Azië gaat 2026 in als het zwaartepunt van de wereldeconomie en als toneel van stille maar diepgaande systeemveranderingen. China probeert zich te presenteren als stabiele handels- en ontwikkelingspartner tegenover een grillig Amerika, terwijl landen als India, Bangladesh, Japan en Vietnam hun binnenlandse spelregels herschrijven. Ondertussen wordt met eilanden als Tuvalu letterlijk en juridisch getest wat er van een staat overblijft als het land verdwijnt.
China: betrouwbare handelspartner?
Aan het eind van 2026 ontvangt Xi Jinping de leiders van zo’n drie vijfde van de wereldeconomie op de APEC-top in China. Dat wordt niet slechts een diplomatiek feestje; Beijing wil expliciet laten zien dat het, in tegenstelling tot Trumps Amerika, de betrouwbare economische partner is in een wereld van handelsoorlogen en ad-hoctarieven.
De contouren daarvan zijn in 2025 al zichtbaar. China wist de ASEAN-landen, die klagen over Chinese dumpprijzen, toch te verleiden tot een geüpdatet vrijhandelsakkoord dat het juist moeilijker maakt om Chinese import af te weren. Er liggen plannen voor nieuwe handelsakkoorden met Golfstaten en Zuid-Korea, en zelfs voor een mogelijke hernieuwde toetreding tot het Trans-Pacific Partnership – het handelsblok dat Obama ooit ontwierp om China te omzeilen en dat Trump vervolgens direct weer opzegde.
De APEC-top wordt het podium waarop China zijn model tegenover dat van Trumps Amerika zet: AI als hulpmiddel voor het Globale Zuiden in plaats van een race, voorzichtig klimaatbeleid dat naast dat van klimaatontkenner Trump ineens verantwoord oogt. Tegelijk blijft het risico bestaan dat Washington elk land dat te dicht naar Beijing opschuift alsnog via vage ‘transshipment’-tarieven treft. ‘Betrouwbaar’ is in 2026 een relatief begrip.
Bangladesh: een kleine revolutie
In Bangladesh moet 2026 het jaar van de democratische wedergeboorte worden. Na de studentenprotesten die in 2024 het autoritaire bewind van Sheikh Hasina ten val brachten, kreeg Nobelprijswinnaar Muhammad Yunus de leiding over een interim-regering. De euforie was groot: eindelijk een breuk met vijftien jaar machtsconcentratie en uitholling van instituties.
Maar het tussenjaar 2025 is vooral een politiek vacuüm. Hervormingsplannen komen traag, juridische basis en uitvoering blijven vaag. Bovendien dreigt het oude patroon van wraakpolitiek terug te keren: het verbod op de partij Awami Moslim Liga en arrestaties van haar aanhangers doen denken aan precies de vergeldingslogica waar Bangladesh van af wilde.
Als er begin 2026 daadwerkelijk vrije verkiezingen komen, is dat op zichzelf al een kleine revolutie: de stembusgang van 2024 was een farce. Maar wie er ook wint – de bekritiseerde maar kansrijke BNP of islamistische partijen – er liggen enorme dossiers klaar: een textielsector die door Amerikaanse tarieven onder druk staat, jeugdwerkloosheid en de vraag hoe dicht Dhaka naar China durft te kruipen zonder aan de strategische relatie met India te tornen.
India: tellen is macht herverdelen
Waar Bangladesh hoopt überhaupt weer verkiezingen te kunnen houden, gebruikt India 2026 om de spelregels zelf te herschrijven via iets ogenschijnlijk neutraals als een census.
Voor het eerst in zestien jaar worden alle inwoners weer geteld. De operatie – 3,5 miljoen tellers, van de Himalaya tot de regenwouden – moet niet alleen laten zien hoeveel Indiërs er precies zijn, maar vooral wie waar woont, tot welke kaste men behoort en hoe de machtsbalans verschoven is. De uitkomst vormt de basis voor drie gevoelige herschikkingen. Ten eerste: vrouwenquota. Een grondwetswijziging voorziet erin dat een derde van de zetels in het parlement en de deelstaatassemblees na de nieuwe census naar vrouwen gaat. Formeel is dat een sprong vooruit; informeel bestaat de vrees dat mannelijke machthebbers simpelweg echtgenotes en dochters naar voren schuiven.
Ten tweede: kastegegevens. Voor het eerst sinds de onafhankelijkheid wordt systematisch gevraagd naar kaste, in een politiek die al decennia draait op kastecoalities en positieve discriminatie India bereidt zich voor op 1,45 miljard mensen, Tuvalu ziet het land letterlijk onderlopen zonder actuele cijfers. Wie talrijker blijkt dan gedacht, zal meer van de koek opeisen; wie krimpt, verliest invloed.

Ten derde: herindeling van kiesdistricten. De demografisch succesvolle, relatief welvarende zuidelijke staten zullen onvermijdelijk zetels afstaan aan het armere, bevolkingsrijkere noorden. Dat versterkt vermoedelijk de greep van Modi’s BJP, die in het noorden domineert, maar is democratisch moeilijk aanvechtbaar: een land waarin de ene stem twee keer zo veel weegt als de andere houdt zichzelf voor de gek.
Parallel werkt India aan een heel andere vorm van herverdeling: die van digitale macht. AI-toepassingen worden gebouwd bovenop bestaande publieke infrastructuur – Aadhaar, UPI – en gevoed met open datasetprojecten in 22 talen. Het ideaalbeeld: AI als publieke nutsvoorziening, gecontroleerd door instituten die burgers al vertrouwen, in plaats van ondoorzichtige zwarte dozen van Big Tech.
Tuvalu komt aan wal
Terwijl India zich voorbereidt op het tellen van 1,45 miljard mensen, telt Tuvalu vooral de jaren tot zijn eiland letterlijk onderloopt. In 2026 zullen de eerste officieel erkende ‘klimaatvluchtelingen’ in Australië arriveren: tot 280 Tuvaluanen per jaar mogen zich er permanent vestigen onder het Falepili-verdrag.
Op papier gaat het om migratie; in de praktijk is het een juridisch experiment in staatsrecht. Tuvalu heeft met Australië en een groep andere landen afgesproken dat het, zelfs als zijn landoppervlak verdwijnt, zijn status als staat en zijn exclusieve economische zone behoudt. De VN-jurisprudentie schuift langzaam dezelfde kant op: soevereiniteit wordt losgekoppeld van fysieke grond.
Voor Australië is het verdrag ook een middel om China buiten de veiligheidsarchitectuur van de Pacifische eilanden te houden; Tuvalu moet Canberra eerst raadplegen voordat het andere veiligheidsdeals sluit. En voor Tuvalu zelf dreigt een braindrain: een staat van elfduizend inwoners kan geen honderden ambtenaren missen zonder uitgehold te raken. Zo groeit klimaatadaptatie uit tot een strijdpunt dat mensenrechten, territoriale claims en geopolitieke invloed in de Stille Oceaan onder druk zet.
In transitie: Japan en Vietnam
In Japan wordt in 2026 voor het eerst in 77 jaar het familierecht herzien: gezamenlijke voogdij na echtscheiding wordt eindelijk mogelijk. Dat moet de armoede onder alleenstaande moeders terugdringen en vaders dwingen meer financiële en emotionele verantwoordelijkheid te nemen. Tegelijk vrezen vrouwenorganisaties dat de maatregel slachtoffers van huiselijk geweld juist aan hun ex-partner geketend zal houden.
Intussen schuurt het land langs andere grenzen van traditie en gelijkheid. De eerste vrouwelijke premier is verkozen, maar ze is sociaal conservatief en verzet zich tegen iets ogenschijnlijk eenvoudigs als het recht op verschillende achternamen binnen een huwelijk. Rechtbanken verklaren het verbod op het homohuwelijk ongrondwettig; gemeenten erkennen in de praktijk al duizenden partnerschappen.
Energie & klimaat 2026: waarom het afbouwen van olie en gas centraal komt te staan
Wereldwijd groeit het besef dat klimaatdoelen niet haalbaar zijn zonder een scherpe reductie van olie en gas – niet alleen door schonere energiesystemen te creëren, maar ook door daadwerkelijk minder fossiele brandstoffen te winnen.
Uit angst voor economische verstoring schuiven veel landen die conclusie voor zich uit, maar de terughoudendheid begint scheuren te vertonen.
Ten eerste verandert de geopolitieke context. De combinatie van extreem weer, nieuwe analyses van het IPCC en toenemende druk van verzekeraars en financiële markten maakt fossiele investeringen risicovoller. Grote fondsen beginnen zich terug te trekken uit olieprojecten met een lange terugverdientijd, terwijl alternatieven – zonne- en windenergie, maar ook opslag en elektrolyse – sneller rendabel worden dan verwacht.
Ten tweede kantelt de publieke opinie. In Europa en Latijns-Amerika groeit een jongere generatie kiezers op voor wie klimaatbeleid gelijkstaat aan bestaanszekerheid: betaalbare energie, minder luchtvervuiling, minder afhankelijkheid van geopolitiek instabiele leveranciers. Dit zet regeringen onder druk om niet alleen emissies te reduceren maar daadwerkelijk productieplafonds te bespreken. Ten derde verandert het energieland- schap technologisch. De wereldwijde doorbraak van goedkope batterijen, warmtepompen en elektrische industriële processen maakt de klassieke rol van gas als ‘overgangsbrandstof’ steeds dubieuzer.
Zo ontstaat in 2026 voor het eerst een serieuze internationale discussie waarin het afbouwen van olie en gas zelf – niet alleen mitigatie of compensatie – het hoofdthema wordt. Olieproducenten winnen de slag van de dag, maar verliezen langzaam maar zeker de strijd van het decennium.
Vietnam kiest een andere route: geen debat, maar doorrammen. Onder partijleider Tô Lâm wordt de private sector officieel tot ‘belangrijkste motor’ van de economie verklaard. Ministeries verdwijnen, provincies worden samengevoegd, tienduizenden ambtenaren kunnen vertrekken. Investeringen in infrastructuur schieten omhoog; de ambitie is een soort turboversie van het oude exportmodel, nu met R&D, financiële hubs en snellere vergunningverlening.
Maar ook hier is de geopolitiek uiteraard niet te negeren. De VS zijn de grootste afzetmarkt voor Vietnamese export, en zij scherpen de regels tegen ‘doorvoer’ van Chinese goederen juist aan. Als Washington in 2026 echt probeert Chinese componenten uit mondiale ketens te wringen, kan Vietnam ineens klem komen te zitten tussen zijn economische afhankelijkheid van China en zijn strategische flirt met Amerika.

