Techgiganten lijken steeds meer op de Shells van deze wereld: vervangbare onderdelen van de nationale infrastructuur, aldus de Russische internetdeskundige Andrej Soldatov. Van hun gebruikers hebben ze niks meer te vrezen.
Het nieuws dat Google en Apple uiteindelijk voor de druk van het Kremlin zijn gezwicht en de app van Navalny uit hun appstore hebben gehaald, heeft verwarring en begrijpelijke woede gewekt onder Russische liberalen. Maar echt verrassend is het niet. De veronderstelling dat er een wezenlijk, bijna ideologisch verschil is tussen de manier van zakendoen van internetgiganten enerzijds en energiebedrijven als BP of Shell anderzijds, gaat uit van het idee dat het verdienmodel van de techbedrijven berust op het winnen en behouden van het vertrouwen van hun klanten. De gedachte is dat gebruikers van BP weliswaar keuze hebben – er zijn immers meerdere concurrerende tankstations –, maar dat het ze weinig kan schelen bij welk tankstation ze hun auto volgooien. Tankstations zijn gewoon een deel van de infrastructuur waaraan we gewend zijn, en alleen fanatieke activisten denken dat je tot verandering kunt komen door het boycotten van wereldspelers die deel uitmaken van die infrastructuur, zoals BP. Die activisten krijgen nooit genoeg mensen mee in zo’n initiatief, dat dan dus mislukt.
De internetreuzen hebben decennialang gedacht dat het vertrouwen van de massa een onmisbaar onderdeel van hun verdienmodel was. Tot 2016. Na de Russische inmenging in de Amerikaanse presidentsverkiezingen brak er een storm van kritiek los die zijn weerga niet kende en die nog steeds niet helemaal is uitgewoed. De eindeloze hoorzittingen in het Congres, de schandalen, de klokkenluiders die met de meest kwalijke beschuldigingen komen over manipulatie van gebruikersgegevens, over het aanjagen van haat en polarisatie en zelfs over de hulp aan vijandige staten en kwaadaardige populisten met afschuwelijke plannen: het zou allemaal meer dan genoeg zijn geweest om Facebook allang de das om te doen, als het verdienmodel van het bedrijf inderdaad afhankelijk was geweest van het vertrouwen van consumenten. Dan zou het geesteskind van Zuckerberg nu wel dood zijn, na de privacy van zijn gebruikers zo te hebben geschonden. Maar zo is het niet gegaan.
Regulering
Het aantal maandelijkse gebruikers van Facebook is sinds 2016 alleen maar gestegen: het ging van 1,86 miljard in het vierde kwartaal van 2016 naar 2,89 miljard in het tweede kwartaal van 2021. Nieuwe platforms zoals Parlio en Quora weten ook wel enige populariteit te verwerven, maar zijn nooit een reëel alternatief voor Facebook geworden. En daar hebben zowel de techreuzen als overheden een belangrijke les uit getrokken.
De bedrijven hebben ervan begrepen dat ze, net als de BP’s van deze wereld, meer te vrezen hebben van overheden dan van hun gebruikers. En inderdaad zien we bij overheden sinds 2016 een groeiende neiging om de mondiale internetreuzen strenger te reguleren. Dat zie je overal: in de VS, maar ook in Europa en natuurlijk in landen met autoritaire regimes, zoals Rusland. Overheden kwamen van hun kant tot het besef dat gebruikers niet de macht hebben om hun techreuzen tegen beknotting te beschermen. Ook al heb je miljarden gebruikers, zodra de regering van een land besluit jouw bedrijf aan banden te leggen, zullen maar weinig burgers daartegen in het geweer komen. Voorbij is de tijd dat demonstranten in Moskou met Facebook-vlaggen stonden te zwaaien voor de regeringsgebouwen aan het Oude Plein.
Lees ook:
En voorbij is ook, dankzij die westerse storm van verontwaardiging in 2016, de gedachte dat internetgiganten in een land met een repressief regime kunnen bijdragen aan de strijd voor internetvrijheid. Dat mondiale internetplaftorms niet alleen bedreigend, maar ook nog steeds bevrijdend kunnen zijn, is voor de westerse samenleving inmiddels een bizarre gedachte geworden. Niemand verwacht veel verontwaardigde reacties uit het buitenland over een besluit van Apple en Google dat alleen Russische gebruikers treft.
Mondiale platforms zijn vervangbaar
In landen als Rusland dachten de grote techbedrijven misschien inmiddels deel uit te maken van de nationale infrastructuur zodat ze gevrijwaard waren van overheidsblokkades. Maar de verandering in de manier waarop het internet in de afgelopen vijf tot zeven jaar wordt gebruikt, heeft die hoop de bodem ingeslagen. We bezoeken sociale media tegenwoordig op onze smartphone, niet meer op een laptop. En het probleem met mobiel internet is dat de gemiddelde gebruiker niet meer naar de homepage van YouTube gaat om te kijken wat de gaafste nieuwe filmpjes zijn, maar bedolven wordt onder de links die vrienden sturen via WhatsApp of Telegram – en niemand maalt er nog om waar dat filmpje dan staat, op YouTube, TikTok of RuTube, de zwaar gepromote Russische variant van YouTube. Het internet is onderdeel geworden van de nationale infrastructuur, maar mondiale platforms zijn vervangbaar.
Wrang
Het wrange van Google en Apple en Twitter zit hem in de snelheid waarmee deze ingrijpende verandering in de perceptie van zowel overheden als gebruikers zich heeft voltrokken: de bedrijven worden nog steeds geleid door de mensen die ze hebben opgericht. En dus verwachten we dat zij blijven vechten voor de privacy, de integriteit en de internetvrijheid waardoor hun bedrijf überhaupt mogelijk werd gemaakt.
In ons boek The Red Web laten we Valery Bardin aan het woord, de Russische internetpionier die was belast met het onderhoud van Relcom, het eerste internetnetwerk in de Sovjet-Unie. Hij legt uit waarom hij tijdens de staatsgreep van augustus 1991 besloot het netwerk niet af te sluiten, ook al kon hem dat de kop kosten. ‘We hadden bij voorbaat al verloren, want het uitwisselen van informatie was de hele bestaansreden van Relcom. We zouden sowieso de vijanden van het regime zijn geworden, wat we ook deden.’
Maar nu, precies dertig jaar later, is het internet tegelijk meer en minder vrij dan in 1991. Het is een onderdeel van de nationale infrastructuur. En je verwacht van tankstations toch ook niet dat die in staking gaan?
Lees ook:

