Gelijke lonen en gelijke toegang tot de arbeidsmarkt, dat is er nu allemaal, maar de vermogensongelijkheid ten nadele van vrouwen is de afgelopen decennia gestaag gegroeid. En dat heeft ingrijpende gevolgen voor vrouwen in hun dagelijks leven.
De winnaar van de Nobelprijs voor Economie van dit jaar, Claudia Goldin, is eigenlijk een rasoptimist. Volgens sommigen moet ze ook wel. Uit haar onderzoek naar de langetermijntrends in de economische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen komt immers steeds weer naar voren dat de vooruitgang voor vrouwen op dat vlak bepaald niet in een rechte lijn verloopt. Haar inmiddels beroemde U-vormige curve laat zien dat in de loop van de negentiende eeuw vrouwen uit veel beroepen werden verdrongen, waarna latere generaties dat verloren terrein in de twintigste eeuw moesten heroveren. Als dit al eens eerder is gebeurd, kan het dan niet opnieuw gebeuren? Want zoals een uitspraak luidt die vaak wordt toegeschreven aan de Franse filosoof Simone de Beauvoir: ‘Vergeet niet dat één politieke, economische of religieuze crisis genoeg is om de rechten van vrouwen weer op losse schroeven te zetten.’
Toch denkt Goldin dat de rijke landen nu aan het begin staan van wat zij ‘het laatste hoofdstuk’ noemt van ‘de grote gendergelijkheid’. Dat kan volgens haar bereikt worden met een reeks veranderingen, zowel op de werkvloer (door een eind te maken aan ‘greedy jobs’, banen die ook je avonden en weekenden opslokken) als in de thuissfeer (door een betere verdeling van huishoudelijk werk en zorgtaken). Nu vrouwen vrij zijn om dezelfde carrièrekeuzes te maken als mannen, zouden zulke verbeteringen de loonkloof volledig kunnen dichten.
Maar al is het hoog tijd voor deze veranderingen, uit ons eigen onderzoek blijkt dat dit niet genoeg zal zijn om de economische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te verminderen. Zelfs als vrouwen uiteindelijk evenveel betaald krijgen voor hetzelfde werk, zullen ze nog steeds economisch achterblijven bij de mannen. Want zowel in de VS als wereldwijd schuilt de economische ongelijkheid tegenwoordig niet zozeer in het loon als in het vermogen.
Structureel meer kapitaal
Met vermogen doelen we in de sociale wetenschap op het geheel van wat anderen ook wel kapitaal, activa, bezittingen of erfdeel noemen. Het totale reservoir aan waarde waarover een persoon beschikt. En zoals de Franse econoom Thomas Piketty met zijn team heeft aangetoond, is vermogensongelijkheid een wezenskenmerk van het hedendaags kapitalisme. Volgens hun World Inequality Report uit 2022 heeft de 10 procent rijkste huishoudens meer dan driekwart van het mondiale vermogen in bezit, en de armste 50 procent maar twee procent. De bevoorrechte klassen hebben dus een monopolie op rijkdom en proberen dat voor de generaties na hen te behouden, terwijl de meeste anderen er structureel van verstoken blijven.
De vermogenskloof ten nadele van vrouwen is de afgelopen decennia gestaag is gegroeid
Het werk van Piketty is inmiddels gemeengoed, maar daarnaast is uit baanbrekend statistisch onderzoek nu gebleken dat de vermogensongelijkheid ook aan sekse is gerelateerd. Een Duitse analyse van cijfers over de periode 2002-2012 wees bijvoorbeeld op een fikse vermogenskloof, niet alleen tussen alleenstaande mannen en vrouwen, maar ook binnen relaties. En de economen Nicolas Frémeaux en Marion Leturcq hebben aangetoond dat deze vermogenskloof ten nadele van vrouwen de afgelopen decennia gestaag is gegroeid, van 9 procent in 1998 naar 16 procent in 2015. Ze constateerden ook dat mannen structureel meer kapitaal bezitten dan vrouwen, of het nu gaat om vastgoed, grond of financiële en materiële middelen. Wat opviel, was dat de kloof tussen man en vrouw relatief klein was in de arbeidersklasse (aangezien geen van beide partners daar veel vermogen opbouwen) en veel groter bij de hogere inkomens.
Deze vermogenskloof blijft verborgen en onderbelicht doordat hij zo moeilijk vast te stellen is. In de meeste landen worden alleen cijfers over het vermogen verzameld van huishoudens (op basis van enquêtes of belastinggegevens), niet van individuele burgers. En doordat men ervan uitgaat dat binnen huishoudens alle bezit gelijkelijk is verdeeld, verbloemt deze standaardaanpak de realiteit van de machtsdynamiek bij vermogensbezit. Vandaar dat in heel Piketty’s achthonderd bladzijden tellende magnum opus Kapitaal in de 21ste eeuw het onderscheid tussen man en vrouw niet eens een variabele is.
Stilzwijgend
Hoe kun je het individuele vermogen van een man en een vrouw vaststellen wanneer ze als stel samen iets hebben gekocht en als in de meeste onderzoeken alle mensen onder één dak als één economische eenheid worden geteld? Als sociologen die zich hier al twintig jaar mee bezighouden, hebben wij daar iets op gevonden: we kijken naar de gevallen waarin stellen uit elkaar gaan en waarop familiebezit wordt overgedragen aan erfgenamen. Dat zijn de momenten waarop de dynamiek aan het licht komt en duidelijk wordt wie er wérkelijk de macht over het familievermogen heeft en daar de vruchten van plukt.
De vermogensongelijkheid tussen man en vrouw staat natuurlijk niet los van wat er op de arbeidsmarkt gebeurt. Uit de verschillen in carrières en inkomen waar Goldin onderzoek naar doet, blijkt dat mannen makkelijker geld opzij kunnen leggen. Maar het vermogen van mensen is tegenwoordig minder afhankelijk van wat ze zelf vergaren en meer van wat hun is toegevallen, meestal door beërving.
Dan zien we dat de vermogenskloof al begint binnen het gezin, waar het verschil stilzwijgend wordt bestendigd in de rollen die mannen en vrouwen vervullen als echtelieden, vaders en moeders, dochters en zonen, broers en zussen. Maar de kloof wordt verder vergroot doordat juridische functionarissen in de advocatuur, de magistratuur en het notariaat ertoe neigen de ongelijke verdeling van vermogen tussen kinderen of voormalig echtgenoten klakkeloos te accepteren. En vrouwen zijn natuurlijk zo gesocialiseerd dat ze dit ook slikken, vaak in naam van het bewaren van de lieve vrede of voor het behoud en de overdracht van de maatschappelijke status van de familie.
Als een stel uit elkaar gaat, houdt de man vaak ‘structureel eigendom’ en worden vrouwen uitgekocht met geld
Zo gaat de bestendiging van seksehiërarchieën dus hand in hand met de reproductie van sociale klasse. Neem de scheiding tussen Amazon-oprichter Jeff Bezos en de romanschrijver MacKenzie Scott in 2019. Hun nettovermogen bedroeg ruim honderddertig miljard dollar, inclusief 16 procent van de aandelen van Amazon. In de staat Washington, waar ze woonden, hebben beide echtelieden bij een scheiding wettelijk recht op de helft van alle bezittingen die tijdens het huwelijk zijn verworven, zodat sommige aandeelhouders vreesden voor de toekomst van het bedrijf als Scott haar helft van de aandelen zou opeisen. Maar een paar maanden nadat de scheiding was aangekondigd liet Scott weten: ‘Ik schenk hem graag al mijn belangen in The Washington Post en Blue Origin en 75 procent van onze aandelen in Amazon, plus het stemrecht over mijn aandelen, zodat hij zijn werk met de teams van deze geweldige bedrijven kan voortzetten.’
In de twee decennia dat we hier onderzoek naar doen, hebben we dit vrij vaak gezien. Als een stel uit elkaar gaat, houdt de man vaak ‘structureel eigendom’ aan in de vorm van grond, vastgoed en bedrijven en worden vrouwen uitgekocht met geld (als dat al gebeurt). En als vrouwen wel productieve kapitaalgoederen in bezit houden, zijn dat meestal de minder winstgevende.
De ongelijkheid komt ook naar voren op het moment dat er geërfd wordt
De ongelijkheid komt ook naar voren – en wordt weer verder bestendigd – op het moment dat er geërfd wordt. Neem een gezin uit de middenklasse in Zuidwest-Frankrijk. Toen Marcelle Pilon in 1992 geen leiding meer wilde geven aan haar bakkerij, moest ze voor haar familiebedrijf een opvolger aanwijzen. Ze was al vijftien jaar weduwe en besloot het bedrijf plus het grote huis dat erbij hoorde aan haar 43-jarige zoon Pierre te geven, die samen met haar in de bakkerij werkte. Maar Pierre had drie zussen en strikt genomen schrijft de Franse wet voor dat erfenissen gelijkelijk moeten worden verdeeld. Om daaraan tegemoet te komen, wees Marcelle haar dochters ook wat vastgoed toe. Omdat die bezittingen veel minder waard waren dan de bakkerij en het huis, werd bovendien overeengekomen dat Pierre zijn zussen tien jaar lang elke dag gratis brood en patisserie zou leveren. De moeder zag er nauwlettend op toe dat elke baguette en croissant iedere dag keurig werd bezorgd.
Maar dat betekende niet alleen dat de dochters in de buurt van de bakkerij moesten wonen om hun gratis brood te kunnen ontvangen: andere, niet opgegeven giften bleven bovendien buiten beschouwing. Zo had Pierre van zijn ouders eerder al eens een banketbakkersbedrijf ter waarde van bijna een ton gekregen, dat later weer opging in het familiebedrijf. Maar niemand had dit bij de instanties gemeld. De rechtvaardiging voor deze voortrekkerij was dat de ouders de studie van hun dochters hadden betaald terwijl Pierre voor het familiebedrijf was gaan werken. Maar toen een van ons de zussen vroeg of ze dit eerlijk vonden, hadden zij een andere lezing. Ze hadden vooral kunnen studeren dankzij een studiebeurs, zeiden ze, en hadden nu en dan gratis in de winkel van hun ouders gewerkt, terwijl Pierre daar van meet af aan loon en een winstpercentage van de banketverkoop had ontvangen. Ze hadden gegronde grieven tegen de regeling, maar wilden er geen werk van maken. Het voortbestaan van het familiebedrijf en de lieve vrede was belangrijk dan een rechtvaardige verdeling onder alle kinderen.
Mysterie
Dit alles is van belang omdat we niet langer in een tijd leven waarin mensen voor hun levensonderhoud voornamelijk afhankelijk zijn van lonen en uitkeringen. We leven nu in wat de sociologen Lisa Adkins, Melinda Cooper en Martijn Konings hebben betiteld als de vermogenseconomie (asset economy). Meer dan op enig ander moment in de voorbije eeuw is het bezit van vermogen niet alleen cruciaal voor de toegang tot hoger onderwijs, woningen en gezondheidszorg, die allemaal steeds duurder worden, maar ook voor het verwerven van krediet, werk en inkomen. In een onzekere tijd die gekenmerkt wordt door onbestendig werk en de afbouw van sociale vangnetten is de mogelijkheid tot het opbouwen van vermogen een zaak van existentieel belang geworden.
De vermogensvoorsprong van mannen geeft hun meer macht om levenskeuzes te maken
Het doel van feministisch empowerment is dat vrouwen leren op te treden als autonome economische partij. Maar nu inkomen steeds meer aan belang inboet ten opzichte van vermogen, lopen vrouwen gevaar wederom onevenredig achter het net te vissen. Dit moet niet alleen een thema zijn voor wetenschappelijk onderzoek en debat, het heeft ingrijpende gevolgen voor vrouwen in hun dagelijks leven. Alleenstaande moeders van de arbeidersklasse zullen hierdoor onverminderd geconfronteerd worden met moeilijke keuzes en ontberingen voor henzelf en hun kinderen, en het bedrijfsleven zal een mannendomein blijven.
Zelfs de liefde kan weer im grotere mate vatbaar worden voor economische overwegingen. Zoals de Britse econoom Peter Kenway schrijft, krijgen we binnenkort misschien ‘een Jane Austen-achtige huwelijksmarkt waarop millennials zonder erfenis op zoek gaan naar een millennial die wel de erfenis van een huis in het vooruitzicht heeft.’ De vermogenskloof grijpt zelfs dieper in op het huwelijksleven, want de vermogensvoorsprong van mannen geeft hun meer macht om levenskeuzes te maken (zoals waar ze gaan wonen) die van invloed kunnen zijn op de carrière van hun partner of echtgenoot. En erger nog is dat vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld er door financiële afhankelijkheid soms van worden weerhouden bij hun partner weg te gaan.
Al deze vormen van ongelijkheid komen aan het licht en worden ook verder aangewakkerd na een relatiebreuk – wat steeds meer voorkomt – of wanneer de vrouw weduwe wordt, wat vrouwen vaker overkomt dan mannen, vanwege hun iets hogere levensverwachting en het feit dat ze door de band genomen iets jonger zijn dan hun man. En aangezien stellen de verdeling van hun bezittingen steeds meer formaliseren (in huwelijkse voorwaarden of een partnerovereenkomst) genieten weduwen steeds minder bescherming. De vermogensongelijkheid tussen man en vrouw dreigt dus te leiden tot een toekomst van vrouwen die op hun oude dag afhankelijk zijn van een pensioen dat over het algemeen lager is dan dat van mannen, terwijl ze weinig of geen eigen vermogen hebben.
Goldin schetste in haar werk de ontwikkelingen in een tijd waarin de werkgelegenheids- en loonkloof tussen mannen en vrouwen geleidelijk werd gedicht, zeker in de meer prestigieuze beroepen, dankzij overheidsbeleid en nieuwe technologieën die leidden tot verbeteringen op de arbeidsmarkt en betere reproductieve rechten voor vrouwen. Maar zoals ze zelf ook zegt, zijn we er nog lang niet en kan elke stap vooruit maar al te gemakkelijk ongedaan worden gemaakt, zoals onlangs bleek uit de nieuwe beperkingen (die in veel gevallen neerkomen op een regelrecht verbod) op abortus in de VS. Beleidsmakers en wetenschappers moeten nodig werk maken van de vermogenskloof, voordat onze samenleving weer afglijdt naar de mate van ongelijkheid die de negentiende eeuw kenmerkte. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de arbeidsmarkt en de financiële wereld, maar ook naar de dynamiek binnen huishoudens en gezinnen.
Het gaat nu vooral om het persoonlijk vermogen, en weer trekken de vrouwen aan het kortste eind
Er is grote behoefte aan nieuw historisch, sociologisch en economisch onderzoek om de volle reikwijdte en gevolgen van deze vermogenskloof in kaart te brengen. Zoals Goldin met een indrukwekkende hoeveelheid gegevens uit achttiende- en negentiende-eeuwse archieven aantoonde dat vrouwen die louter als ‘echtgenoot’ stonden geregistreerd in werkelijkheid als ‘arbeiders’ konden gelden, zo moeten wij nu het mysterie van het vermogen van huishoudens ontraadselen. Welk aandeel daarvan is nu werkelijk in handen van vrouwen? Als we dit probleem willen aanpakken, hebben we eerst een heel leger Goldins nodig om het te documenteren en beschrijven.
Juist nu vrouwen in veel landen eindelijk beter opgeleid zijn dan mannen en evenveel recht hebben op dezelfde banen voor hetzelfde geld als hun mannelijke collega’s, is het zwaartepunt van de economische ongelijkheid verschoven. Het gaat nu vooral om het persoonlijk vermogen, en weer trekken de vrouwen aan het kortste eind. Een andere Franse filosoof, Albert Camus (en eveneens Nobelprijswinnaar), schreef de beroemde woorden: ‘We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’ We moeten ons Sisyphus vooral als een vrouw voorstellen.

