Klimaatfictie 1


Fix, een in milieukwesties gespecialiseerd kanaal van de Amerikaanse site Grist, vroeg jonge journalisten van over de hele wereld zich het jaar 2200 voor te stellen. De duizend deelnemers uit 85 verschillende landen werd verzocht de toekomst te beschrijven alsof zij daar al zijn. In het winnende verhaal ‘Afterglow’ van Lindsey Brodeck is het huidige doemscenario zo verwerkt dat een betere wereld over 180 jaar voorstelbaar wordt.

Het is vroeg in de zomer en al over een maand vertrekken de laatste pods naar de Keplerplaneten. Renem heeft twee plaatsen geregeld, natuurlijk wil ze dat ik met haar meega.

Ik heb tijd nodig om te bedenken wat ik wil. Zij snapt niet waarom, want we laten eigenlijk niets achter. Op goede dagen slapen we in een kraakpand en op slechte op een bankje. En over familie hoeven we het ook niet te hebben. Renem heeft haar ouders nooit gekend en ik heb wat er van de mijne over was jaren geleden begraven. We zijn al meer dan de helft van mijn leven bij elkaar. Soms vraag ik me af of dat niet meer uit noodzaak is dan uit liefde.

Al snel ben ik niets anders dan vrije energie die met de menigte vervloeit

Ik ben in de Antimaterie en op de dansvloer is het zoals altijd stampvol. Het is niet wat je noemt een superglamoureuze tent, maar ik voel me er thuis, alsof ik hier uit mijn huid kan stappen en kan opgaan in iets groters. In een hoek deelt iemand Tangletabletten uit. Grijze markt, waarschijnlijk een staaltje reverse engineering. Ik scan er snel een: maar 0,1 procent kans op meth-mod. Een goed teken maar geen garantie; er kan nog steeds een andere verslavende stof in zitten. Ik betaal en stop er een in mijn mond. Het pilletje lost op en mijn malende gedachten ook. Alleen een zoetige pijn aan mijn tanden blijft over. Al snel ben ik niets anders dan vrije energie die met de menigte vervloeit.

Meestal gaat iedereen hier zo op in zijn eigen synthetisch opgewekte gelukzaligheid dat maar heel zelden iemand zich met je bemoeit. Vanavond moet zo’n zeldzame gelegenheid zijn, want ik voel iemands ogen op me gericht. Ik hou op met dansen en probeer te zien wie het is, maar telkens als ik mijn best doe om de vormen om me heen duidelijk te krijgen, is het alsof ik met een caleidoscoop de verkeerde kant op kijk. Alles wordt wazig en onscherp, vaag en vloeiend. Maar toch mooi. Iemand komt naar me toe gerend, draait zich weer om, beschrijft grote lussen en spiralen. De bewegingen doen mijn hoofd tollen. Ik zie een flits van vleugels zo dun als spinnenwebben.

De menigte beweegt koortsachtig en ik raak de wirwar van kleuren even snel uit het oog als ik hem had opgemerkt. Hield die regenboogstrobo maar even op. Ik zak ineen op de kleverige vloer en begraaf mijn gezicht in mijn handen. Ik wrijf mijn ogen open en ze prikken van het zweet. Maar ik zie iets veelbelovends, iets op de betonnen vloer. Het is felgeel, lichtgevend. Het lijkt een spoor.

Onzichtbare lijn

Het is geen kleinigheid om een bijna onzichtbare lijn over een volgepakte dansvloer te volgen, zeker als je alleen je handen, je blote knieën en een middelmatige partydrug hebt om je op voort te bewegen. Tegen de tijd dat ik buiten ben, heb ik meer drankjes over me heen gekregen dan een champagnemeisje op zo’n afschuwelijke herenorgie. Moet ophouden daaraan te denken voordat ik nog misselijker word. Mijn gezichtsvermogen laat het afweten en straks mijn geheugen ook. Maar pas nadat ik het gezien heb.

Ik sta op het dak en de lijn is allesbehalve recht; het is meer een kluwen afgewikkeld draad. Uiteindelijk loopt hij naar een half ingestorte bakstenen muur en rond een grote muurschildering van zeker zeven meter breed. Ik weet niet wat ik had verwacht, maar niet dit.

Langwerpige vleugels, fonkelende ogen, een lijf dat groen gloeit in het maanlicht. Het is het mooiste insect dat ik ooit heb gezien. Ik loop ernaartoe, strek mijn hand uit om contact te maken. Waar ik kan, laat ik mijn vingertoppen erlangs gaan en haal diep adem. Het is geen beeld van verf, het is bedwelmend: een vleugje verrotting, verschillende texturen, het leeft. Vlak voordat mijn gezichtsvermogen wegvalt, verschijnt er een stroom namen in mijn optische mod. Alleen de woorden staan nog in mijn oogleden geprent: Xanthoria parietine, Lichina Pygmaea, Hupnum cupressiforme.

‘Ik heb iets geweldigs gezien vanavond.’

Op de een of andere manier ben ik terug bij Renem, in ons leegstaande gebouw met het half verdwenen dak. Ze houdt me in haar armen, streelt mijn haar. Maar ik weet dat ze boos is. Ik beef in haar armen.

Klimaatfictiewedstrijd

Grist is een onafhankelijke Amerikaanse non-profitmediaorganisatie die zich, naar eigen zeggen, ‘inzet voor het vertellen van verhalen over klimaatoplossingen en een rechtvaardige toekomst’. Die verhalen zijn doorgaans journalistiek, maar Fix, het ‘solutions lab’ van Grist dat mensen belicht en samenbrengt die met spraakmakende of baanbrekende ideeën en oplossingen de klimaatproblematiek proberen aan te pakken, kwam op het idee van een ‘klimaatfictiewedstrijd’: een verhalenwedstrijd over het leven in de toekomst. 

Tory Stephens van Fix onderzocht of dergelijke verhalen al bestonden en stuitte vooral op dystopische toekomstnarigheid vanuit een voornamelijk wit perspectief. ‘De inspiratie die ik zocht,’ schrijft Stephens, ‘vond ik in de genres afrofuturisme en solarpunk. Afrofuturisme ziet een Zwarte toekomst voor zich, met precies die cultuur die ik niet vertegenwoordigd zag in veel van de klimaatfictie die ik had gelezen – en dat leidde me naar andere futurismen.’ 

Dat blijken er nogal wat te zijn, uiteenlopend van Latinx-futurisme tot Aziatisch- en queer-futurisme. Solarpunk, een genre dat eind jaren 2000 ontstond, zo blijkt uit een overzicht op de site waarin alle futurism-stromingen worden omschreven, verbeeldt een groene toekomst op basis van hernieuwbare energie met een doe-het-zelfesthetiek die overeenstemt met de indie-punk achtergrond van de makers. Voor de verhalenwedstrijd Imagine 2200: klimaatfictie voor toekomstige voorouders ontving Fix ruim 1100 inzendingen uit meer dan 85 landen; 360 Magazine publiceert daarvan de winnaar en een korte samenvatting van twee andere verhalen.

‘Je bent tenminste altijd gemakkelijk te vinden.’

Vijandigheid onder die zeven eenvoudige woorden. Ze denkt er niet aan dat ik soms niet gevonden wil worden. En daar zal ze ook nooit aan denken, zolang ze haar redderscomplex blijft botvieren.

Ik probeer de dreigende ruzie af te wenden en bezweer haar dat het deze keer anders was. ‘Iemand stuurde me een boodschap,’ zeg ik.

Ze wendt zich af. Haar donkere, krachtige gezicht wordt omlijst door maanlicht dat via de gaten naar binnen valt. 

‘Doe toch niet zo kinderachtig, Talli.’ Renem spuwt mijn naam uit als een vloek. ‘Wanneer word je eens volwassen?’ Dan laat ze me los en staat op, en met haar verdwijnt ook haar warmte.

Mijn verzoeningspogingen verdampen samen met de warmte. ‘O, dus de volwassen keuze is slaaf worden op 452b?’ snauw ik terug. Ik huiver, mijn van zweet doortrokken jurk wordt koud. ‘Je weet dat we nooit van die schuld af komen. Daar zijn ze op berekend.’

Ze schudt haar hoofd, alsof mijn argument er totaal niet toe doet. ‘Je hebt de foto’s gezien. Die planeten zijn onze enige hoop. Ik zou een leven voor ons kunnen opbouwen.’

Ze komt weer naar me toe en wil onder de stapel dekens gaan liggen. Ik wend me af; de nacht is warm genoeg zonder haar.

Ik zie overal bijen: advertenties in mijn feed – nutteloze dingen zoals kostuums en juwelen en producten die ik nooit kan betalen – en mensen op straat uitgedost met voelsprieten en glinsterende vleugels. Ik zie ook echte bijen op de spichtige, door het beton heen groeiende plantjes neerstrijken en zoemen rond de bloeiende wijnranken die zich als slangen rond de ruïnes van de stad kronkelen. Misschien waren ze er altijd al, maar het is de eerste keer dat ik ze opmerk. Ik hou mijn optische mod voortdurend aan, zodat ik elke nieuwe soort kan identificeren en opslaan. Mijn favorieten zijn de kleine, grotendeels zwarte insecten waarvan ik altijd dacht dat het vliegen waren. Nu blijken het bijen en ze hebben prachtige namen: Ceratina acantha, Hylaeus annulatus, Chelostoma philadelphi. Zelfs zonder de mod kan ik ze uit elkaar houden: gele bandjes bij de ogen zijn een kenmerk van Hylaeus, en het felrode achterlijf van de Sphecodes herken je meteen. Er is ook iets in mijn hoofd, een zacht, maar onafgebroken gezoem. Het doet me denken aan hoe een warme, lome zomer zou moeten klinken. Altijd als ik tegen Renem over zulke dingen begin, zegt ze dat ik onze tijd verspil.

Het wordt makkelijker om echt en namaak uit elkaar te houden en de trendy insectenlichaam-mods te onderscheiden van de gedaante die ik drie weken geleden heb gezien. En ik ontdek iets verrassends in mezelf, een gevoel dat ik niet van mezelf had verwacht. Terwijl steeds meer rijken naar de ongerepte planeten vertrekken en de naglans van hun schepen groengele brandplekken op mijn netvlies achterlaat, voel ik geen bezorgdheid of wanhoop. Ik ben juist vol hoop.

Ik ben in het centrum van Brexton-Maine wanneer ik er weer een zie. Zelfs met een nuchter hoofd vind ik het nog steeds moeilijk om hem te beschrijven. Misschien heeft de persoon een of andere krachtveldverstrooier waardoor hij lastiger te volgen is. Maar het is er een, dat weet ik; ik voel het en als ik omlaagkijk, is daar weer die dwalende, fluorescerende lijn.

Ik raak de figuur snel kwijt maar blijf de lijn volgen. Die leidt me naar een pakhuis, zo’n tien straten van waar Renem en ik op dit moment wonen. Ik zou op zoek moeten zijn naar bruikbare spullen in de stortplaatsen aan de buitenrand van de stad en verkopen wat ik kon. Tenminste, dat zou Renem willen dat ik deed.

Zij/haar, hen/hun

Ik ben niet bang om naar binnen te gaan. Maar als ik die zware metalen deuren openduw, word ik verrast door wat ik hoor en zie: een voortdurend, onophoudelijk gezoem, duizenden zaailingen en één enkel persoon gekleed in het wit, een imkerpak, zoals bijenhouders dragen.

‘Ik neem aan dat je ons spoor hebt gevolgd?’

Ik zeg iets als antwoord, maar de woorden komen er verward uit. Ik word volledig omhuld door het gekmakende, zoete geraas, en het helderwit van de fluorescerende lampen geeft het pakhuis een bovennatuurlijke gloed.

‘Steeds meer mensen weten ons te vinden.’ De kap met het net gaat af, donkere ogen en een bos bruine krullen komen tevoorschijn. ‘Ik ben Wyl. Hen/hun.’ Hun wangen zijn rood en glanzend. ‘Hoe heet jij?’

‘Talli,’ zeg ik. ‘Zij/haar.’

‘Welkom, Talli. De rest van degenen die ons vandaag hebben gevonden is boven.’

Hun woorden bezorgen me een steekje van onverwachte teleurstelling. Mijn reactie moet zichtbaar geweest zijn, want Wyl glimlacht droogjes tegen me, alsof hen wil zeggen: ‘Hè? Dacht je soms dat jij de enige was?’ Op de een of andere manier had ik niet verwacht dat anderen deze plek ook gevonden hadden. De muurschildering bij Antimatter, de figuur op straat, het leek allemaal alsof het alleen voor mij bestemd was. Mijn eigen kaart ergens naartoe, een kaart die me zou kunnen redden. Ons, bedoel ik.

Terwijl ik achter hen aan verder het pakhuis in loop, slingerend tussen rijen met ongelooflijk veel soorten kiemplantjes, ontdek ik de bron van het gezoem. Grote bijenkorven, wat niet verrassend is, maar ook bouwsels die ik niet goed kan benoemen: enorme stapels uitgeholde houten stammetjes en klompen aarde in bakken langs een groot deel van de muur.

‘Lang niet alle bijensoorten leven in korven, weet je,’ zegt Wyl.

‘De wereld is een veel betere plek dan zij ons willen laten geloven’

We lopen de industriële trap op, tot we boven het niveau van de plafondlampen komen. Boven ons is een stalen trapdeur. Hen schuift de grendel opzij en duwt. En dan is er verblindend zonlicht, tientallen mensen en talloze rijen bloemen, groenten, bessenstruiken en fruitbomen vol gaaien en mezen.

‘De wereld is een veel betere plek dan zij ons willen laten geloven,’ zegt Wyl. ‘Ja, er is verwoesting, maar er is ook reden tot hoop. Zoveel hoop.’

Wyl hoeft niet uit te leggen wie die ‘zij’ zijn waarover hen het heeft. Het is duidelijk dat hen StarSpace bedoelt.

De groep is divers: een vloed kleuren en uitdrukkingen die met elkaar één enkel, samengesteld beeld vormen. Ik keer me naar Wyl, maar hen heeft zich al een weg naar het hart van de menigte gebaand.

‘Voor degenen van jullie die net aangekomen zijn: welkom.’ Wyl zwijgt even en lacht vriendelijk naar ons. ‘De missie van de “Houders” is simpel. Wij zijn een groep mensen die een manier van zijn hebben ontdekt die al duizenden jaren op aarde aanwezig is. Een manier van zijn die draait om gemeenschap en om het aangaan van relaties met alles wat leeft. Die manier is ook door andere volken, op andere planeten, erkend. Vertel me eens’– hen zwijgt even en gebaart naar een jonge man voor in de groep. ‘Welk voornaamwoord zou jij gebruiken om te beschrijven wat je hier ziet?’ Wyl wijst naar een bij die loom door de lucht zigzagt. Onwillekeurig kom ik dichterbij. Het insect gaat vlak naast me op een paarse zonnebloem zitten – Echinacea purpurea. Het is geen honingbij; dat maakt het metallisch groen van zijn kop en borst overduidelijk. Ik weet welke naam ik eraan moet geven: Agapostemon virescens.

Planeet 452b

De man lacht verlegen, alsof hij bang is dat dit een strikvraag is. Zijn blozende wangen zijn bijna even rood als zijn shirt. ‘Het zit op een bloem?’

Wyl glimlacht, maar schudt hun hoofd. ‘Ik dacht al dat je dat zou zeggen, maar we zijn hier om je te laten zien hoe je op een andere manier naar de wereld kunt kijken en naar de bewoners met wie we de wereld delen. Onze missie is meer dan bijen houden, tuinieren en herwilderen. We vechten ook voor een semantische verschuiving. Wat weten jullie over 452b, de eerste planeet waar de pods al die jaren geleden zijn geland?’

Ik ben normaal niet iemand die het woord neemt in een groep, maar iets dwingt me om te reageren.

‘De plantmensen die daar leven, maken nauwelijks onderscheid tussen de dingen,’ zeg ik. ‘Niet tussen elkaar, maar ook niet tussen andere levensvormen. Alles is met elkaar verbonden. Daarom is hun taal zo moeilijk te verstaan.’

Wyl knikt en ik neem aan dat ik het goede antwoord heb gegeven.

‘Je komt in de buurt, maar dat is het toch niet helemaal.’

Ik zeg niets meer. Ook mijn wangen zijn nu rood.

‘Op één punt heb je gelijk. De Heliogeentaal is inderdaad moeilijk in de onze te vertalen. Engelstaligen hebben hun taal van imperialisten geërfd, een taal die objectiveert en zich vrijwel alles waarmee ze in aanraking komt, toeëigent. De taal van de Heliogenen is heel anders. Hun taal benadrukt de verbindingen tussen ons, niet de willekeurige grenzen die ons van elkaar zouden moeten scheiden. Heliogenen hebben zelfs één voornaamwoord voor iedereen en alles. En dat voornaamwoord is “se”. Een Heliogeen zou nooit zeggen “het vliegt door de lucht”, want voor hen zijn de overeenkomsten die we met andere levensvormen hebben veel belangrijker dan onze verschillen. “Se” is de ultieme vorm van respect, het drukt de verbinding uit die wij, of ik moet zeggen “se”, met alle anderen delen. Deze bij, se bestuift onze bloemen; de bloemen, se geven ons voedsel en schoonheid. Onze woorden zijn even belangrijk als onze daden. Ze vormen onze geest, onze manier van kijken, onze betekenisgeving.’

Mijn dagelijks leven bestaat uit gespannen gesprekken voeren, worstelen om te overleven

Het is prachtig wat Wyl zegt, maar ook moeilijk te begrijpen. Terwijl ik nadenk over hoe de taal die ik spreek mijn begrip van de wereld beïnvloedt, voel ik mijn gedachten wazig worden.

‘We kunnen “se” zelfs gebruiken om onszelf te beschrijven, want het is onjuist om “jou” of “mij” te zien als alleen maar bestaand uit “mens-zijn”. In werkelijkheid werken we samen met biljoenen prokaryotische cellen. En dat maakt ons tot amalgamen, holobionten, chimaera’s, voortdurend in verandering en toch één.’

Wyl zwijgt even om adem te halen. Ik besef dat ik de mijne inhield.

‘En tot slot is er nog een manier van kijken die we even belangrijk vinden, een manier van kijken die verandering en verbinding ziet als een constante. Denk aan het Passamaquoddy-volk, mijn volk, afkomstig van de grond waarop wij nu staan. Wij hebben een veelheid aan woorden voor “rivier”, “veld” en “wind”, voor nog veel meer; woorden die zowel zelfstandig naamwoord als werkwoord zijn voor iets wat leeft. Denk eens aan een rivier. Hoe vreemd het is dat het Engels maar één woord heeft om een kracht te beschrijven die constant in voortgaande beweging is. De Passamaquoddy hadden afzonderlijke woorden om te beschrijven waar de rivier breder wordt, kskopeke, waar ze weer vernauwt, ksepique, waar ze zich splitst of weer samenvloeit, niktuwicuwon, om er maar een paar te noemen. Het is moeilijk om de relatie die je met je taal hebt te veranderen, maar niet onmogelijk. Om te beginnen moet je je ervan bewust zijn.’

Wyl geeft nog meer voorbeelden, bijvoorbeeld hoe het classificeren van een veld als een ding, als een ‘het’, het veel makkelijker maakt dat het land geëxploiteerd en respectloos behandeld wordt. Maar als we een veld zien als onderdeel van iets wat verbonden en belangrijk is, als een verschijningsvorm van het land op een bepaald moment in de tijd – pomskute, een veld strekt zich uit – zullen we het – se – des te beter verzorgen.

Verandering

‘Alles verschuift als je eenmaal beseft dat het onze verantwoordelijkheid is om voor ons thuis te zorgen, wil er enige hoop zijn dat se op hun beurt voor ons zullen zorgen,’ zegt Wyl. ‘De natuur is veerkrachtig, verandert voortdurend, past zich aan. En onze rol als rentmeester, als veranderaar, is niets nieuws. Mensen veranderen al tienduizenden jaren de natuur. Gemeten naar de geologische tijd is het pas sinds kort dat deze verandering catastrofaal en destructief is geworden.’

Van radicaal herwilderen tot stadstuinieren, Wyl legt uit dat de visie van de Houders een veelheid aan oplossingen inhoudt. Ik kijk om me heen: rijke aarde, grote bomen, een overvloed aan voedsel en bloemen. Het geheel ziet er totaal anders uit dan de steriele monoculturen die ik altijd in de propaganda van FarmCo zie. Se is halfwild en prachtig, verzorgd door mensen en gedijend op beton.

Het voelt alsof er maar een paar minuten zijn verstreken sinds ik hier ben, maar de ondergaande zon zegt iets anders. Wyl is uitgepraat en ik zit nu naast hen en kijk toe hoe de lege wolken zich met kleur vullen. Ik vraag hun hoe lang hen al bij de Houders is.

‘Een paar jaar nu.’ Wyl glimlacht en schermt hun ogen af. ‘Ik kan me nauwelijks herinneren hoe mijn leven daarvóór was.’

‘Als wat jullie zeggen waar is, als er duizenden van jullie zijn…’

‘Waarom heb je ons dan nooit gezien?’

Ik knik.

‘Je hebt ons wel gezien. Je wist het alleen niet.’ Hen zwijgt even en plukt een bloem van een bed vlakbij. Gaillardia aristata. ‘Dat is het probleem met hoe mensen over ons denken. Alsof we allemaal zelfgemaakte kleren zouden dragen en in communes of zoiets wonen. Natuurlijk zijn sommigen van ons wel zo.’ Hen lacht en draait de bloem tussen hun duim en wijsvinger rond. De bloemblaadjes zijn geel omrand en rood, als de strepen aan de verblekende hemel. ‘Maar het punt is, iedereen kan Houder worden, als ze willen.’

Tidings

Het verhaal ‘Tidings’ van Rich Larson begint in het jaar 2038. Tsayaba is teruggekeerd naar haar geboortedorp in Niger. Ze heeft biochemie en biotech gestudeerd in Nigeria en hoopt nu in haar vertrouwde dorp, waar ook haar jongere nichtje Ouma woont, een uitvinding te testen.

‘En nu is ze terug, hier in het stoffige Maradi, waar zij en Ouma samen zijn opgegroeid, om het kleine biologische apparaatje uit te testen waar ze al anderhalf jaar aan sleutelt. Of al een hele verdomde eeuw, afhankelijk van wanneer je het haar vraagt. Het naamloze ding heeft ongeveer de grootte van Ouma’s gebalde vuist en is gemodelleerd naar het spijsverteringskanaal van een wasworm, met een gladde huid en trilhaartjes waarmee het gemakkelijk door het zand zou moeten kunnen glijden op een manier waar Bostobots nog steeds mee worstelen. Maar het beweegt niet.’ Tsayaba pakt haar laptop, ‘waarvan Ouma weet dat ze die heeft gebouwd van oude onderdelen, om onethisch gewonnen goud en wolfraam te vermijden’, en na wat gepruts lukt het uiteindelijk: ‘het ding’ van Tsayaba eet plastic. 

Het verhaal switcht dan naar Praag in 2044, waar een stel na een date in bed belandt en Kat op de buik van Jan een bewegende livestream-tattoo aantreft. De tattoo toont klimaatvluchtelingen; Jan hoopt door ze te tonen hun kans op asiel te kunnen vergroten. Zo springt het verhaal via verschillende plekken en innovaties – zoals een taal-app om met dieren te communiceren – via de jaren 2066 en 2099 naar het jaar 2132 in Thailand. Daar komen alle innovaties samen: Nam communiceert met Truth, een dolfijn, en trekt hem een nerve suit aan, waardoor Nam en iedereen die met haar verbonden is en door haar duikbril meekijkt, kan ervaren wat het is om een dolfijn te zijn.

‘Ik wil het,’ zeg ik bijna fluisterend. 

Eerst zegt Wyl niets, maar de stilte is niet ongemakkelijk. Na een tijdje antwoordt hen.

‘Ik hoopte al dat je dat zou zeggen. Je lijkt bij ons te passen, Talli. En je bent al een aardige burgerwetenschapper.’

Ik kijk hen onderzoekend aan. Hen moet lachen. ‘Wees maar niet bang, we tracken je niet. De logs die je post zijn openbaar, meer niet.’

Ik lach en voel hoe mijn lichaam weer even ontspannen wordt als hiervoor. Op dit moment overtuig ik mezelf ervan dat alles goedkomt. Dat het goedkomt met Renem en mij en dat ik haar kan laten inzien hoeveel deze plek voor ons kan betekenen. Dat de Aarde niet ten dode opgeschreven is. Dat hier nog zo veel mogelijkheden zijn. 

Het is te veel om over na te denken, en daarom probeer ik naar het hier en nu terug te keren. Ik vraag Wyl of hen ooit buiten Brexton-Maine is geweest. Hen lacht zachtjes voor zich uit.

‘Waar ben ik níét geweest?’ Hen zwijgt even. ‘Ik ben bij hen begonnen in New Texas, met al die Pleistoceen-herwildering die daar gaande was.’

Ik voel dat mijn mond openvalt. ‘Daar heb ik over gehoord. Jullie dropten reuzenschildpadden en kamelen in de woestijn. En ook carnivoren. Leeuwen, luipaarden. De leiders daar waren woest.’

‘Inderdaad.’ Wyl grijnst. ‘Het werkte geweldig goed. We kochten duizenden hectaren ongebruikt, vergeten land. Sommige mensen werden natuurlijk kwaad omdat we geen hekken om dat land heen hebben gezet. Maar het was het waard. We begonnen met een paar honderd dieren, allemaal bedreigde soorten. Nu gaat het goed met se en geeft het land meer leven dan se in duizenden jaren heeft gedaan.’

Wyl zwijgt nadenkend. Hun haar beweeg zacht in de wind, tegen het licht van het laatste restje zonsondergang.

Vier Laatste Levenden

‘Het duurde niet lang voordat ik vermoedde dat er vier Levende Laatsten waren: ikzelf; de Groenlandse haai; een bateleur of Zimbabwaanse adelaar, die hoog zweeft boven een nu lege kloof waar ooit grote watervallen waren; en de laatste barasingahert, dat door het rotsachtige Nepalese terrein dwaalt op zoek naar nattere grond,’ schrijft Mike McClelland in het verhaal The Secrets of the Last Greenland Shark. De ik-persoon, de laatste mens, ontdekt dat de laatst overgebleven soorten elkaars gevoelens, gedachten en geschiedenis kunnen ervaren: ‘Ik bracht nog meer tijd door met de andere Laatsten, wisselde herinneringen uit en was samen met hen op deze manier, op deze wonderbaarlijke wijze, waarop we samen konden zijn.’ 

Voor de laatst overgebleven mens is vooral de laatste Groenlandse haai interessant, omdat die al honderden jaren oud is. Maar het dier blijft een mysterie: ‘Bij andere Levende Laatsten kon ik wel een vaag beeld van hun gedachten en emoties krijgen, en uiteindelijk leerde ik raden wat de Laatsten, levend of dood, voelden op basis van wat ze zich herinnerden. Maar de Groenlandse haai bleef vooral een mysterie voor mij.’ 

De Groenlandse haai is rusteloos en gaandeweg ontdekt de mens dat de haai op zoek is naar de plek waar hij vijfhonderd jaar eerder is geboren. Als de haai die plek eindelijk vindt, wordt het contact tussen de haai en de overige Levende Laatsten ogenschijnlijk verbroken, maar dan ontdekt het overgebleven drietal dat ze zich in de haai bevinden en alle drie herboren worden als Groenlandse haai: ‘Ik voelde mijn menselijke vorm verslappen, loslaten en voelde mijn nieuwe, koude lichaam als een pijl door het water bewegen. En ik hoorde een stem in mijn hoofd, in mijn hele lichaam eigenlijk, hoewel ik niet zeker wist of het de hare of de mijne was. Wat de stem zei was simpel. 

Overleven, overleven, overleven.’

‘Weet je, we hebben hier in de buurt op kleinere schaal ook aan herwildering gedaan,’ zegt hen. ‘Wil je dat zien?’

Ik kan geen woorden vinden die sterk genoeg zijn om uit te drukken hoe graag ik dat wil, dus ik knik alleen maar.

Hen leidt me het gebouw uit, naar hun auto die op de straat daarachter staat geparkeerd. ‘Ik heb in geen eeuwen in zo’n ding gezeten,’ zeg ik.

Wyl grijnst opnieuw. ‘Ze zijn een stuk goedkoper als je geen elektriciteit via de stad hoeft te betalen.’

We rijden weg. Na een half uur zijn we in het moerassige deel van de stad, waar overstromingen aan de orde van de dag zijn en waar degenen die de pech hebben daar nog steeds te wonen, eraan gewend zijn dat hun huis een en al schimmel en verrotting is. Opeens stopt hen. Het enorme, verlaten terrein ziet er niet uit als een belangrijke plek. Het is drassig, overwoekerd en vergeven van de muggen. Maar Wyl stapt toch uit en ik ga achter hen aan, door modder en rietbosjes, tot we bij een middelgrote plas komen. Hen had wel gezegd dat deze herwildering kleinschaliger was, maar zo klein, zo onbeduidend had ik niet verwacht.

‘Is dit het?’ vraag ik, terwijl ik mijn best doe de teleurstelling niet in mijn stem te laten doorklinken.

‘Het is bijna donker. Even geduld nog.’ Hen hurkt neer en gebaart dat dat ik hun voorbeeld moet volgen.

‘Op honderden plekken als deze hebben we leven teruggebracht. Puspahkomike, draslanden’

Wyl had gelijk, al snel is alle kleur uit de hemel verdwenen en de warmte van de dag vervlogen. Sommige muggen vliegen mee, dat is tenminste iets. Mijn rug doet pijn en ik krab aan de zwellende bulten op mijn benen en armen. Ik zin net op een of ander excuus, als ik iets hoor. Het klinkt vaag menselijk en krakerig, een keelachtig, muzikaal geluid.

‘Op honderden plekken als deze hebben we leven teruggebracht. Puspahkomike, draslanden. Heb je er al een gezien?’

Ik schud mijn hoofd, ook al kan hen dat in het donker waarschijnlijk niet zien. Ik schaam me om het te vragen, maar doe het toch: ‘Wat is dat voor geluid?’

Wyls stem is nauwelijks meer dan gefluister. ‘Kikkers, Talli. Honderden kikkers.’

‘Dat kan niet,’ fluister ik terug. ‘Die zijn toch al tientallen jaren uitgestorven?’ Ik weet dat ik gelijk heb; een paar jaar geleden heb ik gelezen over een schimmel die zich over het grootste deel van het noordoosten van het land had verspreid en die dodelijk was voor kikkers, salamanders en andere amfibieën.

‘Op een bepaald moment, ja. Maar enkele soorten waren niet vatbaar voor de chytride. En se hebben we hierheen gebracht.’

Kikkers

Ik hou mijn mond, maar vraag me af wat er zo geweldig aan is om een paar kikkers terug te brengen. De Pleistoceenherwildering, dat snap ik. Maar dit… het lijkt me een hoop moeite voor niets.

‘Kikkers zijn een hoeksteensoort, weet je,’ zegt Wyl alsof hen mijn gedachten kan lezen. ‘Net als de megafauna die we in het zuidwesten hebben geïntroduceerd. Sinds we se hierheen hebben gebracht, zijn ook andere dieren teruggekomen. Slangen, vogels, kleine zoogdieren. Dit plasje is een volledig functionerend ecosysteem.’

Niet alleen mijn ogen passen zich aan. Ik kijk ingespannen naar een verzameling natte, glimmende stenen; natuurlijk, het zijn geen stenen, maar ronde, glanzende, prachtige kikkers.

We zitten weer in de auto en ik wil voorgoed in dit moment blijven. Ik dwing de tijd langzamer te gaan, om alles om me heen te kunnen opnemen. De manier waarop Wyls neus een klein beetje wipt, de over hun gezicht gestrooide sproeten. Hun diepbruine ogen die precies op die van Renem lijken. Renem. Wyl draait treurige, zachte muziek die helpt de tijd te rekken. Geen tekst, het klinkt klassiek. Maar dat kan iemand als ik niet weten. Het is alsof Wyl langzamer rijdt dan zou moeten, misschien voelt hen de ernst van de situatie ook. Ik bevind me op het keerpunt van een slinger en weet niet of ik ooit nog terug zal zwaaien. Mijn dagelijks leven bestaat niet uit herwilderen en de wereld eren met nieuwe woorden; het bestaat uit gespannen gesprekken voeren, worstelen om te overleven en proberen Renem te overtuigen dat we de Aarde niet hoeven te verlaten.

Wyl verbreekt de stilte. ‘Heb je nog een paar uur over?’ vraagt hen. ‘Ik moet je nog één ding laten zien.’

We zijn al in mijn deel van de stad, slechts een paar minuten rijden van de verlaten slagerij die Renem en ik op dit moment thuis noemen. Het is uren geleden sinds ik voor het laatst contact met haar had.

‘Als je terug moet, begrijp ik dat wel.’ Wyl stopt en trommelt nerveus met hun vingers op het dashboard.

‘Ze bedoelden het goed, maar waarom was hun motto “Red de Aarde”? Waarom zeiden ze niet gewoon “Red ons”?’

‘Een paar uur kan geen kwaad,’ zeg ik.

Wyl lacht en keert de auto. ‘Het is de moeite waard. Dat beloof ik.’

Die paar uren vliegen voorbij. We, nou ja vooral Wyl, praten over van alles, van de gebrekkige retoriek van milieuactivisten uit de twintigste eeuw – ‘Ze bedoelden het goed, maar waarom was hun motto “Red de Aarde”? Waarom zeiden ze niet gewoon “Red ons”?’ – tot de terravormingprojecten van de Houders in Siberië, de Sahara en langs de Golf van Mexico. Dankzij hun gepraat springt de tijd terug in een natuurlijker tempo, maar hij gaat ook weer niet zo snel dat ik de aanzwellende pijn in mijn buik vergeet.

Alsof ze hierop gewacht heeft, krijg ik een bericht van Renem. ‘Waar ben je?’

Er is geen audio bij het neurobericht, maar ik weet dat haar toon scherp en verwijtend is. Ik weet ook dat ze zich waarschijnlijk zorgen maakt. Ik negeer het bijna een half uur lang, maar antwoord uiteindelijk: ‘Ik probeer iets voor ons te bedenken.’

Haar antwoord is nauwelijks verrassend: ‘Je bent gek als je denkt dat die sekte je kan redden.’

‘Die kan ons wél redden,’ antwoord ik.

‘We vertrekken morgen.’

De hemel barst open en wordt rood. Ik krimp ineen in de passagiersstoel en bedek mijn oren. Nog een zwerm scheepjes die door de atmosfeer heen breekt. De vuurrode streep gaat snel over in zwart. Ik was vergeten dat het morgen was. De pijn in mijn buik wordt nog erger.

‘We zijn er bijna,’ zegt Wyl. 

We zijn buiten op het platteland, of wat platteland geworden is. De geraamtes van wat nu een nutteloos industriegebied is, steken uit de wuivende grassen en bloemen omhoog, een extra bizar schouwspel onder de volle maan. De weg maakt een scherpe bocht. Het is moeilijk om alles goed te zien, maar terwijl we om een grote heuvel heen rijden, tekenen tientallen huisjes, rijen halfwilde tuinen en glinsterende zonnepanelen zich steeds scherper af. 

De natuur is nooit verdwenen uit onze stad. Ze heeft alleen zorg nodig, rentmeesterschap

‘Ik dacht dat je het wel leuk zou vinden om een van onze dorpen te zien.’ Wyl stapt de auto uit en gebaart dat ik hen moet volgen. We lopen naar een van de tuinen; de verstrengelde ranken van bonen- en pompoenplanten slingeren zich rond het latwerk en zien er onwerkelijk uit in het maanlicht.

Wyl dompelt hun hand in een zak die rond het latwerk is gebonden en haalt er een glanzende handvol uit. ‘Zaden kunnen overal geplant worden. Ze hebben geen volmaakte omstandigheden nodig om te groeien.’ Hen laat er een paar in mijn uitgestrekte hand vallen en sluit mijn vingers om se heen. ‘De natuur is nooit verdwenen uit onze stad. Ik weet dat jij dat weet. Ze heeft alleen zorg nodig, rentmeesterschap. Wil jij een van onze Houders worden?’

Als ik wil antwoorden, hoor ik weer de ping van een bericht. Tranen springen in mijn ogen, tranen van verdriet, maar evenzeer van opluchting. Natte, levende druppels die wegsijpelen in de grond onder me. Ik kijk op, weg van de zaden in mijn hand en in de ogen van Wyl. En ik knik.


Deel dit artikel


Recent verschenen