Molly Young werkte bij veel verschillende start-ups, en bestudeerde met zowel fascinatie als ontzetting de taal waarin haar collega’s zich uitdrukken. De aan voortdurende verandering onderhevige lege woorden dienen volgens haar om te verbloemen en verdraaien, maar bovenal om te verhullen.
Ik werkte sinds 2010, toen ik begin twintig was, acht jaar lang bij verschillende start-ups. Daarna heb ik een tijdje freelance gewerkt, om een jaar later terug te keren naar het kantoorleven, bij weer een andere start-up. Tijdens mijn tussenjaar had ik van alles gemist, zoals de zorgvoorzieningen, onbeperkt gratis post-its en de luxe om onbeschaamd mensen te bekijken. (In 2016 zag ik een collega zichzelf een kom cornflakes inschenken, melk toevoegen en gedurende 90 seconden in de magnetron plaatsen. Een beeld dat ik nooit zal vergeten.) Eén ding dat ik niet miste aan het kantoorleven was de taal. Aangezien de taal aan voortdurende verandering onderhevig was, was het geen verrassing dat er een nieuwe prachtterm was ontstaan tijdens mijn kantoorloze jaar. Die term was parallel path, en hoorde ik voor het eerst in deze zin: ‘We wachten op specificaties voor de installatie in San Francisco. Can you parallel-path two versions? (Kan je twee versies parallel laten lopen?)’
In normale taal zou dit zoiets zijn als: ‘We wachten op specificaties voor de installatie in San Francisco. Kun je twee verschillende versies maken?’ Met andere woorden, ‘parallel path’ is twee dingen tegelijk doen. Dat is alles. Ik vond het ergens ontroerend en onbedoeld openhartig dat in deze uitdrukking de aanname lag besloten dat een persoon op kantoor nooit meer dan één ding tegelijk zou doen – terwijl het hele ding van een kantoorbaan is dat je ineffectief multitaskt in plaats van effectief aan één taak werkt. Waarom een term verzinnen voor iets wat mensen sowieso al deden? De schijn, de poeha en het volledige gebrek aan bestaansrecht van de term maakten deze voor mij tot het perfecte kantoorneologisme.
Het juiste antwoord op bovenstaande vraag zou zoiets zijn als: ‘Zeker, ik ga ermee aan de slag en loop dit parallel af en koppel dan weer terug naar jou.’ Een even acceptabele reactie zou ‘Ja’ zijn, of een simpele knik. Maar het doel van zulke zinnen is om de ruimte te vullen. Waar ik ook werkte, overal gold dat als mensen taal zou gebruiken zoals taal normaal wordt gebruikt, namelijk om te communieren, een werkdag twee uur korter zou duren.
Het zou in theorie lollig zijn om willekeurige termen in te voeren en vervolgens aan te dringen op de geldigheid ervan (‘We’re gonna have to banana-boat the marketing budget’; ‘We moeten het marketingbudget bananenvaren’). Maar in feite is de enige schoonheid, als je het al zo kan noemen, van termen als parallel path dat ze uit het niets opdoemen om vervolgens schijnbaar onmiddellijk door iedereen te worden opgepikt. Werkplekken mogen bekendstaan om de gemeenschappelijke irritaties en gemeenschappelijke trots, het zijn evengoed plaatsen van een gemeenschappelijke mystiek. Toen ik aan die baan begon en bekend raakte met het nieuwe vocabulaire, voelde ik me als een Maya circa 1600 v.Chr., omringd door andere Maya’s in het gezicht van een onafwendbare klimaatverschijning die we niet begrepen en moesten zien te overleven, waarbij we onze levens en verbale uitingen in dienst stelden van een hogere autoriteit.
Hoe dan ook, na zes maanden stopte ik bij de parallel path-baan – maar niet vanwege het taalgebruik, waarvan ik bij het indienen van mijn ontslag wel wat heb toegepast.
Kambucha en een kantoorhond
In januari verscheen een ijzersterke memoire genaamd Uncanny Vally. De auteur, Anna Wiener, verhuisde rond 2014 vanuit Brooklyn naar San Francisco voor een baan bij een start-up voor mobiele analyse. Een van de vele geneugten van het boek is hoe perfect het huidige Bay Area halverwege de jaren 2010 erin wordt opgeroepen: kambucha, een kantoorhond, kersverse usb-kabels. Wiener beschrijft de verheven ambities van haar bedrijf, de goede voorzieningen, de nonchalante misogynie die haar als een wolk van muggen omringt.
Het boek raakte me op twee plekken. Dicht bij het hart, door beschrijvingen van een jeugd in San Francisco, met zijn mistige buurten en fluwelen voetbalvelden. De andere plek zat dichter bij mijn lever, waar gal wordt geproduceerd. De werkplekken die Wiener beschreef herinnerden me aan de banen die ik zelf had gehad, omdat ze geld opleverden om de huur te betalen in een grootstedelijk gebied, terwijl ik ondertussen freelance werk deed voor tijdschriften en websites waarvoor dat niet gold. Schrijven is een economisch onhandige vaardigheid. Ondanks het feit dat het nog niet kan worden uitbesteed of door robots worden uitgevoerd, is de marktwaarde laag. In het geval van Anna Wiener (en misschien wel enkel en alleen in haar geval) was dit een goede zaak, omdat het haar dwong te infiltreren in een terrein dat erom schreeuwde door haar te worden becommentarieerd.
Waar ik ook werkte, overal gold dat als mensen de taal zou gebruiken zoals taal normaal wordt gebruikt, een werkdag twee uur korter zou duren
De statuspiramide bij de meeste start-ups is grofweg als volgt: de C-suite bevindt zich bovenaan, gevolgd door senior data- en tech-mensen, gevolgd door niet-senior data en tech-mensen, gevolgd door iedereen behalve klantenservice, en dan, helemaal onderaan, de klantenservice. Een term die trouwens bij de meeste bedrijven is omgedoopt tot ‘klantondersteuning’ of ‘klantervaring’ – alsof het woord ‘service’ de afgestudeerden die op deze functies belandden er te veel aan zou herinneren dat ze in feite hun dagen doorbrengen met het bellen, chatten en mailen met geërgerde consumenten. Wiener werkte in de klantondersteuning.
Helemaal onder in een bedrijf functioneren biedt observationele voordelen, omdat je er onzichtbaar door wordt. Wiener beschrijft hoe haar collega’s naar stiltemeditatieretraites gaan, LSD nemen, stoïcisme bespreken en reiki oefenen op feestjes. Ze probeert een extatische dans uit, drinkt nootropica en accepteert een ‘voorzichtige, volledig aangeklede rugmassage’ van de interne masseuse van haar bedrijf. Ze ontmoet een man die zich een Japanse wasbeerhond voelt. Ze is zowel deelnemer als etnoloog; ze is zowel onder de indruk als ontzet.
Wiener schrijft bijzonder goed – vloeiend en verwonderd – over de verbale gewoonten van haar collega’s: ‘Mensen gebruikten een soort non-taal, die noch mooi noch bijzonder efficiënt was: een mengelmoes van zakentermen met atletische en oorlogsmetaforen, opgeblazen met eigenbelang. Oproep tot actie; frontlijnen en loopgraven; blitzscaling. Bedrijven faalden niet, ze stierven.’ Ze beschrijft een man die op een scooter door kantoor rijdt en in een draadloze headset blaft over hacking door groei, proactieve technologie, parallellisatie en het voordeel van de first mover. ‘Het was afvaltaal’, schrijft Wiener, ‘maar de klanten vonden het fantastisch.’
Ik ken die man, behalve dat hij geen scooter reed en eigenlijk een vrouw was die Megan heette bij alweer een andere van mijn banen. Wat deed Megan? Meestal organiseerde ze vergaderingen, of ‘syncs’, zoals ze ze noemde. Ze behoorden tot de slechtst denkbare soort vergaderingen – het soort waarbij de deelnemers het concept van werk omarmen zonder de kern ervan te raken. De syncs van Megan waren gevuld met discussies over cadans en connectiviteit en opwaardering, evenals over de noodzaak om verder te verfijnen en itereren. De abstracte metafoor was de gangbare betekeniseenheid. Ik denk niet dat er iemand was die wist wat een ander zei, maar ik denk ook dat we er allemaal van overtuigd waren dat wij de enigen waren die het niet wisten terwijl alle anderen volledig on the same page zaten. (Ook al zo’n veel voorkomende verwijzing, die raadselachtige pagina.)
Tijdens de syncs van Megan merkte ik dat ik bijna psychedelisch uit mezelf trad, boven de vergaderruimte zweefde en naar de tientallen mensen binnen tuurde terwijl we onderuitzakten, op lichaamsdelen beten, stiekem met onze telefoons in de weer waren, gewrichten kraakten, gespleten haarpunten inspecteerden, aan ellebogen krabden, met onze voeten wipten, onze buikrollen betasten, pennen uit elkaar haalden en op kragen kauwden. De enorme hoeveelheid apathie vormde een energie op zich, als een modderstroom. Na een halfuur van zo’n ellenlange bijeenkomst keerden onze lichamen zich zichtbaar richting de deur. Het was alsof iedereen ineens moest plassen. Als ik Megans monologen in realtime probeerde te vertalen, deden mijn hersenen fysiek pijn, zoals ze pijn doen wanneer ik blockchaintechnologie of mijn belastingaangifte probeer te snappen.
Ik vind Anna Wieners term voor dit soort praatjes mooi: vuilnistaal. Hij is meer beschrijvend dan corporate speak of modewoorden of jargon. Corporate speak is gedateerd; modewoorden autologisch, omdat het een aantoonbaar voorbeeld is van wat het beschrijft; en jargon verwart onzinnig taalgebruik met specialistische talen die eigenlijk doelgericht zijn, zoals die binnen de rechten of natuurkunde of geneeskunde. Wieners vuilnistaal is treffend omdat afval in ons dagelijks leven gedachteloos wordt geproduceerd en vreselijk ruikt en lelijk is en we er niet over nadenken, behalve misschien soms in negatieve zin, zoals ik nu.
Maar in tegenstelling tot afval, dat we in prullenbakken en op stortplaatsen bewaren en verwerken, is het afschuwelijke vermogen van deze woorden – namelijk de mogelijkheid om communicatie te verdraaien en te belemmeren – tegelijk ook hun doel. Afvaltaal beïnvloedt de manier waarop we denken over ons werk en vormt onze identiteit als werknemers. Het is er duidelijk op gericht om dingen te verbergen.
Wat deze taal ook gemeen heeft met afval, is dat we maar niet kunnen stoppen met het genereren ervan. Afvaltaal is niet alleen voorbehouden aan start-ups; het is inherent aan het bedrijfsleven zelf, en de vorm die het fenomeen aanneemt weerspiegelt de heersende economische metaforen van zijn tijd. Een boek uit 1911 van Frederick Winslow Taylor, genaamd The Principles of Scientific Management, ontleent zijn taal aan de fabriek; mannen zijn net als machines nuttig vanwege hun output en productiecapaciteit. Door de conglomeraties van bedrijven in de jaren 1950 en ’60 richtten organisaties zich tot werknemers die zich gezichtsloos voelden te midden van een zee van identieke grijsgepakte loonslaven, zodat managers een klimaat probeerden te scheppen dat de persoonlijke groei bevorderde en zich concentreerden op de zelfactualisatie van hun werknemers. In de jaren tachtig riekte de vuilnis sterk naar Wall Street: leverage, stakeholder, value-add. De opkomst van grote technologie bracht metaforen met zich mee gerelateerd aan computers en games: bandbreedte, hack, het concept dubbelklikken, het concept offline praten en het concept nivellering.
Een van de meest invloedrijke zakenboeken van de jaren negentig was Clayton Christensens The Innovator’s Dilemma. Christensen is verantwoordelijk voor de populariteit van het woord disruptive. (De term is sindsdien uitgedund en misvormd, maar zijn aanvankelijke definitie was nauw: een verstoring die plaatsvindt wanneer een klein bedrijf, zoals een start-up, zich richt op een beperkt segment van het publiek van een gevestigde exploitant en dat vervolgens gebruikt om een groter segment aan te trekken, op welk punt het voor de gevestigde exploitant te laat is om de start-up nog in te halen.)
De metaforen in het boek hebben een militaristische insteek: bedrijven wonnen of verloren gevechten. Bedrijfstakken werden gedood. Een disk drive was revolutionair. De markt een radarscherm. De raketaanval van de desktopcomputer verwondde minicomputermakers. In het anderhalf decennium daarop migreerde de taal volledig van het strijdterrein naar New Age: ‘Ik geloof er echt in dat we ons volledige zelf aan het werk moeten zetten’, schreef Sheryl Sandberg in Lean In, lezers aansporend op zoek te gaan naar hun eigen waarheid en persoonlijke voldoening. In Delivering Happiness sprak Tony Hsieh, CEO van [schoenen- en kledingwinkel] Zappos, over bewuste keuzes en organisch evolueren. In The Lean Start-up beschrijft Eric Ries zijn methode om een enorme opslagplaats van het menselijk potentieel te ontsluiten. Je kunt de assimilatie van afvaltaal goed volgen door het vervallen van schrikaanhalingstekens; in 1911 werden de woorden ‘initiatief’ en ‘stimulans’ nog in speculatieve interpunctie gehuld.
Op mijn eigen werkplekken werd deze New Age roekeloos vermengd met luchtvaartmetaforen (holding pattern, het concept van iets bespreken op 10 kilometer hoogte) en werkwoorden en bijvoeglijk naamwoorden die tot zelfstandig naamwoord waren vervormd (ask, win, refresh, regroup, creative, sync, touchbase), zelfstandige naamwoorden die tot werkwoord werden vervormd (whiteboard, bucket), en een hoop non-woorden die door herhaling in woorden veranderden (complexify, co-execute, replatform, shareability, directionality). Er ontstonden acroniemen zoals RACI, waar ik op de volgende manier mee in aanraking kwam:
Collega: In de toekomst zullen we op alle projecten een RACI toepassen.
Molly: Wat is een RACI?
Collega: RACI staat voor ‘Verantwoordelijk, verantwoordelijk, geraadpleegd en geïnformeerd’ (Responsible, Accountable, Consulted, Informed). De RACI zal worden gedistribueerd zodat we allemaal op één lijn en op dezelfde pagina zitten.
Ik: Maar hoe ziet zoiets er fysiek uit? Is het een grafiek of zo?
Collega: Dat is moeilijk uit te leggen.
Ik ben er nooit achter gekomen wat een RACI was omdat we er nooit een hebben gebruikt, maar volgens de Wikipedia-pagina is het een ‘matrix’ waarop meer dan tien populaire variaties bestaan, waaronder RATSI. Ik kan me een wereld voorstellen waarin al deze concurrerende afkortingen samen een buitengewoon interessant verbaal landschap zouden vormen, maar in plaats daarvan ontkrachten ze elkaar, zoals gebeurt wanneer je twintig liedjes tegelijkertijd afspeelt.
… dat niets van dit alles de moeite waard was om ons als student voor in de schulden te steken en dat we ontslagen kunnen worden wanneer we daar op Slack over klagen
En toch zou het mogelijk moeten zijn om in deze alfabetsoep patronen te ontdekken. Onze aantrekkingskracht voor bepaalde woorden weerspiegelt een zeker innerlijk verlangen. Computermetaforen spreken ons aan omdat ze futurisme en hyperefficiëntie impliceren, terwijl de taal van zelfredzaamheid een diepere angst verbergt voor onze verhouding tot werk – een gevoel dat wat we doen misschien wel triviaal is, dat niets van dit alles de moeite waard was om ons als student voor in de schulden te steken en dat we ontslagen kunnen worden wanneer we daar op Slack over klagen. Door woorden te gebruiken die iets groters impliceren – die ons onderdeel maken van een institutioneel organisme en tegelijkertijd op de waardigheid van dat organisme aandringen – is het gemakkelijker om te doen alsof onze banen interessanter zijn dan ze lijken. Empowerment-taal is net zo goed een zelfmarketingsmiddel: een manier om onze banen aan onszelf te verkopen.
In augustus vorig jaar heeft WeWork – onlangs omgedoopt tot We Company – zijn prospectus ingediend bij de Securities and Exchange Commission. Het document is iets minder dan 200.000 woorden lang, oftewel bijna de lengte van Moby Dick, en het leest alsof het geschreven is door iemand met een overdosis Adderall op plus een pistool tegen zijn hoofd. Zo beschrijft het bedrijf zichzelf op de eerste pagina:
‘Wij zijn een gemeenschapsbedrijf dat zich inzet voor maximale wereldwijde impact. Onze missie is om het bewustzijn van de wereld te vergroten. We hebben een wereldwijd platform gebouwd dat groei, gedeelde ervaringen en waar succes ondersteunt.’
Je kunt je de rest waarschijnlijk wel voorstellen. In de woorden van een docent aan de Harvard Business School leest de prospectus ‘als een zelfhulpboek van Marianne Williamson’, wat misschien nog een belediging is voor Marianne Williamson. Zoals bij elke publieke verklaring van een bedrijf brengt ook deze de afstand in kaart tussen wat het bedrijf is en hoe het zichzelf ziet. Het interessante aan WeWork is niet hoe groot die afstand is – bijna spiritueel in zijn grootsheid! –, maar hoe gemakkelijk deze te meten is. De real-estate arbitrage van WeWork kan in gewoon Engels worden samengevat, maar de prospectus is zo barok geformuleerd dat het lezen ervan een soort middeleeuwse exegese vereist – een bereidheid om de tekst te doorgronden, waarheden te toetsen, de uitleg te ontrafelen en verborgen waarden te ontmaskeren. In zijn trouw aan onsamenhangendheid onthulde de majestueuze pdf van WeWork een voor de hand liggende waarheid over de organisatie, namelijk dat de grens tussen vindingrijkheid en onzin – een grens die aanwezig is binnen elke organisatie en eveneens binnen elk persoon – te ver in één richting was doorgeslagen.
De botsing tussen de zelfactualisatie van een bedrijf en de zakelijke realiteit stond eveneens centraal in een verhaal over het bagagebedrijf Away dat in december openbaar werd. (Onthulling: ik werkte begin 2o10 met beide oprichters van Away, nog voordat het bestond, bij een ander bedrijf. Ze leken heel aardig.) In The Verge rapporteerde Zoe Schiffer over Aways werkomgeving, die was ingericht met strafuren, onzekere carrièremogelijkheden en het ‘totdat het moreel verbetert, zullen de afranselingen doorgaan’-principe, verhuld in ellendig lege taal. Om 9.00 uur stuurde de CEO van het bedrijf, Steph Korey, de medewerkers van klantervaring bijvoorbeeld het volgende bericht:
‘Ik weet dat deze groep hongerig is naar verdere loopbaanontwikkelingen, en in een poging jullie hierbij te ondersteunen zal ik jullie helpen een belangrijke carrièrevaardigheid te ontwikkelen: verantwoordelijkheid… Inspelend op deze verantwoordelijkheid – een zeer belangrijke vaardigheid die op veel werkterreinen van pas zal komen – zullen van jullie zes geen nieuwe verzoeken [tot verlof of werken vanuit huis] meer in behandeling worden genomen… Ik hoop dat iedereen in deze groep de moeite waardeert die ik heb gestoken in het creëren van deze kans en dat jullie stuk voor stuk gedreven zijn om dit probleem door consistente toepassing van onze kernwaarden op te lossen en zo de weg vrij te maken voor het meest klantgerichte team [van klantervaring] dat er bestaat. Dank jullie wel!’
Je kunt de gelekte berichten van Korey – deze en andere – met een checklist ernaast doornemen. Maakte ze gebruik van een passieve toon waarmee ze haar verantwoordelijkheid leek af te schuiven? Ja. Maakt ze gebruik van Betekenisloze Hoofdletters? Ja. Schreef ze zoiets als ‘gebruik je empowerment’? Inderdaad.
Het internet sloeg op hol. Hier was eindelijk het bewijs van een gekmakende ervaring die velen hadden moeten doorstaan: een machtig persoon die taal als wapen gebruikt om degenen onder haar te misleiden, vernederen en af te straffen. Geloofde Korey echt dat ingehouden vrije tijd voor werknemers op een lager niveau een carrièrekans betekende? Was haar geest een ticker tape van dit soort zinnen, of had ze deze zinnen door een interne plug-in voor executive-translation laten lopen?
Er is een vroeg verhaal van Edith Wharton waarin een personage de beperkingen van het spreken van een vreemde taal benoemt: ‘Je weet toch wel hoe je, als je een vreemde taal spreekt, zelfs vloeiend, de helft van de tijd niet zegt wat je wilt, maar wat je kan?’ Anders gezegd: gedragen CEO’s zich als eikels omdat ze eikels zijn, of omdat managementtaal uiteindelijk van iedereen een eikel maakt? Als afvaltaal een vorm van zelfmarketing is, dan moet het voor een CEO vooral verleidelijk zijn om het onaangename gedeelte van zijn of haar baan – de hoognodige zweepslagen – te verbergen in een stapel verbale watten. Korey zou niet mooier geklonken hebben als ze precies had gezegd wat ze waarschijnlijk bedoelde (‘Ik ben teleurgesteld in jullie werk, en er zullen consequenties volgen, rechtvaardig of niet’), maar ik betwijfel of ze daarmee in de problemen zou zijn gekomen. Gemeen gedrag doet mensen minder steigeren dan hypocrisie.
Zoals de gelekte Slacks duidelijk maken, werkten Korey en haar werknemers volgens de nieuwe voorwaarden van het surveillancekapitalisme (of, vanuit het perspectief van het bedrijf, een cultuur van ‘inclusie en transparantie’). Een reden voor de toename van vuilnis is precies dit gevoel van non-stoptoezicht. Werkgevers kunnen e-mails lezen en toetsaanslagen bijhouden en locaties volgen en de hoeveelheid tijd klokken die hun werknemers doorbrengen op Twitter. In een omgeving met constante controle is het veiliger om woorden te gebruiken die niets betekenen en tot verschillende betekenissen kunnen worden uitgerekt, voor het geval je betrapt wordt en jezelf moet verdedigen.
Niet zozeer Koreys strategie was haar probleem, als wel haar uitvoering. Away is opgericht door twee vrouwen die, in een klimaat waarin Glossier floreerde en een boek met de naam #GIRLBOSS bestseller was, empowermenttaal als een geweldige brand asset zagen voor nota bene een kofferfabrikant. Dat Korey in termen van kansen en groei met haar medewerkers sprak lag voor de hand. Haar fout was dat ze op hun dankbaarheid mikte. ‘Ik hoop dat iedereen in deze groep de moeite waardeert die ik heb gestoken in het creëren van deze kans.’
Ze was niet de enige binnen Away die door taalgebruik in de problemen kwam. Ongeveer een jaar eerder startte een handvol werknemers een privé Slack-kanaal om openhartig te praten over hoe ze binnen het bedrijf werden weggezet – waarschijnlijk in onverdedigbare niet-vuilnistaal. Het kanaal werd gemeld en zes medewerkers werden ontslagen. Korey diende vanwege haar wangedrag haar ontslag in als CEO, zat zich een paar weken thuis te schamen, veranderde toen van gedachten en eiste haar oude baan weer op. Wie deze twee uitkomsten naast elkaar in beschouwing neemt, kan onmogelijk de verkeerde conclusie trekken.
Zwendel
In 2011 liet ik wat prints op het bureau van een collega vallen toen ik in de buurt van zijn laptop iets kleurrijks zag liggen. Het was een klein aluminiumpakket met een aantrekkelijk ruitjesontwerp.
De assistent van mijn collega zat in de buurt. ‘Caroline,’ zei ik, ‘weet je wat dit is?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Jim zit bij een soort hardloopclub die hem elke maand een doos met wedstrijdspullen stuurt.’
Voorop het geruite pakket stond UPTAPPED: VOLLEDIG NATUURLIJKE ENERGIE. De marketingtekst luidde: ‘Te lang is atletische voeding gezoet met goedkope synthetische suikers. De eenvoud van duursporten verdient een eenvoudig ingrediënt – 100% pure, onvervalste, organische Vermont-ahornsiroop, de volledig natuurlijke sportbrandstof met lage glycemische index.’
Het was een pak ahornsiroop. Niets meer. Altijd als ik woorden hoor als operationaliseren of touchpoint, denk ik aan dat pakket – samengesteld door een anoniem persoon, waarschijnlijk met een Stanford-diploma en een veel hoger salaris dan ik, die ahornsiroop in tubes giet en labelt als sportbrandstof met een lage glycemische index. Het is geen misdaad om mensen ervan te overtuigen dat hun favoriete pannenkoekbeleg een levensvatbare biohack is, maar de woorden hebben een verneukeratieve bijsmaak. En dat is het dichtst dat ik tot een definitie van afvaltaal kan komen, een definitie die eveneens de eeuwige veranderlijkheid ervan verklaart: woorden met een verneukeratieve bijsmaak. Zoals bij elke zwendel, hangt de effectiviteit af van hoe je het brengt. Duizenden bedrijven hebben ons al doen geloven dat het bestellen van een matras of lipgloss een ideologische keuze is.
Het probleem met zulke woorden is niet dat ze je tot waanzin kunnen drijven, maar dat ze je vervuilen. Zodra je een woord hoort, zit het in je
In 2016 werd Jessica Helfand, auteur en oprichter van de website Design Observer, uitgenodigd om les te geven aan Yale School of Management. Het idee was dat Helfand laatstejaarsstudenten de kunst van het creatief denken bij kon brengen, die ze vervolgens konden gebruiken om bedrijven te starten en geld te verdienen. Ze ontwikkelde een onmiddellijk allergie voor de manier waarop haar studenten spraken. ‘Het begon in de eerste week dat ik daar was. Na mijn lezing zei een student: “Okee, mijn takeaway is…’” en ik dacht: “Take away” is wat je met eten in Londen doet. In plaats van een takeaway kan je je gedachten misschien beter een tijdje bij je houden en gewoon… denken.’
Helfand stelde een lijst samen van veelvoorkomende woorden en verdeelde ze in categorieën als ‘aan elkaar verbonden mengsels’ (omni-channel, level-setting, business-critical), ‘samengestelde termen’ (e-mail blast, integrated deck, pain point, deep dive) en ‘conceptuele hybriden’ (iemand een e-mail ‘schieten’, iemand ‘loopen’). Zulke termen duiden op ‘geambieerde autoriteit’, zei ze me. ‘Als je in een vergadering bent en je bent in de twintig en je wilt klinken alsof je er verstand van hebt, dan gebruik je zulke woorden.’ Helfand werd er wanhopig van. Dit was geen kwestie van onderwijs; deze leerlingen moesten worden gedeprogrammeerd. Ze vertrok voordat haar contract was afgelopen.
Soep met snot
Het probleem met zulke woorden is niet dat ze je tot waanzin kunnen drijven, maar dat ze je vervuilen. Zodra je een woord hoort, zit het in je. Het is je oren en hersenen binnengedrongen, van waaruit het niet selectief kan worden verwijderd. Soms duikt er een term in mijn hoofd op die ik al jaren niet meer heb gehoord – zoals holistische routekaart – en krijg ik het gevoel alsof iemand me zojuist verteld heeft dat ik in juli 2016 een kom soep heb gegeten met snot erin. De afkeer heeft gewonnen, ik kan er niks meer tegen doen.
Dat suggereert dat het weinig zin heeft om over irritante woorden te schrijven. De ergernissen zijn bovendien altijd tweeslachtig, want hangen vaak evenveel af van wie iets zegt als van wat er wordt gezegd. Toen Megan het had over ‘bedrijfskritieke vragen’ en ‘geïntegreerde decks op hoog niveau’, hoorde ik ‘Ik gebruik zinloze woorden en dwing je te doen alsof je ze begrijpt’. Toen een stagiair hetzelfde zei, hoorde ik iemand heldhaftig worstelen om mee te communiceren in het plaatselijk dialect. Ik haat bepaalde woorden deels vanwege de mensen die ze gebruiken; ik kan het niet helpen dat ik geneigd ben taalmisdrijven te vergelijken met misdaden van de ziel. Nietzsche voorspelt in Über Wahrheit und Lüge im aussermoralischen Sinne de extravagante krankzinnigheid van afvaltaal:
‘Een mobiel leger van metaforen, metoniemen, antropomorfismen, kortom: een opsomming van menselijke relaties die, poëtisch en retorisch opgeblazen, overgezet en opgesmukt werden en een volk na lang gebruik als gangbaar, canoniek en bindend toeschijnen: deze waarheden zijn illusies waarvan men vergeten is dat het illusies zijn, metaforen die opgebruikt en zintuiglijk krachteloos zijn geworden, munten die hun stempelbeeld verloren hebben en alleen nog als metaal dienen, niet langer als munten.’
Hij stelde voor (waar ik het niet per se mee eens ben) dat we gewoon helemaal van functionele spraak afzien – van de schijn dat onze persoonlijke werkelijkheden in een gemeenschappelijke taal te verbinden zijn. Zijn ironische oplossing was om poëtisch te spreken (waarmee hij bedoelde dat je dingen opzettelijk noemt wat ze niet zijn).
Taal is altijd een kwestie van intentie. Twee mensen kunnen niet minder met elkaar gemeen hebben dan wanneer ze hetzelfde zeggen, de één oprecht en de ander sarcastisch. En dus vormt elke uitwisseling een realiteit op zich, waarin woorden als optionality en deliverable net zo solide zijn als blimp en krakeling.
Wat gebeurt er als je een Megan of Steph Korey of Adam Neumann vraagt wat ze bedoelen? Ik stel me een doos voor met een reeks valse bodems; je blijft maar dieper en dieper in wartaal vervallen. De diepere dreiging van vuilnistaal – de reden waarom het niet alleen irritant is maar zelfs gevaarlijk – is dat deze een manier is om misleiding op de werkvloer te belonen.
Auteur: Molly Young
Vulture
Verenigde Staten | vulture.com
Entertainment-website van het team dat ook New York Magazine maakt. Wil een baken zijn voor gepassioneerde fans die op zoek zijn naar slimme, diepgaande stukken over films, tv, muziek en aanverwanten. Vulture richt zich zowel op hoge als lage cultuur, ‘omdat je nooit weet waar het volgende echt briljante moment vandaan komt’.

