ANP 431477819 2


Vandaag de dag verzetten de allerrijksten zich tegen belastingverhogingen en financieringen voor hulpprogramma’s, wat historisch gezien uitzonderlijk is. Volgens econoom Guido Alfani snijdt de elite zichzelf hiermee in de vingers.

Gedurende een groot deel van de westerse geschiedenis zijn de rijkste mensen door hun gemeenschap met scheve ogen bekeken en hebben ze geprobeerd in een gunstiger daglicht te komen door hun samenleving financieel te hulp te schieten in tijden van crisis, zoals tijdens epidemieën, hongersnoden en oorlogen. Deze symbiotische relatie bestaat niet meer. De hedendaagse rijken, die hun vermogen over het algemeen veilig door de Grote Recessie van 2008 en de recentere coronapandemie hebben geloodst, verzetten zich tegen pogingen om hun rijkdom af te romen voor de financiering van allerlei hulpprogramma’s.

Dit is historisch gezien uitzonderlijk. Het financieel bijspringen tijdens grote crises is lange tijd de belangrijkste sociale functie van de rijken binnen de westerse cultuur geweest. Wanneer in het verleden het idee bestond dat de rijksten ongevoelig waren voor de benarde toestand waarin de massa verkeerde, en al helemaal wanneer ze een slaatje uit die toestand leken te slaan (of daar alleen maar van verdacht werden), zorgde dat voor maatschappelijke onrust, die ontaardde in rellen, opstanden en geweldpleging jegens rijken. Aangezien geschiedenis de onaangename hebbelijkheid heeft zich te herhalen, zouden we er goed aan doen de huidige ontwikkelingen, inclusief het onvermogen van wetgevers om de belasting voor rijken te verhogen, vanuit een langetermijnperspectief te bezien.

Zondaars

Laten we beginnen met de overweging dat westerse samenlevingen altijd moeite hebben gehad met de aanwezigheid van zeer rijke, of zelfs supperrijke individuen. Middeleeuwse theologen beschouwden rijke mensen als zondaars en vonden dat het vergaren van grote sommen geld ontmoedigd moest worden. Op zijn minst werd van de rijken verwacht dat ze het niet al te breed lieten hangen en dat ze omwille van hun zielenheil met gulle hand aan goede doelen schonken.

Maar toen nieuwe ontwikkelingen op het gebied van handel en geldwezen mensen in staat stelden vermogens van nooit eerder vertoonde omvang op te bouwen, kon de aanwezigheid van extreem rijke individuen binnen de gemeenschap niet langer als een anomalie worden afgedaan. Vanaf de vijftiende eeuw werd, om te beginnen in de economisch meest ontwikkelde gebieden van Europa zoals Midden- en Noord-Italië, aan rijke mensen een specifieke sociale rol toebedeeld, namelijk die van particuliere geldbron waarop de gemeenschap in tijden van nood een beroep kon doen.

Niemand bracht dit beter onder woorden dan de Toscaanse humanist Poggio Bracciolini. In zijn in 1428 voltooide traktaat ‘De avaricia’ (‘Over hebzucht’) betoogde hij dat ‘steden die er traditiegetrouw openbare graanschuren op nahouden bij wijze van voedselreserve ook in ruime mate dienen te beschikken over inhalige lieden, teneinde een soort particuliere geldschuur te vormen die eenieder van dienst kan zijn’.

Er is historisch bewijs te over dat overal in de westerse wereld de rijken zich eeuwenlang op de meest uiteenlopende manieren van hun taak als geldschuur hebben gekweten, bijvoorbeeld door akkoord te gaan met het betalen van extra belasting in tijden van crisis of het verstrekken van leningen aan regeringen. In de vroegmoderne tijd ging het daarbij vaak om wettelijk afgedwongen leningen aan overheden, al moeten we ervoor waken deze als louter arbitrair machtsmiddel te beschouwen omdat ze niet waren voorbehouden aan absolute monarchieën maar ook, met name in oorlogstijd, werden afgedwongen door republikeinse regeringen zoals de Venetiaanse. Sterker nog, de rijke kooplieden die de belangrijkste ‘slachtoffers’ van gedwongen leningen waren, waren ook de bestuurders van patricische republieken die begrepen dat ze met particuliere middelen bijdroegen aan het algemeen nut. Zo legde de Republiek Venetië niet alleen na de verschrikkelijke plaag van 1630 gedwongen leningen op aan haar rijkste inwoners, maar werd er ook een beroep op hen gedaan om in de periode 1645-1669 een uitputtende oorlog met het Ottomaanse Rijk te financieren – al leverden vrijwillige leningen van haar patricische onderdanen de republiek een veel groter bedrag op.

Dit verschilt al met al weinig van het patriottisme waarmee veel rijken tijdens de wereldoorlogen inschreven op noodleningen, zoals de Liberty Bonds die de Verenigde Staten in de jaren 1917-1918 uitgaven om de geallieerde oorlogsinspanningen te financieren. Deze leningen bleken een slechte investering, aangezien de reële rente vanwege hyperinflatie geneigd was negatief uit te vallen. Maar in de twintigste eeuw was de grens tussen vrije keuze en verplichting even vaag als in de zeventiende, aangezien regeringen elke kans aangrepen om de sociale druk op rijken die niet over de brug kwamen op te voeren. Soms gingen ze nog verder: in 1917 dreigde de Britse minister van Financiën expliciet met het confisqueren van bedrijfsmiddelen als er niet een bepaald minimumbedrag zou worden opgehaald voor een nieuwe ‘vrijwillige’ oorlogslening.

De rijksten nemen niet langer de sociale rol op zich die ze eeuwenlang hebben vervuld

Echt nieuw aan de manier waarop de rijken in de twintigste eeuw hun bijdrage aan de oorlogsinspanning moesten opvoeren was de uitbreiding van het progressieve belastingstelsel, waarbij de schijf voor de hoogste inkomens aanzienlijk werd opgehoogd (het historische maximum in de Verenigde Staten werd bereikt in de jaren 1944 en 1945, met een percentage van 94 procent voor inkomens boven de 200.000 dollar). Ook de onroerendezaak- en erfbelasting gingen drastisch omhoog. Historisch gezien vormen oorlogen natuurlijk de beste motivatie om burgers om een hogere bijdrage te vragen, of het nu in de vorm van bloed is of van geld. Maar in de twintigste eeuw werd van de rijken ook tijdens economische crises in vredestijd, met name de Grote Depressie van de jaren dertig, verwacht dat ze aanzienlijk meer bijdroegen aan de rijksbegroting dan de rest van de bevolking. Een expliciet voorbeeld is het belastingpakket dat in de Verenigde Staten werd ingevoerd als onderdeel van Franklin Roosevelts New Deal.

De afgelopen vijftien jaar hebben we de Grote Recessie meegemaakt, die in sommige landen eveneens tot een staatsschuldencrisis leidde, gevolgd door de ergste pandemie sinds een eeuw, een aanhoudende oorlog in Oekraïne en de dreiging van een grootschalig conflict in het Midden-Oosten. Historisch gezien zou je verwachten dat er in deze periode opnieuw bij de rijken op aan was gedrongen dat ze hun traditionele rol zouden vervullen, en in veel westerse landen hebben politici dan ook voorstellen in die richting gedaan.

Maar tot dusver hebben de discussies nog niet tot concrete actie geleid en recente belastinghervormingen lijken weinig te hebben geholpen om de rijken meer te laten bijdragen. Uit recente gegevens over de belastinghervormingen door Europese landen in het kielzog van de coronapandemie blijkt dat de hoogste schijven van de inkomstenbelasting of, voor zover die bestaat, de vermogensbelasting maar zelden zijn verhoogd, of hooguit in bescheiden mate. In de Verenigde Staten zijn voorstellen van de regering-Biden om de belasting voor de allerrijksten te verhogen, zoals een minimaal inkomstenbelastingtarief voor miljardairs, herhaaldelijk gesneuveld door gebrek aan voldoende politieke steun.

Dit is verontrustend. Het betekent dat de rijksten dus niet langer de sociale rol op zich nemen die ze eeuwenlang hebben vervuld. Bovendien wordt hierdoor hun positie in de maatschappij enigszins onduidelijk.

Ook moeten we ons afvragen of de uitzonderlijke veerkracht die de rijken bij recente crises aan de dag hebben gelegd de maatschappij als geheel niet minder veerkrachtig heeft gemaakt; want als de rijken hun vermogen tegen crises beschermen, betekent dat ook dat ze het tegen extra belastingen beschermen, waardoor overheden over onvoldoende middelen beschikken om de nood van de armere lagen van de bevolking, economisch of anderszins, te lenigen. Tot op zekere hoogte hebben regeringen dit gecompenseerd door de staatsschuld te verhogen, wat de vraag oproept wie die zal aflossen. Als je bedenkt dat veel westerse belastingsystemen hun rijken niet in dezelfde mate belasten als voorheen, is het waarschijnlijk dat de mate waarin de rijken zullen opdraaien voor de rekening van de covid-19-crisis extreem veel lager zal zijn dan die gedurende eerdere crises.

Geschonden

Hoe is zoiets mogelijk als de meerderheid van de inwoners van westerse landen (inclusief een deel van de rijken, zoals blijkt uit de In Tax We Trust-campagne) het erover eens is dat het doodnormaal is en volledig in lijn met de geschiedenis om in deze uitzonderlijke tijden een grotere bijdrage van de allerrijksten te vragen? Een andere culturele constante in de geschiedenis van het Westen is de wijdverbreide verdenking dat als de rijkste componenten van de samenleving rechtstreeks bij de politiek worden betrokken, ze buitensporig veel invloed kunnen uitoefenen op het politieke debat. Hier was men zich bijvoorbeeld goed bewust van in de middeleeuwen, toen in Europa veel republikeinse stadsbesturen probeerden te voorkomen dat de rijkste families toegang kregen tot de hoogste openbare ambten. En ook in de moderne tijd duikt die verdenking weer regelmatig op: denk aan de discussie over de toenemende concentratie van economische en financiële macht in de Verenigde Staten gedurende de eerste decennia van de twintigste eeuw, die bij beide politieke partijen leidde tot de vrees dat enkele superrijke individuen een doorslaggevende stem in de nationale politiek zouden kunnen krijgen.

Maar vandaag de dag wordt de politieke betrokkenheid van de allerrijksten in veel westerse landen voor lief genomen. In sommige gevallen zijn superrijken zelfs president of premier geworden: een vroeg voorbeeld was Silvio Berlusconi, die in 1994 voor het eerst tot premier van Italië werd verkozen. Misschien zijn de recente pogingen om de rijken meer te laten bijdragen tijdens crises wel zo uitzonderlijk onsuccesvol geweest doordat de rijken zo uitzonderlijk goed in staat zijn om het beleid te beïnvloeden. Bovendien, zo zullen de superrijken als eersten bevestigen, betalen ze in absolute zin al meer belasting dan wie dan ook, een argument dat regelrecht uit de mond van een zeventiende-eeuwse Venetiaanse patriciër had kunnen komen, ware het niet dat de patriciër zich niet genoodzaakt zou hebben gevoeld een rechtvaardiging voor zijn bevoorrechte fiscale behandeling te verschaffen.

Als de rijken actief hebben geprobeerd een hogere fiscale bijdrage te ontlopen, dan hebben ze zichzelf (en iedereen) daarmee misschien wel in de vingers gesneden. In veel westerse landen is het electorale succes van partijen die duidelijk tegen de gevestigde orde en de rijken zijn gekant vermoedelijk het gevolg van een wijdverbreide afkeer van een economische (en politieke) elite die als egocentrisch en opportunistisch wordt beschouwd. Dat de rijken een eeuwenoud sociaal contract hebben geschonden door de deuren van hun geldschuren dicht te houden, zal daarbij naar alle waarschijnlijkheid een rol spelen.

Guido Alfani is hoogleraar economische geschiedenis aan de Bocconi-universiteit in Milaan.


Deel dit artikel


Recent verschenen