Het Museo de Arte Contemporáneo Atchugarry (MACA), opende begin januari zijn deuren. Het museum, dat beschouwd kan worden als ‘een brug tussen Uruguayaanse kunst en de ogen van de wereld, of tussen de kunst van de wereld en de ogen van Uruguay’, is het grootste en meest ambitieuze museum van het land.
Nee, het werd niet hoofdstad Montevideo en ook niet de sjieke badplaats Punta del Este. Het Museo de Arte Contemporáneo Atchugarry (MACA, Museum van Hedendaagse Kunst Atchugarry), dat is vernoemd naar de oprichter, de zevenenzestigjarige Uruguayaanse kunstenaar en beeldhouwer Pablo Atchugarry, is gevestigd midden in de natuur, op een perceel van 40 hectare, ver weg van al het stedelijke lawaai in een gebied dat bekendstaat als Manantiales.
‘Omdat ik een beeldhouwer ben die werkt met marmer – een lawaaiige arbeid die veel stof genereert – ben ik op deze gedecentraliseerde plek terechtgekomen,’ vertelt kunstenaar Pablo Atchugarry aan El País America. ‘Hier vind je inheemse fauna, er zijn capibara’s, vossen en hazen. Het museum wil het publiek de mogelijkheid bieden in dialoog te gaan met de natuur, en eraan herinnerd te worden dat we er deel van uitmaken.’
Gratis toegankelijk voor iedereen
De ambities van Atchugarry en zijn museum zijn groot. Het is het eerste permanente museum voor hedendaagse kunst in Uruguay. Volgens de website wil het MACA de komende jaren proberen om ‘Uruguay een plek te geven op de wereldkaart van grote internationale tentoonstellingen’.
In gesprek met de Uruguayaanse krant El Observador zei Atchugarry: ‘Het museum is voor iedereen gratis, biedt een inclusieve artistieke ervaring en is het hele jaar door toegankelijk. We hebben veel energie in dit project en in deze plek gestoken, en veel liefde. De liefde is gecommuniceerd, wordt ontvangen en is eeuwig.’
Het museum beoogt een schakel te zijn tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond
Het MACA-gebouw bestaat onder meer uit 5000 vierkante meter Uruguayaans eucalyptushout dat is omgevormd in Frankrijk. Samen met glas en marmer vormt het hout een gebouw met gebogen lijnen dat doet denken aan een schip.
Het museum beoogt een schakel te zijn tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond, schrijft El País. Vandaar de keuze voor de architect, de Canadees-Uruguayaan Carlos Ott, bekend van zijn ontwerp voor de Opéra Bastille in Parijs in de jaren tachtig. ‘Hij is de kapitein van de boot,’ zegt Atchugarry die de vormgeving van Ott beschouwt ‘als een ark die op het punt staat onze dromen te dragen. Ott is een architect, maar ik vind dat hij echt een beeldhouwer is.’ De glooiende structuur van het museum komt overeen met het glooiende terrein waarin het museum is neergezet. ‘De structuur is een golf in het landschap’.
Atchugarry geeft zich er rekenschap van dat het landschap een belangrijke attractie van het museum is. Buiten kan het publiek door een permanente tentoonstelling van eenenzeventig sculpturen lopen, waar niet alleen werken in marmer van de oprichter te zien zijn, maar ook van meer dan twee dozijn Uruguayaanse, Latijns-Amerikaanse en Europese kunstenaars.
‘Veel kunstenaars hebben een specifiek project voor deze plek gemaakt,’ zegt Atchugarry. ‘De Italiaanse kunstenaar Eduard Habicher maakte bijvoorbeeld een abstracte structuur, die eruitziet als een soort boot, midden op een meer. Al die werken zijn de vrucht van dialogen, van ontmoetingen.’
Nieuw voor Zuid-Amerika
Los van de expositie met sculpturen in het omringende landschap zijn er tot 10 april twee grote inaugurele tentoonstellingen te zien met niet de minste kunstenaars.
Eén expositie bevat werk van Christo en Jeanne-Claude, en bestaat uit een vijftigtal schetsen, tekeningen, foto’s, plannen en collages van de twee kunstenaars, die niet eerder in Zuid-Amerika te zien waren. De andere expositie is van de Argentijnse beeldhouwer en conceptueel kunstenaar León Ferrari, bekend om zijn politiek geëngageerde werk, en toont zeventwintig van zijn heliografieën.
‘Uruguay is een land met een kleine bevolking, maar met een gigantisch hart’
De vaste collectie herbergt een honderdtal werken, die allemaal afkomstig zijn uit de persoonlijke collectie van de oprichter. Het bevat onder meer kinetische kunst van de Venezolaan Jesús Soto, sculpturen van de Russisch-Amerikaanse kunstenaar Louise Nevelson en werken van de Amerikaan Frank Stella.
‘Van de drieënzestig aanwezige kunstenaars zijn er twaalf Uruguayaans, waaronder twee van de belangrijkste vertegenwoordigers van non-figuratieve kunst in het land: María Freire en José Pedro Costigliolo,’ aldus Atchugarry in El País. ‘Uruguay heeft een zeer rijke historie aan kunstenaars. Het is een land met een kleine bevolking, maar met een gigantisch hart.’

