wakker worden in een failed state


Het coronavirus heeft Amerika niet kapotgemaakt. Het heeft laten zien dat het land al kapot was. Wanbeleid van de regering, sociale en raciale ongelijkheden, diepe verdeeldheid… George Packer analyseert de structurele gebreken van Trumps Amerika en doet een oproep voor een nieuw samenleving.

Toen het virus Amerika aandeed, trof het een land met grote onderliggende problemen, die het meedogenloos uitbuitte. Aan chronische kwalen een corrupte politieke klasse, een uitgebeend ambtenarenapparaat, een keiharde economie, een verdeelde en verwarde bevolking – was jarenlang niets gedaan. De Amerikanen moesten met de ongemakkelijke symptomen leren leven. Er was een pandemie voor nodig om duidelijk te maken hoe ernstig het was, om de Amerikanen wakker te schudden en te doen beseffen dat ze een groot risico liepen.

De crisis vroeg om een snelle, rationele en eendrachtige aanpak. De Verenigde Staten reageerden daarentegen zoals Pakistan of Wit-Rusland, landen met een belabberde infrastructuur en een gemankeerde overheid en met leiders die te stom of te corrupt zijn om grootschalig leed af te wenden. De regering verspilde twee kostbare maanden voordat ze in actie kwam. De president hield zich Oost-Indisch doof, wees zondebokken aan, sloeg zich op de borst en loog. Zijn spreekbuizen kwamen met samenzweringstheorieën en wonderremedies. Enkele senatoren en topfiguren uit het bedrijfsleven ondernamen snel actie, niet om het naderende onheil af te wenden, maar om ervan te profiteren.

De Amerikanen werden wakker in een failed state. Zonder nationaal plan – zonder een samenhangend geheel van instructies – moesten gezinnen, scholen en bedrijven zelf maar uitzoeken of ze thuis moesten blijven of de deuren moesten sluiten. Toen bleek dat er een schrikbarend tekort was aan tests, mondkapjes, operatiekleding en beademingsapparaten, moesten gouverneurs er bij het Witte Huis om smeken. Dat aarzelde aanvankelijk, om vervolgens een beroep te doen op het bedrijfsleven, dat niet over de brug kwam. Staten en steden zagen zich genoodzaakt tegen elkaar op te bieden en vielen ten prooi aan inhalige bedrijven die de prijs opdreven. Burgers stoften hun naaimachine af om zorgpersoneel uit de brand te helpen.

Fiasco

Donald Trump vatte de crisis persoonlijk én politiek op. Bang om niet te worden herkozen verklaarde hij de coronapandemie de oorlog en riep zichzelf uit tot president in oorlogstijd. De enige leider aan wie hij echter deed denken was de Franse maarschalk Philippe Pétain, die in 1940 de wapenstilstand met Duitsland tekende en vervolgens het nazigezinde Vichy-regime begon. Net als Pétain werkte Trump met de usurpator samen en gaf hij zijn land over aan een uitzichtloze ramp.

En net als Frankrijk in 1940 werd Amerika anno 2020 overvallen door een crisis die de macht van de incompetente leider ver te boven gaat. Een toekomstige analyse van de pandemie zou heel goed ‘Een vreemde nederlaag’ kunnen heten, naar het uit 1940 daterende boek L’Étrange défaite van de Franse historicus Marc Bloch, dat gaat over de val van Frankrijk. Tegenover de talloze gevallen van moed en offerbereidheid, overal in Amerika, staat het fiasco op nationale schaal.

Dit is de derde grote crisis in de nog niet zo oude eenentwintigste eeuw. De eerste, begonnen op 11 september 2001, deed zich voor toen de Amerikanen nog met hun hoofd bij de vorige eeuw waren en crises, wereldoorlogen en de Koude Oorlog nog vers in het geheugen lagen. Destijds beschouwden plattelandsbewoners New York nog niet als een smeltkroes van immigranten en progressieven die zijn verdiende loon kreeg, maar als een fantastische Amerikaanse stad die de klap voor het hele land had opgevangen. De beschaafde reflex van de Amerikanen was samen rouwen en actie ondernemen.

Verbittering

Partijpolitiek en rampzalig beleid, vooral inzake de oorlog in Irak, maakten een einde aan het gevoel van nationale eenheid en voedden de verbittering jegens de politieke klasse. De tweede crisis, die van 2008, verergerde die alleen maar. Aan de top werd de financiële ramp zowat als een succes beschouwd. Het Amerikaanse Congres nam een door beide partijen gesteund steunpakket aan waarmee het financiële stelsel overeind werd gehouden.

Experts van de federale bank en het ministerie van Financiën pasten belasting- en monetair beleid toe om een tweede Grote Depressie te voorkomen. Topbankiers werden te schande gemaakt maar niet vervolgd. De meesten behielden hun vermogen en sommigen zelfs hun baan. Het duurde niet lang of ze gingen weer aan het werk.

De pijn werd vooral gevoeld door de middenklasse en de onderkant van de samenleving, door Amerikanen die zich in de schulden hadden gestoken en hun baan, huis en pensioen waren kwijtgeraakt. Velen zijn die klap nooit te boven gekomen, en jonge mensen die in de tijd van de ‘Grote Recessie’ zijn opgegroeid zullen het financieel nooit meer zo goed krijgen als hun ouders. De ongelijkheid – sinds het einde van de jaren zeventig de fundamentele, nietsontziende kracht in de Amerikaanse samenleving – werd nog groter.

gettyimages 1225646486

De tweede crisis dreef een stevige wig tussen de Amerikanen: tussen de hoge en de lage klasse, de Republikeinen en Democraten, de plattelands- en de stedelijke bevolking, de oorspronkelijke bewoners en de immigranten, de gewone mensen en hun leiders. De maatschappelijke relaties hadden al decennia lang onder druk gestaan, maar begonnen het nu echt te begeven.

Hoe belangrijk de hervormingen in de jaren onder president Obama ook waren – op het gebied van de gezondheidszorg, de financiële regelgeving en groene energie – ze hadden slechts een palliatief effect. Het herstel van de afgelopen tien jaar maakte bedrijven en investeerders alleen maar rijker, suste de beoefenaren van vrije beroepen in slaap en zette de werkende klasse op een nog grotere achterstand. Het blijvende effect was een toenemende polarisatie en een nog groter wantrouwen jegens de autoriteiten, vooral de overheid.

Het duurde lang voordat beide partijen beseften hoeveel ze aan geloofwaardigheid hadden ingeboet. De nieuwe politiek was populistisch. Trump wees het Republikeinse establishment af en kwam zo aan de macht. Maar de aloude politieke klasse en de nieuwe leider vonden elkaar snel. Hoezeer ze ook van mening verschillen over onderwerpen als handel en immigratie, hun doel was hetzelfde: in het eigen belang de publieke ruif leegeten. Republikeinse politici en donoren die wilden dat de overheid zo weinig mogelijk deed voor de publieke zaak, waren dik tevreden met een regime dat geen kaas had gegeten van landsbestuur en meldden zich maar wat graag als voetsoldaat van Trump.

Spiegelpaleis

Trump slachtofferde wat er nog over was van de burgersamenleving. Hij heeft geen moment gedaan alsof hij de president van het hele land was, maar zette Amerikanen tegen elkaar op die zich aan weerszijden bevonden van de scheidslijnen tussen rassen, seksen, religies, privé- en openbaar onderwijs, de verschillende regio’s en – dag in, dag uit sinds zijn presidentschap – de beide politieke partijen. Het voornaamste middel waarvan hij zich bedient is de leugen. Een derde van het land heeft zichzelf opgesloten in een spiegelpaleis waarvan het denkt dat het de waarheid laat zien, een derde maakt zichzelf gek door te proberen vast te houden aan het idee dat de waarheid kenbaar is, een derde neemt niet eens meer de moeite.

Trump erfde een federaal ambtenarenapparaat dat was lamgeslagen door jarenlange ideologische aanvallen van rechts, politisering door beide partijen en structurele begrotingstekorten. Hij maakte het karwei af door het apparaat kapot te maken. Hij joeg enkele van de meest getalenteerde en ervaren carrièreambtenaren weg, liet essentiële functies onbezet en installeerde getrouwen uit eigen kring met maar één doel: zijn eigen belangen dienen. Zijn grootste wapenfeit op wetgevingsgebied, een van de riantste belastingverlagingen uit de geschiedenis, leverde bedrijven en vermogende particulieren honderden miljarden dollars op. Wie ervan profiteerde, bezocht Trumps resorts en spekte de kas voor zijn herverkiezing. De leugen was het middel, corruptie het doel.

Zo zag het Amerikaanse landschap eruit toen het virus kwam: in welvarende steden vertoefde een klasse van vrijeberoepsbeoefenaren die zich thuis voelden in de wereld en afhankelijk waren van onzichtbare dienstverleners met een onzekere status, op het platteland verzetten wegkwijnende gemeenschappen zich tegen de moderne wereld, social media waren het toneel van wederzijdse haat en scheldpartijen tussen uiteenlopende kampen, de economie werd zelfs bij nagenoeg volledige werkgelegenheid gekenmerkt door een steeds grotere kloof tussen de macht van het kapitaal en zware arbeid, in Washington zetelde de door een bedrieger geleide lege huls van een regering van een intellectueel failliete partij, en overal in het land heerste een sfeer van cynisme en uitputting, zonder enig vooruitzicht op een gezamenlijke identiteit of toekomst.

Als de pandemie echt een soort oorlog is, dan is het de eerste die in anderhalve eeuw op Amerikaanse bodem wordt uitgevochten. De invasie en de bezetting leggen breuklijnen in de samenleving bloot, vergroten uit wat in vredestijd niet opvalt en wordt geaccepteerd, brengen essentiële waarheden aan het licht en verergeren de stank van alles wat is begraven maar nog steeds ligt te rotten.

In Washington zetelde de door een bedrieger geleide lege huls van een regering

Het virus had Amerikanen kunnen verenigen tegen iets wat hen collectief bedreigde. Met anderen aan het roer was dat misschien gelukt. In plaatsdaarvan verdeelde het de meningen langs de gebruikelijke partijlijnen, zelfs al verspreidde het zich van Democratische naar Republikeinse gebieden. Het virus had ook de grote gelijkmaker kunnen worden. Maar vanaf het begin waren de lasten ongelijk verdeeld omdat de Amerikanen de ongelijkheid zo lang hebben laten voortbestaan. Toen er bijna geen test meer te krijgen was, kon wie geld en contacten had zich toch op de een of andere manier laten testen, hoewel de meesten van hen geen symptomen vertoonden. Intussen moest de gewone man koortsig en rillerig in een mogelijk besmette rij staan om uiteindelijk te worden weggestuurd, want hij was immers niet écht benauwd.

Toen Trump naar dat schandalige onrecht werd gevraagd, keurde hij het af, maar voegde eraan toe: ‘Tja, zo gaat dat soms in het leven.’ Onder normale omstandigheden vallen zulke privileges de meeste Amerikanen nauwelijks op, maar in de eerste weken van de pandemie leidden ze tot een golf van woede. Het was alsof de welgestelden zich tijdens een algehele mobilisatie tegen betaling onder militaire dienst uit wurmden en gasmaskers hamsterden. Nu de besmetting zich verspreidt, blijken vooral arme zwarte en gekleurde mensen het slachtoffer. De grove ongelijkheid van het Amerikaanse gezondheidszorgstelsel valt af te lezen aan de koelwagens vol lijken die rijen dik voor openbare ziekenhuizen staan.

Vitale beroepen

Er zijn inmiddels twee soorten beroepen: vitale en niet-vitale. Wie blijken de mensen in de vitale beroepen te zijn? Vooral degenen met laagbetaalde banen waarvoor hun fysieke aanwezigheid is vereist en die hun gezondheid op het spel zetten: magazijn- en bezorgdienstmedewerkers, vakkenvullers, gemeenteambtenaren, ziekenhuispersoneel, hulpverleners in de thuiszorg en vrachtwagenchauffeurs.

De pandemie maakt ook duidelijk wie degenen in de niet-vitale beroepen zijn. Een voorbeeld is Kelly Loeffler, de jonge senator van Georgia, wier enige kwalificatie voor de vacante zetel die ze in januari kreeg haar onmetelijke rijkdom is. Ze was nog geen drie weken aan de slag of ze werd na een kwalijke persoonlijke briefing over het virus nog rijker door aandelen van de hand te doen, waarna ze de Democraten ervan beschuldigde het gevaar te overdrijven en haar kiezers misplaatste zekerheid gaf, die hun het leven had kunnen kosten. Loefflers reflexen in overheidsdienst zijn die van een schadelijke parasiet. Een natie die iemand zo’n hoog ambt verleent, is al heel lang verrot vanbinnen.

Jared Kushner

De zuiverste belichaming van politiek nihilisme is niet Trump zelf, maar zijn schoonzoon en belangrijkste adviseur Jared Kushner. Ondanks zijn nog korte leven is Kushner een omhooggevallen meritocraat en populist. Hij stamt uit een steenrijk onroerendgoedgeslacht en werd geboren in de maand waarin Ronald Reagan in 1981 het Oval Office betrad: een koninkje in het tweede Gouden

Tijdperk van de VS. Ondanks zijn middelmatige academische prestaties werd Jared tot Harvard toegelaten nadat zijn vader, Charles, had toegezegd 2,5 miljoen dollar aan de universiteit te zullen doneren. Vader hielp zoonlief bovendien met een lening van 10 miljoen om in het familiebedrijf aan de weg te timmeren, waarna Jared zijn eliteopleiding voortzette aan de rechten- en bedrijfseconomische faculteit van New York University, die van zijn vader 3 miljoen had gekregen.

Jared Kushner mislukte als vastgoedman en krantenuitgever, maar telkens hielp iemand hem weer uit de brand, waardoor zijn zelfvertrouwen alleen maar toenam. Hij mat zich het aura aan van een ondernemer die risico’s neemt, iemand die de nieuwe economie ‘opschudt’. Dus toen zijn schoonvader president werd, verwierf Kushner snel invloed in een regering waarvan amateurisme, nepotisme en corruptie de leidsbeginselen zijn.

Zolang hij zich bezighield met de vrede in het Midden-Oosten, kon zijn klunzige bemoeizucht de meeste Amerikanen weinig schelen. Maar sinds hij Trumps invloedrijke adviseur op het pandemiegebied is, is massale sterfte het gevolg.

Kushner is een omhooggevallen meritocraat en populist

In zijn eerste week, half maart, schreef Kushner mee aan de slechtste toespraak uit het Oval Office sinds mensenheugenis, reed hij andere belangrijke functionarissen in de wielen, bracht hij mogelijk veiligheidsprotocollen in gevaar, flirtte hij met belangenverstrengeling en overtredingen van federale wetten en deed hij grote beloften die al snel niets waard bleken. ‘De federale overheid is er niet om al onze problemen op te lossen,’ verklaarde hij toen hij zei zijn contacten in het bedrijfsleven te zullen aanspreken om teststraten te ontwikkelen.

Die zijn er nooit gekomen. Zonder het vertrouwen in zichzelf te verliezen, legde hij de schuld van de tekorten aan noodzakelijke apparatuur en voorzieningen bij ‘incompetente’ gouverneurs.

Deze amateuristische bleekneus in strak pak midden in een dodelijke crisis aan zien komen banjeren, strooiend met managementjargon om de blunders die de regering van zijn schoonvader begaat te verhullen, is alsof je alle verstandige staatkunde in één keer op de schroothoop gegooid ziet worden. Deskundige wetenschappers en andere dienaren van het publieke belang zijn helemaal geen verraderlijke handlangers van de ‘diepe staat’, maar onmisbare medewerkers. Hen wegzetten ten faveure van ideologen en stroopsmeerders is een gevaar voor de volksgezondheid.

‘Wendbare’ bedrijven zijn helemaal niet in staat om ons voor te bereiden op een ramp of op de distributie van middelen die levens kunnen redden. Dat kan alleen een competente federale overheid. Alles heeft zijn prijs: het jarenlange aanvallen, uitknijpen en moreel uitputten van de overheid eist een zware tol, die gewone mensen nu met hun leven betalen. Dat alle programma’s van de overheid kampen met geldgebrek, dat voorraden zijn uitgeput en plannen zijn geschrapt, betekent dat Amerika een tweederangsland is geworden. En toen kwamen het virus en die vreemde nederlaag.

Onvermijdelijke keuze

De strijd om de pandemie de baas te worden moet ook een strijd worden om Amerika weer gezond te maken en opnieuw op te bouwen, want anders zullen de Amerikanen het leed en het verdriet dat ze nu meemaken nooit te boven komen. Onder het huidige bewind zal er niets veranderen. Maar een einde maken aan dat regime zal slechts een begin zijn.

De crisis stelt ons voor een onvermijdelijke keuze. Óf we blijven in thuisisolement, blijven bang voor elkaar, mijden elkaar en laten de maatschappelijke cohesie verdampen, óf we gebruiken deze onderbreking van het gewone leven om aandacht te schenken aan zorgpersoneel dat mobieltjes voor de mond van patiënten houdt om afscheid te nemen van hun geliefden, of aan het vliegtuig vol medici uit Atlanta die New York te hulp schieten, of aan de medewerkers van een vliegtuigbouwer in Massachusetts die eisen dat hun fabriek beademingsapparatuur gaat maken, of aan de inwoners van Florida die lange rijen vormen voor de deur van het uitgeklede arbeidsbureau omdat ze niemand aan de lijn krijgen.

Van deze afschuwelijke tijden kunnen we leren dat domheid en onrecht fataal zijn, dat burgerschap in een democratie hard werken is (een vitaal beroep) en dat het alternatief voor solidariteit de dood is. Laten we, als we eenmaal uit onze schuilplaats zijn gekropen en ons mondkapje hebben afgedaan, nooit meer vergeten hoe het was om alleen te zijn.

Auteur: George Packer

George Packer is een Amerikaanse journalist en schrijver. Hij publiceert regelmatig in o.a. The New Yorker en The Atlantic over Amerikaanse politiek en buitenlandbeleid.

The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 478.000

Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.


Deel dit artikel


Recent verschenen