In jisei, Japanse ‘doodsgedichten’ die vaak worden opgesteld in de laatste momenten van het leven van de dichter, is de dood niet groter dan hij is, of juist precies zo groot, als een ogenblik in de natuur.

Geen enkel moment
staat iets stil – getuige
de kleuren in de bomen.
Hoewel het besef van de dood in de meeste culturen sterk deel uitmaakt van het leven, geldt dat misschien nergens zo sterk als in Japan, waar een eeuwenoude traditie bestaat van het schrijven van jisei, oftewel ‘doodsgedichten’. Deze worden vaak opgesteld in de laatste momenten van het leven van de dichter.

O morgenwinde –
ook ik verlang
naar eeuwigheid.
Ze komen voort uit een mengeling van zenboeddhistische en samoeraicultuur, waarin het sterven geen absolute breuk is maar een moment van helderheid. Vaak zijn het korte verzen – haiku of tanka – waarin één enkel beeld wordt vastgelegd: een vallend blad, smeltende sneeuw, de maan.

Eén maan –
één ik –
een besneeuwd veldpad.
Zo beschrijft Kyutaro, de schrijver van de eerste jisei, die in zijn latere jaren tussen arbeiders en dagloners in Tokio leefde en een radicale anarchist werd, hoe hij verlangde naar een eind aan het lijden. In 1923 schoot hij op een regeringsfunctionaris en werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Hij pleegde zelfmoord in zijn cel.

Tedere winden boven de sneeuw
doen menig lijden
smelten.
Masahide, van het derde gedicht, was arts maar verloor zijn huis door brand en werd straatarm. Toen hij stierf bezat hij niets dan het gezelschap van de maan.

Terwijl ik loop
houdt de maan mij gezelschap:
een vriend in het water.
In Japanese Death Poems zijn jisei van Japanse monniken, dichters en krijgers uit verschillende eeuwen gebundeld en vertaald.

Ook vandaag
koel als een meloen
stijgt de maan boven de velden.
Dodelijke bijl –
gelokt door de hertenroep
nadert een hinde.
De maan sijpelt
uit de mouwen van wolken
en laat schaduwen vallen.
De eerste sneeuw
valt in de diepten
van Toribe-yama.

