Mensenvet werd in de zeventiende eeuw gebruikt als pijnstiller bij verstuikingen en gebroken botten. Het werkte ook goed tegen reuma. En zweet van doden werd opgevangen om er aambeien mee te behandelen.
Vet, van plantaardige, dierlijke of menselijke oorsprong, is sinds mensenheugenis een belangrijk element in de Europese farmacologie. Om niet geheel duidelijke redenen ontstond er rond de zestiende en zeventiende eeuw extra veel belangstelling voor menselijk vet. In 1543 instrueerde medicus Andreas Vesalius anatomen die beenderen kookten voor het onderzoek naar skeletten, om de vetlaag zorgvuldig te bewaren, ‘voor het welzijn van de massa, die er een aanzienlijke effectiviteit aan toeschrijft bij het doen verdwijnen van littekens en het bevorderen van de groei van zenuwen en pezen’.
Vesalius wist waar hij het over had. In die tijd werd in brede kring – en niet alleen door ‘de massa’ – gedacht dat mensenvet wonden heelde en werd dat vet meestal geoogst bij mensen die pas waren overleden. In oktober 1601 gingen Hollandse chirurgen na een bijzonder bloedige slag tijdens het Beleg van Oostende het slagveld op, om terug te keren met ‘zakken vol mensenvet’, vermoedelijk om daarmee de wonden van hun eigen soldaten te behandelen.
Het vet van soldaten mag dan effectief zijn geweest, dat van ter dood gebrachte misdadigers was gemakkelijker om aan te komen. ‘Armezondaarsvet’ zoals het heette, werd uit het lichaam van een pas-geëxecuteerde gehaald en gebruikt voor de behandeling van verstuikingen, gebroken botten en artritis. Ook kregen patiënten mensenvet voorgeschreven als pijnstiller of tegen ischias en reuma, terwijl zweet van doden werd verzameld voor de behandeling van aambeien. Tot halverwege de achttiende eeuw dreven beulen in München een lucratieve handel in het vet van de lijken van hun ongelukkige klanten, dat ze aan de man brachten als middel tegen allerlei kwalen en per pond aan artsen leverden.
De veroordeelden, die vaak geloofden in de christelijke leer van de lichamelijke wederopstanding, werden gekweld door de wetenschap wat er van hun lichaam zou worden. Maar zaken waren zaken en de beulen bleven, tegen de wens van de donoren in, vet, bloed en andere delen van lichamen leveren aan wie ze maar wilden kopen. En niet alleen gewone mensen kochten deze waren. Een apotheker die zijn vak verstond hield grote voorraden mensenvet (Axungia hominis) aan naast veel andere vaste en vloeibare stoffen uit het menselijk lichaam – medisch materiaal dat ‘moes’ werd genoemd.
Helende werking
Waarom was mensenvet zo gewild? En wat maakte juist het vet van omgebrachte misdadigers bijzonder?
Het gebruik van vet voor medische doeleinden werd gezien als een natuurlijke en niet als een magische handeling en was dus gebaseerd op aannames over de fysieke eigenschappen van de stof zelf. Veel van deze ideeën zijn nu natuurlijk achterhaald, maar het idee dat vet een helende werking op wonden had, was niet helemaal uit de lucht gegrepen. De artsen van tegenwoordig weten dat vetweefsel sterk angiogeen is, wat wil zeggen dat het de groei van nieuwe bloedvaten uit oudere vaten stimuleert.
Misschien gebruikten vroegmoderne mensen het vet gewoon omdat ze merkten dat het werkte. Maar de redenen die ze daarvoor gaven zullen de meeste moderne lezers minder overtuigend in de oren klinken.
Volgens de zestiende-eeuwse Zwitserse arts Paracelsus en zijn navolgers bleef iets van de vitaliteit van de mens achter in het lichaam na zijn dood. Deze levenskracht, beweerden ze, was het sterkst aanwezig in het lichaam van gezonde jonge mannen die een gewelddadige dood waren gestorven, met name wanneer – zoals bij een executie – de dood zo snel intrad dat de levenskracht geen tijd had om het lichaam te verlaten. Waar dit idee vandaan kwam is niet zeker, en zelfs Paracelsus heeft toegegeven dat hij veel van zijn medische kennis had opgedaan van de beulen die in dit soort stoffen handelden. Maar het gebruik van mensenvet bleef wijdverbreid onder leken en medici, zelfs bij de meer orthodoxe galenische artsen.
Deze alom bekende handel in mensenvet wekte onvermijdelijk de angst dat het kostbare materiaal op minder legale manieren geoogst zou kunnen worden, en misschien met kwade bedoelingen. Deze angst werd bewaarheid bij Spaanse confrontaties met de oorspronkelijke bevolking van de Nieuwe Wereld. Militair en chroniqueur Bernal Díaz del Castillo beschreef hoe hij, na zijn eerste slag met de Tlascanen in de Andes, het lichaam van een dikke gedode Tlascaan openmaakte om de wonden van zijn soldaten in te smeren met het vet van de dode man en dat in latere veldslagen vaker inheems vet werd gebruikt om gewonde Spanjaarden te genezen. Dit was een normale medische behandeling onder de conquistadores, van wie nog een andere, Hernando de Soto, ook inheems vet zou hebben gebruikt als medicijn.
Niet alleen rond koloniaal geweld waren er zorgen over het onwettig oogsten van mensenvet. Ook in Europa zelf doken geregeld beschuldigingen op over verboden vetverwijdering. Vanuit een traditie die nog uit de middeleeuwen stamde, vooral in Germaanse culturen, geloofden veel dieven dat ze bij hun nachtelijke strooptochten niet betrapt zouden worden als ze een kaars van mensenvet of van de vingers van dode baby’s aanstaken. Zolang die ‘dievenkaars’ brandde, had de inbreker de macht der onzichtbaarheid en bleven de huiseigenaren diep in slaap.
Vet stimuleert de groei van nieuwe bloedvaten
Dat mensenvet zo’n prominente plaats zou innemen in de Europese apotheken is dus niet zo verrassend. Maar al hadden apothekers dan mensenvet en andere lichaamsdelen in voorraad, dat wil nog niet zeggen dat medische specialisten de toepassing daarvan goedkeurden. Veel van hen hebben altijd volgehouden dat mensenvet niet verschilde van andere soorten vet. Halverwege de achttiende eeuw begon de belangstelling uit professionele medische hoek voor mensenvet steeds meer te tanen.
‘Tegenwoordig,’ schreef medicus John Hill, ‘zijn we verstandig genoeg om te weten dat de deugden die worden toegeschreven aan delen van het menselijk lichaam allemaal ofwel ingebeeld zijn of niet verschillen van die van andere dierlijke stoffen.’ Dit negatieve oordeel in combinatie met de groeiende concurrentiestrijd tussen artsen en beulen om de toegang tot dode lichamen, leidde er uiteindelijk toe dat de beulen het recht om lijken te leveren werd ontnomen.
Maar er was meer nodig dan de opgetrokken wenkbrauwen van een stel artsen om de clandestiene handel in mensenvet de kop in te drukken. Jarenlang bestond er een bloeiende vethandel vanuit de anatomische theaters van Parijs. Toen die uiteindelijk in het begin van de negentiende eeuw aan het licht kwam, werd het nieuws stilgehouden om het grote publiek niet ongerust te maken. Voordat de politie hen naar aanleiding van tips op heterdaad betrapte, onderhielden medische assistenten van verschillende anatomische ruimtes een nauwe samen-werking met hun tegenvoeters op de medische faculteit om het vet beschikbaar te maken voor het publiek.
Bij politie-invallen bleek dat minstens vier van deze handelaren het vet in hun eigen huis bewaarden. Een van hen werd betrapt met grote hoeveelheden van het spul in zijn appartement. Een andere, die kennelijk geen geschiktere bewaarplaats bezat, had twee zand-stenen sierfonteinen gevuld met het gestolen vet. Een redelijke hoeveelheid werd verkocht aan medische kwakzalvers en gebruikt om de doktersbeurzen te spekken, maar de grootste afnemers in deze handel waren toch de emailleerders en makers van nepparels; zij dachten dat ze vet ontvingen van paarden of honden. Zeiden ze.
Fat
Fat van Christopher Forth laat zien dat vet meer is dan waar men op het eerste gezicht misschien aan denkt. Viezigheid. Vetranden en vetbanden. Onterecht is het woord in ongenade geraakt, beweert de auteur en geeft een historische analyse over hoe vet en dikheid is waargenomen sinds de oudheid. Forth graaft diep in filosofische, religieuze en cultuurhistorische verhalen om de wortels van onze huidige opvattingen en vooroordelen bloot te leggen. Christopher E. Forth is professor in de geesteswetenschappen en geschiedenis aan de Universiteit van Kansas.
Auteur: Christopher Forth
Christopher Forth is professor in de geesteswetenschappen en geschiedenis aan de Universiteit van Kansas. Hij heeft verschillende boeken op zijn naam staan, zoals Masculinity in the Modern West and Fat: A Cultural History of the Stuff of Life.
The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000
Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

