Wetenschappers zijn het erover eens dat er een verband is tussen een scherpe geest en bewegende benen. Maar hoe sterker we ons bewust worden van die voordelen, hoe meer de bezigheid een doelgerichte arbeid lijkt te worden. En we wilden toch juist wandelen om te ontspannen?
Volgens LifeSpan, een bedrijf dat fitnessartikelen maakt, zou een bureau met loopband goed zijn voor mijn creativiteit. Op de website van het bedrijf, waar ik voor 1099 dollar het basismodel kan kopen, staat een inspirerend bedoeld citaat van Nietzsche: ‘Alle waarlijk grote gedachten zijn tijdens het wandelen ontstaan.’ Wetenschappers zijn het erover eens dat er een verband is tussen een scherpe geest en bewegende benen. Uit onderzoeken is gebleken dat we tijdens of vlak na lichaamsbeweging beter presteren bij geheugen- en aandachtstesten.
Ook is uit onderzoek gebleken dat de geestelijke omzwervingen van een wandelaar bijzonder bevorderlijk zijn voor innovatie. ‘Bovenal, verlies niet uw verlangen om te wandelen’, was het advies van Søren Kierkegaard, en ik ben echt niet de enige schrijver die aan die oproep gehoor heeft gegeven en vaak de ene voet voor de andere heeft gezet op zoek naar nieuwe inzichten en doorbraken in netelige kwesties.
Al voordat er rond dit onderwerp wetenschappelijke bewijzen en filosofische raadgevingen opkwamen, bestond er een overvloed aan literaire lofzangen op de heilzame werking van wandelen voor de creativiteit en de gezondheid. Niemand heeft zo onvermoeibaar zijn best gedaan om nieuw leven te blazen in de aloude aansporingen om toe te treden tot de ‘Orde der Wandelaars’ als de Britse redacteur en BBC-producent Duncan Minshull. Al in 2000 was hij een van de samenstellers van The Vintage Book of Walking:A Glorious, Funny and Indispensable Collection, dat bovendien een zeer uitgebreide bloemlezing uit het evangelie van deze orde was en zowel fictie als non-fictie omvatte. Het boek werd in 2014 opnieuw uitgegeven als While Wandering: A Walking Companion.
Nu komt Minshull met het veel minder uitwaaierende Beneath My Feet: Writers on Walking, met daarin 36 getuigenissen over de stimulerende literaire kracht van wandelen. Schrijvers van Petrarca en Franz Kafka tot Will Self hebben hun enthousiasme voor ‘kuieren, struinen, stappen, stampen, trekken en zwerven’, zoals Minshull het verwoordt, geboekstaafd. Mooiere aanbevelingen voor de creatieve waarde van wandelen zul je niet snel vinden. En toch, hoe meer ik er las, hoe meer vragen deze eenentwintigste-eeuwse wedergeboorte van het voetgangersevangelie bij me opriep. Nee, ik ben mijn verlangen niet verloren, Kierkegaard, maar ik ben er wel anders over gaan denken – en ik wou dat dat niet zo was.
Beneath My Feet gaat terug naar de veertiende eeuw, maar komt pas echt op gang in de periode van de Romantiek. Toen raakten wandelen en schrijven onlosmakelijk met elkaar verbonden. In een essay uit 1902 betoogt recensent en biograaf (en vader van Virginia Woolf) Leslie Stephen dat de Romantiek, met haar sublieme beelden van de natuurlijke wereld, ‘duidelijk voor een groot deel, of zelfs geheel het gevolg is van de hernieuwde beoefening van het wandelen’.
Het is gemakkelijk om je voor te stellen hoe William Wordsworth – die in zijn voorwoord bij Lyrical Ballads schreef dat ‘de wezenlijke passies van het hart betere grond vinden’ in een landelijke omgeving – ‘The Prelude’ eruit stampt, met zijn benen als zijn metronoom. In een essay uit 1822 beschrijft William Hazlitt hoe Samuel Taylor Coleridge ‘een landschap kon omzetten in een didactisch gedicht of een pindarische ode’.
Het beeld van de schrijver-wandelaar was in de twintigste eeuw zo stevig geworteld dat iemand welbewust een wandeling kon ondernemen bij wijze van literair leerlingschap. In een herinnering aan New York uit 1975 vertelt romanschrijver en essayist Edward Hoagland hoe hij door de straten van zijn geboortestad zwierf. De schrijver inhaleerde zo het ruwe materiaal dat de brandstof voor zijn creativiteit zou worden: ‘Ik wist dat ik met elke kilometer die ik liep een betere schrijver werd.’
Politieke impuls
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw kreeg literair wandelen een nieuwe politieke impuls. ‘Denken wordt vaak beschouwd als nietsdoen in een op productie gerichte cultuur’, schrijft Rebecca Solnit in haar boek Wanderlust: A History of Walking (2001), en ‘nietsdoen is moeilijk (…) wat nietsdoen nog het dichtst benadert is wandelen’. Vanuit dit gezichtspunt is wandelen een vorm van protest tegen het kopen en verkopen, tegen doelgericht bezig zijn. Het is een autonome mars tegen de stroom van het conformisme in. En net als de slowfoodbeweging geeft de slowvervoerliteratuur het wandelen een belangrijke rol in het beeld van een duurzamere toekomst.
In zijn nieuwe boek Å gå. Ett skritt av gangen [vertaald als Het plezier van wandelen] benadrukt de Noorse schrijver en ontdekkingsreiziger Erling Kagge net als Solnit de politieke aspecten van het wandelen. Niet dat zijn type wandelen ook maar enigszins op ‘nietsdoen’ lijkt. Kagge is de eerste mens die te voet de ‘drie polen’ (de Noordpool, de Zuidpool en de Mount Everest) heeft bedwongen. Hij heeft het rioleringsstelsel van New York doorkruist, een weerzinwekkende tocht waarbij hij ‘innerlijke stilte’ beoefende en de bekende lijst inspirerende beloningen oogstte.
Wat Kagge wil benadrukken, is dat hij schrijft in reactie op de moderne gevaren van hoge snelheid en gemak die een bedreiging vormen voor de innerlijke stilte. ‘Zitten heeft te maken over het verlangen van de machthebbers dat wij bijdragen aan het vergroten van het bbp’, schrijft Kagge, ‘en met het verlangen van grote bedrijven dat we zo veel mogelijk consumeren en uitrusten wanneer we daar niet mee bezig zijn.’ Wandelen is een aanval op de cultuur. ‘Het is een van de meest radicale dingen die je kunt doen.’
“Ik wist dat ikmet elke kilometer die ik liep een betere schrijver werd”
Maar hoe radicaal is die wederopstanding van de schrijver-wandelaar waar Minshull twintig jaar geleden op hoopte en die hij bewaarheid heeft zien worden? Net als protesteren zou ook wandelen tot de meest democratische activiteiten moeten behoren. Kijk je echter beter naar het genre, dan zie je dat de schrijver-wandelaar zichzelf een verrassend exclusieve status toedicht.
Henry David Thoreau – die Kagge toejuicht als ‘een van de belangrijkste voortrekkers van het wandelen’ en aan wie Minshull in zijn beide bloemlezingen veel ruimte gunt – is een lyrische metgezel, zoals hij onder de ‘pure veerkrachtige hemel’ van een winterlucht struint. Maar verderop in Minshulls fragment uit diens essay ‘A Winter Walk’ bleek de ‘reiziger’, zoals Thoreau zichzelf noemt, toch niet zo egalitair als ik had gedacht. In de ‘wilde landschappen’ van de natuur komt Thoreau een groep arme landarbeiders tegen. Hij staat even stil om te kijken hoe een van de mannen ‘net zomin als de gaaien en muskusratten het landschap minder wild maakt, maar daar staat als deel ervan’ – meer natuurlijk decor dan medereiziger. Zelfs als Thoreau toegeeft dat de man ‘ook een aanbidder van het ongeziene’ is, suggereert hij nog dat de schrijver-wandelaar een categorie apart is.
Een fragment uit Flâneuse (2016) van Lauren Elkin zet uiteen dat in de meeste Franse woordenboeken niet eens de vrouwelijke vorm van flâneur te vinden is. Om alleen door het negentiende-eeuwse Parijs te kunnen wandelen moest George Sand zich in mannenkleren hullen. Die vermomming gaf haar een vrijheid die haar verbeeldingskracht aan het werk zette: ‘Ik kon een hele roman scheppen terwijl ik van de ene kant van de stad naar de andere liep.’ Virginia Woolf lijkt heel even de heldhaftige uitzondering te worden wanneer we haar in haar eentje de ‘champagnehelderheid van de lucht’ in zien stappen om te genieten van ‘duisternis en lamplicht’. Maar, vertelt ze ons, deze stoutmoedige nachtelijke wandeling vindt plaats tussen vier en zes uur ’s middags.
De woorden van de Pakistaans-Britse romanschrijfster Kamila Shamsie gelden nog steeds: ‘Een vrouw die na middernacht alleen loopt, is zich er altijd te veel van bewust dat ze alleen is om die ruimte van het alleen-zijn werkelijk te kunnen bewonen.’
Ingelijfd
Terwijl ik voorbeelden van het genre las en ook talloze artikelen en advertenties die getuigen van de creatieve werking van wandelen, begon ik me ongemakkelijk te voelen bij dit evangelisatiewerk. Is het wel zo’n bevrijding om lid zijn van de ‘Orde der Wandelaars’? Zelfs wie het geluk heeft tot de rangen daarvan te behoren, zou zich kunnen afvragen of er wel sprake is van ongestoord alleen zijn en de gedachten de vrije loop laten, als wandelen voortdurend wordt gerechtvaardigd in termen van productiviteit. De wandelrevival van de eenentwintigste eeuw is dan wel begonnen als politiek tegenwicht, maar is ingelijfd door de krachten waartegen hij zich juist wil verzetten.
Hoe sterker schrijvers zich bewust worden van de creatieve voordelen, hoe meer het wandelen een doelgerichte arbeid wordt, juist datgene waartegen we ons wilden verzetten. Dat gevaar is er altijd geweest. William Hazlitt hint erop in zijn fragment in Beneath My Feet. ‘Als ik op het platteland ben’, schrijft hij, wil ik vegeteren als het platteland.’ Krijgt hij het gevoel dat hij met zijn wandelingen een geschreven stuk moeten produceren, ‘zoals mijn oude vriend Coleridge’, dan wordt ‘plezier zware arbeid’.
Solnit breekt een lans voor iets dat vergelijkbaar is met het vegeteren van Hazlitt, als ze schrijft dat wandelen ‘niets anders produceert dan gedachten, ervaringen, aankomsten’. Maar in de literatuur van het wandelen wordt een wandeling keer op keer neergezet als een methode van werken. Minshull houdt ons de mogelijkheid voor dat onder het wandelen ‘gedachten worden losgemaakt, wat tot creativiteit leidt, tot een strofe of een alinea’, dus hoe kan een schrijver ooit wandelen om het wandelen zelf? Zelfs Hazlitt, die aangeeft wat het kan betekenen om te vegeteren, maakte van dat idee een uitstekend stuk schrijfkunst. Ook Solnit gebruikte haar gedachten, ervaringen en aankomsten voor haar boek.
Net als de slowfoodbeweging geeft de slowvervoerliteratuur het wandelen een belangrijke rol in het beeld van een duurzame toekomst
Een groot deel van dit essay is ontstaan terwijl ik wandelde. Soms was ik opzettelijk op stap gegaan om het alleen zijn te bewonen, in de hoop dat mijn ideeën een geheel zouden gaan vormen. Andere keren liep ik te broeden op alinea’s als deze terwijl ik mijn gewone dagelijkse gang ging, te voet op weg naar een koffiezaak of kruidenierswinkel.
Ergens onderweg drong tot me door dat ik als schrijver nooit wandel zonder te werken. Op de betere grond van Wordsworth heb ik een kantoor gebouwd. In Kagges innerlijke stilte ratelt mijn toetsenbord. Ik hoef niets van LifeSpan te kopen, want ik loop al op een onzichtbare loopband achter mijn bureau, terwijl ik onafgebroken de krachten onder mijn voeten naar het volgende honorarium stuur.
Hoe zou het zijn om voor één keer alleen maar te wandelen en er niets over te zeggen?
Auteur: Michael Lapointe
The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000
Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

