te schroeven in een tijd waarin de noodtoestand, afgekondigd na maandenlange onrust, onverminderd voortduurt. En het grootste schrikbeeld voor Ethiopië is dat het wordt ingesloten door vijandige regimes.
Analisten zijn het er niet over eens wat het nieuwe Ethiopische beleid met betrekking tot Eritrea nu eigenlijk zal behelzen. Sommigen voorspellen dat de aloude strategie alleen maar in een nieuw jasje wordt gestoken: het land zal, net als nu, harde grenzen afbakenen en er geen misverstand over laten bestaan dat er een militair antwoord volgt als die grenzen worden geschonden. Anderen vragen zich af of de Ethiopische regering geheime bilaterale gesprekken overweegt – misschien zelfs het aanbod zich terug te trekken uit het grensplaatsje Badme, dat al vijftien jaar lang illegaal wordt bezet door Ethiopische troepen. Maar ook oorlog, met als doel het regime in Asmara omver te werpen, wordt niet uitgesloten, hoewel dat niet zeer waarschijnlijk lijkt omdat Ethiopië daarmee zijn hand kan overspelen en de greep op het gebied ten noorden van de grens zou kunnen kwijtraken.
Het Afrikaanse Noord-Korea
Eritrea heeft weliswaar de verdiende bijnaam ‘het Afrikaanse Noord-Korea’, maar het heeft geen beschermheer als China die het land kan dwingen aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. President Afewerki is nog altijd gebaat bij de huidige situatie – en dat verklaart waarom het land in een permanente staat van oorlog wordt gehouden.
Berichten dat de Eritrese troepen na het vertrek van de Qatarese blauwhelmen betwist gebied aan de grens met Djibouti hebben bezet, maken duidelijk dat Eritrea de regio nog altijd verder kan ontwrichten. Maar hoewel het land inmiddels minder geïsoleerd is dan voorheen, is het nog steeds veel zwakker dan Ethiopië, dat nu aan zet is. ‘Het is een gevaarlijk spel waarbij voor beide partijen veel winst te behalen valt,’ zegt Verhoeven. ‘Maar ik ben voorzichtig optimistisch.’
Auteur: Tom Gardner
Foreign Policy
Verenigde Staten, tweemaandelijks tijdschrift, oplage 106.000
Wetenschappelijk tijdschrift, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.

