De rock-’n-roll-generatie laat haar weinige kinderen achter met de rekening
Ooit was de ongelijkheid in Europa vooral horizontaal verdeeld. Het rijke Westen reed in BMW’s en vierde vakantie in het buitenland terwijl ze in het armere Oostblok defecte huishoudapparaten zelf oplapten en in de rij stonden voor brood. Maar de voormalige Oostbloklanden hebben dertig jaar de tijd gehad om die achterstand weg te werken en korte metten gemaakt met de grappen over Roemeense auto’s die alleen bergafwaarts echt snelheid maken. Tegenwoordig is de ongelijkheid in Europa eerder verticaal verdeeld, binnen de stamboom. Jongeren blijven vanwege de torenhoge huizenprijzen noodgedwongen bij hun ouders wonen en betwijfelen of ze zich als volwassene ooit nog de levensstijl kunnen veroorloven die ze kennen uit hun eigen jeugd. Dertigers met een baan betalen fors belasting om de oudedagsvoorziening te financieren van de ouderen, die in hun beste jaren met pensioen zijn gegaan. De kosten van de vergrijzing slokken al een kwart op van het bbp van de Europese Unie, en dat zal er niet minder op worden naarmate het oude continent verder veroudert. Als jonge Europeaan voel je je al snel het argeloze slachtoffer van een intergenerationele babbeltruc.
Als de Europese verzorgingsstaat op een piramidespel lijkt, dan zijn de babyboomers de farao’s. De generatie geboren in de twee decennia na 1945, mensen van tussen de zestig en de tachtig (hee mam! hee pap!), zouden de geschiedenis willen ingaan als de eerste generatie in eeuwen die geen oorlog is begonnen binnen Europa. Sociologen zullen de babyboomers ook wel prijzen vanwege de culturele omwentelingen van de jaren zestig, toen ze chauvinisme verruilden voor rock-’n-roll. Maar economen zullen minder gunstig oordelen. De boomers schonken zichzelf een ruim pensioen gebaseerd op demografische trends die inmiddels zijn gekeerd. De kosten hebben Europa vertraagd. De grootouders van nu erfden een continent dat hard werkte aan de wederopbouw na de oorlog. Wat ze nalaten, is een continent dat aan herstel toe is na de schade die er mede door hun toedoen is ontstaan.
De meest in het oog springende buit van de intergenerationele diefstal bestaat uit de huizen die de boomers voor een habbekrats hebben gekocht en die nu miljoenen waard zijn. Ja, ze moesten daarvoor destijds geld lenen tegen torenhoge rentetarieven, maar ze profiteerden van de aanhoudende stijging van de huizenprijzen nadat de hypotheek was afbetaald. Zelfs na correctie voor inflatie zijn de huizenprijzen in Europa in tien jaar tijd met een kwart gestegen, en ook de huurprijzen stijgen sneller dan de inkomens. Met als gevolg dat de boomers zich allemaal een financieel genie wanen terwijl ze eigenlijk gewoon enorm hebben geboft, en jongeren geen kans meer maken op een eigen huis. Het percentage Europeanen dat tot ver in de middelbare leeftijd bij de ouders blijft wonen (vermoedelijk toch niet helemaal uit vrije wil, hoe goed moeders pot ook smaakt), is in de loop der tijd steeds verder gestegen. Van de mensen die in de jaren tachtig zijn geboren, woont bijna een kwart op hun dertigste nog thuis, alweer vijftig procent meer dan in de generatie die twintig jaar eerder werd geboren. Huizenbezit leek vroeger de beste manier om financieel onafhankelijk te worden. Nu kun je beter gokken op een erfenis – als die ooit komt.
Wereldwijd
Europa is niet de enige plek met veel ouderen in dure huizen. Maar door de verzorgingsstaat die mensen van de wieg tot het graf beschermt, belandt een groter aandeel van de kosten van de vergrijzing op het bordje van de jongere generaties. In de meeste andere rijke landen, zoals Amerika, Japan en Zuid-Korea, halen vijfenzestigplussers hun inkomen hoofdzakelijk uit wat deeltijdwerk en de particuliere pensioenpot die ze in hun werkzame leven hebben opgebouwd. Europeanen stoppen al vroeg met werken, leven lang en verwachten dat ze hun pensioen krijgen van de staat, ofwel de belastingbetaler. In Amerika vormden de biljoenen dollars in particuliere pensioenfondsen het kapitaal voor venturecapital- en private-equityfondsen, die Amerikaanse bedrijven hielpen uitgroeien tot wereldspelers. In de meeste Europese landen worden de pensioenen van vandaag betaald door de werknemers van vandaag, vanuit de gedachte dat de nog ongeboren werknemers van morgen het stokje zullen overnemen en ook weer de pensioenen van hun ouders zullen betalen als die eenmaal bejaard zijn. (Een deel van de pensioenen is gefinancierd met overheidstekorten die ooit moet worden terugbetaald door de generatie die nu nog niet is geboren.) Dat betekent minder kapitaal voor Europese bedrijven: een van de redenen waarom Europa in de techsector zo weinig grote bedrijven heeft. Wat het wel heeft, is een enorme ongedekte kostenpost die op de begroting drukt.
Dit speelde allemaal geen rol toen zowel de economie als de bevolking nog groeiden, zoals babyboomers zich uit hun jeugd herinneren. Maar de bevolkingsomvang van Europa zit nu op zijn hoogtepunt, niet in de laatste plaats dankzij de door de boomers ingezette trend om minder kinderen te krijgen. In 1960 waren er in West-Europa op elke gepensioneerde nog meer dan vijf werknemers om het pensioen te betalen. Dat zijn er nu nog maar tweeënhalf. De jongere generaties van nu weten dus dat ze in ieder geval gedeeltelijk zelf voor hun eigen pensioen moeten zorgen, zoals de Amerikanen ook doen, bovenop het geld dat ze afdragen voor de pensioenen van hun ouders. De enige manier om de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden direct te verbeteren, is veel migranten binnenhalen. Maar pogingen daartoe hebben het politieke klimaat vergiftigd door rechts-populistische partijen in de kaart te spelen.
Niemand zal de babyboomers hun langere levensduur misgunnen. (Opnieuw een ongemakkelijk knikje hier naar de ouders van uw columnist.) Maar een oudere samenleving is vooral op het hier en nu gericht, niet langer op de toekomst. Mede doordat ouderen nog in groteren getale naar de stembus schuifelen dan jongeren, was de mediane leeftijd van de Franse kiezers in de laatste presidentsverkiezingen 52 jaar. Dat is nog geen tien jaar jonger dan de feitelijke pensioenleeftijd in Frankrijk. Niet gek dus dat politici zich sterk maken voor de prioriteiten van ouderen. Bij begrotingstekorten zijn er altijd wel manieren te vinden om pensioenen en bejaardentehuizen te sparen, en in plaats daarvan te bezuinigen op onderwijs en innovatie. ‘De toekomst van de democratie wordt steeds meer bepaald door kiezers die er zelf geen hebben,’ klaagt Maxime Sbaihi, een econoom bij de Franse demografische denktank Club Landoy.
Dit had allemaal kunnen veranderen door corona, toen de jongeren zich jarenlang beperkingen lieten opleggen, vooral ten dienste van de ouderen. Maar de rekening is nog altijd niet vereffend. (Al is er tegenwoordig wel een Europese Commissaris voor ‘intergenerationele rechtvaardigheid’.) De Franse denker Raymond Aron waarschuwde ooit dat een vergrijzende samenleving zal worden ‘achtervolgd door de geest van berusting’. Die matte stemming voelt maar al te bekend voor de Europeanen van nu, als ze weer een kinderdagverblijf zien plaatsmaken voor een verzorgingstehuis.
Vertaald door Frank Lekens
Verder lezen?
Kwaliteitsjournalistiek kost geld. Maar je wilt 360 misschien liever eerst proberen. Neem daarvoor een proefabonnement en lees een week lang gratis.
Heb je al een account?

