Een voorpublicatie uit het nieuwe boek van Hartmut Rosa
Een meisje van elf komt een filiaal van een hippe fastfoodketen binnengerend. Ze heeft al een hele tijd haar zakgeld opgespaard. Vandaag kan ze eindelijk ook eens een van die hyperburgers kopen die haar klasgenootjes zo lekker vinden! Blij en vol verwachting doet ze haar bestelling – om niet veel later met glinsterende ogen de burger waar ze zo naar heeft verlangd in ontvangst te nemen. Het ongeluk wil echter dat haar burger bij het openen van de wikkel, wat best lastig blijkt, gelijk op de grond valt en door iemand wordt platgetrapt. Het meisje schrikt en begint te huilen. De werknemer die haar heeft bediend en het zag gebeuren, is erdoor geraakt. Hij wil iets doen, hij wil ingrijpen, haar verdriet verzachten. Kom meisje, ik geef je een nieuwe! Het meisje stopt met huilen, kijkt de man ongelovig aan en steekt vervolgens bedeesd haar hand uit naar de nieuwe hamburger, haar hele gezicht begint te stralen, ze glimlacht blij naar hem en rent weg. Op dat moment voelt de medewerker dat hij leeft, dat hij een handelend wezen is. Het is het hoogtepunt van zijn verder zo monotone dag. Hij heeft een daad verricht waaraan hij die avond nog zal terugdenken. Helaas is zoiets echter zo goed als verboden. Dit soort dingen komt nauwelijks nog voor – er zijn strenge nieuwe regels. En regels zijn regels. Iedereen wordt gelijk behandeld. Voor niemand wordt een uitzondering gemaakt.
Richtlijnen tegen corruptie en misbruik. Dat kan immers iedereen wel verlangen. Alles geautomatiseerd. Het meisje kan natuurlijk altijd een e-mail sturen naar de klantenservice. Misschien krijgt ze dan een tegoedbon. In deze sociale realiteit voelt de medewerker zich al even onmachtig als het meisje, even handelingsonbekwaam. Hij kan alleen maar ten uitvoer brengen wat zijn chef, het recht en de digitale algoritmes hem voorschrijven. Hij heeft geen speelruimte.
Een totaal andere situatie: het is de drieëndertigste speeldag van het mannenvoetbalseizoen 2022/2023 van de Bundesliga. SC Freiburg speelt zijn laatste thuiswedstrijd van het seizoen tegen Vfl Wolfsburg. In de zeventigste minuut lopen de emoties hoog op in het EuropaPark-stadion: Nils Petersen, een legende in de Breisgau die zijn club met zijn talloze onwaarschijnlijk knappe doelpunten steeds weer door belangrijke wedstrijden heeft gesleept, en die door de fans als mens en als sportief voorbeeld op handen wordt gedragen, komt na een lange tijd op de bank eindelijk weer in het veld als wisselspeler. Er klinken spreekkoren op de tribune waar de fanatiekste fans zitten. ‘Niemand is groter dan de club, maar jij kwam akelig dicht in de buurt’ hebben de fans op een enorm spandoek geschreven. En het wonder geschiedt: Petersen scoort! Vijf minuten nadat hij op het veld is gekomen! En kort voor het eindsignaal scoort hij zelfs nog eens: een droomgoal, een kopbal in de hoek. Het stadion staat op zijn kop. Zelfs Christian Streich, de trainer, heeft tranen in zijn ogen. Dit lijkt het perfecte, niet te bevatten, sprookjesachtige einde van een geweldige sportcarrière te worden. Het stadion verkeert bijna in een collectieve extase. Niemand protesteert. De wedstrijd was toch al beslist, voor Wolfsburg staat er niets meer op het spel, het seizoen is afgelopen. Maar dan meldt zich de videoruimte in Keulen: de videoscheidsrechter (VAR) stelt vast dat er lang voor Petersens doelpunt op het middenveld minimaal contact is geweest tussen twee spelers dat na een nauwgezette analyse van de beelden toch moet worden beschouwd als een overtreding. Het doelpunt wordt afgekeurd. Zelfs de spelers van Wolfsburg zijn ontsteld. De scheidsrechter kan niet anders dan het doelpunt annuleren. Er komt een einde aan de extase. Op slag voelen de fans, de spits, de andere spelers en de scheidsrechter zich – precies: machteloos. Er is geen ruimte voor een eigen oordeel en autonoom handelen. Feitelijk spelen ze geen van allen nog een rol: ze kunnen alleen nog maar uitvoeren (of beredeneren) wat de regels – of de rechtvaardigheid? – voorschrijven. Een derde situatie: tijdens een conferentie in 2024 in het Deense Aarhus discussiëren sociaal wetenschappers over de enorme problemen waarmee daklozen in de grote Deense steden worden geconfronteerd wanneer ze zelfs ook maar proberen hulp te zoeken. In Denemarken is de digitalisering zeer ver gevorderd en veel diensten zijn alleen nog digitaal aan te vragen. Daarbij is dan vaak identificatie nodig door middel van nummers en codes, bijvoorbeeld van het identiteitsbewijs of de bankpas, of een sociaal verzekeringsnummer of een e-mail- of woonadres. Kortom: getallen en gegevens waarover mensen die op straat leven vaak niet beschikken. Na beoordeling van het beeld- en geluidsmateriaal van de interacties tussen hulpzoekenden en medewerkers van de dienstverlenende instanties, zitten de wetenschappers met vragen – maar niet zozeer over het feit dat veel hulpzoekenden vaak worden afgewezen omdat ze de vereiste gegevens niet kunnen verstrekken, alhoewel ze wel degelijk recht op hulp hebben. Nee, ze zijn eerder verbaasd over het feit dat de dienstverleners zich daarbij opvallend onvriendelijk, haast agressief gedragen tegenover diegenen die ze toch eigenlijk zouden moeten helpen. Naar mijn idee is dit echter helemaal niet zo vreemd. De medewerkers voelden zichzelf in dit soort situaties hulpeloos – ze konden niets doen. De computer vroeg om een nummer dat ze niet alleen niet konden invoeren, maar ook nergens konden vinden. Ze ervoeren hun onvermogen om de benodigde hulp te verlenen als extreem belastend en vernederend, en reageerden hun frustratie vervolgens af op de hulpzoekenden. Net als in de twee voorgaande voorbeelden hebben we hier te maken met een interactie die alle betrokkenen frustreert en hun een gevoel van machteloosheid bezorgt.
Het zijn slechts drie willekeurige voorbeelden van een fenomeen of een probleem waar ik me in dit boek mee wil bezighouden. In wat volgt zullen we nog met talloze vergelijkbare situaties worden geconfronteerd. Het fundamentele probleem is dat de laatmoderne samenleving op steeds meer gebieden van het sociale leven handelende actoren, die complexe situaties op grond van hun ervaring interpreteren en beoordelen aan de hand van morele en ook esthetische maatstaven, transformeert in louter uitvoerders die een protocol volgen of zich laten leiden door voorschriften en algoritmes die immuun zijn voor hun interpretatie van en morele oordelen over een situatie. Een van de belangrijkste thesen van dit boek luidt dan ook dat we steeds meer van handelende tot uitvoerende mensen worden (gemaakt), of liever gezegd: dat we onszelf daartoe maken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de conducteur die geen treinkaartjes meer mag verkopen, maar een toeslag moet rekenen als hij in de trein een vervoersbewijs moet opstellen (maar stuurt u gerust een e-mail naar de klantenservice). Het geldt voor de lerares die de cijfers die ze geeft niet langer kan inzetten om leerlingen aan te moedigen; voor de arts die meer met zijn beeldscherm dan met de patiënt bezig is; en zelfs, zoals we al zagen, voor de scheidsrechter in het betaalde voetbal die niet langer ter plaatse een beslissing mag nemen, maar bij een buitenspelsituatie moet wachten op het oordeel van de VAR, dat tot op de millimeter precies is. Terwijl handelen betekent dat we in een complexe en vaak meerduidige interactie een zekere speelruimte hebben die om ons oordeelsvermogen vraagt, een vermogen dat berust op ervaring, betekent uitvoeren het uitvoeren van regels, het volgen van voorschriften of het implementeren van beslissingen die elders (en vaak door een algoritme) zijn genomen. Wie handelt bevindt zich als het ware in een situatie en neemt daaraan deel, geeft haar vorm, bepaalt haar mede en verandert haar voortdurend, terwijl uitvoerenden het gevoel krijgen dat ze worden geconfronteerd met een grotendeels van buitenaf aan hen opgelegde constellatie. Ze ervaren zichzelf eerder als een waarnemer van of betrokkene bij een voldongen feit dan als een serieuze actor. Fenomenologisch kan dit verschil worden gezien als de subtiele verschuiving in de waarneming wanneer we een gebeurtenis (bijvoorbeeld het eindexamenfeest van onze dochter of het huwelijk van een vriend) bijwonen en naar de camera grijpen. Zodra we aan de camera denken, zetten we onszelf als het ware op afstand van de situatie en bekijken de feestelijkheden voor ons alsof we er zelf geen onderdeel van zijn.
Op dit punt moet ik een korte toelichting geven op de term ‘constellatie’, die onderdeel uitmaakt van de titel van het boek. Ik gebruik het woord niet zoals Walter Benjamin of Theodor W. Adorno dat doen, als een dynamische beweging van het denken, waarbij uit het samenkomen van verschillende begrippen (Adorno’s ‘denken in constellaties’) of herinneringen, historische fragmenten en brokstukken van een ervaren heden (Benjamins concept van de geschiedenis als jetztzeit of ‘nutijd’) plots een nieuwe betekenisinhoud naar voren komt die uit de definiërende vastlegging van (identificerende) begrippen of historische feiten nu juist niet af te leiden is. Ik definieer constellatie daarentegen – in overeenstemming met de oorspronkelijke betekenis van een uit vaste individuele punten gevormd sterrenbeeld – als een ordening van eenduidig te identificeren individuele zaken die ten opzichte van elkaar in een vaste, meetbare en vaak binair gecodeerde verhouding staan. In een dergelijke constellatie zijn het nagestreefde nut, de doelen en de middelen die ervoor worden ingezet, evenals hun onderlinge verbanden, per definitie exogeen bepaald. In hoofdstuk 3 zal ik verder ingaan op het onderscheid tussen situatie en constellatie, zoals dat op doorslaggevende wijze door Hermann Schmitz werd beschreven.
De vaak gevoelde machteloosheid van uitvoerenden in een constellatie voelen we zelf steeds wanneer ons wordt gevraagd een formulier in te vullen. Complexe levenssituaties worden daarbij vaak gereduceerd tot binaire opties: Gelieve ‘van toepassing’ of ‘niet van toepassing’ aan te kruisen. Als datgene wat wordt gevraagd slechts deels of in zeer beperkte mate ‘van toepassing is’, maar we dat niet kunnen aangeven leidt dat tot een haast lichamelijk voelbare ervaring van vervreemding. In alle volgende stappen voelen we vervolgens het voorbehoud van het eigenlijk-niet-helemaal-juiste, zonder dat we kunnen ingrijpen en het onjuiste kunnen corrigeren. Dat ligt niet zelden aan de binaire uitvoeringslogica van de apparaten waarmee we werken, maar een dergelijke reductie van de handelingsruimte lijkt ook vaak te worden gevraagd door de maatstaven van gerechtigheid, gelijke behandeling (voor iedereen moeten dezelfde regels gelden), toerekenbaarheid (de verantwoordelijkheden moeten duidelijk zijn), begrijpelijkheid, transparantie en controle.
In dit boek wil ik laten zien hoe omvattend en ingrijpend deze verandering van de aard van ons handelen is. De verandering is omvattend, omdat ze vrijwel al ons handelen betreft: de manier waarop we dingen maken, maar ook de manier waarop we ze consumeren, onze professionele en private omgangsvormen, en de manieren waarop we spelen, musiceren of proberen creatief te zijn. En ik wil laten zien dat de logica van de reductie van complexe situaties van het handelen tot binaire constellatieve beslissingen zelfs in de politiek – kruisvluchtwapens leveren of niet – en in de wetenschap of de epistemologie – aan een wetenschappelijke bewering moet een eenduidige waarheidswaarde kunnen worden toegekend – van grote, soms zelf beslissende betekenis is. Ingrijpend is de verandering omdat ze fundamenteel verandert hoe wij in de wereld staan, hoe wij actief zijn en in haar ingrijpen en ons als zelfwerkzaam ervaren, maar ook hoe zij ons tegemoettreedt en ons raakt. Om het met de woorden van mijn collega Lambert Wiesing uit Jena te zeggen: onze verhouding tot de wereld wordt van primair ‘schilderachtig’, waarin er overal ruimte is voor interpretatie, waarneming en handelen – en daarmee dus ook voor dienovereenkomstige meerduidigheid – tot primair ‘lineair’, waarin duidelijk onderscheiden mogelijkheden, vooraf vastgelegde beslisprocessen en daarmee transparante eenduidigheid bestaan. Op een vergelijkbare manier heeft ook Thomas Bauer onlangs de vereenduidiging van de wereld en een daarmee gepaard gaand verlies aan tolerantie voor ambiguïteit en diversiteit vastgesteld. Ik wil echter tegelijk onderzoeken wat de oorzaken van deze verandering zijn, door welke (terechte) culturele eisen en structurele imperatieven ze wordt gemotiveerd en vervolgens en vooral, welke consequenties ze heeft – voor ons streven de wereld te kennen en te duiden, voor de sociale omgang in het dagelijks leven en in het bijzonder in de politiek, en tot slot voor de mogelijkheid om een geslaagd leven te leiden, dat wil zeggen, om met de wereld in resonantie te komen. Ik wil eindigen met een experimenteel voorstel om handelingsruimte op alle niveaus van het sociale leven terug te winnen, om elkaar die ruimte toe te staan, zonder daarbij het project van de moderniteit op te geven. Cultuur, zo stelde Hans Blumenberg ooit, ontstaat door het volgen van omwegen. De ‘vermeende levenskunst’ van de rechte lijn tussen twee punten zou daarentegen naar de barbarij leiden. De constellatieve logica van de handeling, zo zal ik proberen aan te tonen, is er nu juist op uit de omwegen te elimineren.
Het middelpunt van mijn analyse wordt gevormd door de al eerder aangestipte observatie dat de progressieve culturele transformatie van onze primaire praktische modus van het handelen naar het uitvoeren samenhangt met het volgende: in de logica van het beschikbaar maken van de wereld zijn we altijd bezig om complexe en holistische situaties, die vaak geen heldere temporele, ruimtelijke of sociale grenzen hebben, te reduceren tot eenvoudige, meetbare, uit discrete onderdelen bestaande en vaak binaire constellaties, om ze op een eenduidige, rechtvaardige en beredeneerbare wijze bewerkbaar en beslisbaar te maken. Laten we nog eens terugkeren naar de eerder geschetste situatie van de voetbalwedstrijd: daartoe behoren de positie op de ranglijst, de plaats van de wedstrijd in het seizoen, de tussenstand, het moment van het doelpunt in de wedstrijd, de uitzinnige fans, de sfeer op het veld en op de tribunes, maar ook de hele geschiedenis van Nils Petersen en wat hij voor zijn club heeft betekend, het aanzien dat hij in Freiburg geniet, het aura dat hem omringt, en ten slotte het specifieke tijdstip en de betekenis van juist dit doelpunt in deze geschiedenis. De scheidsrechter op het veld heeft vermoedelijk, al was dat dan misschien niet bewust, al deze factoren meegewogen in zijn beslissing, in zijn oordeel. Ze hebben hem beïnvloed. Nu zien we gelijk al een belangrijke reden waarom wij geneigd zijn tot constellatieve reductie. Al die zaken hadden hem, zo zouden we kunnen stellen, immers potentieel partijdig kunnen maken, wat tot een onrechtvaardig besluit had kunnen leiden. Voor de var spelen al die factoren geen rol. Zijn oordeel berust op een heldere, constellatieve vaststelling van de feiten. Die speler van Freiburg heeft de schoen van zijn tegenstander geraakt of niet; de spits heeft de nauwgezet gekalibreerde buitenspellijn overschreden of niet. Dat betekent tegelijk echter ook dat al het andere wordt uitgesloten van de besluitvorming en de daaruit volgende uitvoering van de handeling.
Strikt genomen maken de toeschouwers in het voetbal deel uit van de situatie en het spel zolang de scheidsrechter op het veld beslissingen neemt; zij worden dan handelingspraktisch bij de gebeurtenis betrokken. Ze vormen echter geen deel van de constellatie die voor de var relevant is. Ze zijn uitgesloten, spelen geen rol, zijn als het ware niet eens aanwezig wanneer het tot een video-oordeel komt. Dat is een ingrijpende verandering van de ervaring van een voetbalwedstrijd in het stadion. Fans weten namelijk dat hun aanwezigheid en hun gedrag van invloed zijn op de scheidsrechter, en met hun fluiten, boegeroep, hun vocale eisen en hun gejuich proberen ze het verloop van een wedstrijd bewust te beïnvloeden. De fans zijn deel van het spel – en dat is niet langer het geval wanneer de beslissingen in de videoruimte vallen. Dit is een belangrijke, maar bijna nooit besproken reden waarom voetbalfans vaak zo vijandig staan tegenover de VAR.
De discursieve en handelingspraktische reductie van (complexe) situaties tot (meetbare, uit losse delen bestaande) constellaties heeft echter consequenties die veel verder gaan dan alleen de handeling die er onmiddellijk uit volgt – bijvoorbeeld wanneer een politica moet aftreden omdat ze het n-woord heeft gebruikt, ongeacht in welke situatie en met welke bedoeling ze dit deed; of wanneer de vraag hoe we op gepaste wijze kunnen omgaan met vluchtelingen wordt gereduceerd tot de binaire keuze uitzetten of niet, de confrontatie rond de bescherming van het klimaat tot wel of geen warmtepomp, het probleem van de juiste reactie op een grote oorlog tot kruisvluchtwapens leveren of niet. De genoemde vereenvoudiging heeft echter zelfs consequenties voor wetenschappelijke en epistemische vragen. Wat kan of wat mag gelden als wetenschappelijke kennis: (uitsluitend) een constellatieve set gegevens (arbeiders stemmen wel of niet meer dan gemiddeld op rechts-populistische partijen) of (ook) een interpretatieve politieke, misschien zelfs filosofische duiding van een situatie?
De analytische filosofie en de kwantitatieve empirische wetenschappen hebben zich tot doel gesteld alleen gegarandeerde constellatieve oordelen als geldige kennis te accepteren, terwijl de continentale filosofie en de hermeneutische cultuurwetenschap er juist omgekeerd van overtuigd zijn dat complexe analyses en interpretaties van situaties, die zelf een holistisch karakter hebben en daarmee ook openstaan voor verschillende lezingen, zich daar niet toe laten reduceren.
Met deze vragen uit de politiek en de wetenschapstheorie zal ik me bezighouden in de hoofdstukken 5 en 6. Zoals de drie verhalen die ik in het begin deelde al duidelijk hebben gemaakt, gaat het bij het waargenomen fenomeen echter geenszins alleen om een filosofisch, politiek en epistemologisch probleem, maar om een fundamentele tendens die grote gevolgen heeft voor ons dagelijks leven. Wanneer namelijk het menselijk oordeel en het op ervaring gebaseerde handelen worden vervangen door een rol die niet meer dan uitvoerend is, iets wat robots en AI inderdaad beter, sneller en betrouwbaarder kunnen dan mensen, dan verdwijnt de speelruimte voor het oordeel, kwijnt het oordeelsvermogen weg en wordt de creativiteit van het menselijk handelen verbannen uit de dagelijkse uitvoeringspraktijk. Zoals ik in hoofdstuk 7 hoop te laten zien, verandert daarmee ook het karakter van het in-de-wereld-zijn, omdat de focus van onze aandacht, dat wil zeggen datgene wat we van de wereld en in het leven waarnemen, en onze wilsstructuur, dat wil zeggen datgene wat we in de wereld en in het leven willen en waar we naar streven, verschuiven.
Een ander zorgwekkend aspect van deze verschuiving is de afname van onze handelingsenergie. Mensen hebben het gevoel dat ze leven, ze voelen zich gemotiveerd, zelfwerkzaam en zelfs gelukkig, wanneer ze kunnen handelen (bijvoorbeeld door een kind een nieuwe hamburger te geven, in sommige gevallen af te zien van de toeslag op het treinkaartje gekocht in de trein, omdat de passagier met een plausibele verklaring komt voor het feit dat hij geen kaartje heeft enzovoort). Ze voelen zich daarentegen ongelukkig, gefrustreerd, machteloos wanneer ze geen ruimte krijgen om een situatie zelfstandig in te schatten en daarnaar te handelen. Wanneer rechts-populisten tegenwoordig dingen roepen als ‘Take Back Control’, ‘Make America Great Again’ of ‘Wij zijn het volk!’, dan zou daar onbewust weleens een verlangen naar handelingsbekwaamheid achter kunnen steken.
Het zou echter te eenvoudig zijn om de fundamentele tendens die hier centraal staat simpelweg af te doen als een foute culturele ontwikkeling. Er zijn namelijk bijzonder goede redenen om, althans in handelingscontexten in de publieke ruimte, constellatieve beslissingen te verkiezen boven puur oordeelsvermogen. Ik zal daar in hoofdstuk 2 op terugkomen. Ik wil echter laten zien dat het desondanks weleens zo zou kunnen zijn dat het verloren gaan van de handelingsruimte en daarmee het handelingsvermogen leidt tot een verlies aan energie in de samenleving, zowel op individueel als op collectief niveau. Het zou medeverantwoordelijk kunnen zijn voor die symptomen die we als tekenen van individuele en collectieve burn-out kunnen interpreteren. Precies om die reden wil ik aan het einde van dit boek, in hoofdstuk 9, pleiten voor de rehabilitatie van het menselijke oordeelsvermogen en (creatieve) handelingsvermogen op alle niveaus van het sociale bestaan. Eerst zullen we echter het geheel van de problemen die we hier onderzoeken, en daarmee de verhouding tussen situatie en constellatie, nader moeten bepalen.
Vertaald door Huub Stegeman

