Na de val van Mosul in juni 2014 zochten tientallen christelijke families hun toevlucht in Mar Mattai, het oudste klooster van Irak. En ook nu nog houdt het religieuze bouwwerk hoog in de bergen dapper stand tegen Islamitische Staat.
Zeven adelaars cirkelen door de azuurblauwe lucht. Zien ze Mosul? De Iraakse hoofdstad van IS ligt op maar dertig kilometer afstand. Gelegen tegen de flank van een berg torent Mar Mattai – het oudste klooster van Irak – uit over de vlakte van Nineveh. Het Syrisch-orthodoxe adelaarsnest, in de vierde eeuw gesticht door de heremiet Mattai [Syrisch voor Mattheus], overleefde het Perzische en het Ottomaanse Rijk, de Mongoolse bezetting en de Koerdische overheersing. Nu wordt het bedreigd door IS, maar nog steeds houdt het klooster stand, dankzij vijf monniken en twee families uit Mosul die weigeren te vertrekken.
Getjilp van vogels, klapperende duivenvleugels in de klokkentoren, mitrailleurvuur in de verte. Het front tegen IS ligt op nog geen vijf kilometer afstand. Zo dichtbij dat je de bombardementen hoort en de geur ruikt van de branden die ontstaan na de luchtaanvallen van de internationale coalitie. De jihadisten zouden het klooster binnen een kwartier kunnen bereiken als de verdedigingslinies van de Koerdische peshmerga het begaven.
Toch zochten tientallen christelijke families – meer dan driehonderd mensen – hier hun toevlucht na de val van Mosul op 1 juni 2014. Binnen enkele dagen werd dit populaire toeristen- en pelgrimsoord, waar ook Saddam Hoessein geregeld rust kwam zoeken (de landingsplek van de helikopter van de afgezette dictator is nog steeds te zien), een schuilplaats voor vluchtelingen. Bijna twee maanden leefden zij hier dicht op elkaar. ‘Kijk, dat was mijn kamer, en daar die van mijn oom en zijn kinderen,’ zegt Salah, een stevige kerel met een kaalgeschoren hoofd. Hij verliet het klooster al een jaar geleden, maar komt er nog geregeld terug. Op deze junidag speelt hij chauffeur voor pater Youssef, een pater uit Mosul, die hier ook twee maanden woonde. Vader Youssef – achter in de zestig, met witte baard en zwarte soutane – woont inmiddels in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, maar gaat zeker één keer per maand terug naar Mar Mattai.
Aangekomen zegt hij een haastig gebed en inspecteert de medicijnkast: hij is ook arts, gespecialiseerd in nierziekten.
Mar Mattai ligt in de Jebel Maqlub (letterlijk ‘omgekeerde berg’), ook wel ‘Alfaf’ genoemd – een Syrisch woord dat ‘duizenden’ betekent, vanwege de vele heremieten en monniken die er woonden. De berghelling is droog en steil, met hier en daar plukjes olijfbomen en bomen met rode vruchtjes, wrang bitter en onrijp. Vanuit de ramen en vanaf het dak is vlakbij de heuvel Bashiqa te zien, waarachter het kalifaat van IS begint. Komt het door de hoge ligging van het klooster? Of door de kalmte die er binnen de muren heerst? Ondanks de nabijheid van de oorlog voelt het er veilig. Toch vertrok op 6 augustus 2014 vrijwel iedereen spoorslags, nadat IS een doorbraak forceerde in de vlakte van Nineveh en de steden Bashiqa, Bartella en Qaraqosh innam. De opmars werd op slechts een paar kilometer van Mar Mattai staande gehouden.
‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden’
Vluchten
‘Op de ochtend van 6 augustus merkte je dat er iets mis was,’ herinnert pater Youssef zich. ‘Je zag rijen auto’s van burgers in de richting van Koerdistan rijden.’ Daarna vluchtten ook de peshmerga in hun auto’s. Het was elf uur ’s ochtends, de Koerden verlieten hun posities en vertrokken. Toen namen de jihadisten bijna de hele vlakte van Nineveh in, ook de christelijke steden Qaraqosh en Bartella. ‘Die avond om elf uur zagen we vanaf het dak de lichten van de militaire voertuigen die zich terugtrokken naar Koerdistan,’ vertelt vader Youssef. ‘Toen begrepen we dat ook wij moesten vluchten.’
In minder dan een uur zochten de monniken en vluchtelingen hun spullen bij elkaar en vertrokken. Maar één familie bleef. ‘Hier zeiden we elkaar vaarwel,’ zegt Nadia en wijst op de binnenplaats van het klooster. Met haar vingers grijpt ze de zwarte soutane van vader Youssef beet, terwijl ze hem tegen zich aandrukt. Ze noemt hem ‘Abuna’, wat ‘onze vader’ betekent in het Syrisch. ‘We dachten dat het voorbij was, dat IS het klooster in zou nemen en we elkaar nooit meer terug zouden zien,’ herinnert de geestelijke zich. Nadia vertelt verder: ‘Waar konden we naartoe? We hadden er genoeg van om op de vlucht te zijn, onze moeder was te zwak en kon eigenlijk niet reizen. We hebben ons lot toen maar in Gods handen gelegd en gedacht: Kome wat kome gaat.’ Maar de jihadisten bereikten het klooster niet. Na twee dagen alleen in het verlaten klooster te hebben doorgebracht, zagen ze twee monniken terugkeren. Later kwamen er nog drie andere. Ook het iets lager tussen de olijfbomen gelegen dorpje Mergy leefde weer op.
Bijna een jaar later wonen Nadia, haar broer Farez, haar zus Sabah en hun moeder nog steeds in Mar Mattai. De kinderen, allemaal alleenstaande vijftigers, zorgen voor elkaar en voor hun moeder Fadwa, die stram rechtop in een blauw nachthemd in een stoel zit. Ze kunnen nergens anders heen, en hebben ook geen rooie cent meer. Nadat Mosul was ingenomen door IS, bleven ze aanvankelijk in de stad en zongen het een maand lang uit in huis, zonder water of elektriciteit, levend van de voorraden uit de provisiekast. Op het laatst drong er een vreemde geur het huis binnen als je het raam opendeed: de geur van rottende lijken op straat.
Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap is nog maar een kwart over
Ultimatum
Op 18 juli gaven de luidsprekers van de moskeeën een ultimatum van de jihadisten aan de christenen van Mosul: ze hadden tot de volgende morgen om zich tot moslim te bekeren en een speciale belasting – jizya genaamd – te betalen, anders zouden ze worden gedood. De negentiende, een zaterdag was het, vertelt Nadia, pakte de familie haar koffers en vertrok, vier uur voor het ultimatum afliep. Een taxichauffeur, een moslim, bracht hen voor niets naar het klooster. Aan de rand van Mosul, bij een jihadistische wegversperring, werden ze aangehouden door jonge strijders. ‘Het waren Irakezen met baarden, en maar een van hen droeg een uniform,’ vertelt Nadia. De anderen waren in spijkerbroeken en dishdasha: lange, onder mannen in de Arabische wereld populaire hemden. ‘Zijn jullie christenen?’ vroeg er een. ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden.’
Ze namen hun alles af: geld, de rolstoel van hun moeder, zelfs hun kleren – Farez kwam in ondergoed bij het klooster aan. ‘De chauffeur had medelijden met ons maar kon niets doen,’ vertelt Nadia. ‘Toen we voorbij de controlepost waren, spuugde hij uit het raam en zei: “Ik spuug op die mensen, het is dankzij hen dat zo veel mensen de islam haten.”’
Zullen ze ooit nog terugkeren naar Mosul, als de stad bevrijd is? Nooit. ‘Overal behalve Mosul,’ zeggen ze eensgezind en beslist. Aan de andere kant van de gang krijgen we hetzelfde antwoord, van de andere familie die het klooster bewoont: Nablus, Amer en hun drie zoons. Zij komen ook uit Mosul en keerden in oktober 2014 terug naar het klooster, nadat ze geprobeerd hadden om in Erbil te wonen. Het leven was er te hard, te duur ook.
Allemaal blijven ze liever hier, al herinnert alles er aan de oorlog, binnen zowel als buiten. Bij de karige lunch, zoals elke woensdag en vrijdag, spreken we over IS. Bij het verlaten van de eetzaal komt ons onder de arcaden een groepje militieleden in gevechtstenue en kogelvrije vesten tegemoet. Het zijn leden van de christelijke militie Dwekh Nawsha, een naam die in het Syrisch ‘hij die doorvecht tot de dood’ betekent.
Dwekh Nawsha bestaat uit ongeveer tweehonderd krijgers, die aan de zijde van de peshmerga strijden aan het front van Mosul. Het is een beleefdheidsbezoek, bijna als van buren, en ook een beetje een toeristisch uitje, krijgen we de indruk. Zeker de helft van hen bestaat uit buitenlanders, vooral Engelssprekende. Een getatoeëerde breedgeschouderde Amerikaanse trucker; een Schotse ex-beroepsmilitair; Jamie, een Canadese van een jaar of twintig met blauwe ogen en een vlecht die bij haar nek onder een patroongordel verdwijnt.
Wapens
‘Wat een wapens, wat een wapens,’ roept een monnik bij de aanblik van de munitie. ‘En dan hebben we de geweren nog in de auto gelaten,’ grinniken de militieleden. De sfeer is ontspannen. De Schot is pas tien dagen geleden gearriveerd en moet nog erg wennen. ‘Voorlopig strijdt hij alleen tegen de muggen,’ grappen zijn kameraden en wijzen op zijn opgezwollen, rode neus.
Even is er een gevechtspauze. Maar ’s avonds laait de strijd alweer op: het ‘tak-tak-tak-tak’ van kalasjnikovs, het ‘boem-boem-boem-boem’ van een doshka [zwaar machinegeweer], het ‘bof’ van een mortier. De eerste sterren verschijnen aan de hemel. In het westen gaat de zon onder en kleurt de hemel dieprood. In het zuiden, richting Bashiqa en Mosul, laaien vuren op in de vlakte, veroorzaakt door het geweervuur en de bombardementen. Vanuit het klooster is het een indrukwekkend gezicht. De frontlijn licht op en geeft de toeschouwer hier boven even het gevoel heel dicht op de strijd te zitten. Links is de grote boog zichtbaar van de voorste linies van de peshmerga vlak voor die van de jihadisten. In de verte, achter de heuvel Bashiqa, zijn de lichten van Mosul te ontwaren. Net achter de top is een brand uitgebroken, waarschijnlijk als gevolg van een luchtaanval, vermoedt een monnik die tegen de borstwering van het dak van het klooster aanleunt. Net als elke avond wordt vanuit Mar Mattai het spektakel op de voet gevolgd. Sommigen foeteren op de onwil van de internationale coalitie, vooral van de Verenigde Staten, om IS te stoppen. ‘Het leger van Saddam Hoessein hadden ze binnen een maand op de knieën.’
‘We vertrouwen op God,’ zegt broeder Potros gelaten. Iedereen denkt aan het lot van het Syrisch-orthodoxe klooster van Mar Behnam, zuidoostelijk van Mosul. De jihadisten claimen het in maart te hebben vernietigd. Uit voorzorg zijn de relikwieën en handschriften van Mar Mattai in de zomer van 2014 geëvacueerd. Want in het klooster maakt men zich weinig illusies over de toekomst van de christenen in Irak. Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap, die voor 2003 nog uit tienduizend families bestond, is sinds een jaar nog maar een kwart over.
De peshmerga houden voorlopig stand. Maar als IS een offensief begint en de Koerden slaan weer op de vlucht, net als een jaar geleden…’ begint vader Youssef. Dan speelt er een diabolisch glimlachje over zijn lippen. Met het uiteinde van zijn stok buigt hij het struikgewas opzij. We zien een verborgen ingang; er blijken meerdere van zulke verborgen vluchtwegen vanuit het klooster de bergen in te leiden. ‘Kijk, als ze vannacht komen, dan kun je hierlangs ontsnappen. Ze vinden je nooit.’ Achter hem verlicht het flauwe weerschijnsel van de branden een steil geitenpaadje de bergen in. De adelaars zijn nergens meer te bekennen.
Émilienne Malfatto

