klara kulikova htSVfGRvLLc unsplash 3


Na een relatiebreuk en de dood van haar vader verbleef schrijver Wendell Steavenson een winter aan de Bretonse kust. Daar ontdekte ze hoe louterend een dagelijkse duik in het ijskoude water is. ‘Als ik in koud water zwem, ervaar ik een lucide zuiverheid.’

Keuze uit het archief

Oud en nieuw staat voor de deur en dat betekent dat veel mensen zich zoals elk jaar weer aan de traditionele nieuwjaarsduik zullen wagen. Mocht je je afvragen wat het nut is van zwemmen in koud water, dan zou je eens te rade moeten gaan bij schrijver Wendell Steavenson.

In dit artikel van The Guardian legt ze uit hoe deze bezigheid haar hielp bij de verwerking van haar relatiebreuk en de dood van haar vader. ‘Zwemmen in koud water is geen kwestie van wilskracht of het overwinnen van geestelijke blokkades. Net als met verdriet is het een kwestie van je aanpassen aan een nieuwe situatie.’

Op 6 oktober 2020, mijn verjaardag, maken mijn vriend en ik na bijna tien jaar een einde aan onze relatie. We zitten in de auto op weg naar huis, na een vakantie in Maine – een laatste poging om onze relatie te redden. We hadden het heerlijk gehad; het veranderde helemaal niets.

‘We kunnen niet…’ ‘Het is niet…’ ‘We hebben geen…’

Overal om ons heen lijken de bomen in brand te staan, de bladeren één grote, vlammende kleurenpracht. Vervuld van afgrijzen zie ik de lange weg naar beneden voor me. Hij blijft in de Verenigde Staten, waar hij werkt; ik ga naar het huisje dat we samen hebben gekocht, aan de noordkust van Bretagne. Dat lijkt de beste plek om de pandemie uit te zitten, tot rust te komen, mijn wonden te likken, misschien zelfs wat te schrijven.

We gaan terug van Maine naar New York naar Washington. Ik stap op een vliegtuig naar Londen, neem de Eurostar naar Parijs, de TGV naar Morlaix, en vanuit Morlaix is het een half uur rijden naar de kust. Het platteland strekt zich groen en blauw voor me uit als ik de laatste helling neem en bij de weidse aanblik van de zee laat ik mijn adem ontsnappen.

Badpak

Het is frisjes: winderig maar zonnig. Achter de haven ligt ons huisje, de luiken gesloten, de zomerrozen deinend in de wind; binnen liggen zijn kleren en zijn boeken, foto’s van een gedeeld leven, snuisterijen en souvenirs en herinneringen. Ik pak mijn spullen uit en huil, door de uitputting van de reis en het schrijnende gevoel van verlies en mislukking. Trek mijn badpak aan.

Ik had nooit van mijn leven kunnen denken dat ik zo iemand zou zijn die het lekker vindt om in koud water te zwemmen. Ik zwom als het warm was, of ik trok baantjes in een binnenbad; ik kon uren in bad zitten. Ik was gek op water, maar ik was net een kat: ik had het vooral graag warm.

Het begint allemaal in de zomer van 2017. Mijn vader is net overleden. We wonen in Parijs en lieve vrienden zeggen dat ik wel een tijd in hun huisje in Locquirec, in Bretagne, mag zitten, om alleen te zijn, tot rust te komen en weer op krachten te komen. De eerste middag loop ik over de weg naar het strandje bij de haven waar zeilboten liggen afgemeerd, waar kleuters zandkastelen kapot slaan en pubers van de havenmuur in zee springen.

Alleen en verdrietig sta ik tot aan mijn enkels in de branding. Het is juli, maar bewolkt. Het briesje bezorgt me kippenvel. Het is te koud om te zwemmen maar ik wil niet opgeven en met alleen natte voeten teleurgesteld huiswaarts gaan. Ik weifel, waag me nog iets dieper, het water klotst ijzig tegen mijn knieën, tegen mijn dijen. Na een minuut of twee lijken mijn benen gewend te zijn geraakt aan de temperatuur. Maar als de zee aan mijn buik likt, voel ik de kou venijnig steken. Ik aarzel, wil me nog niet gewonnen geven. Zo blijf ik lange tijd staan dubben, met de zee rond mijn heupen. Op een onbewaakt moment geef ik ineens toe. Misschien is het makkelijker om me over te leveren aan de zee dan aan zelfverwijt omdat ik de zee heb laten winnen. En daar lig ik dan ineens, mijn borstkas zwoegend; een snelle, oppervlakkige ademhaling en armen die een driftige schoolslag maken – ik zwem.

Om de een of andere reden is het vrijwel onmogelijk om in zee te huilen

De schrik wordt al snel minder en de kou lijkt minder koud. Ik zwem naar een boei, kijk tevreden naar het water dat over mijn schouders golft. Ik zwem terug naar de kust en zie met een glimlach mijn eigen voetstappen in het zand dichterbij komen. Het is me gelukt! Ik wil papa bellen om het hem te vertellen.

Het verlies is nog niet echt doorgedrongen. Ik verkeer nog altijd in de onwerkelijke, eerste fase van de rouw. Papa voelt nog zo dichtbij dat de dood absurd lijkt, misschien zelfs zinsbegoocheling. Ik ga op onderzoek uit in het dorp: een kerk met een opengewerkte, stenen torenspits, een cafeetje en een paar restaurants rond een haventje, een rotsachtige dam, een breed, halvemaanvormig strand waar surfers in wetsuit als zwarte zeehonden liggen te dobberen. Ik loop om de punt en staar naar de blauwe horizon, worstel met vragen die ergens tussen zee en hemel in zweven. ‘Waar ben je gebleven, pap?’ vraag ik hardop.

De volgende dag ga ik weer. En de dag erna ook. Drie weken lang zwem ik elke dag. Om de een of andere reden is het vrijwel onmogelijk om in zee te huilen. 

Schotland

In september nemen mijn moeder, mijn broers en ik de Caledonian Sleeper naar Rannoch Moor in de Schotse Hooglanden om de as van mijn vader uit te strooien op de plek waar hij is opgegroeid. Terwijl mijn moeder en mijn broers verbijsterd toekijken, ga ik zwemmen in het steenkoude meer. Als kind waren we nooit op het idee gekomen om daar te gaan zwemmen. Het water is stil en helder en diep. Mijn neus maakt rimpelingen in het wateroppervlak, ik ruik de oude veengrond en de mineraalachtige geur van graniet. Ik heb het gevoel dat ik deel uitmaak van het landschap dat altijd deel heeft uitgemaakt van papa, en waarvan hij nu weer deel uitmaakt. Even houdt het op met motregenen, de wolken drijven uiteen en de zon spat in een goudkleurige vonkenregen van het water. ‘Het is net alsof papa ons even begroet,’ zegt mijn broer Michael.

Ooit gaf mijn vriend me met kerst een professioneel neopreen wetsuit dat ook door triatleten wordt gebruikt. Het zat zo strak dat ik tien minuten nodig had om het aan te trekken. We gingen naar onze vrienden in Locquirec, om oud en nieuw te vieren, en daar probeerde ik het uit in de winterzee. Het pak was dun maar beschermde me tegen de kou; ik voelde me onoverwinnelijk. Al tintelden mijn handen pijnlijk. Onze vrienden zeiden dat ze gingen verhuizen en dat ze hun huis binnenkort zouden verkopen. Of wij belangstelling hadden?

Lees ook:

Locquirec ligt aan zee en heeft een gematigd klimaat. De kust doet denken aan die van Cornwall, maar dan aan de andere kant van het kanaal: rotsachtig, wild, regenachtig. Als je geluk hebt is het in de zomer stralend weer, zonder dat het ooit echt heet wordt. Als het kwik boven de 22 graden komt, zijn de Bretons ontstemd en beginnen te mopperen. ‘Ouf! C’est trop chaud!’ In juli en augustus is het zeewater zo’n 17 of 18 graden. Verkwikkend, laten we het daar op houden. Na enige zomers raak ik eraan gewend en ga elke dag zwemmen, ook met grijze luchten, harde wind of hoosbuien. In de winter draag ik mijn wetsuit, mijn neopreen handschoenen, laarsjes en een bivakmuts.

Als ik er in mijn eentje naartoe ga, ergens halverwege oktober vorig jaar, is het zeewater een graad of vijftien. De zee loopt altijd een paar maanden achter op de seizoenen, in het najaar duurt het even voordat ze is afgekoeld en in het voorjaar duurt het even voordat ze weer is opgewarmd. Ik vraag me af of het te koud voor me is, maar omdat het zo’n gedoe is om me in dat superheldenpak te wurmen en het weer uit te krijgen, besluit ik zonder dat pak te gaan zwemmen.

Voor ik er erg in heb, ben ik volkomen high van de endorfines. Ik wil niet meer stoppen

Het duurt een paar minuten voordat ik door ben. Ik ga stapje voor stapje het water in. Het is niet zo dat ik al mijn moed bijeen moet rapen om mijn angst opzij te zetten. Want ik weet dat de kou in het begin heel naar zal zijn, maar ik weet ook dat dat gevoel van tijdelijke aard is. Dus ik wacht gewoon even tot de aanvankelijk zo stekende kou minder venijnig wordt. Ik wilde zwemmen; uiteindelijk zwem ik ook echt. Ik slaak eerst kreetjes van de schrik, maar ook van verrukking. Mijn slagen worden telkens iets soepeler en krachtiger, totdat ik mijn schouders ontspan, mijn kin laat zakken en het water kus, waarna ik door de zee glijd.

De volgende dag is het al iets makkelijker om het water in te gaan, en de dag erop is het nog weer makkelijker. Ik voel me schoon en gezuiverd en energiek. De vierde dag stormt het en er staan schuimkoppen op de golven. Tot mijn verbazing laat ik me niet afschrikken. De golven klappen tegen mijn hoofd en slaan stuk op de havenmuren, het water bruist en zuigt als een wasmachine. De zee zwelt aan en gaat wild tekeer, het ene moment wordt mijn blik vertroebeld door zeewater, het volgende moment word ik boven de wereld uitgetild. Ik voel me versmelten met de energie. Het is opwindend. Ineens zing ik uit volle borst een INXS-nummer (ik heb de avond ervoor op Netflix een documentaire gezien over Michael Hutchence). ‘Mystify! MYSTIFY ME!’ Voor ik er erg in heb, ben ik volkomen high van de endorfines. Ik wil niet meer stoppen. Ik moet mezelf streng toespreken om het water uit te gaan voordat de zee me meesleurt.

‘Wat gebeurt er met me als ik in koud water zwem?’ vraag ik aan Mike Tipton, hoogleraar menselijke en toegepaste fysiologie aan het laboratorium voor extreme omstandigheden aan de universiteit van Portsmouth. Zeker, ik voel me verkwikt en energiek, maar ik wil iets begrijpen van de fysiologie achter mijn reacties.

Tropische dieren

‘We zijn tropische dieren,’ zegt Tipton. De homo sapiens is geëvolueerd op equatoriale vlakten, vertelt hij. We voelen ons prettig bij een omgevingstemperatuur van rond de 28 graden. Daarom zijn we in koelere klimaten al vroeg huizen gaan bouwen en kleren gaan dragen. In koud water springen is dan ook een behoorlijke schok, waardoor het lichaam in actie komt: de vecht-of-vluchtreflex maakt dat je sneller gaat ademen om meer zuurstof op te nemen, en je hart gaat sneller kloppen. Op die momenten, vertel ik hem, wordt mijn huid gevoelloos, voelt mijn borstkas als een centrale verwarming en tintelt mijn hoofd van het licht.

‘Het lichaam reageert met stresshormonen,’ zegt Tipton. ‘Je ziet een toename van adrenaline en cortisol, je ziet veranderingen in de biochemische en hormonale reacties van de vecht-of-vluchtmodus. Je hartslag gaat omhoog, je ademhaling versnelt. Dat is waarom mensen zeggen: ‘Ik voel me energiek, ik ben scherp, ik ben daarna de hele dag helder.’

Een gebroken hart heelt langzaam; hoop is heel hardnekkig. Ik huil elke dag, soms met langzaam biggelende tranen, soms met heftige snikken. Ik ben labiel, bij het minste of geringste stort ik in. Ik laat een van onze blauwgerande wijnglazen op de stenen vloer vallen en veeg schreeuwend de scherven bij elkaar. 

Lees ook:

Ik schrijf in mijn dagboek: ‘een gevoel van totale verlatenheid overspoelt me, als een zoeklicht. Pijn, teleurstelling, verdriet; allemaal normaal, allemaal deel van het leven, van wat het betekent om mens te zijn. Maar ik ben moe. Ik schuif alles voor me uit, kom tot niets, haal alleen af en toe ergens een doekje over, doe een afwasje. Ik voel de lethargie opkruipen. En alles gaat kapot. Een kastdeurtje in de keuken hangt scheef, de elektrische blender komt niet in beweging, een strip van de dakbedekking heeft losgelaten. Hij klappert de hele nacht. Om vier uur ’s nachts klaarwakker, met een glas whisky. Slapeloze slaap, warrige dromen. Wakker worden met weer zo’n ellendige dag voor de boeg, gaan zwemmen.’

Begin november test ik de watertemperatuur met mijn keukenthermometer, en die geeft 12,3 graden aan. Ik trek mijn neopreen handschoenen aan. Maar het valt me op dat ik nu makkelijker het water in loop, zonder aarzeling.

Uit onderzoek is gebleken dat gewenning aan koud water niet zozeer een mentale aanpassing is als een fysieke. De effecten van wat wetenschappers ‘koudwatershock’ noemen – het aanvankelijke happen naar adem en de versnelde hartslag – worden telkens iets minder hevig. En je lichaam ‘herinnert’ zich deze bijgestelde reactie. Zelfs als je weken of maanden niet in koud water bent geweest is de schok niet zo groot als de allereerste keer.

Net als met verdriet is het een kwestie van je aanpassen aan een nieuwe situatie

Mensen die in een dikke jas met sjaal over de havenmuur lopen, roepen me toe: ‘Vous êtes courageuse!’ Maar zwemmen in koud water is geen kwestie van wilskracht of het overwinnen van geestelijke blokkades; het is geen kwestie van jezelf of de omstandigheden de baas worden. Net als met verdriet is het een kwestie van je aanpassen aan een nieuwe situatie, en net als met verdriet heeft het proces meer te maken met een natuurlijke gewenning dan met bewuste gedachten. Drie jaar na zijn dood mis ik papa nog altijd, maar inmiddels ontlokt de herinnering me eerder een glimlach dan tranen. Terwijl ik me leer aanpassen aan het koude water, begin ik zelfs te genieten van de aanvankelijke tinteling.

Ik krijg geregeld gezelschap van andere coronabannelingen in Locquirec. Jeff, een gepensioneerde politiecommandant; Jean, een andere gepensioneerde, die een huis aan de haven heeft en het lekker vindt om er heel even in te springen en er snel weer uit te komen; de gracieuze Anne, in een chic taupe badpak, en Kat, een Amerikaanse van in de dertig, getrouwd met een Fransman. Kat gaat het liefst een eind rennen voor ze het water in duikt. We noemen onszelf Les Penguins en Peignoirs omdat we ons in grote witte badlakens wikkelen zodra we uit het water komen. Het is voor ons allemaal de eerste winter dat we zwemmen. We zijn amateurs vergeleken met Les Bonnets Rouges, een groepje oudere dames met opvallende rode badmuts, die al vele jaren lang elke dag gaan zwemmen bij het strandje aan het einde van de baai.

Ik loop over het weggetje naar het strand, moe, met een zwaar gevoel en hangend hoofd. ‘Hoe gaat het?’ vraagt Jeff me. En ik antwoord: ‘Oké. Nou ja, niet echt.’

Inmiddels steekt de kou nog maar een paar tellen, een paar korte ademstoten, tot mijn borstkas in het water zakt en ik voel hoe de zee me omsluit, me drijvend houdt. Zelfs op grijze, grauwe dagen, flikkert het licht zilverig op het wateroppervlak. Mijn huid is zo gevoelloos dat ik geen idee heb van de temperatuur, maar ik voel wel speldenprikken en huiveringen en rimpelingen. Ik heb het zowel warm als koud, ik ben zowel verrast als heel kalm. Een melkwitte mist boven het water bij zonsopkomst, verblindende zonnestralen, glashelder water of schuim dat van de golven waait – ik zwem evengoed, mijn armen doorklieven het water, en Jeff zegt: ‘Ha, je lacht. Dat is beter!’ En zo is het, dit is hoe ik me voel, die kostbare tien minuten in zee.

Donkere decembermaand

’s Avonds steek ik het vuur in het fornuis aan, schenk wat te drinken in, kijk op Netflix naar Queer Eye, probeer te geloven in de mogelijkheid van transformatie, luister naar Adele, en huil. Brei zinnen aaneen tot verhalen. Lees de betere verhalen van anderen; word geraakt en huil weer.

Ik lees The Lost Cat van Mary Gaitskill. Het is een indringende novelle, messcherp, meedogenloos; hij raakt aan open zenuwen. De kat is natuurlijk een metafoor voor alles wat de hoofdpersoon is kwijtgeraakt en niet meer kan vinden. Ze vindt de kat niet meer terug. Ik huil weer.

Gek genoeg hangt het scheve keukenkastje na een paar weken ineens weer recht. Mijn buurman, die heel handig is, repareert de blender. Jeff komt langs en vult de kier tussen de loszittende strip en de dakrand met takjes en wijnkurken zodat de strip niet meer klappert, hoe hard het ook waait. Problemen lossen zich op. Alleen weet ik nog niet zo zeker of ik mijn eigen probleem kan oplossen. Mijn tekortkomingen houden me uit mijn slaap, sijpelen naar buiten, maken vlekken op mijn kussen, bezorgen me een gevoel van schaamte. Ik kan niet… ik ben niet… het lukt me niet. 

Die hele donkere decembermaand regent het. Ik zak weg in konijnenholen op internet. Op een dag scrol ik door een fragment uit Obama’s memoires en kom ineens terecht in een interview van Steve Martin en Jerry Seinfeld. Seinfeld zegt: ‘Comedy is net zoiets als in de branding springen en proberen te zwemmen. Je moet je aanpassen aan krachten die jou overstijgen.’

Het grappige aan getijden – wat ik me pas realiseer als ik aan de kust ga wonen – is dat er geen peil op valt te trekken. Locquirec Bay verandert in een zandvlakte met eb (het moment om kokkels te zoeken), dus moet ik zwemmen als het vloed is. De tijd waarop het vloed wordt, verandert met de dag. De tijd dat het vloed blijft, verandert ook met de dag. De ene keer is het een half uur later vloed dan de dag ervoor, soms wel twee uur later. En bovendien verandert het waterpeil zelf ook telkens. Soms komt de zee met vloed maar tot halverwege het strand; een paar dagen later is er geen strand meer te bekennen.

De zee is voorspelbaar en onvoorspelbaar tegelijk, elke dag weer anders, maar ook elke dag mijn kompasnaald, mijn bestemming

Om het beste moment en de beste plek te vinden om te zwemmen, moet ik getijdetabellen en coëfficiënten bestuderen, kijken hoe laat de zon opkomt en ondergaat, kijken uit welke richting de wind komt, afstemmen met Les Penguins en Peignoirs en het schema van Les Bonnets Rouges. Ik heb al twintig jaar de gewoonte om van ’s ochtends negen tot ’s middags twee te schrijven, maar dat kan ik nu wel vergeten. Ik moet leren flexibeler te worden, mijn vaste gewoonten en houvasten los te laten, me te laten meevoeren op de stroming van eb en vloed.

De golven zwellen aan en spatten in mijn gezicht, dragen me op hun toppen als de adem van een grote, goedaardige reus. De zee is voorspelbaar en onvoorspelbaar tegelijk, elke dag weer anders, maar ook elke dag mijn kompasnaald, mijn bestemming. En ook een alledaagse tautologie: je doet dingen door ze te doen. Soms ben ik tot weinig meer in staat dan zwemmen. Er zijn kalme dagen waarop het water kristalhelder is en er zijn dagen dat de zee woelig is, zanderig. Het weer is ook voortdurend aan verandering onderhevig. Het ene moment word ik gegeseld door hagelstenen, het volgende moment is het stralend weer. Voor mij persoonlijk is hoop een soort wassende en afnemende maan, maar dan eentje die een geheel eigen ritme volgt. Ik leer om de slechte tijden uit te zitten; uiteindelijk houdt het wel een keer op met regenen, er bestaat de kans dat morgen de zon zal schijnen en ik me beter voel.

Nog los van het weer krijg ik steeds meer oog voor het licht. Anne-Marie Caroff, de oprichtster en leider van Les Bonnets Rouges, zwemt al twintig jaar in zee bij Locquirec.

‘De lucht ziet er vaak grauw uit,’ zegt ze, ‘maar ook dan is er altijd wel ergens een stukje blauw.’ En ze heeft gelijk. Vanaf mijn bank kan het er buiten grijs en somber uitzien, maar als ik in het water lig, breekt er altijd wel ergens een zonnestraal door de wolken, schittert de zee in verschillende kleuren: roze met zonsopkomst, citroengeel in de winterzon, blauwig in de namiddag. Op heldere dagen verandert de zee in een schitterend turkoois en zwem ik over het gloeiende pad van de zon, ogen toegeknepen tegen het felle licht, lichaam gestold, gezicht verwarmd.

‘Het heeft iets heel intiems om op ooghoogte met het wateroppervlak te zijn,’ merkt Kat op.

Zonsopkomst

Op nieuwjaarsdag ga ik bij zonsopkomst zwemmen met Les Bonnets Rouges. Het is een grijze dag met veel donderwolken. We zijn met meer dan dertig, en de dames stuiven gillend en giechelend het water in. ‘Bonne année!’ ‘Bonne année!’ ‘Bonjour Wendy!’ ‘Ça va!’ ‘Elle est bonne! Elle est bonne!’ ‘Wat is het water lekker! O, wat is het lekker!’ Plotseling breekt in het oosten het wolkendek open. We zwemmen in de regen, met de zon op ons gezicht, en we zijn getuige van een uitzonderlijk natuurverschijnsel: een enorme dubbele regenboog.

Als ik vrienden vertel dat ik elke dag in zee zwem, reageren ze vaak met: ‘O, ken je die malle Nederlander, die koudwatergoeroe?’ Zodoende kijk ik naar de aflevering van Goop, Gwyneth Paltrows lifestyle-serie op Netflix, met Wim Hof, de beroemde Nederlandse kampioen onderdompelen in ijskoud water.

Hij zegt dat zijn regime van zwemmen in koud water en zijn ademhalingsoefeningen hem hebben geholpen over zijn verdriet heen te komen na de zelfmoord van zijn vrouw, en hij zegt dat hij zo zijn eigen immuunsysteem onder controle heeft gekregen. Hof is een eenenzestigjarige yogi met lang haar, een baard en een haast evangelische overtuiging. Zijn website belooft mensen gezondheid en geluk door het volgen van zijn ijsbadworkshops, onlinecursussen, apps en boeken. In de Netflix-aflevering springt de ene na de andere vrijwilliger in het vrieskoude water van Lake Tahoe, in Californië, het grootste zoetwatermeer in de Sierra Nevada. Als ze weer uit het water komen, lijken ze een ander mens. ‘Dit is echt next level shit,’ zegt er een.

De heilzame effecten van koud water worden veelvuldig bejubeld door de liefhebbers, maar er is weinig onderzoek naar gedaan. ‘Het gaat dan over het homeopathische, esoterische, Wim Hof-achtige spectrum,’ zegt Tipton. ‘Je krijgt nog eerder een onderzoek gefinancierd naar verdrinking.’ Wetenschappers houden zich al lange tijd veel meer bezig met de gevaren van koud water dan met de mogelijke heilzame effecten ervan.

Het leidt geen twijfel dat de stimulus van koud water in het hele lichaam hormonale en chemische veranderingen in gang zet – adrenaline, dopamine, serotonine, endorfine. We weten dat het metabolisme hierdoor versnelt, dat het aantal witte bloedlichaampjes een boost krijgt en dat na verloop van tijd en na herhaaldelijke blootstelling, ontstekingen worden tegengegaan – waarmee in theorie de afweer wordt opgepept en versterkt – al is niet helemaal duidelijk hoe dit precies in zijn werk gaat.

Door aan koud water te wennen, zou je beter in staat zijn andere stressvolle omstandigheden het hoofd te bieden

Er zijn veel aandoeningen en ziekten die worden veroorzaakt, of versterkt, door auto-immuunreacties en ontstekingen – boezemfibrilleren, slagaderverharding, chronische darmontsteking, suikerziekte, alzheimer, depressie; dus is het verleidelijk om te denken dat iets dat zo ruim, en gratis, voorhanden is als koud water, soelaas zou kunnen bieden.

Maar het onderzoek is mager en blijft anekdotisch. Koudwaterzwemmers zeggen dat ze minder ontstekingen hebben, dat ze minder last hebben van spierpijn en artritis; sommige zwemmers die kampen met angsten en depressie hebben melding gemaakt van verbetering, zozeer zelfs dat ze met hun medicatie zijn gestopt.

Maar er is vrijwel geen onderzoek naar gedaan welke specifieke aspecten van koudwaterzwemmen verantwoordelijk zouden zijn voor bepaalde effecten. Is een koude douche ook afdoende? Of is het beter om van top tot teen onder te gaan? En hoelang moet de blootstelling aan koud water duren: is een minuut voldoende, of moeten het er tien zijn? Een keer per week of elke dag? Wat is de juiste dosering?

Wat er ook precies gebeurt, de psychologische veranderingen lijken niet van tijdelijke aard. ‘Je zou kunnen stellen dat de aanpassing aan koude een component bevat die opgaat voor stress in bredere zin,’ zegt Tipton. Met andere woorden: door aan koud water te wennen, zou je beter in staat zijn andere stressvolle omstandigheden het hoofd te bieden. Tipton heeft experimenten gedaan door koudwaterzwemmers de bergen in te sturen (met behulp van simulaties) en hij kwam tot de conclusie dat ze regelmatiger ademden, minder zuurstof gebruikten en minder last hadden van de hoogte.

Ik zeg tegen Tipton dat me is opgevallen dat ik de laatste tijd rustiger ben, dat ik minder overstuur raak als ik, om maar iets te noemen, een glas laat vallen.

‘Zorgt het koude water ervoor dat ik in psychologisch opzicht minder gestrest ben over andere dingen, dus niet alleen over fysieke dingen zoals de temperatuur?’ vraag ik hem. 

‘Heel eerlijk gezegd weet ik dat niet,’ zegt hij. ‘Maar ik twijfel er niet aan dat er een meer algemeen aspect aan dit alles zit. Alleen weten we niet precies wat dat is.’

Zwemmen met maanlicht

Anne-Marie Caroff heeft tachtig mensen op haar mailinglist staan voor Les Bonnets Rouges, van wie ongeveer de helft ook in de winter regelmatig zwemt. Zij ziet niet alleen fysieke voordelen, maar ook sociale voordelen. Les Bonnets Rouges heeft zich ontwikkeld tot een collectief van gelijkgestemden, ze geven elkaar wat ze over hebben van de oogst uit hun tuin: ’s zomers tomaten, ’s winters appels. Ze gaan samen vissen, ze zoeken naar mosselen of ze plukken zeekraal in het estuarium. Les Bonnets Rouges heeft de traditie in het leven geroepen van de eindejaarsduik, of de nieuwjaarsduik (afhankelijk van het moment waarop het hoogwater is) en inmiddels komen daar meer dan honderd mensen op af, om te zwemmen of wat rond te spetteren. Mensen nemen warme chocomelk mee, glühwein en zelfgebakken taart, en de plaatselijke krant stuurt een fotograaf. Aan het einde van de zomer is er een grote picknick – ‘het begint een beetje uit de hand te lopen,’ erkent Caroff. Iedereen neemt eten mee, en er komen zo’n vijftig, zestig mensen. Als het zomers volle maan is en het tij meezit, organiseren ze nachtelijke zwempartijen. ‘Met maanlicht is de zee echt op haar mooist,’ zegt ze.

Caroff vertelt me dat februari en maart de moeilijkste maanden zijn, dan is de zee op haar koudst. Maar hoe kouder het water in februari, hoe meer het trekt. Ik was ervan uitgegaan dat ik op zeker moment zou besluiten mijn wetsuit aan te trekken, maar dat is niet het geval. Het lijkt of mijn hersenen anders functioneren, alsof er nieuwe verbindingen zijn gemaakt. Ik heb jaren en jaren rondgelopen met een zekere zwaarte in mijn hoofd, een gevoel van niet goed genoeg zijn. Er is een lange lijst van dingen die me het gevoel geven dat ik klem zit, dat ik niets waard ben, ik ben alleen, afgesneden van mijn familie en vrienden door corona en brexit, ik teer in op mijn spaargeld, zit emotioneel aan de grond na een verbroken relatie – en toch voel ik me vaak op een merkwaardige manier fantastisch.

Ergens rond Valentijnsdag houd ik op met huilen. Ik houd op met schreeuwen en smijten en dingen kapotmaken als er iets tegenzit: een afwijzing van een uitgever, een aangebrande taart, de keer dat ik 200 euro in de pinautomaat heb laten zitten.

Mijn gedachten worden overgenomen, niet door de balsem van opwinding maar door een innerlijke spanning

Ik heb respect voor de kou, maar ik ben er niet langer bang voor. Op dezelfde manier leer ik mijn somberte en mijn teleurstellingen te respecteren, zonder er bang voor te zijn.

In februari komt er een koudegolf. Het ijzelt, auto’s glibberen de berm in. Aan het strand is het zand bevroren in richels, wit van de vorst. De lucht is zo ijzig dat de zee relatief warm aanvoelt, al geeft de thermometer 5 graden aan. Ik moet achteruit zwemmen omdat de wind sneeuw in mijn gezicht jaagt. Mijn gedachten worden overgenomen, niet door de balsem van opwinding maar door een innerlijke spanning, een gebalde focus van pure overlevingsdrift. Als ik uit het water kom, is mijn lichaam rood als een kreeft.

Ik had gedacht dat er een grens is aan wat ik aankon, maar nu wordt me duidelijk dat dat niet het geval is. Les Bonnets Rouges maken zich vrolijk over de sneeuwstorm: ‘Oef! Het was wel frisjes! Maar nu is het gelukkig weer 7 graden!’ Ik heb het ergste van de winter doorstaan. Ik koop narcissenbollen en zie ze vrolijk geel openbloeien.

Yann, een vriend van me in het dorp, heeft het zwaar, hij heeft multiple sclerose. Hij is in de veertig en in het verleden surfte hij de hele winter door, werkte hard voor zijn gezin en zorgde voor zijn zesjarige tweeling; nu is hij uitgeput, zowel lichamelijk als geestelijk. Als hij na een aanval terugkeert uit het ziekenhuis weet ik hem over te halen mee te gaan zwemmen. Het zeewater is inmiddels een milde 9 graden, koud genoeg om oningewijden af te schrikken, dus ik zegt dat hij beter een wetsuit kan aantrekken.

Verkwikkend

‘GODVER wat is dit koud!’ roept hij, terwijl hij tot aan zijn middel het water in waadt. Een paar minuten later laat hij weten: ‘Het wordt al iets beter.’ Nog weer een paar minuten later ligt hij te dobberen. ‘AIIEE! Het is koud als het bij je nek naar binnen druppelt!’

‘Tja,’ zei ik plagerig. ‘Als je geen wetsuit draagt, heb je daar allemaal geen last van.’

Yann gaat de volgende dag weer zwemmen, en de dag erna ook. Elke dag wordt het ietsje makkelijker, precies zoals het bij mij ging. Elke keer zegt hij na afloop dat hij zich een stuk beter voelt – ‘super bien’ – en met een glimlach verlaat hij het strand. ‘Het is verkwikkend! Zelfs als ik denk dat ik moe ben,’ zegt hij, ‘maakt de zee me wakker.’

Caroff erkent dat ze zonder meer verslaafd is. Misschien komt het door alle endorfine, maar naarmate de weken verstrijken merk ik dat het zwemmen steeds minder gaat over de kou, over het trotseren van de kou, maar meer en meer over de waardevolle minuten van verwondering. Ik ervaar een lucide zuiverheid. Ik begin te begrijpen dat het een soort mediteren is, een overgave aan de fundamentele elementen water en licht – en schoonheid: de regen die een grijze sluier over de hele baai legt, de regendruppels die opspatten van het wateroppervlak, de meeuwen die laag over scheren en de aalscholvers met hun sierlijke parabolen. De golven rijzen op, ik sluit mijn ogen tegen het felle zonlicht.

Caroff vertelt me dat ze zelfs na twintig jaar zwemmen nog elke keer verbaasd staat van zichzelf. ‘Soms pak ik mezelf dik in om de hond uit te laten, compleet met jas en sjaal en muts, en vijf minuten later sta ik dan in alleen mijn badpak op het strand – het is bijna alsof het buiten mezelf om gebeurt. Heel vreemd.’

In zee ben ik een raadsel voor mezelf. Ik heb geen idee hoe ik hier ben gekomen, of waar ik mee bezig ben. Het enige wat ik doe is zwemmen en me verwonderen.

Lees ook:


Deel dit artikel


Recent verschenen