CUL Te Deum Laudamus compressed


Niemand ontsnapt aan ten minste een paar van de zeven hoofdzonden. Gulzigheid bijvoorbeeld.

Ik heb een vriend – misschien herken je het wel – die ontzettend precies is als het op koffie aankomt. Hij gaat alleen naar de hipste koffiebars, van die plekken waar ze T-shirts van vijftig pond verkopen met het logo van de zaak erop. Zijn koffiebonen koopt hij in kleine, stijlvolle zakjes. Het liefst Ethiopische bonen – al vindt hij Keniaanse ook nog acceptabel – die hij thuis vervolgens ‘middelgrof’ maalt voor zijn Chemex, een glazen handmatige koffiemaker.

Maar wie hou ik voor de gek? Die vriend ben ik zelf. Ik ben die koffiesnob. Daarnaast hou ik van ambachtelijk bier, kalamataolijven en amandelcroissants van zuurdesem. Lange tijd zag ik die verfijnde voorkeuren vooral als iets om trots op te zijn. Tot ik ontdekte dat ik mezelf volgens de middeleeuwse manuscripten die ik bestudeer regelrecht de hel in help. Want volgens die teksten valt mijn verfijnde smaak onder een van de hoofdzonden: gulzigheid. En in de middeleeuwen ging die zonde minder over het lichaam dan over de geest.

Volgens de filosoof Thomas van Aquino (ca. 1225-1274) kent gulzigheid vijf vormen. Sommige daarvan herkennen we vandaag nog moeiteloos. Je kunt bijvoorbeeld 1) te veel eten of drinken, 2) te snel eten of drinken, of 3) je er te gulzig op storten. Maar de andere twee vormen zijn verrassender. In de middeleeuwen gold je ook als gulzig wanneer je 4) overdreven verfijnd of luxueus omging met eten en drinken, bijvoorbeeld door te fixeren op exclusieve producten. Of wanneer je 5) buitensporig veel aandacht besteedde aan de bereiding ervan: een uitgebreid pannenkoekenontbijt maken of een tostada met olijven en ansjovis alsof het een ritueel is. Gulzigheid was dus ook de zonde van overdreven verfijning en omhaal rond eten.

Verfijning

Op die ochtenden waarop ik mijn Ethiopische Yirgacheffe-koffie nauwkeurig afwoog en met een thermometer controleerde of het water exact negentig graden was, trapte ik volgens de middeleeuwse moraal precies in die laatste twee valkuilen.

Maar wat is er eigenlijk mis met verfijning? Volgens Thomas van Aquino schuilt het gevaar erin dat zulke obsessies de geest overnemen. Mijn fixatie op koffie, ambachtelijk bier en croissants is volgens hem een vorm van ‘concupiscentie’: een egocentrisch verlangen dat het denken overneemt en het beoordelingsvermogen vertroebelt. Wanneer ik in de supermarkt sta, volledig gefascineerd door de luchtigheid van een briochebrood, sluit ik mezelf af van de wereld om me heen. Mijn obsessie vernauwt mijn blik. Ik zie de mensen, ideeën en dingen om mij heen niet echt meer.

Voor kenners van middeleeuwse theologie klinkt dat waarschijnlijk bekend. Blind worden door obsessie is precies waar de zeven hoofdzonden altijd om draaiden. Het Latijnse woord voor jaloezie, invidia, betekende letterlijk ‘niet zien’. Tegenwoordig zijn die zonden echter vooral een cultureel cliché geworden. Hoogmoed, jaloezie, woede, luiheid, hebzucht, gulzigheid en lust klinken in 2026 eerder als namen van cocktails of personages uit een Pixarfilm.

Volgens Dante Alighieri komen alle hoofdzonden uiteindelijk voort uit liefde – maar dan liefde die ontspoord is

Maar in de middeleeuwen waren de hoofdzonden veel meer dan een lijstje verboden gedragingen. Ze vormden een soort psychologische kaart van menselijke verlangens: een manier om de diepste impulsen van de geest te begrijpen. Eeuwenlang waren ze de ruggengraat van de Europese biecht- en zelfhulpcultuur. En oorspronkelijk waren ze minder veroordelend dan wij vandaag vaak denken.

Het systeem ontstond ruim zestien eeuwen geleden in de Egyptische woestijn en werd bedacht door Evagrius Ponticus. Deze denker, afkomstig uit de streek rond de Zwarte Zee, trok zich na een seksschandaal terug uit het openbare leven omdat hij zichzelf opnieuw wilde uitvinden als een soort ‘atleet van de geest’: iemand die zijn gedachten en verlangens streng probeerde te beheersen. Hij bracht uren door in ijskoude putten en geselde zichzelf.

Maar nog opvallender was dat hij al zijn negatieve gedachten begon op te schrijven. Sommige waren banaal, andere ronduit paranoïde. Toen hij ze bundelde, merkte hij dat ze onder acht categorieën vielen: gulzigheid, lust, hebzucht, verdriet, woede, luiheid, ijdelheid en hoogmoed. Hij wilde die gedachten bestrijden, maar erkende tegelijk dat niemand eraan ontsnapt. Het waren volgens hem de ‘acht fundamentele gedachten’: verlangens die iedereen kent, hoe goed of zuiver iemand zichzelf ook vindt.

Dante Alighieri

In de eeuwen daarna verspreidde dit systeem zich razendsnel. Tegen de twaalfde eeuw waren de ‘acht gedachten’ omgevormd tot de ‘zeven hoofdzonden’: verdriet werd samengevoegd met luiheid, ijdelheid ging op in hoogmoed en jaloezie werd toegevoegd. Vooral onder Europese studenten sloeg het systeem enorm aan. In de dertiende eeuw gebruikten priesters de hoofdzonden als hulpmiddel tijdens biechten en pastorale gesprekken. En in de veertiende eeuw doken ze overal op in de populaire cultuur.

Giotto schilderde de hoofdzonden op de muren van de Arena-kapel. Geoffrey Chaucer en John Gower gebruikten ze als structuur voor hun literaire werken. Maar hun bekendste ambassadeur was waarschijnlijk Dante Alighieri. In zijn Purgatorio laat hij trotse zondaars zware stenen torsen en woedende zielen verstikken in dikke zwarte rook.

Toch schuilde achter al die straf en symboliek ook een opvallend mild idee. Volgens Dante Alighieri komen alle hoofdzonden uiteindelijk voort uit liefde – maar dan liefde die ontspoord is. Hoogmoed ontstaat wanneer eigenliefde doorslaat. Jaloezie is liefde voor succes die omslaat in genoegen bij andermans mislukking. Woede is een krampachtige drang om gelijk te hebben. Lust en hebzucht zijn ontspoorde verlangens naar seks en geld. En luiheid – misschien wel de moeilijkst te begrijpen zonde – ontstaat wanneer iemand het vermogen verliest om ergens nog echt om te geven.

De conclusie? Je hoeft jezelf niet volledig te veroordelen voor je gulzigheid. Het komt voort uit iets fundamenteel menselijks: het verlangen naar comfort, voeding en genot. Alleen staat dat verlangen soms nét iets te hard afgesteld.

Maar wat moet je daar dan mee? Volgens paus Gregorius de Grote (ca. 540-604) zit het probleem niet in het eten zelf, maar in het voortdurende denken eraan. Stop met obsessief bezig zijn met voedsel, vond hij. Ontwikkel wat de veertiende-eeuwse geleerde Conrad van Megenberg een ‘nuchtere smaakdiscipline’ noemde. Niet door jezelf uit te hongeren of luxeproducten volledig af te zweren, maar door een ontspannen vorm van matiging te ontwikkelen.

Actueel

Dat advies voelt verrassend actueel. Onze tijd wordt gekenmerkt door een voedselparadox. Aan de ene kant zijn er ambachtelijke broden, pistache-kaneelbroodjes en Dubai-chocoladelattes. Aan de andere kant bestaan koolhydraatarme diëten, intermittent fasting en influencers met lichamen die haast kunstmatig lijken. We leven in een cultuur van uitersten: eetbuien naast ultramarathons, overvloed naast zelfkastijding. En nu zijn er ook nog medicijnen zoals Ozempic en Wegovy die die kloof proberen te overbruggen. Het resultaat? Een samenleving vol voedselobsessies, waarin mensen soms meer bezig zijn met eten en de effecten ervan dan met elkaar.

Ik herken mezelf daar pijnlijk goed in. Tijdens mijn laatste bezoek aan Ierland, waar mijn schoonmoeder woont, had ik blijkbaar verteld hoeveel ik van Ethiopische koffie hou. Toen ik de eerste ochtend beneden kwam, stond er een nieuw pak koffiebonen op tafel. Mijn schoonmoeder – inmiddels met pensioen – was langs vier supermarkten gegaan op zoek naar de juiste bonen en had uiteindelijk iets gevonden dat ‘Kenyan Blend’ heette. Uit paniek had ze ook nog een glimmende nieuwe cafetière gekocht.

Die ochtend dronk ik één kopje van haar koffie. Maar de volgende dag ging ik zelf op zoek naar mijn vertrouwde Yirgacheffe-bonen, precies gemalen zoals ik ze wilde. De ‘Kenyan Blend’ verdween ongebruikt terug in de kast. Wat voor schoonzoon was ik eigenlijk geworden?

Dat is uiteindelijk waar gulzigheid – en eigenlijk alle hoofdzonden – over gaat. Je merkt dat je te ver bent gegaan wanneer je gewoontes andere mensen buitensluiten. Wanneer je obsessie, of die nu draait om jezelf, status of verfijning, belangrijker wordt dan aandacht en vriendelijkheid voor anderen.

In het vliegtuig terug uit Ierland besefte ik dat mijn koffiesnobisme mijn schoonmoeder had gekwetst. Ik dacht aan de teleurgestelde blik in haar ogen toen ik thuiskwam met dat kleine zakje exclusieve bonen. Volgende keer drink ik gewoon de koffie die ze in de dichtstbijzijnde winkel vindt. Misschien leer ik dan iets van haar over geduld en liefde. En wie weet blijf ik dan zelfs uit de hel.


Deel dit artikel


Recent verschenen