ANP 434475118 1


Bij de aanpak van klimaatverandering moet rekening worden gehouden met economische, sociale én genderongelijkheid, schrijft Thomas Piketty naar aanleiding van het Wereld Ongelijkheidsrapport 2022. Hij doet alvast een voorstel: ‘Op zijn minst zouden de fiscale cadeautjes aan de meest vermogenden moeten stoppen.’

Wat leert ons het nieuwe Wereld Ongelijkheidsrapport 2022 van Oxfam Novib, dat deze week is gepubliceerd? Deze vrucht van de samenwerking van een honderdtal onderzoekers uit alle continenten die om de vier jaar verschijnt, geeft inzicht in de grote ongelijkheidsbreuklijnen op de wereld. Naast de inmiddels welbekende constatering dat de inkomensongelijkheid de afgelopen decennia is gestegen, zijn er drie belangrijke noviteiten aan te wijzen, die betrekking hebben op de ongelijkheid qua vermogensverdeling, gender en klimaat.

Laten we beginnen met de vermogensverdeling. Dankzij het voorwerk van Luis Bauluz, Thomas Blanchet en Clara Martínez-Toledano hebben de onderzoekers systematische gegevens kunnen verzamelen die het mogelijk maken de vermogensverdeling in alle landen wereldwijd te vergelijken, van de laagste tot de hoogste inkomensklasse. De algehele conclusie is dat de hyperconcentratie van vermogen, die tijdens de pandemie nog eens is verergerd, voor alle regio’s van de wereld geldt. Wereldwijd bezat de armste 50 procent in 2020 amper 2 procent van het totale privé-eigendom (onroerend goed, beroepsactiva en financiële vaste activa, na aftrek van schulden) terwijl de rijkste 10 procent 76 procent van het totaal bezat.

Latijns-Amerika en het Midden-Oosten spannen qua ongelijkheid de kroon, gevolgd door Rusland en Sub-Saharaans Afrika, waar de armste 50 procent amper 1 procent bezit van alles wat er te bezitten valt, terwijl de rijkste 10 procent tegen de 80 procent aan schurkt. In Europa is de situatie wat minder extreem, maar is er ook geen reden om de vlag uit te steken: de armste 50 procent bezit 4 procent van het totaal, tegen 58 procent voor de rijkste 10 procent.

Rijkdom verdelen

Tegen deze constatering kun je op verschillende manieren aankijken. Je kunt geduldig wachten tot groei en marktwerking de rijkdom verdelen. Maar aangezien meer dan twee eeuwen na de industriële revolutie het deel dat in bezit is van de armste 50 procent in Europa nauwelijks 4 procent bedraagt en in de Verenigde Staten 2 procent, moet je daarvoor waarschijnlijk wel erg geduldig zijn. Je kunt ook zeggen dat de huidige situatie de best mogelijke is en dat iedere poging om de rijkdom te verdelen economisch riskant zou zijn. Een weinig overtuigend argument. In Europa bedroeg het deel dat in bezit was van de rijkste 10 procent tot 1914 80 à 90 procent van het totale vermogen. Dat is in ruim een eeuw gedaald tot minder dan 60 procent, voornamelijk dankzij de 40 procent van de bevolking die tussen de rijkste 10 procent en de armste 50 procent in zit. Deze middenklasse is in staat geweest woningen te kopen en bedrijven te beginnen, wat een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de welvaart in de periode tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 en de oliecrisis in 1973.

Lees ook:

Wat kun je doen om deze langzame ontwikkeling in de richting van gelijkheid, die historisch gezien onlosmakelijk verbonden is met een evolutie naar een grotere welvaart, te laten voortduren? Idealiter zou je een herverdeling van het erfgoed moeten overwegen. Op zijn minst zouden de fiscale cadeautjes aan de meest vermogenden moeten stoppen en moet er werk worden gemaakt van een herziening van de grondbelasting, die erg zwaar en onrechtvaardig is voor mensen die hun eerste schreden op de weg naar bezit zetten. Deze belasting zou je moeten omvormen tot een progressieve belasting op het nettovermogen.

Vrouwen hebben minder toegang tot dezelfde banen en arbeidsuren als mannen

De tweede les van het Wereld Ongelijkheidsrapport 2022 heeft betrekking op de genderongelijkheid. Dankzij de door Theresa Neef en Anne-Sophie Robillard verzamelde gegevens kunnen we nu meten hoe het aandeel van vrouwen in het totale arbeidsinkomen zich wereldwijd heeft ontwikkeld. We kunnen eruit opmaken hoe groot de ongelijkheid tussen man en vrouw nog altijd is: wereldwijd toucheerden vrouwen in 2020 amper 35 procent van het totale arbeidsinkomen, en mannen dus 65 procent. In 1990 was het aandeel van vrouwen 31 procent en in 2000 33 procent. We zien dus enige vooruitgang, maar het gaat uiterst langzaam. In Europa bedroeg het aandeel van vrouwen in 2020 38 procent, dus bij lange na niet de helft.

Deze indicator geeft een minder rooskleurig maar juister beeld van de werkelijkheid dan een vergelijking per functie. Hij legt genadeloos bloot dat vrouwen minder toegang hebben tot dezelfde banen en arbeidsuren als mannen, met name vanwege voortdurende vooroordelen en discriminatie en de geringe inspanningen die overheden zich getroosten om banen waarin vrouwen het sterkst vertegenwoordigd zijn (met name in de zorg, de detailhandel en de schoonmaakbranche) beter te structureren. De geringe vooruitgang die de afgelopen decennia wereldwijd is geboekt, weerspiegelt bovendien het groeiende aandeel zeer hoge salarissen – die voor het overgrote deel door mannen worden verdiend – in de totale loonsom. In bepaalde regio’s, zoals China, valt zelfs een verlaging te constateren van het aandeel van vrouwen in het totale arbeidsinkomen. Deze gegevens roepen om veel voortvarender maatregelen dan tot dusver zijn genomen.

We kunnen constateren dat de armste 50 procent vrijwel overal verantwoordelijk is voor een relatief redelijk uitstootniveau

De derde noviteit van het Rapport heeft betrekking op de ongelijkheid op klimaatgebied. Maar al te vaak beperkt het klimaatdebat zich tot een vergelijking van de gemiddelde CO2-uitstoot per land en de ontwikkeling daarvan in de loop der tijd. Dankzij het werk van Lucas Chancel beschikken we nu over gegevens over de verdeling van de uitstoot binnen individuele landen en de verschillende regio’s van de wereld. We kunnen constateren dat de armste 50 procent vrijwel overal verantwoordelijk is voor een relatief redelijk uitstootniveau, in Europa bijvoorbeeld van 5 ton per inwoner. Over eenzelfde periode gemeten bedraagt de gemiddelde uitstoot van de rijkste 10 procent 29 ton, en die van de allerrijkste 1 procent 89 ton. De conclusie spreekt voor zich: het klimaatprobleem wordt niet opgelost als we iedereen over één kam scheren. Om de sociale en klimatologische gevaren die haar ondermijnen het hoofd te bieden, zal de planeet meer dan ooit rekening moeten houden met de vele ongelijkheidsbreuklijnen die haar doorkruisen.

Lees ook:


Deel dit artikel


Recent verschenen