het enige chinese perspectief


De wereldwijde Chinese propagandacampagne heeft een onvoorstelbare reikwijdte en loopt op volle toeren. Beijing koopt zelfs mediabedrijven op om buitenlandse journalisten ‘het Chinese verhaal goed over het voetlicht te laten brengen’.

Het hoofdkwartier van het Chinese televisiestation CCTV in aanbouw in 2007. Het 230 meter hoge gebouw is ontworpen door het Nederlandse architectenbureau OMA. – © China Photos / Getty
Het hoofdkwartier van het Chinese televisiestation CCTV in aanbouw in 2007. Het 230 meter hoge gebouw is ontworpen door het Nederlandse architectenbureau OMA. – © China Photos / Getty

Het team dat de sollicitatiebrieven doorneemt voor de nieuwe Londense hub van China’s staatsomroep, heeft een jaloersmakend probleem: veel en veel te veel kandidaten. Er zijn bijna zesduizend reacties gekomen op negentig vacatures om ‘het nieuws te verslaan vanuit Chinees perspectief’.

Voor westerse journalisten, gedemoraliseerd door eindeloze bezuinigingsronden, lijkt China Global Television Network een zeer aantrekkelijk alternatief. Het bedrijf biedt goede salarissen en een uiterst moderne werkomgeving in speciaal ontworpen studio’s in Chiswick, West-Londen. CGTN – zoals de internationale tak van China Central Television in 2016 is gedoopt – is het meest highprofile onderdeel van China’s razendsnelle mondiale mediaopmars, die tot doel heeft, in de woorden van president Xi Jinping: ‘het Chinese verhaal goed over het voetlicht te brengen’. In de praktijk lijkt dat min of meer neer te komen op het dienen van het ideologische streven van de staat.

Beijing heeft zich tientallen jaren defensief en reactief opgesteld aangaande het creëren van het eigen imago. Men richtte zich voornamelijk op de eigen bevolking. De meest zichtbare manifestatie van deze inspanningen was dat binnen China letterlijk content verdween: buitenlandse tijdschriften waar bladzijden uit waren gescheurd, of de BBC die op zwart ging zodra er items werden uitgezonden over gevoelige onderwerpen als Tibet, Taiwan of de doden op het Tiananmenplein in 1989. Beijing zette grove middelen in: binnenlandse censuur, officiële klachten die werden ingediend bij het hoofdkwartier van nieuwsagentschappen en buitenlandse correspondenten die het land uit werden gezet.

Ambitieuze aanpak

Maar de afgelopen tien jaar, grofweg, heeft China een assertievere en verfijndere aanpak uitgerold, die zich meer en meer richt op een internationaal publiek. China probeert het wereldwijde informatielandschap een nieuw aanzien te geven door middel van enorme financiële injecties – geld voor betaalde advertorials, gesponsorde journalistieke stukken en positieve boodschappen van zogeheten boosters die in de watten zijn gelegd. Terwijl de pers binnen China steeds meer aan banden wordt gelegd, probeert China in het buitenland munt te slaan uit de kwetsbaarheden van de vrije pers.

In de meest simpele vorm hebben we het dan over geld dat wordt betaald aan gerenommeerde internationale publicaties zoals The Washington Post, zodat zij Chinese propagandabijlagen uitgeven. Die strategie kan ook meer geniepige vormen aannemen, zoals het plaatsen van content van de Chinese staatsradio, China Radio International (CRI), op de frequenties van ogenschijnlijk onafhankelijke radiostations over de hele wereld, van Australië tot Turkije.

Het is voor alles een ideologische en politieke strijd

Ondertussen proberen binnen de Verenigde Staten lobbyisten – betaald door instellingen die worden gesteund door China – andere partijen, de zogeheten third-party spokespeople, over te halen om Beijings boodschap uit te dragen en de algemene opinie bij te sturen, bijvoorbeeld over de Chinese overheersing van Tibet. China probeert ook journalisten van over de hele wereld te paaien met dure, all-inclusive rondreizen en gratis communicatieopleidingen. Dat laatste is misschien wel de meest ambitieuze aanpak. Op deze manieren leren ze talloze buitenlandse journalisten ‘het Chinese verhaal goed over het voetlicht te brengen’.

Sinds 2003, toen er aanpassingen zijn gedaan aan een officieel document waarin de politieke doelen van het Volksbevrijdingsleger waren vastgelegd, maakt de zogeheten ‘media-oorlog’ expliciet deel uit van Beijings militaire strategie. ‘De Chinese kijk op nationale veiligheid bestaat er onder meer uit anderen een slag voor te blijven in de wereld van ideeën,’ zegt Peter Mattis, een voormalig CIA-analist die tegenwoordig is verbonden aan het China-programma van de Jamestown Foundation, een op veiligheid gerichte denktank in Washington. ‘Het achterliggende doel van dergelijke propaganda is om bepaalde ontwikkelingen voor te zijn, om te voorkomen dat er beslissingen worden genomen die nadelig zouden kunnen uitpakken voor de Volksrepubliek China.’

Soms gaat het daarbij om traditionele vormen van censuur: het intimideren van mensen met een andere mening, met harde hand optreden tegen platforms die deze meningen verspreiden, of deze kanalen gewoon opkopen. Beijing heeft ook met veel geduld zijn controle op de globale digitale infrastructuur vergroot met behulp van Chinese privéondernemingen, die in grote delen van Afrika een dominante rol spelen in de overstap van analoge naar digitale televisie door satellieten de lucht in te sturen, glasvezelnetwerken aan te leggen en datacentra op te zetten – een digitale ‘zijderoute’ – met als doel informatie te verspreiden over de wereld. Op deze manier verstevigt Beijing zijn greep, niet alleen op de nieuwsproducten zelf en de manieren waarop het nieuws wordt gemaakt, maar ook op de manieren waarop het wordt verspreid.

Ambitieus

Hoewel Beijings propagandaoffensief geregeld wordt afgedaan als vrij grof en weinig opwindend, heeft ons vijf maanden durende onderzoek duidelijk laten zien dat het behoorlijk gedetailleerd is én behoorlijk ambitieus in het streven de mondiale informatiestructuur te herdefiniëren. Het is veel meer dan alleen een strijd om de likes. Het is voor alles een ideologische en politieke strijd, waarin China vastbesloten is het voortouw te nemen en af te rekenen met wat in Chinese ogen een decennialang westers media-imperialisme is.

Tegelijkertijd streeft Beijing ernaar het mondiale zwaartepunt meer naar het Oosten te verplaatsen en zo ook het beeld uit te dragen van een nieuwe wereldorde waarin het opkomende China een centrale rol vervult. Natuurlijk zijn dit soort campagnes niet nieuw onder de zon; onder meer Amerika en Engeland hebben felle campagnes gevoerd om journalisten voor zich te winnen. Ook die landen hebben geprobeerd hen in te palmen met gratis reisjes en exclusieve toegang tot hooggeplaatste ambtenaren. Maar in tegenstelling tot deze landen laat de Communistische Partij van China geen diverse meningen toe. De leiders van China beschouwen de pers als de ‘ogen, oren, tong en keel’ van de Communistische Partij. Voor China fungeren de media inmiddels niet meer alleen als het strijdtoneel waarop deze ‘globale informatieoorlog’ wordt uitgevochten, maar tevens als wapen in diezelfde strijd.

De Nigeriaanse onderzoeksjournalist Dayo Aiyetan herinnert zich nog altijd het telefoontje dat hij kreeg, enkele jaren nadat CCTV in 2012 zijn eerste hub in Kenia had geopend. Aiyetan had even daarvoor het eerste centrum voor onderzoeksjournalistiek van Kenia opgezet, en hij had aan het licht gebracht dat Chinese zakenlieden illegaal hout kapten in Nigeria. Hij werd gebeld met een aanlokkelijk aanbod: kom werken voor het nieuwe, door de Chinese overheid geleide omroepbedrijf en je gaat minstens twee keer zoveel verdienen als nu. Het geld en de zekerheid waren zonder meer verleidelijk, maar Aiyetan besloot uiteindelijk toch om het niet te doen, omdat hij net dat centrum had opgezet.

De leiders van China beschouwen de pers als de ‘ogen, oren, tongen keel’ van de Communistische Partij

Afrika diende als proeftuin, de plek waar de Chinese media als eerste probeerden voet aan de grond te krijgen. De inspanningen werden opgeschroefd na de Olympische Spelen van 2008, toen de Chinese leiders tot hun grote frustratie te maken kregen met een golf aan kritische berichten, met name in de internationale pers die, terwijl de Olympische fakkel de wereld over ging, verslag deed van de mensenrechtensituatie en de pro-Tibet-demonstraties. Het jaar daarop maakte China bekend 6,6 miljard dollar te steken in het versterken van de wereldwijde mediapositie.

De eerste belangrijke internationale buitenpost was CCTV Africa, dat ogenblikkelijk probeerde mensen met aanzien, zoals Aiyetan, te rekruteren. CCTV beloofde lokale journalisten een goed inkomen en bood hen de kans om de wereld ‘het verhaal van Afrika’ te vertellen zonder zich te hoeven conformeren aan westerse narratieven. ‘Wat ik fijn vind, is dat we het verhaal vanuit ons eigen perspectief kunnen vertellen,’ zegt de Keniaanse journaliste Beatrice Marshall, die is afgetroggeld van KTN, een van de grootste televisiestations van Kenia. Ze verleent CCTV geloofwaardigheid en benadrukt keer op keer de journalistieke onafhankelijkheid van de medewerkers.

Vivien Marsh, die een tijdelijke leerstoel heeft aan de University of Westminster, heeft onderzoek gedaan naar de verslaggeving van CCTV Africa, en zij reageert sceptisch op dergelijke beweringen. Marsh heeft de verslaggeving van de ebola-uitbraak in
West-Afrika in 2014 geanalyseerd en geconstateerd dat in zeventien procent van alle artikelen over ebola wordt gerefereerd aan China, waarbij in grote lijnen de nadruk wordt gelegd op de rol die China heeft gespeeld door artsen en medische hulp te leveren. ‘Voor mij hebben ze hun journalistieke geloofwaardigheid verspeeld door China af te schilderen als een hulpvaardige ouder,’ aldus Marsh. Het algehele streven leek helemaal niet te zijn om het verhaal van Afrika te vertellen, maar om de macht en de generositeit van China te benadrukken en te laten zien dat dit land wereldwijd een spilfunctie vervult. (Inmiddels heeft CGTN niet alleen een Engelstalige poot, maar ook Spaanse, Franse, Arabische en Russische kanalen.)

In de afgelopen zes jaar heeft CGTN gestaag zijn greep op Afrika verstevigd. Het station is te zien op televisieschermen in de wandelgangen van de Afrikaanse Unie, in Addis Ababa, en het wordt gratis gestreamd naar duizenden dorpen op het platteland van verschillende Afrikaanse landen, waaronder Rwanda en Ghana, met behulp van StarTimes, een Chinees mediabedrijf met hechte banden met de overheid. De goedkoopste pakketten van StarTimes bieden zowel Chinese als Afrikaanse kanalen aan, terwijl toegang tot de BBC of Al Jazeera meer kost, waardoor de meeste mensen zich die zenders niet kunnen veroorloven. Op deze manier slagen ze erin de Chinese propaganda te verspreiden onder een groter publiek: naar eigen zeggen tien miljoen van de vierentwintig miljoen Afrikanen die betaalde televisie hebben. Hoewel bedrijfstakanalisten van mening zijn dat deze cijfers zijn opgeklopt, zijn er nu al zorgen dat StarTimes in bepaalde Afrikaanse mediamarkten de lokale bedrijven uit de markt drukt. In september vorig jaar waarschuwde de Ghana Independent Broadcasters Association dat als ‘StarTimes ongestoord de Ghanese digitale programmeringsstructuur en de satellietruimte kan overnemen (…) Ghana in feite het hele omroepbestel uitlevert aan de Chinese controle en content.’

Voor niet-Chinese journalisten, in Afrika en elders, levert het werken voor een mediabedrijf dat wordt gecontroleerd door de Chinese overheid een riant salaris op, en nieuwe mogelijkheden. Toen CCTV in 2012 een hoofdkwartier in Washington opende, sloten maar liefst vijf – al dan niet voormalige – Zuid-Amerika-correspondenten van de BBC zich aan bij CCTV. Een van hen, Daniel Schweimler, die inmiddels bij Al Jazeera zit, zegt dat hij er een leuke en betrekkelijk zorgeloze tijd heeft gehad, al denkt hij dat zijn stukken maar door heel weinig mensen ook echt zijn gelezen.

screenshot 2020 01 22 at 16 17 54

Xinhua

Maar buitenlandse journalisten die werken bij Xinhua, het door de Chinese overheid gerunde nieuwsagentschap, zien dat hun stukken een veel groter publiek bereiken. Xinhua wordt voor zo’n veertig procent gefinancierd door overheidssubsidies en het bedrijf genereert – net als andere nieuwsagentschappen, zoals Associated Press – inkomsten door verhalen te verkopen aan kranten over de hele wereld. ‘Mijn verhalen werden niet gelezen door een miljoen mensen. Ze werden gelezen door honderd miljoen mensen,’ pocht een voormalig medewerker van Xinhua. (Zoals de meeste mensen die we hebben gesproken, wilde hij anoniem blijven om vrijuit te kunnen spreken, uit angst voor repercussies.) Xinhua is opgezet in 1931, lang voordat de communisten de macht in handen kregen, en diende als spreekbuis van de partij. De artikelen, die bol stonden van het jargon, werden gebruikt om nieuwe richtlijnen uit te vaardigen en verschuivingen in de partijpolitiek toe te lichten. Een groot deel van de krant is ingeruimd voor de pompeuze toespraken en een verslag van de dagelijkse activiteiten van Xi Jinping.

De voormalig werknemer van Xinhua zegt: ‘Je moet het een beetje zien als creative writing. Het is een combinatie van journalistiek en creative writing.’

Een andere voormalig werknemer, Christian Claye Edwards, die van 2010 tot 2014 voor het Xinhua-nieuwsagentschap in Sydney heeft gewerkt, zegt: ‘Ze winden er geen doekjes om dat ze expliciet Chinese belangen willen promoten.’ Hij vervolgt: ‘Er is geen duidelijk doel, behalve het blootleggen van scheurtjes in het systeem en daarop inspelen.’ Een voorbeeld hiervan is het benadrukken van de chaotische en grillige aard van de Australische politiek – Australië heeft in de afgelopen acht jaar zes verschillende premiers gehad – als een manier om het vertrouwen in de liberale democratie te ondermijnen. ‘Een deel van mijn takenpakket was zoeken naar manieren om dat effect te versterken. Het stond niet zwart op wit, het is me nooit met zoveel woorden opgedragen,’ zegt hij.

Edwards had, net als andere voormalig werknemers van Chinese mediabedrijven die in overheidshanden zijn, het gevoel dat zijn werk voor het grootste deel bestond uit het signaleren wat er in het binnenland gebeurde, of boodschappen door te spelen waaruit trouw aan de partijlijn sprak, en zodoende in het gevlij te komen bij hoge partijfunctionarissen.

De vraag hoe dit alles China’s mondiale softpowerambities in de kaart speelde, leek nauwelijks nog aan de orde. Maar sinds Edwards in 2014 is vertrokken, heeft Xinhua de blik meer naar buiten gekeerd: dat blijkt onder meer uit het feit dat het bedrijf een Twitteraccount heeft – met 11,7 miljoen volgers – terwijl Twitter in China verboden is.

Onomwonden censuur is over het algemeen niet nodig bij de mediabedrijven die in handen zijn van de staat, aangezien de meeste journalisten al snel aanvoelen welke artikelen geschikt worden geacht en wat voor draai ze aan bepaalde verhalen moeten geven. ‘Ik begreep ook wel dat we softpropagandatools waren – maar niet meer dan bij de BBC of Al Jazeera, om nog maar te zwijgen van Russia Today,’ zegt Daniel Schweimler, die twee jaar voor CCTV in Zuid-Amerika heeft gewerkt. ‘We maakten altijd grapjes dat we ons geen zorgen hoefden te maken over bemoeienissen vanuit Beijing of Washington zolang de Dalai Lama maar niet op bezoek kwam.’

Toen de Dalai Lama in 2012 Canada bezocht, bracht dat Mark Bourrie, een van de journalisten van de Ottawavestiging van Xinhua, in een lastige positie. Op de dag van het bezoek kreeg Bourrie te horen dat hij zijn persaccreditatie moest gebruiken om de persconferentie van de Tibetaanse spiritueel leider bij te wonen en erachter te komen wat er was besproken tijdens de bijeenkomst achter gesloten deuren met de toenmalige premier, Stephen Harper. Toen Bourrie vroeg of die informatie voor een artikel gebruikt zou worden, zei zijn baas van niet. ‘Die dag had ik het gevoel dat we spionnen waren,’ zou hij later schrijven. ‘Het werd tijd om een grens te trekken.’ Hij ging terug naar kantoor en diende zijn
ontslag in. Bourrie, die inmiddels advocaat is, wilde geen commentaar geven voor dit artikel.

Schimmige grenzen

Hij is bepaald niet de enige met een dergelijke ervaring. De afzonderlijke bronnen die voor de Chinese staatsmedia hebben gewerkt, laten weten dat ze soms vertrouwelijke rapporten hebben opgesteld in de wetenschap dat die niet zouden worden gepubliceerd via de reguliere persdienst, maar uitsluitend waren bestemd voor de ogen van bepaalde hooggeplaatste functionarissen. Edwards – die zo’n rapport heeft geschreven over de stadsontwikkeling van Adelaide – beschouwde dit als ‘informatievergaring op het laagste niveau, ten behoeve van de Chinese overheid’. Waar het feitelijk op neerkwam was het leveren van laag geclassificeerde geheime informatie aan een overheidsinstantie.

Dat in China de toch al schimmige grenzen tussen journalistiek, propaganda, beïnvloeding en het vergaren van informatie nog verder vervagen, is een bron van zorg in Washington. Halverwege september 2019 gelastte de Verenigde Staten zowel CGTN als Xinhua om zich te registreren bij de Foreign Agents Registration Act (FARA), waar mensen die in een politieke of quasipolitieke hoedanigheid de belangen vertegenwoordigen van een buitenlandse mogendheid niet alleen hun relatie met het betreffende land moeten aangeven, maar ook hun activiteiten en de vergoedingen die ze daarvoor ontvangen. ‘Het is bekend dat bij het inwinnen van informatie en bij handelingen binnen de informatie-oorlog werknemers betrokken zijn van mediaorganisaties die door de Chinese overheid gestuurd worden’, heeft een congrescommissie vorig jaar opgetekend.

In het Xi Jinping-tijdperk is propaganda uitgegroeid tot een ware bedrijfstak

‘Laat het buitenland China dienen’, was een van de favoriete leidraden van voorzitter Mao, een beleid dat werd belichaamd door zijn besluit om de Amerikaanse journalist Edgar Snow in 1930 toegang tot het land te verlenen. Het boek dat hieruit voortvloeide, Red Star over China, speelde een grote rol bij het winnen van de westerse sympathie voor de communisten, die door Snow werden afgeschilderd als progressief en antifascistisch.
Na acht decennia behelst ‘laat het buitenland China dienen’ niet alleen het verlenen van exclusieve toegang in ruil voor een gunstige pers, maar ook het inzetten van mediabedrijven vol buitenlandse werknemers om de partijbelangen te dienen. In 2012, tijdens een reeks persconferenties in Beijing vanwege het jaarlijkse Nationaal Volkscongres, gaven hoge ambtenaren herhaaldelijk het woord aan een jonge Australische vrouw die geen van de andere plaatselijke buitenlandcorrespondenten kenden. Ze viel op doordat ze vloeiend Chinees sprak en vragen stelde die opmerkelijk makkelijk te beantwoorden waren.

De jonge vrouw, Andrea Yu, bleek te werken voor Global CAMG Media Group, een mediabedrijf dat is gevestigd in Melbourne. Global CAMG is opgezet door een plaatselijke zakenman, Tommy Jiang. Door de organisatiestructuur worden de banden met de Chinese overheid aan het oog onttrokken: het bedrijf is voor zestig procent in handen van Guoguang Century Media Consultancy, een groep die in Beijing is gevestigd en die op haar beurt weer in handen is van de staatsomroep, China Radio International (CRI). Global CAMG en een ander bedrijf van Jiang, Ostar, hebben minstens elf radiostations in Australië, waar CRI-content wordt uitgezonden. Ook produceren ze hun eigen, Beijing-vriendelijke shows die ze weer verkopen aan andere radiostations. Deze shows zijn speciaal gericht op de grote groep mensen in Australië die Mandarijn spreken.

Jie chuan chu hai

Nadat de verzamelde pers in Beijing Yu ervan had beschuldigd een ‘nepcorrespondent’ te zijn die in feite voor de Chinese overheid werkte, zei ze tegen een verslaggever: ‘Toen ik bij mijn bedrijf kwam werken, had ik maar een zeer beperkt begrip van de banden met de Chinese overheid. Eigenlijk dacht ik dat die er helemaal niet waren.’ Niet lang daarna diende ze haar ontslag in bij CAMG. Maar tijdens het Volkscongres twee jaar later deed zich min of meer hetzelfde voor, met weer een Chineessprekende Australische die voor CAMG werkte. Deze vrouw, Louise Kenney, verzette zich met hand en tand tegen de beschuldigingen dat ze een handlanger zou zijn van de Chinese overheid.

Het inzetten van buitenlandse radiozenders om door de overheid goedgekeurde boodschappen te verspreiden is een strategie die het hoofd van CRI jie chuan chu hai heeft genoemd, ‘een boot lenen om de zee op te gaan’. In 2015 heeft Reuters gemeld dat Global CAMGeen van de drie bedrijven is die deel uitmaken van een geheim netwerk van drieëndertig radiostations die CRI-content verspreiden in veertien landen. Nu, enkele jaren later, hebben die netwerken – waaronder Ostar – 58 radiostations in 35 landen, afgaande op de informatie op hun websites. Alleen al in de VS wordt door meer dan dertig bedrijven CRI-content verspreid, zei de vicepresident van Amerika, Mike Pence, enige tijd geleden in een strijdlustige speech. Maar het valt lastig te bepalen wie naar deze zenders luisteren en hoeveel invloed die content feitelijk heeft.

Beijing hanteert een vergelijkbare ‘geleende boten’-aanpak als het om gedrukte media gaat. De Engelstalige krant China Daily, die in overheidshanden is, heeft overeenkomsten gesloten met minstens dertig buitenlandse kranten – waaronder The New York Times, Wall Street Journal, The Washington Post en de UK Telegraph – om maandelijks een bijlage te drukken van vier of acht pagina’s die China Watch heet. De bijlage hanteert een didactische, ouderwetse benadering van propaganda: enkele recente koppen luiden: ‘Tibet is in veertig jaar tot grote hoogte gestegen’, ‘Xi onthult maatregelen voor meer openheid’ en – de minst verrassende – ‘Xi roemt Communistische Partij’.

Een man fietst langs het hoofdkantoor van China Central Television (CCTV). – © Feng Li / Getty
Een man fietst langs het hoofdkantoor van China Central Television (CCTV). – © Feng Li / Getty

Geloofwaardigheid

Het is moeilijk om bedragen te achterhalen, maar volgens een onderzoek zou de Daily Telegraph jaarlijks 750.000 pond ontvangen voor deze maandelijkse China Watch bijlage. Zelfs de Daily Mail heeft een overeenkomst gesloten met de Chineestalige spreekbuis van de overheid, de People’s Daily, waarin aan China gerelateerde clickbait wordt gepresenteerd. Dergelijke afspraken om content te delen vormen een deel van de verklaring waarom de China Daily zo onvoorstelbaar veel geld in de Verenigde Staten steekt; sinds 2017 heeft de krant 20,8 miljoen dollar uitgegeven aan Amerikaanse invloed, waarmee het land qua uitgaven op nummer één staat – buitenlandse overheden niet meegerekend.
Het doel van de ‘geleende boten’ strategie is wellicht ook de content geloofwaardigheid te verlenen, aangezien niet duidelijk is hoeveel lezers feitelijk de moeite nemen om de opgeklopte bijlagen vol propaganda ook echt te lezen. ‘Het is deels een kwestie van erkenning,’ betoogt Peter Mattis. ‘Als de bijlage verschijnt bij The Washington Post dan verleent dat de uitgangspunten in de bijlage in zekere zin een bepaalde geloofwaardigheid.’

In september 2018 uitte Donald Trump kritiek op deze ontwikkeling, met de bewering dat China ‘valse berichten’ verspreidde om zijn positie bij de tussentijdse verkiezingen te verzwakken. Zijn woede richtte zich met name op een China Watch bijlage in Des Moines Register, in Iowa, bedoeld om de steun van de boeren voor een handelsoorlog te ondermijnen.

In het Xi Jinping tijdperk is propaganda uitgegroeid tot een ware bedrijfstak. In een speech uit 2014 verklaarde propagandatsaar Liu Qibao achter de Chinese aanpak te staan en hij stelde dat andere landen ook met succes gebruik hebben gemaakt van marktwerking om hun culturele producten te exporteren. De druk om propaganda te gelde te maken schept kansen voor sluwe zakenlieden die op het hoogste niveau gunsten proberen te bedingen, ofwel door in zee te gaan met door de overheid geleide mediabedrijven ofwel door Chinese vertegenwoordigers in het buitenland te financieren. De voornaamste strategie is niet langer om ‘buitenlandse boten te lenen’, maar om ze gewoon meteen op te kopen, schrijft Anne-Marie Brady, verbonden aan de University of Canterbury.

Twee kanten belichten

Het duidelijkste voorbeeld hiervan deed zich voor in 2015, toen de rijkste man van China The South China Morning Post_(SCMP) kocht, een 115 jaar oude krant uit Hongkong, die ooit bekendstond om de redactionele onafhankelijkheid en de kritische verslaggeving. Jack Ma, wiens e-commerce imperium Alibaba wordt geschat op zo’n 420 miljard dollar, heeft niet ontkennend gereageerd op beweringen dat hij door de autoriteiten van het Chinese Vasteland zou zijn gevraagd deze aankoop te doen. ‘Als ik me druk moet maken over allerlei speculaties van anderen, dan kom ik niet meer aan werken toe,’ zei hij in december 2015. Ongeveer rond diezelfde tijd maakte Joseph Tsai, Alibaba’s vicevoorzitter, duidelijk dat de _SCMP onder de nieuwe leiding een andere kijk op China zou bieden dan de westerse media tot dan toe hadden gedaan. ‘Veel van de journalisten die voor die westerse mediabedrijven werken, zijn het wellicht niet eens met de manier waarop China wordt bestuurd, en dat kleurt hun verslaggeving. Wij kijken daar anders tegenaan, wij vinden dat de dingen moeten worden verteld zoals ze zijn,’ aldus Tsai tijdens een interview.

De vijfendertigjarige CEO Gary Liu, een Mandarijnsprekende inwoner van Californië met een diploma van Harvard, is belast met de taak om die missie uit te voeren. Liu heeft in het verleden gewerkt als chief executive van de digitale nieuwssite Digg en daarvoor bij de zakelijke afdeling van de muziekstreamingdienst Spotify. Toen we elkaar spraken, via Skype, reageerde Liu enigszins ongemakkelijk op de vraag in hoeverre de SCMP de visie van Tsai waarmaakt. ‘De eigenarenhanteren een bepaalde taal en de krant heeft zo haar eigen overtuigingen,’ zei hij. ‘En onze overtuiging is dat het onze taak is om objectief verslag te doen over China en dat we ons uiterste best moeten doen om twee kanten te belichten van een uiterst gecompliceerd verhaal.’

In zijn optiek is het de rol van de krant om ‘het voortouw te nemen in het mondiale gesprek over China’. En om dat voor elkaar te krijgen, beschikt Liu over ruime middelen. Het personeel heeft het over ‘astronomische’ uitgaven en een van de werknemers zegt dat er zo veel mensen worden aangenomen dat het wel ‘de cast van Ben Hur lijkt’.

Het gaat erom waar stukken in de krant komen te staan, hoe ze worden gepromoot

Zelfs onder de nieuwe leiding gaat de SCMP uiterst behoedzaam te werk waar het China betreft. Nog altijd verschijnen degelijke politieke analyses en worden er artikelen geschreven over gevoelige onderwerpen zoals mensenrechtenadvocaten en het onderdrukken van bepaalde religies. Hoewel er ook pagina’s zijn zonder kopij van Xinhua, worden er ook wel grappen gemaakt dat de krant zou zijn verworden tot een soort China Daily-light, waarin steeds meer ruimte wordt ingeruimd voor verhalen over Xi Jinping, pro-China-opiniestukken en redactionele commentaren met een duidelijk politieke boodschap. Dit alles in combinatie met een nietaflatende stroom kruiperige artikelen over eigenaar Jack Ma, die door de krant maar liefst een ‘hedendaagse Confucius’ wordt genoemd.

Onder dwang

Er zijn twee verhalen die met name veel kritiek hebben geoogst. Het eerste, uit 2016, betreft een interview met mensenrechtenactivist Zhao Wei, die een jaar daarvoor in een politiecel was verdwenen. De citaten van de activist in het interview, waarin ze reflecteert op haar vroegere gedrag, doen sterk denken aan de ‘zelfkritieken’ uit het Mao-tijdperk. De bange vermoedens dat ze deze uitspraken onder dwang had gedaan, werden een jaar later bevestigd, toen Wei erkende dat ze haar ‘openhartige bekentenis’ had gedaan nadat ze een jaar was vastgehouden in een cel met voortdurend toezicht. ‘Niet praten, niet lopen. Onze handen, onze voeten, onze lichaamshouding… elke beweging was aan strenge beperkingen
onderhevig’, schreef ze.

En in 2018 ging de SCMP akkoord met een door de overheid georganiseerd interview met boekverkoper Gui Minhai. Gui, een Zweed, was een van de vijf mensen die politiek sensationele boeken verkochten en die in 2015 waren verdwenen – in Gui’s geval uit zijn huis in Thailand – om vervolgens in 2016 weer op te duiken in een Chinese politiecel. Het interview van de SCMP werd gehouden in een detentiecentrum en Gui zat tussen twee bewakers in.

Liu is er echter stellig van overtuigd dat de krant onder zijn beheer niet in de fout is gegaan. Naar zijn zeggen was de krant gevraagd – niet gedwongen – om over deze verhalen te schrijven. In het geval van Gui houdt Lui vol dat de beslissing is genomen op grond van journalistieke afwegingen: ‘Het team van seniorredacteuren is bij elkaar gekomen en heeft gezegd: Het is belangrijk dat we hier op ingaan. Als we dat niet doen is het niet ondenkbaar dat de andere verhalen die we erover publiceren een onvolledig beeld geven. Sterker nog, in veel van de andere stukken wordt niet eens vermeld dat Gui Minhai aan het begin en het einde van de interviews werd geflankeerd door bewakers.’ Liu benadrukt dat er
‘een groot verschil is tussen hoe wij erover hebben geschreven en hoe de staatsmedia er vermoedelijk over zouden hebben geschreven’. Maar velen in Hongkong waren geschokt dat de SCMP, dat ooit een gerenommeerde krant was, een afgedwongen bekentenis publiceerde die de Chinese overheid in de kaart speelde.

Insiders zijn van mening dat zelfs de stevige manier waarop China in de krant wordt aangepakt, deel uitmaakt van een bredere strategie. ‘Er wordt een rookgordijn opgetrokken,’ zegt Stephen Vines, die lange tijd voor de krant heeft geschreven. ‘Het is vooral zo kwalijk omdat grote delen heel geloofwaardig zijn.’ In november liet Vines in een verklaring weten niet langer voor de krant te schrijven. Een journalist die tegenwoordig voor de SCMP schrijft, zegt dat de persvrijheid ‘slechts marginaal’ is. Hij licht toe: ‘Het is niet zo dat stukken worden geweerd of aangepast. Het gaat erom waar ze in de krant komen te staan, hoe ze worden gepromoot. Door de digitale revolutie is dat allemaal een stuk makkelijker. Je schrijft wat je wilt, maar de mensen bepalen wat we te zien krijgen.’ De SCMP verweert zich fel tegen elke beschuldiging van censuur en heeft zelfs een column geplaatst waarin een senior editor zegt dat de beschuldigingen van censuur afkomstig zijn van ‘voormalig Post medewerkers die op hun teentjes zijn getrapt en hun gram willen halen’.

Er wordt ook Chinees kapitaal geïnvesteerd in gedrukte media ver van huis, zoals in ZuidAfrika, waar bedrijven die zijn gelieerd aan de Chinese overheid een aandeel van twintig procent hebben in Independent Media, de op een na grootste mediagroep van het land, waar twintig grote kranten onder vallen. In dit soort gevallen is de invloed van Beijing op de dagelijkse gang van zaken vaak minimaal, al zijn er evengoed dingen die niet gezegd kunnen worden. Dat ondervond Azad Essa, een ZuidAfrikaanse journalist, onlangs aan den lijve toen hij in zijn column, die verschijnt in een aantal kranten die onder Independent Media vallen, aan de kaak stelde dat China een ongekend aantal Oeigoeren gevangen had genomen. Enkele uren later was zijn column ingetrokken. Het bedrijf weet dat aan een nieuwe opmaak van de krant, waardoor er moest worden geschoven met het aantal columns.

Maar Essa gooide vervolgens alle remmen los in een stuk dat hij voor Foreign Policy schreef: ‘De grenzen van wat wel en niet mag zijn scherp en er valt niet over te onderhandelen. Gezien de afhankelijkheid van de Chinezen én de crisis op redacties, wordt dat zelden bediscussieerd. En dit is precies het soort medialandschap waarvan China wil dat zijn Afrikaanse bondgenoten het kopiëren.’ Dat geldt niet alleen voor Afrika, maar voor China’s mediabelangen over de hele wereld.

Australië wordt tegenwoordig gezien als een petrischaal voor de Chinese invloed in het buitenland. In het middelpunt van de strijd staat een omstreden Chinese miljardair, Huang Xiangmo, die nauwe banden onderhoudt met Sam Dastyari, een Australische Labourpoliticus. Als gevolg hiervan heeft Dastyari in 2017 zijn functie neergelegd. Drie jaar eerder had Huang 1,8 miljoen dollar gestoken in de oprichting van het Australia China Relations Institute, een denktank verbonden aan de University of Technology Sydney. ACRI, dat onder leiding staat van voormalig minister van Buitenlandse Zaken Bob Carr, wil ‘een positief en optimistisch beeld uitdragen van de AustralischChinese betrekkingen’.

In een rapport uit 2018 verklaart 90 procent van de 200 ondervraagde buitenlandcorrespondenten dat ze hun telefoon niet veilig acht. © VCG / Getty
In een rapport uit 2018 verklaart 90 procent van de 200 ondervraagde buitenlandcorrespondenten dat ze hun telefoon niet veilig acht. © VCG / Getty

Lofzang

In de afgelopen twee jaar heeft ACRI voorop gelopen in een programma dat studiereizen naar China organiseert. Minstens achtentwintig vooraanstaande Australische journalisten hebben een allinclusive reis aangeboden gekregen met exclusieve toegang tot bepaalde mensen en plekken. De strekking van veel van de wat hijgerige artikelen die dit heeft opgeleverd – waarin deze journalisten zichzelf omschrijven als ‘gasten van ACRI’ of ‘gasten van de AllChina Journalist Association’ – komt opmerkelijk overeen met de strategische prioriteiten van Beijing. De stukken zijn niet alleen een lofzang op China’s omvang en vooruitstrevendheid, maar ook worden Australiërs erin opgeroepen zich niet tegen het Chinese Nieuwe Zijderouteinitiatief te keren, en niet in het openbaar kritiek te uiten op China’s beleid inzake de ZuidChinese zee, of op welk ander Chinees beleid dan ook.

Mensen die deze ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houden menen een kentering te zien in de manier waarop er in Australië over China wordt geschreven. Econoom Stephen Joske heeft de leden van de eerste ACRItour gebrieft over de economische problemen van het land en was teleurgesteld over de weinig kritische toon die uit de stukken spreekt. ‘De Australische elite heeft maar weinig direct met China te maken,’ zegt hij. ‘Er is een lacune aan intelligent commentaar en zij [de door ACRI gefêteerde journalisten] hebben die lacune gevuld met zeer eenzijdige informatie.’ Deelnemers aan de studiereizen zijn zich bewust van de invloed die ze hebben. ‘Ik vond het een fantastische reis,’ zegt een journalist die anoniem wil blijven. ‘In Australië gaat de berichtgeving vaak niet verder dan dat China een communistisch éénpartijstelsel heeft. Er gebeuren veel positieve dingen in China als je kijkt naar technologie en handel, en dat krijgt niet zo heel veel positieve pers.’ Anderen laten zich iets omzichtiger uit over deze reisjes. ‘Wie zo’n reisje accepteert weet dat hij alles krijgt te zien vanuit hun perspectief,’ aldus ABC’s economiecorrespondent Peter Ryan, die in 2016 op een door ACRI gesponsorde trip is geweest.

Chinese journalisten verwijten niet-Chinese collega’s te zijn ‘gehersenspoeld’ met ‘westerse journalistieke waarden’

ACRI heeft op onze vragen over de reisjes gereageerd door een verklaring uit te vaardigen waarin wordt gesteld dat de Chinese tours ‘verbleken’ bij vergelijkbare trips die worden georganiseerd door de Verenigde Staten of Israël. Een woordvoerder schrijft: ‘ACRI heeft op geen enkel moment journalisten aangesproken op wat ze schrijven. Het staat hun vrij de positie in te nemen die zij willen.’ De woordvoerder bevestigt ook dat reisjes in natura worden gesteund door de AllChina Journalist Association, een communistisch partijorgaan dat zich tot taak stelt ‘China’s verhalen goed over het voetlicht te brengen en de stem van China een podium te geven’. Huang Xiangmo zegt dat hij niet betrokken is bij de projecten van ACRI.

Nieuwe speler

ACRI is een betrekkelijk nieuwe speler. Sinds 2009 heeft de China United States Exchange Foundation (CUSEF), onder leiding van de Hongkongse miljonair Tung Chee-hwa, niet alleen 127 Amerikaanse journalisten van 40 verschillende mediabedrijven naar China gehaald, maar ook nog eens enkele congresleden en senatoren. Sinds Tung een officiële functie bekleedt – vicevoorzitter van de adviesraad van de Chinese regering, de Chinese People’s Political Consultative Conference – staat CUSEF geregistreerd als een zogeheten foreign agent onder de Foreign Agents Registration Act (FARA).

Een beeld van hoe CUSEF te werk is gegaan om de verslaggeving over China in de Verenigde Staten te beïnvloeden is te vinden in de FARA-dossiers van een pr-bedrijf dat al sinds 2009 voor de stichting werkt. BLJ Worldwide, dat ook de Syrische Bashar al-Assad tot zijn klanten rekent, evenals de familie Gaddafi en het promotieteam dat het wereldkampioenschap voetbal naar Qatar heeft gehaald, organiseert uitstapjes voor journalisten en heeft een aantal journalisten van buiten weten over te halen om binnen de VS positief te berichten over China. BLJ’s streven was om in een jaar, in dit geval 2010, gemiddeld drie artikelen per week in de Amerikaanse media te krijgen, in bladen als Wall Street Journal. Het bedrijf ontving daar zo’n twintigduizend dollar per maand voor. In een memo uit november 2017 noemt BLJ acht zogeheten third party supporters die, zo stelt BLJ, ‘van betekenis kunnen zijn door opiniestukken te schrijven, door CUSEF aan te bevelen en door wellicht bepaalde zorgvuldig geselecteerde media te woord te staan’. Uit de FARA-dossiers blijkt ook dat BLJ het er in 2010 over heeft gehad hoe men invloed zou kunnen uitoefenen op wat Amerikaanse schoolkinderen te horen krijgen over China’s zwaar bekritiseerde rol in Tibet. Na bestudering van vier lesboeken voor middelbare scholen, kwam JLB met het volgende voorstel: ‘De introductie van een sterk, feitelijk tegengeluid om het optreden van China binnen de Tibetaanse Autonome Regio te verdedigen en te propageren.’

In het afgelopen decennium heeft CUSEF zijn taakstelling verbreed en nu werkt hij aan ambitieuze culturele, diplomatieke plannen om het Amerikaanse publiek te beïnvloeden. Uit een memo van januari 2018 valt af te leiden dat een van die plannen de bouw behelst van ‘een Chinese stad, Gung Ho genaamd, in Detroit’. Er wordt geopperd een heel huizenblok te renoveren, als middel om allerlei Chinese innovaties te kunnen etaleren, met designelementen uit beide landen. Er is budget beschikbaar van acht tot tien miljoen. In het memo wordt zelfs voorgesteld om een realityshow te maken waarin de ontwikkelingen binnen de Gung-Ho-gemeenschap worden gevolgd, bij wijze van ‘levende metafoor voor de beloften die de Chinees-Amerikaanse betrekkingen in zich dragen’. Het memo eindigt als volgt: ‘Gezien de hachelijke situatie waarin Detroit zich nu bevindt, zullen de media niet snel kritiek op het project durven leveren.’

CUSEF reageerde op vragen over deze activiteiten met een verklaring: ‘CUSEF heeft projecten gesteund die de communicatie en het begrip bevorderen tussen de bevolking van de Verenigde Staten en die van China. Bij al onze programma’s en activiteiten houden we ons keurig aan de wet en bij alles wat we doen hebben we integriteit hoog in het vaandel staan.’ BLJ heeft zich verder onthouden van commentaar.

China’s beleid om journalisten voor zich te winnen beperkt zich inmiddels niet langer tot korte studiereizen, maar omvat ook langetermijnprogramma’s voor verslaggevers uit ontwikkelingslanden. Deze plannen worden uitgevoerd door China Public Diplomacy Association, die in 2012 is opgericht. Het streven is ongekend ambitieus: het scholen van vijfhonderd Latijns-Amerikaanse en Caraïbische journalisten in een periode van vijf jaar, en duizend Afrikaanse journalisten per jaar vanaf 2020.

Het programma is er niet alleen op gericht buitenlandse journalisten kennis bij te brengen over China, maar ook over China’s kijk op journalistiek. Niet alleen zijn de Chinese leiders gekant tegen journalistieke idealen als kritische verslaggeving en objectiviteit, maar ze zien die zelfs als een wezenlijke bedreiging. In een uitgelekt directief van de overheid, dat bekendstaat als Document 9, wordt het uiteindelijke doel van de westerse media zelfs als volgt omschreven: ‘het forceren van een opening om onze ideologie te infiltreren’. Deze onoverbrugbare kloof waar het gaat om journalistieke waarden wordt nog eens extra benadrukt in een reeks door CGTN uitgebrachte video’s waarin vooraanstaande Chinese journalisten niet Chinese collega’s verwijten te zijn ‘gehersenspoeld’ met ‘westerse journalistieke waarden’, die vervolgens worden getypeerd als onverantwoord en ontwrichtend voor de maatschappij. Een van de redacteuren van Xinhua, Luo Jun, spreekt zich uit voor censuur, met de opmerking: ‘We moeten verantwoordelijkheid nemen voor het nieuws dat we brengen. Als dat als censuur wordt gezien, is het een goede vorm van censuur.’

Regisseur Steven Spielberg (links), directeur en voorzitter van Amblin Partners en Jack Ma, CEO van Alibaba kondigen hun samenwerking aan in 2016. – © Visual China Group / Getty
Regisseur Steven Spielberg (links), directeur en voorzitter van Amblin Partners en Jack Ma, CEO van Alibaba kondigen hun samenwerking aan in 2016. – © Visual China Group / Getty

Met de beurzen voor buitenlandse journalisten is China bezig een jonge generatie internationale journalisten te scholen. Een van de deelnemers aan het traject is de Filipijnse journalist Greggy Eugenio, die een volledig betaald mediafellowship volgt, bedoeld voor verslaggevers uit landen die deelnemen aan China’s grote globale infrastructuurproject, de Nieuwe Zijderoute. Eugenio zit al tien maanden in China, waar hij studeert en met
georganiseerde tours door het land reist. Ook doet hij een stage van zes weken bij een televisiestation dat in handen is van de overheid. Twee keer per week volgt hij lessen over taal, cultuur, politiek en nieuwe media, aan de Renmin University of China, dit alles in het kader van zijn master communicatie. ‘Dit programma is bevrijdend en opent me voortdurend de ogen, het doet me inzien dat ik veel verkeerde ideeën had over China,’ schrijft Eugenio in een mail. ‘Ik begrijp inmiddels dat het een van de meest effectieve vormen van journalistiek is, media die in handen zijn van de staat. De media in China functioneren nog altijd naar behoren en de mensen waarderen wat ze doen.’ Gedurende zijn tijd in China heeft hij stukken geschreven voor het Philippine News Agency, dat in handen is van de staat. En na afloop van deze periode is hij teruggekeerd op zijn oude plek, als tekstschrijver in het communicatieteam van de Filipijnse president Rodrigo Duterte.

Sommige experts beweren dat de reacties op de uitbreiding van autoritaire propagandanetwerken – zoals het Russische RT en het Iraanse Press TV – overtrokken zijn en dat deze ontwikkeling weinig invloed heeft op de internationale journalistiek. Maar Beijing zet veel hoger in, en op meerdere vlakken. In het binnenland wordt gewerkt aan het opzetten van de grootste omroeporganisatie ter wereld door drie gigantische radioen televisiezenders samen te voegen tot de Voice of China. Tegelijkertijd is door een reorganisatie de verantwoordelijkheid voor de propagandamachine overgeheveld van de overheidsorganen naar de Communistische Partij, die op die manier heel effectief haar greep op de inhoud kan verstevigen. In het buitenland wordt munt geslagen uit de overgang van analoog naar digitaal. Er worden proxies als Star Times gebruikt om tijdens de aanleg van onze nieuwe digitale snelwegen meer controle te krijgen over mondiale telecommunicatienetwerken. ‘Het geniale is dat ze niet alleen proberen controle te krijgen over alle content – nee, ze proberen ook controle te krijgen over de key nodes van de information flow,’ zegt Sarah Cook van Freedom House. ‘Zodra je eenmaal de nodes in handen hebt, kun je ermee doen wat je wilt.’

Uit een dergelijk schaamteloos machtsvertoon blijkt dat er een nieuwe, assertieve wind waait. In de informatie-oorlog – maar niet alleen daar – geldt niet langer het bekende maxime van Deng Xiaoping: ‘Verberg je kracht en wacht geduldig af.’ En als de op één na grootste economie van de wereld, heeft China besloten dat het dient te beschikken over de macht om het debat te bepalen, overeenkomstig de nieuwe status op het wereldtoneel. Enige tijd geleden heeft een groep van zeer vooraanstaande Amerikaanse China-experts een schokkend rapport naar buiten gebracht, waarin ze hun zorgen uiten over China’s agressievere machtsuitbreiding. Naarmate Beijing en zijn vazallen tegen een grens op lopen, worden meer marktpartijen in stelling gebracht om de concurrentie het zwijgen op te leggen. De macht om het debat te bepalen lijkt een nulsomspel voor China, en kritische stemmen worden ofwel ingelijfd ofwel tot zwijgen gebracht: het platform wordt hun ontnomen of men laat ze verdrinken in de zee van positieve berichten die worden gecreëerd door Beijings ‘geleende’ en ‘gekochte’ boten. Terwijl de westerse mediagiganten het water aan de lippen staat, is China’s eigen mediaimperialisme sterk in opkomst en het is heel goed denkbaar dat de uiteindelijke strijd niet zal gaan om de middelen van nieuwsproductie, maar om de journalistiek zelf.

Louisa Lim en Julia Bergin

The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 134.000

Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten.


Deel dit artikel


Recent verschenen