mijn leven als bloedsmokkelaar


Jarenlang smokkelde Kathleen McLaughlin Amerikaans bloed naar China, toneel van het grootste en dodelijkste bloedplasmaschandaal ter wereld. Ze moest wel.

Mijn meer dan tien jaar durende carrière als internationaal bloedsmokkelaar begon in 2004 met een triviale bezigheid: mijn koffers pakken. Voorzichtig stopte ik twee halveliterflacons in twee draagbare koeltasjes. Die glazen flesjes bevatten een stroperige vloeistof, een krachtig geneesmiddel gemaakt van afweercellen die bij duizenden mensen waren ingezameld. Een verpleegkundige kon mij dat via een infuus toedienen om mijn eigen immuunsysteem af te remmen, te zorgen dat het mijn zenuwstelsel niet met verlammende afweerreacties bombardeerde. Maar eerst moest ik dat plasma, en mijn eigen naalden, China in zien te krijgen.

Kort nadat ik te horen had gekregen dat ik een zenuwaandoening had waarvoor ik af en toe zo’n transfusie nodig had, verkaste ik van de VS naar China – het land van het grootste en dodelijkste bloedtransfusieschandaal aller tijden. Ik was al vroeg op de hoogte van een statistisch gegeven dat tijdens mijn bijna vijftien jaar lange verblijf in dat land mijn handelen zou bepalen: naar schatting de helft van alle in China verkochte medicijnen
was destijds vervalst of vervuild. En dat was nog maar één symptoom van een falend zorgstelsel waarin bloedtransfusies misschien het beruchtst waren.

Dat alarmerende feit weerhield mij er niet van naar China te vertrekken: Ik wilde er per se als journalist aan de slag. Ik wilde op avontuur en het was een eindeloos fascinerend land. Ik wilde waarschijnlijk ook niet onder ogen zien dat mijn aandoening chronisch was – dat ik er nog vele jaren, misschien zelfs mijn leven lang, geregeld ziek van zou worden.

Wildwestimago

Die ochtend stapte ik aan boord van het eerste van een reeks vliegtuigen die me naar de andere kant van de wereld zouden brengen: koeltasjes in mijn hand en andere benodigdheden – infuusslangetjes, naalden, alcoholdoekjes – in mijn koffer. De eerste keer dat ik daarmee in China aankwam op een van die gigantische nieuwe vliegvelden, zo’n glimmende futuristische kolos met marmeren vloeren, stalen balken en glazen plafonds, zette ik me schrap voor wat komen ging, toen ik met mijn koeltasjes in de hand door de lange, drukke gang op de douane afliep.

Maar die keer en alle keren daarna werden mijn tassen nooit doorzocht. En vanaf het moment dat je als passagier geen vloeistof meer mocht
meenemen aan boord, verstopte ik de flessen tussen mijn kleren in de koffers die ik incheckte. Röntgenapparatuur werd niet gebruikt en geen speurhond rook ooit onraad.

De kreukloos geüniformeerde douanier gaf ik twee documenten: een kleine, gele visumkaart met mijn naam, paspoortnummer en andere persoonsgegevens. En een ingevulde verklaring met een serie vragen over mijn bagage. Daarbij had ik een snelle keuze gemaakt die het begin vormde van een jarenlange carrière als smokkelaar van bloed tussen Amerika en China: ik had ‘nee’ aangevinkt bij de optie ‘ik heb dieren, dierlijke of plantaardige producten, bacteriën, biologische producten, menselijk weefsel, bloed of bloedproducten in mijn bagage’. De douanier zette een stempel in mijn paspoort en liet me het land in. De flacons vormden ook geen gevaar, redeneerde ik. Ik wilde geen bloedproducten het land invoeren of andere mensen in gevaar brengen. Mijn geneesmiddel, bestaande uit bloedcellen en een gepatenteerd mengsel van chemische toevoegingen, was zo krankzinnig duur dat ik het niet op legale wijze het land in kreeg. Twee keer had ik dat geprobeerd, en beide keren had de Chinese douane op basis van de aangegeven waarde van 20.000 dollar geconcludeerd dat ik een medische kliniek probeerde op te zetten, zodat ik voor elke lading bloed een paar duizend dollar invoerheffing moest betalen.

Andermans bloedcellen het land in smokkelen werd dus mijn manier om daar een leefbaar bestaan te leiden. Ik verdiepte me niet in de mogelijke straffen, want ik dacht dat ik me er wel uit kon praten als ik zou worden betrapt. Ik had immers een dokters-recept. Met officiële documenten kwam je een heel eind. China had toen nog een beetje een wildwestimago, een land van onbegrensde mogelijkheden – typisch een land waar je een ziekenhuis in kon lopen en medisch personeel kon betalen om je een infuus te geven met een zelf meegebracht medicijn.

China heeft de langste grenslijn ter wereld, en die grens was zeker begin deze eeuw nog zo lek als een mandje. Langs de grens met Myanmar en Vietnam zag ik smokkelaars op klaarlichte dag over hekken klimmen met allerhande koopwaar, van kleding, rijst, spijsolie en drank tot vrouwen. Overal zag ik smokkelaars om me heen, en ik was er zelf ook een.

Amerikaans bloed was niet voor niets uit China verbannen. Halverwege de jaren tachtig, toen de aidscrisis op haar hoogtepunt was en Amerikaanse wetenschappers ontdekten dat de ziekte overdraagbaar was via bloed, bleven Amerikaanse farmaceutische bedrijven in Azië welbewust met hiv besmet bloed verkopen. Zo zijn daar duizenden hemofiliepatiënten besmet geraakt. Met een verbod op de invoer van bloed wist de Chinese overheid die pandemie enige tijd buiten de deur te houden. Tot ze met haar propaganda over aids als een ‘buitenlandse ziekte’ de perfecte omstandigheden schiep voor een epidemie van eigen grond.

Twintig jaar geleden was China nog hard bezig de basis te leggen voor zijn economische groei, met reusachtige fabrieken en massa’s goedkope arbeidskrachten die het land zouden opstoten in de vaart der volkeren. In de jaren negentig begonnen hele dorpen zich te specialiseren in de fabricage van specifieke producten. Ze kregen al snel bijnamen als ‘behadorp’, ‘spijkerbroekstad’ of ‘kerstdorp’.

© Wodicka / Ullstein Bild / Getty
© Wodicka / Ullstein Bild / Getty

Bloeddorp

In Henan was één grondstof volop voorhanden: bloed. Weinig landbouwregio’s waren zo arm als deze provincie. Moppen over de domme boertjes van Henan zijn in de grote steden nog steeds populair. En begin jaren negentig ontwikkelden ambtenaren een plan voor een bloedplasma-economie: ze zouden boeren betalen voor hun bloed en daarvan dure geneesmiddelen laten maken, waaraan goed kon worden verdiend (vooral door diezelfde ambtenaren). Zo bleef China gevrijwaard van de gevaren van buitenlands bloed en kon een overvloedig aanwezige grondstof worden ontgonnen. Dit bizarre plan kwam precies op het moment dat de boeren op zoek waren naar nieuwe manieren om geld te verdienen. China had het kapitalisme ontketend, en als zij hun bloed moesten verkopen om daaraan mee te doen, dan waren ze daartoe bereid.

Al meer dan tweehonderd van zijn dorpsgenoten waren aan aids overleden

De schrijver Yan Lianke geeft in zijn roman De droom van het dorp Ding een gefictionaliseerd verslag van de ineenstorting van die plasma-economie: hij beschrijft hoe hele dorpen aanvankelijk opbloeiden en vervolgens ten onder gingen aan de handel in plasma, en hoe de lucht er zwanger was van ijzer. Dat laatste heeft hij niet uit zijn duim gezogen: Yan vertelde mij dat hij maandenlang onderzoek heeft gedaan en van streekbewoners hoorde dat er in de jaren negentig altijd een bloedgeur in het dorp hing. Aanvankelijk was dat de geur van de welvaart, maar uiteindelijk werd het de geur van de dood. Toen aids eenmaal was doorgedrongen in de plasma-economie, vielen er in Henan en de omliggende provincies tienduizenden slachtoffers. Het werkelijke aantal doden hield de Chinese overheid geheim.

Een van de mensen die als de grondstof van die plasma-economie dienden, heeft mij enkele jaren geleden beschreven hoe dat in zijn werk ging. Twintig jaar na dato liep hij nog steeds gevaar als hij een buitenlandse journalist te woord zou staan, vooral in zijn woonplaats. Ik wachtte dus tot de Wereldaidsdag in december, toen de slacht-offers uit Henan per trein de meer dan 700 kilometer naar Beijing aflegden voor hun jaarlijkse betoging bij het ministerie van Volksgezondheid. Ik zat op de achterbank van een taxi, met het portier geopend, en hij stond naast de auto. Zo voerden we een gesprek, terwijl we allebei een andere kant op keken en deden alsof we lucht voor elkaar waren.

Hij was een boer, de laagste klasse in deze maatschappij, de grootste speelbal van de politiek. Op het hoogtepunt van de plasmahandel kon hij om de twee of drie dagen zijn bloed verkopen voor 8 dollar per liter. Een astronomisch bedrag in een tijd waarin een kleine boerderij misschien een paar honderd dollar per jaar opbracht. Een eenvoudige manier om geld te verdienen: dat hadden die dorpelingen nog nooit gekend.

Hij heeft het een paar jaar gedaan, tot de centra voor bloedafname in 1995 ineens werden gesloten, zonder nadere toelichting. In 1999 begonnen mensen in zijn dorp ziek te worden en bij bosjes te sterven, veel te jong en na een pijnlijk ziekbed. Zo’n kwart van zijn dorpsgenoten had plasma verkocht. Daarbij waren ze aan vuile apparatuur en gebruikte naalden blootgesteld en waren velen met hiv besmet – bijverschijnsel van een uit zijn voegen gebarsten donorsysteem. Toen ik hem sprak, waren al meer dan tweehonderd van zijn dorpsgenoten aan aids over-leden, eentiende van het hele dorp.

Volgens schattingen zijn als gevolg van dit systeem van plasma voor geld in totaal een miljoen mensen met hiv besmet. En zonder het cruciale werk van twee vrouwen, artsen uit twee verschillende generaties, was het dodental nog veel hoger geweest. Wang Shuping ontdekte het schandaal en trok als eerste aan de bel. En Gao Yaojie werd een populaire activiste die geen blad voor de mond nam en maatregelen eiste.

Doofpot

In 1999, toen ik voor het eerst naar China ging om er een jaar te werken en Mandarijn te studeren, stelden Gao en Wang de aidscrisis in Henan aan de kaak. Er begonnen verhalen te verschijnen over de uitwassen van betaalde plasma-afname, eerst in de Chinese en vervolgens ook in de internationale media. De eerste slachtoffers overleden en lieten hele dorpen vol weduwen en wezen achter. Ik las erover en was net als iedereen geschokt dat een overheid haar eigen burgers met een dodelijk virus had kunnen besmetten. Er zijn meer landen die met aidsepidemieën en plasmaschandalen hebben gekampt, maar China is het enige land waar de overheid een systeem voor bloedafname heeft opgezet waardoor tienduizenden burgers zijn besmet en overleden, en dat vervolgens in de doofpot heeft gestopt.

Gao en Wang hadden weinig meer gemeen dan dat ze in dezelfde provincie woonden. Gao was een gepensioneerd gynaecoloog die voorlichting gaf over soa’s. Wang was een jonge wetenschapper aan het begin van haar loopbaan, gespecialiseerd in onderzoek naar virussen die via bloed worden overgedragen. Ze groeide op in de regio rond Zhoukou, een hardwerkende metropool met acht miljoen inwoners, de op twaalf na grootste stad in Henan. Naar Chinese maatstaven dus een klein provinciegat.

Bloedproducten zijn goed voor 1,6 procent van de Amerikaanse export.

In 1991 kreeg Wang daar een belangrijke nieuwe functie: de kwaliteit van gedoneerd bloed controleren in het eerste centrum voor plasma-afname
in de stad. Binnen enkele weken na de opening van het centrum stonden er dagelijks tweehonderd mensen in de rij om plasma te geven. In deze en tientallen andere klinieken werden de donoren afgewerkt als vee, om in een zo hoog mogelijk tempo plasma in te zamelen en met winst te verkopen.

Het bloedplasma van Chinees die hersteld is van het H1N1-virus. – © China Photos
Het bloedplasma van Chinees die hersteld is van het H1N1-virus. – © China Photos

Biologische bom

Toen Wang in de plasmabank hepatitis C aantrof, hield ze haar hart al vast voor de ramp die zou uitbreken als ook hiv er ooit doorheen zou glippen. In 1995 was het zover. Een man die bij verschillende afnamecentra bloed had gedoneerd, bleek besmet met het aidsvirus. De bloedindustrie in Henan draaide inmiddels op volle toeren. Uit kostenbesparing werden slangetjes en naalden hergebruikt en belandde bloed van verschillende patiënten in de centrifuges waarmee het plasma van de bloedcellen en bloedplaatjes wordt gescheiden. Door de haast waarmee gewerkt werd, kregen donoren vaak cellen van andere patiënten binnen – het equivalent van een biologische bom.

Wang trok aan de bel, eerst in haar eigen stad en later ook in Beijing. Hoewel de regering wist dat de klinieken een dodelijk virus verspreidden, werden ze toch nog drie maanden opengehouden. En toen werd ineens het hele systeem opgedoekt, zonder dat de donoren te horen kregen dat ze aan hiv waren blootgesteld.

Wang Shuping begreep dat de veiligheid van de kwetsbaarste groepen in de samenleving ondergeschikt werd gemaakt aan de drang naar macht en geld. Ze bleef nog enkele jaren werkzaam in de marge van het systeem en zag van nabij hoe aids steeds meer slachtoffers eiste. In diezelfde tijd constateerde Gao Yaojie enkele honderden kilometers verderop ook aids bij een patiënt. Samen voerden de twee vrouwen een campagne – Wang met cijfers en feiten achter de schermen en Gao met charisma en grote vastberadenheid in de publiciteit – die fnuikend was voor het Chinese vertrouwen in de overheid en de gezondheidszorg.

Littekens

Mijn handen zijn bezaaid met piepkleine witte littekens, een landkaart van speldenprikjes getekend door verpleegkundigen van Shanghai tot Beijing en diverse Amerikaanse staten. Al die honderden keren dat er een naald in de rug van mijn hand werd gestoken, heb ik altijd de blik afgewend: alleen al het prikje geeft me de rillingen. Als de naald door dat kleine plastic buisje naar buiten glijdt en door de huid een ader binnendringt, stokt mijn adem altijd even. Ik heb wel geleerd om geen kik te geven, want als ik de verpleegkundige laat schrikken, doet ze er alleen maar langer over, gaat ze misschien hannesen met de naald of, nog vervelender, prikt ze door de ader heen. Ik heb het nu al zo’n driehonderd keer ondergaan en toch stokt altijd mijn adem weer. Niet dat het pijn doet. Het is meer een primaire reactie op iets wat je lijf binnendringt, op een plek waar scherp metaal en hard plastic niets te zoeken hebben.

Na jarenlang bloed te hebben gesmokkeld laat ik het nu weer toedienen in de VS. Niet omdat ik aan de Chinese grens met mogelijke contrabande ben betrapt, maar omdat het Amerikaanse zorgstelsel zo veranderd is: verzekeraars zitten bij chronische aandoeningen zo op de centen dat ik geen voorraad meer van het medicijn vergoed krijg, maar alleen elke zes weken één transfusie. Die vindt plaats in een kantoorgebouw dat ook een transfusiekliniek huisvest. Er hangt een tv aan een van de flinterdunne wandjes, er is een metalen wasbak en een comfortabele fauteuil waarin ik kan wegzakken en bijna kan wegdommelen. Ik zit me daar vijf uur te vervelen, versuft en ongeduldig turend naar de plastic zak vol gelig, dik vocht dat – altijd veel te langzaam – mijn lijf in druppelt.

Anders dan heel wat andere verpleegkundigen die op twee continenten naalden in mijn handen hebben gestoken, prikt deze vrouw meestal meteen raak. Door haar jarenlange ervaring met het afnemen en toedienen van bloed is ze er bijzonder bedreven in geworden. Ze heeft al meer dan honderd keer in mijn handen geprikt en weet feilloos een plekje te vinden dat nog niet hard is van het littekenweefsel. Ze is een paar jaar jonger dan ik en heeft twee kinderen. In de holte van haar elleboog zit een diepe krater, een gat dat nauwelijks dichtgroeit.

Het doet me denken aan een Chinees opvangcentrum voor zwarte beren waar ik op reportage ooit een kijkje nam. Bij die beren was in de galblaas een tapkraantje aangebracht om gal af te tappen, bedoeld voor een traditioneel Chinees geneesmiddel dat evenmin traditioneel als effectief is. De wond genas bij die beren nooit helemaal.

Er is nog weinig bekend over de langetermijnrisico’s voor donoren

De verpleegkundige en ik zijn twee kanten van dezelfde medaille: zij geeft bloed, ik krijg het. Tweemaal per week neemt iemand bloedplasma bij haar af, waarvan allerlei mengsels en preparaten worden gemaakt: geneesmiddelen voor de Amerikaanse plasma-economie, waar 9 miljard dollar in omgaat. Een industrie zo groot dat de VS inmiddels bloedproducten naar China uitvoeren.

Twee keer per week plasma laten afnemen levert haar 300 dollar per maand op. Een uitgekiend bedrag: net genoeg om aanlokkelijk te zijn voor mensen die de eindjes aan elkaar moeten knopen, voor wie een paar honderd dollar per maand een groot verschil maakt. Het bedrag dat Chinezen 23 jaar geleden voor hun bloed kregen, was ongeveer op dezelfde manier berekend: genoeg om hun leven iets te veraangenamen, maar niet genoeg om zich te ontworstelen aan de noodzaak om bloed te blijven geven.

Uitbuiting

In de lange uren die ik in die stoel heb doorgebracht, heb ik veel nagedacht over het idee dat cellen van andere mensen mijn lichaam binnenkomen. Die cellen houden mijn immuunsysteem in bedwang, maar ik vraag me af of ik ook andere dingen overneem van de duizenden donoren wier plasma zich moeiteloos met het mijne vermengt. Wat betekent het om afhankelijk te zijn van het bloed van andere mensen, vooral als de meeste mensen die bloed geven dat om het geld doen?

Al decennialang gebruiken wetenschappers donorbloed om levensreddende en levensverlengende behandelingen te vinden. Als donoren worden betaald voor hun plasma, gaat innovatie vaak gepaard met uitbuiting en vergroting van de kloof tussen rijk en arm. Dat is nergens zo zichtbaar als in de internetwereld van Silicon Valley. Daar vindt nu klinisch onderzoek plaats naar de effectiviteit van jong bloedplasma als verjongingskuur voor 35-plussers. Het eind-resultaat – arme jonge mensen worden betaald voor hun bloed om daarmee de rijke elite jong te houden – kan de ongelijkheid alleen maar vergroten.

Plasmaproducten worden tegenwoordig met wisselend succes ingezet tegen allerlei problemen, van herhaalde miskramen tot immuunziekten en zeldzame kinderziekten. Amerikaanse klinieken zamelen jaarlijks meer dan 31.000 ton plasma in, en bloedproducten zijn goed voor 1,6 procent van de Amerikaanse export. De vs zijn een van de weinige landen waar donoren geld mogen krijgen voor hun plasma, net als in China. Voor het doneren van bloed – dat in Amerika door het Rode Kruis wordt ingezameld – mag niet worden betaald. Maar de wetgever heeft besloten dat commerciële biofarmaceutische bedrijven wel vergoedingen mogen geven voor de tijd die mensen kwijt zijn aan het geven van plasma.

Meer dan de helft van deze plasmacentra, die goed zijn voor 60 procent van de wereldvoorraad, zijn gevestigd in arme buurten. Je vindt ze in studentensteden en oude industriesteden, gemeentes waar de economie in het slop is geraakt. Je vindt ze niet in rijke villawijken of veryupte binnensteden. Commerciële afnamecentra proberen plasma in te zamelen op plekken waar mensen hun bloed verkopen voor benzinegeld of de aanschaf van studieboeken. Aan de Oostkust zijn ze schaars, in de Rust Belt en langs de Mexicaanse grens vind je ze volop. De controle is streng, en virussen worden tegenwoordig door verhitting gedood, maar het systeem van lage vergoedingen voor plasma-donatie brengt zijn eigen problemen met zich mee.

En ik kan met cijfers zwaaien, maar er is nog iets waaraan ik kan zien dat er bij plasmadonatie in de VS sprake is van sociaal-economische ongelijkheid. Het gezin waarin ik opgroeide had het niet breed, maar inmiddels behoort mijn familie tot de gegoede middenklasse. En geen van mijn directe verwanten heeft ooit bloedplasma gedoneerd.

© Wodicka / Ullstein Bild / Getty
© Wodicka / Ullstein Bild / Getty

Langetermijnrisico’s

Behalve dat er sprake is van economische uitbuiting, is er ook weinig bekend over de langetermijnrisico’s voor donoren. De bijsluiter van mijn Gammagard immunoglobuline, van fabrikant Baxter, is bijna een meter lang en bevat een waslijst aan mogelijke bijverschijnselen, van bloedstolsels tot koorts en rillingen. Voor mij voelt zo’n transfusie op zijn best alsof ik elke zes weken een paar dagen griep heb. Ik heb geen idee hoe het voelt voor de mensen die de grondstof leveren. Dus houd ik mijn verpleegkundige – de donor – net zo nauwlettend in de gaten als zij mij.

Toen ik in medische tijdschriften naar langetermijngegevens zocht over de gezondheid van plasmadonoren, kwam ik uit bij Xi Chen, hoogleraar mondiale gezondheid en economie aan Yale. Al veertien jaar volgt hij de gezondheid van zesduizend plasmadonoren in China. Daar wordt nog steeds volop plasma afgenomen in arme regio’s, waar mensen sneller geneigd zijn hun bloed te verkopen. Xi constateert dat veel donoren met vermoeidheid kampen en niet meer op het land kunnen werken. Hij speculeert dat Amerikaanse bloeddonoren mogelijk over betere voeding beschikken en daarom minder last hebben van twee plasmadonaties per week. Maar harde gegevens over de langetermijngevolgen voor Amerikaanse donoren zijn er niet. Na de publicatie van zijn onderzoek hebben verschillende Amerikaanse farmaceutische bedrijven contact met Xi gezocht, maar hij heeft nooit gereageerd.

Plasma afnemen zou een onschadelijke bezigheid moeten zijn. Maar is dat wel mogelijk als het vooral gebeurt bij mensen in de marge van de samenleving? Als er handelswaar wordt gemaakt van de bloedcellen van mensen die om geld verlegen zitten?

Ik ben dit jaar naar Salt Lake City gegaan om eindelijk kennis te maken met Wang Shuping, de arts die de Chinese plasmacrisis aan het licht bracht maar zich daar nog zelden over uitlaat. Laat op de avond, toen de verkoelende schaduw van Mount Olympus over de vallei viel, sloeg ik de hoek om en liep de stille straat in waar ze woont. We hadden in de loop der jaren wel wat gemaild, maar elkaar nog nooit gesproken. Ze is eind vijftig, dertig jaar jonger dan Gao Yaojie, en volledig geïntegreerd in de Amerikaanse samenleving. Ze spreekt vlekkeloos Engels, is getrouwd met een Amerikaan en werkt in een laboratorium voor kankeronderzoek aan de Universiteit van Utah.

Toen ik bij haar aankwam, bleek ze een heel programma te hebben uitgestippeld. We zouden naar Park City gaan en in Salt Lake City de mormoonse tempel en nog wat andere historische plaatsen bezichtigen. Wang stond ervan versteld dat ik zo veel belang stelde in een medisch schandaal van decennia geleden aan de andere kant van de wereld. Toen we daar laat op de avond nog over zaten te kletsen, vroeg ze ineens of ik moe was. Ze zag dat mijn linkerhand trilde – dat heb ik vaker als ik te weinig slaap krijg. Er zijn maar weinig mensen die ernaar vragen. Wang had het binnen een paar uur al gezien.

Plasmabank

De volgende ochtend reden we naar Park City. Onderweg hadden we het over China, de Amerikaanse politiek en de bloedhandel. Toen we bij een
restaurant stopten om bietensalade te eten, hoorden we twee vrouwen aan het tafeltje naast ons verzuchten dat je in het Zuiden zo moeilijk aan een goede kinderoppas kunt komen. Ik vroeg me af wat de mensen om ons heen zouden denken als ze wisten dat deze opgewekte vrouw tegenover mij, in haar witte capribroek en regenboogkleurige teensokken, een medisch schandaal aan de kaak had gesteld dat tot in de hoogste Chinese regeringskringen beroering had gewekt. Hoe kon iemand die het tegen de machtige Chinese overheid durfde op te nemen nu zo stilletjes opgaan in het Amerikaanse leven van alledag en die twee decennia van bloedschandalen zomaar achter zich laten?

Maar tijdens de lunch werd me duidelijk dat Wang het allemaal niet was vergeten. Ze zei dat ze me nog iets anders wilde laten zien, niet ver van haar huis. We reden naar een klein, onopvallend winkelcentrum. Vlak bij de ingang zat een man in zijn auto een sigaret te roken. Het portier stond open en hij drukte een gaasje tegen zijn elleboogholte. Achter de voordeur, in een ruimte vol geavanceerde apparatuur en assistenten in witte jassen, was bij hem net plasma afgenomen.

We besloten wat vragen te gaan stellen, alsof we overwogen bloed te geven, in de hoop dat ze ons dan de apparatuur zouden laten zien. Wang wilde controleren hoe ze te werk gingen, welke apparatuur ze gebruikten en of ze zich aan de veiligheidsvoorschriften hielden. Ik deed graag mee – als verslaggever die het naadje van de kous wilde weten, maar ook als patiënt die wilde weten hoe haar geneesmiddel tot stand kwam. Ik was naar Utah gekomen om met Wang te praten over wat ze in China had meegemaakt. En nu voerde zij me mee op onbekend terrein in mijn eigen achtertuin.

Een opgewekte assistent in een witte jas wilde ons de apparatuur niet laten zien, maar wilde wel de werkwijze beschrijven. Het deed geen pijn en we hoefden niet bang te zijn voor besmetting, verzekerde hij ons. Op een schoolbord stond een tarievenlijst: als je voor het eerst bloed kwam geven, kreeg je een bonus. Hoe vaker je kwam (maximaal tweemaal per week), hoe meer geld je kreeg. Wang knikte aandachtig bij zijn uitleg over de uitgebreide veiligheidsprotocollen. Ze had één vraag: ‘Wanneer zijn jullie gesloten?’ ‘Nooit,’ zei hij opgewekt. ‘We zijn de hele week open.’

Onderweg terug naar huis zei Wang dat ze het niet erg vond dat er een plasmabank om de hoek zat. Wat haar dwarszat, was het ongegeneerde winstbejag met andermans cellen. Geen enkele sluitingsdag, zei ze hoofdschuddend – in een stad waar zo veel zaken om geloofsredenen op zondag gesloten zijn. Ze had dat eerder gezien, die onblusbare behoefte aan bloedgeld. Dat werd een ramp.

screenshot 2019 12 11 at 17 37 51

Auteur: Kathleen McLaughlin

The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage  134.000


Deel dit artikel


Recent verschenen