Morele autoriteit is de belangrijkste bron van macht, stelt voormalig opperbevelhebber van de NAVO. Een positie als wereldmacht is alleen gerechtvaardigd als een land zich inzet voor de goede zaak.
In de loop der jaren hebben duizenden cadetten aan de United State Military Academy, onder wie ikzelf, het gebed van de West Point-cadetten uit het hoofd geleerd en opgezegd. ‘Laat ons de moeilijke, juiste weg verkiezen boven de makkelijke, foute weg,’ luidt het gebed, ‘en nooit genoegen nemen met de halve waarheid wanneer de hele waarheid binnen bereik ligt. Geef ons de moed die is geboren uit trouw aan alles wat nobel en waardig is, de moed die geen compromissen sluit met kwaad en onrecht, de moed die geen angst kent wanneer de waarheid en het goede in het gedrang komen.’
Het gebed gaat erover hoe belangrijk het is om het juiste te doen, en stelt dat morele autoriteit de belangrijkste bron van macht is. Cadetten wordt geleerd dat hun eigen normbesef de voornaamste reden moet zijn om macht te willen hebben, en de enige rechtvaardiging om die macht ook uit te oefenen. Dat is de essentie van de ‘moed’ waarover in dit gebed wordt gesproken, het soort moed dat elke leider in het bloed moet hebben zitten.
Maar als land en als leider hebben wij niet altijd blijk gegeven van een dergelijke moed. Twee belangrijke gebeurtenissen uit mijn carrière laten duidelijk zien dat we op bepaalde momenten juist hebben gehandeld, vanuit ons eigen normbesef, en op andere momenten niet.
Rwanda
Op 6 april 1994 werd boven Kigali, de hoofdstad van Rwanda, een vliegtuig neergehaald met aan boord Juvénal Habyarimana en Cyprien Ntaryamira, de Hutu-presidenten van respectievelijk Rwanda en Burundi. Deze moordaanslag vormde het startschot voor een etnische zuivering, zo grootschalig en zo gewelddadig dat de hele wereld geschokt toekeek. Al vrij snel na het uitbreken van de crisis sprak de Amerikaanse regering haar afgrijzen uit en riep de Hutu-autoriteiten in Rwanda op om de genocide een halt toe te roepen. Washington deed een klemmend beroep op de Verenigde Naties om de aanwezige vredestroepen in Rwanda te versterken zodat er een einde kon worden gemaakt aan het bloedbad. Maar daar bleef het bij.
Ik was destijds hoofd trategieontwikkeling en beleid voor de Joint Chiefs of Staff. Op verzoek van Madeleine Albright, de toenmalige ambassadeur bij de Verenigde Naties, stelde ik samen met mijn mensen een militair conceptplan op om de genocide in Rwanda een halt toe te roepen. Maar het leidde tot niets. We kregen keer op keer te horen: ‘Jullie denken toch niet dat het congres een plan goedkeurt om twintigduizend manschappen en twee miljard dollar te investeren in het hart van Afrika?’ In de maanden die volgden, lazen en bediscussieerden mijn mensen, en vele anderen binnen de regering, met groeiend afgrijzen de verslagen van alle gruweldaden die plaatsvonden in Afrika.
Maar waren we niet machtig genoeg om de massamoord in Rwanda te kunnen verhinderen?
Hoewel de Verenigde Staten de onbetwiste wereldmacht waren, hebben ze eigenlijk vanaf het uitbreken van de crisis nagelaten om doortastend op te treden en in te grijpen. Uiteindelijk zijn in Rwanda zo’n achthonderdduizend mannen, vrouwen en kinderen op gruwelijke wijze aan hun einde gekomen.
Dat Amerika het zo liet afweten was zeer verontrustend. In 1994 behoorde de Koude Oorlog tot het verleden, was het Sovjetrijk uiteengevallen, was in Panama de democratie hersteld, was Saddam Hoessein uit Koeweit verdreven en was Amerika, onder leiding van de nieuwe, jonge president Bill Clinton, de enige militaire grootmacht ter wereld.
Maar waren we niet machtig genoeg om de massamoord in Rwanda te kunnen verhinderen? Hadden we die niet kunnen voorkomen met de Verenigde Naties? Hadden we die niet kunnen voorkomen met ons leger? Wat de Rwandese genocide aangaat, hebben we ons verstandig noch meelevend opgesteld. We zijn niet afgegaan op ons moreel kompas. Nadien namen velen zich stellig voor dat ons niet nogmaals zoiets zou overkomen.
Bosnië
Het jaar daarop, in het heetst van de strijd in Bosnië, veroverden Bosnisch-Servische soldaten de door de Verenigde Naties tot ‘safe area’ bestempelde enclave Srebrenica en vermoordden zo’n achtduizend moslimmannen en -jongens. De Verenigde Staten riepen de NAVO op om met een antwoord te komen enhernieuwden de diplomatieke inspanningen, onder leiding van Richard Holbrooke, de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken, in de hoop zo een einde te maken aan de strijd. Niet veel later sloegen de Serviërs opnieuw toe, dit keer met een mortieraanval op een drukke markt, waarbij veel Bosnische burgerslachtoffers vielen. Het Atlantische bondgenootschap reageerde met luchtaanvallen.
Drie jaar oorlog in voormalig Joegoslavië heeft niet alleen geresulteerd in meer dan honderdduizend doden en mogelijk twee miljoen ontheemden, maar vormde tevens een grote bedreiging voor de vrede en stabiliteit in de wereld van na de Koude Oorlog. De vastberadenheid van president Clinton om een einde te maken aan de oorlog, gecombineerd met luchtaanvallen en diplomatie op het hoogste niveau, resulteerde in 1995 in het Verdrag van Dayton, waarmee een einde kwam aan de strijd in Bosnië. Onze standvastigheid was op de proef gesteld en het Amerikaans leiderschap had de strijd weten te beslechten.
‘Als je iets kunt uitrichten, moet je dat ook doen,’ zei Clinton altijd. Dat hadden we dit keer dan ook gedaan, maar onder het succes van Dayton lag het schuldgevoel over Rwanda. Ik had de puinhopen gezien van het kapotgeschoten Mostar en had Bosnische leiders horen vertellen over alle martelingen en verkrachtingen die de bevolking had ondergaan. We wisten wat de gevolgen zouden zijn als we niet zouden ingrijpen.
Drie jaar later begon het volgende hoofdstuk van de Servische etnische zuiveringen, dit keer in een deel van Servië dat bekendstaat als Kosovo, waar de meerderheid van de bevolking uit Albanezen bestaat. De Albanezen vochten terug en ook nu weer werd het Atlantisch bondgenootschap gevraagd in te grijpen. Maar de Servische dictator Slobodan Milosevic ging gewoon door met zijn gruweldaden, ondanks de dreigementen met luchtaanvallen. Als NAVO’s opperbevelhebber in Europa was ik verantwoordelijk voor de operatie.
Eind maart 1999 bleken de diplomatieke inspanningen van Holbrooke op niets te zijn uitgelopen. Op grond van de adviezen van velen van ons, en natuurlijk het oordeel van de president zelf, werden op 24 maart de eerste luchtaanvallen gelast.
Niet iedereen in Washington was overtuigd van de urgentie aangaande Kosovo. De Balkan was ver van ons bed, en sommige politici en autoriteiten vroegen zich af of Amerika daar wezenlijke belangen had. Anderen zagen het Verdrag van Dayton als een partijpolitiek succes, niet als een Amerikaans succes, en wilden niets van doen hebben met de Balkan.
Maar de standvastigheid van de NAVO-coalitie, en van onze regering, hield stand. Na elf weken van steeds intensievere luchtaanvallen, en een debat over een grondoffensief – samen met een internationaal diplomatiek offensief, geïnstigeerd door de Verenigde Staten en onder leiding van Finland en Rusland – gaf president Milosevic zich gewonnen. De Servische troepen trokken zich terug uit Kosovo en onder toezicht van NAVO vredestroepen konden 1,4 miljoen ontheemde Albanezen weer terugkeren naar huis. Tegenwoordig is Kosovo een autonoom land.
De Amerikanen die een einde maakten aan de slachtpartijen hebben het juiste gedaan
De Amerikanen die een einde hebbengemaakt aan de strijd en de slachtpartijen hebben het juiste gedaan, ze hebben blijk gegeven van een moreel kompas. We hebben onze macht op de juiste wijze aangewend.
Natuurlijk had dat weer gevolgen. De acties in de Balkan, onder aanvoering van de Amerikanen, hebben China en Rusland een excuus gegeven voor latere troepenopbouw en het voeren van een agressiever beleid. En nu Kosovo onafhankelijk is geworden, wordt het nog altijd vijandig bejegend door Servië en de landen die met Servië bevriend zijn. Misschien hadden we dat moeten voorzien en hadden we maatregelen moeten treffen om deze ontwikkeling tegen te gaan.
Maar de NAVO en de Verenigde Staten hebben hun voornaamste doel bereikt: de etnische zuiveringen een halt toeroepen. Daar zijn we in geslaagd omdat we in de Balkanlanden, in tegenstelling tot Rwanda, hebben gehandeld met ‘de moed die is geboren uit trouw aan alles wat nobel en waardig is’. Dat is de ware bron geweest van onze macht.
Auteur: Wesley K. Clark
Wesley K. Clark is een voormalige generaal van het Amerikaanse leger en was van 1997 tot 1999 opperbevelhebber van het militaire commando van de NAVO.
Dit is het vijfde artikel uit de serie The Big Ideas van The New York Times over macht: ‘What is power?’ In de hoop dat inzicht tot verandering kan leiden, selecteerden wij zes afleveringen die laten zien dat macht meer is dan politieke manoeuvres of geweld. Macht is overal en bepaalt in grote mate hoe wij, de mensheid, met elkaar omgaan.
In de volgende editie van 360:
⦁ Macht is vrijheid
The New York Times
Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

