360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.
LITERATUUR – Zo was het
Humor en sentiment om de verloren dagen
Hoe een recensent in één alinea een boek in z’n context kan plaatsen, en dan ook heel precies de plaats van dat boek binnen die context aangeven. Bij Die Zeit verstaan ze die kunst. De recensie van de roman_ Auerhaus_ van Bov Bjerg begint zo: ‘Het meest voor de hand liggende wat je over een roman als deze kan zeggen, is waarschijnlijk dat de jeugd, als hij eenmaal voorbij is, ook werkelijk verloren is. Die tijd waarin al het zware nog licht leek en een kleinigheid loodzwaar kon wegen, is niet meer terug te halen, elke poging daartoe is slechts nostalgie. Er is geen weg terug. Daarom heeft elke goede roman over volwassen worden aandacht voor het verdriet over die onmogelijkheid om de jeugd terug te halen. En Auerhaus van Bov Bjerg is een van die goede romans, maar ook weer niet een hele goeie.’
Hoe zou het zijn om zo’n alinea te lezen, met die ontknoping aan het eind, als je Bov Bjerg heet?
Bjerg, pseudoniem van Rolf Böttcher, is een bekende in de Berlijnse literaire wereld. Verwijzend naar de wijk Prenzlauer Berg, waar hij vaak te vinden is, noemt de Duitse pers hem soms Prenzlauer Bjerg. Hij heeft zijn pen gescherpt bij het Duitse fenomeen van de Lesebühne, een soort voordrachtsavonden. Behalve romanschrijver is Bjerg ook cabaretier. Hij is 51 jaar oud, Auerhaus (de verduitsing van Our House, een nummer van Madness uit de jaren tachtig), is zijn tweede roman. Dan kan je wat hebben. Maar toch.
‘We moeten zonder meer vaststellen dat Bjergs roman niet vervalt tot dat verkrampt opgekraste jargon van de jeugdrestauratie waarin zo veel van zulke literatuur is geschreven, die dan ook meestal klinkt als de presentator van de ontbijt-tv die het lexicon straattaal heeft verslonden’, zo gaat recensent David Hugendick verder. Dat klinkt toch alsof Bov Bjerg weer rustig kan ademhalen. ‘Het is vooral de melancholische koppigheid die Bjerg uit de taal van de jeugd weet over te leveren.’ Dat klinkt zelfs helemaal niet slecht. En dat Hugendick Auerhaus vervolgens ‘een zeer spaarzaam verteld boek’ noemt, zal in het licht van het voorgaande ook als een compliment zijn bedoeld. Waar zit dan het voorbehoud, die vileine ‘ook weer niet een hele goeie’ van het begin?
Alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt
Hugendick concludeert nogmaals dat het ‘eenvoudig dieptreurig’ is dat geen dag van onze jeugd ooit nog terugkeert, een besef dat Bjerg met ‘sympathieke sentimentaliteit’ de lezer nog eens onder de neus wrijft, ‘en ons eraan herinnert dat we zelfs de mooiste momenten van die dagen al lang zijn vergeten’, eindigt hij. Het lijkt erop dat Hugendick het boek eerder verwijt dat het hem te hard heeft geraakt, in plaats van niet hard genoeg.
Der Tagesspiegel noemt Auerhaus een ‘wonderbaarlijke roman’ en de toon van de recensie lijkt veel minder door een persoonlijke midlifecrisis bepaald dan die van Die Zeit. Want: ‘zo was het, toen we eindexamen deden (…) diep in de jaren tachtig’. De manier waarop Bjerg dat verleden evoceert is ‘opwindend’. Hij schrijft ‘authentiek, het klopt, hij treft precies de taal van de opgroeiende jeugd, het wijsneuzige en hoogdravende ervan (…) alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt’. Toch is het geen nostalgische roman, vindt Gerrit Bartels, ook al ‘komt het ene na het andere citaat voorbij: Madness, The Godfather en ook telefooncellen, waar ’s avonds “gastarbeidersgezinnen” in de rij staan’. Bov Bjerg vertelt ‘zonder tierelantijnen en met overzicht. Zijn talent voor het komische is even groot als dat voor terloopse sentimentaliteit.’
De vertaling van_ Auerhaus_ door Anne Folkertsma verschijnt bij Uitgeverij Cossée. Het Duitsland Instituut organiseert op 14 februari een avond met Bjerg in de Duitse ambassade te Den Haag. Aanmelding is gratis maar verplicht, via ku-s1@denh.diplo.de.
FILM – Poëzie op het witte doek
Jarmusch en de muze
Drieëndertig jaar geleden kwam_ Stranger than Paradise_ uit, de verpletterende doorbraak van cineast Jim Jarmusch. The Washington Post schreef daarover toen dit: ‘Er bestaat geen tweede geur als die scherpe eerste betovering van een nieuwe lente, geen kwelling zo goddelijk als die van een eerste liefde en geen ervaring in de filmwereld als de collectieve ontdekking van een geestige, helder-realistische en volstrekt originele nieuwe film van een onbekend, jong talent. Dit is de belangrijkste week uit het leven van Jim Jarmusch.’
Jarmusch maakte daarna klassiekers als Down by Law en de serie korte vignetten Coffee and Cigarettes, evenals een aantal documentaires, onder meer over Neil Young en The Stooges. ‘Hij is een natuurlijke verteller met een zeer droog gevoel voor humor’ schreef The Independent over de in 1953 in Ohio uit een half-Duitse moeder geboren regisseur.
Zijn twaalfde speelfilm komt deze week uit.
‘De held in de nieuwe film van Jim Jarmusch, Paterson, heet Paterson (gespeeld door Adam Driver). Hij woont in Paterson, New Jersey, met zijn vrouw Laura (Golshifteh Farahani). Paterson staat elke dag vroeg op, ontbijt, en gaat op weg naar zijn werk als buschauffeur. Hij bestuurt lijn 23, waar aan de voorkant “Paterson” op staat. Aan het eind van de dag komt hij weer thuis, om te eten. Waarna hij zijn Engelse buldog gaat uitlaten, die buiten moet wachten bij de bar waar hij een biertje drinkt. Om de een of andere reden heet die hond Marvin. Belachelijk. Hij had Paterson moeten heten’, schrijft Anthony Lane in de eerste New Yorker van het nieuwe jaar.
Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als “poëzieadviseur” van Jim Jarmusch
Die ironische kritiek op de naam van de hond zet de toon voor de hele recensie: Lane heeft zich overgegeven aan deze film. En wie daarin niet mee wil, die moet maar achterblijven: ‘Als dit je allemaal een beetje saai lijkt, dan weet je nog niet de helft. Nog niet een zevende’, gaat Lane verder. Want de film beslaat een hele week van Patersons leven in Paterson, op de Paterson-bus. Maar Paterson is geen gewone buschauffeur. Hij zit vaak in zijn kelder. Liefhebbers van het Jarmusch-universum denken nu direct aan het geheimzinnige nummer What’s He Building In There? van Tom Waits, vriend van Jarmusch (en als acteur in meerdere van diens films magistraal).
Anthony Lane vertelt u wat Paterson uitspookt: ‘Het is u vergeven als u denkt dat hij seriemoordenaar is of kidnapper, want in films en op tv zijn dat de enige redenen waarom onopvallende mannen de kelder in gaan. Maar nee. Paterson doet nog iets veel raadselachtigers. Hij schrijft gedichten.’
En zo komt het dat Paterson niet echt over Paterson gaat. Noch over de man, noch over de plaats, noch over de bus. Paterson is een film over poëzie. ‘De wereld die we in Paterson zien en beleven, voelt aan als een gedicht’, schrijft Kevin Crust van de Los Angeles Times, die zich niet minder liet meeslepen door de film dan zijn collega aan de oostkust, ‘van de natuurlijke schoonheid van de Great Falls tot het industriële patroon van de straten waar Paterson zijn bus doorheen rijdt. De woorden die hij neerpent in zijn “geheime notitieboek” verschijnen op het scherm en meanderen voort, waardoor de kijker de beelden en de emoties die ze oproepen, in zich kan opnemen.
De poëzie heeft geen grote reputatie op het witte doek. We moeten waarschijnlijk terug tot Il Postino van Michael Radford voor de laatste keer dat een film werkelijk probeerde de poëtische ervaring over te brengen. Dat vereist dus speciale maatregelen. Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als ‘poëzieadviseur’ van Jim Jarmusch. Noem hem een stuntman, uiteindelijk schreef hij zeven gedichten die in de film voor rekening komen van de buschauffeur met z’n geheime notitieboekje Paterson. ‘Er komen minstens tien gedichten in de film voor’, telde de Los Angeles Times, ‘en vier personages houden zich op de een of andere manier met poëzie bezig.’ Dat zijn inderdaad waarschijnlijk wereldrecords.
Auteur: Pieter van den Blink

