Opmerkingen over het inlijven van Canada als 51ste staat zijn niet nieuw.
De achtentwintigjarige Robert Louis Stevenson reisde in wat hij zelf een ‘immigrantentrein’ noemde van New York naar Californië. Hij had haast om zijn geliefde in San Francisco te ontmoeten. ‘Dat is een van de lessen van het reizen’, schrijft hij in Across the Plains, zijn levendige verslag van de tocht: ‘sommige van de vreemdste volkeren wonen gewoon bij je om de hoek.’
Op diezelfde pagina schrijft Stevenson dat er ook Canadezen in de trein zitten, een herinnering voor de Amerikaanse lezer dat die ‘vreemdelingen’ eigenlijk gewoon hun buren zijn. Toch blijft Canada voor de meeste Amerikanen een grote onbekende. En dat terwijl het land dichtbij en makkelijk bereikbaar is: Amerikaanse staatsburgers hebben voor een kort bezoek geen visum nodig. Heel anders dan aan de grens met Mexico, waar automobilisten met allerlei bureaucratische rompslomp te maken krijgen.
‘Als er één land is dat Amerika begrijpt, dan zijn wij het wel,’ zei de Canadese minister van Buitenlandse Zaken begin 2025. Destijds dreigde de Amerikaanse president er openlijk mee Canada te annexeren en het land tot de 51ste staat van de VS te maken. Maar andersom begrijpen Amerikanen maar weinig van Canada. Als ze überhaupt bij hun noorderburen stilstaan, lijkt hun beeld nog altijd op dat van schrijver Samuel Johnson uit 1756. Hij deed Canada af als ‘een koude, onaangename en onherbergzame streek, waar niets anders te halen viel dan bont en vis en waar nieuwkomers slechts een zwaar en armoedig bestaan te wachten stond’.
Sommigen doen Canada zelfs af als ‘de hoed van Amerika’: een grote bontmuts die scheef op het ongeïnteresseerde hoofd van de Verenigde Staten staat, vaag, log en ondoorgrondelijk. Afgezien van de bekende ansichtkaartbeelden van besneeuwde vlaktes, ruige bergketens, uitgestrekte prairies, toendra’s en graslanden, is het Canadese landschap nauwelijks in één beeld te vangen. De bevolking heeft geen herkenbaar gezicht, de politiek is door haar vage, Britse karakter moeilijk te doorgronden, de economie blijft een mysterie en het weer is genadeloos. Of zoals een andere Amerikaanse sneer luidt: ‘Canada kent maar twee seizoenen: winter en augustus.’
‘Canada is als een jonger broertje dat voortdurend om aandacht vraagt’
In de documentaire Being Canadian uit 2015 wordt met een mengeling van ernst en humor de vraag gesteld of Canada eigenlijk wel zoiets als een nationale identiteit heeft – net als Malawi, Singapore en andere kleine landen die worstelen met de vraag wie ze zijn. In de film bespreken tal van uitbundige, getalenteerde en succesvolle Canadese komieken de haat-liefdeverhouding van hun land met de VS. Uiteindelijk komen ze tot de conclusie dat de zoektocht naar een nationale identiteit weinig oplevert: ‘Canada is als een jonger broertje dat voortdurend om aandacht vraagt.’
Schrijver Mordecai Richler gaf ooit antwoord op de vraag naar de Canadese identiteit door een andere Canadese schrijver, Morley Callaghan, te citeren: ‘Vergeet de woorden “identiteit” en “cultuur”, gebruik ze gewoon nooit. Streef alleen naar het allerbeste, dan zullen mensen over de hele wereld zich vanzelf gaan afvragen wie die Canadezen zijn.’ Toch blijft de vraag naar de nationale identiteit de Canadezen bezighouden: ‘Hebben we die eigenlijk wel? En zo ja, wat houdt die dan in?’
Volgens Richler hadden Engelstalig Canada en Quebec, ondanks de verdeeldheid over de taal en tal van andere kwesties, één belangrijke eigenschap gemeen: hun slechte smaak. Een personage uit zijn roman Solomon Gursky Was Here (1989) omschrijft Canada als ‘niet zozeer een land, maar eerder een vergaarbak voor de ontevreden nazaten van verslagen volkeren’.
Richler woonde jarenlang buiten Canada en kon zijn geboorteland dankzij zijn vele reizen met enige afstand bekijken. Zo groeide hij uit tot iemand die Canada aan de buitenwereld probeerde uit te leggen en te duiden. Hij geloofde, zoals hij ooit zei – en misschien had hij daarin wel gelijk – dat juist de beste kanten van Canada voor niet-Canadezen onzichtbaar bleven.
Gigantisch grondgebied
Canada telt 41 miljoen inwoners, ongeveer evenveel als Californië of Tokio. Dat zijn er zelfs minder dan in de uitdijende metropool Jakarta in Indonesië, waar 42 miljoen mensen wonen en die inmiddels de status van ‘megastad’ heeft. Tegelijkertijd daalt het geboortecijfer in Canada. Het ‘extreem lage vruchtbaarheidscijfer’ ligt ongeveer op hetzelfde niveau als dat van Japan en Zwitserland. Daar staat een gigantisch grondgebied tegenover: met bijna 10 miljoen vierkante kilometer is Canada groter dan China en ook iets groter dan de Verenigde Staten.
In veel opzichten doet Canada me denken aan een enorme archipel: een land van ver uit elkaar gelegen steden die als eilanden verspreid liggen. Daarnaast zijn er echte eilanden, nederzettingen als atollen en afgelegen dorpen als kleine eilandjes. Elke plek heeft zijn eigen weer, karakter en taalgebruik en koestert een eigen gevoel van trots. Omringd door water, bossen, toendra of prairie vormen ze bijna werelden op zich. Daartussen ligt vaak niets meer dan eindeloze leegte of ondoordringbare duisternis. Maar wie dit over Canada weet, weet eigenlijk nog maar heel weinig. Canadezen benadrukken, vaak met enige spot, dat Canada niet de Verenigde Staten is. Als hun wordt gevraagd wat hen dan wél Canadees maakt, beginnen ze vaak met wat ze niet zijn: Amerikaans. Voor sommige – misschien wel veel – Canadezen vormt hun afkeer van de VS zelfs een voedingsbodem voor het Canadese nationalisme en de trotse overtuiging dat ze het in Canada anders aanpakken.
Daar zit een kern van waarheid in. Op sommige vlakken doen Canadezen het een stuk beter, al vertellen ze dat soms aan Amerikanen met een zweem van morele superioriteit. Morele zelfgenoegzaamheid is een Canadees wapen – een bot wapen, maar toch. En ook de Canadese zelfspot, hoe graag sommige Amerikanen die ook horen, klinkt zelden helemaal overtuigend.
De Canadese wapenwetgeving is redelijker en biedt meer veiligheid. De doodstraf bestaat er niet
‘In 1963, toen ik voor een marktonderzoeksbureau werkte, antwoordde de meerderheid van de Canadezen in een van onze enquêtes “nee” op de vraag: “Is er een verschil tussen Canada en de Verenigde Staten?”’ Dat schreef Margaret Atwood eind 2025 in Elbows Up!, een essaybundel waarin Canadezen schrijven over hun soevereiniteit en identiteit. Ze voegde eraan toe: ‘Maar ook op de vraag of Canada zich bij de Verenigde Staten zou moeten aansluiten, antwoordden ze “nee”. Blijkbaar wisten ze dus wel dat er een verschil was, alleen konden ze niet zeggen wat dat verschil precies was.’
Er zijn inderdaad verschillen. Canada beschermt de reproductieve rechten van alle vrouwen en meisjes. De Canadese wapenwetgeving is redelijker en biedt meer veiligheid. De doodstraf bestaat er niet: de laatste executies vonden plaats in 1962. In de Verenigde Staten zijn daarentegen in 2025 47 gevangenen ter dood gebracht.
Het openbaar onderwijs in Canada is over het algemeen beter. De Canadese samenleving is seculierder en wordt minder bepaald door religieuze orthodoxie, waardoor het vertrouwen in de wetenschap er veel groter is dan in de Verenigde Staten. Afgaand op mijn eigen toevallige ontmoetingen leest de gemiddelde Canadees bovendien meer boeken.
Ruimhartig
In Canada heeft iedereen toegang tot gratis gezondheidszorg, die uit publieke middelen wordt betaald. En de Canadese publieke omroep CBC lijkt – wat mij betreft in positieve zin – meer op de BBC dan op NPR en vraagt nooit om donaties. Al kun je in de webshop van CBC natuurlijk wel een tas of pet met het logo kopen, zolang je maar niet met de Canadese eencentmunt betaalt.
De Canada Council for the Arts, de kunst- en cultuurraad van de Canadese overheid, is een gulle mecenas. De organisatie reikt prijzen uit, bevordert poëzie, financiert muziek, theater en dans, bekostigt kunsttentoonstellingen, investeert in culturele instellingen en geeft schrijvers geld om boeken te schrijven en uitgevers om ze uit te geven. Canada pakt dat allemaal zo ruimhartig aan dat de Amerikaanse National Endowment for the Arts er maar karig, wereldvreemd en cultuurbarbaars bij afsteekt.
De goede verstandhouding met Canada en de inzet van de Canadezen hebben de Verenigde Staten veel gebracht. Canadese militairen vochten in beide wereldoorlogen zij aan zij met Amerikaanse soldaten, dienden als vredeshandhavers in Vietnam en namen later deel aan gevechtsmissies in Irak en Afghanistan. Die verbondenheid bleek ook na de aanslagen van 11 september 2001, toen Canadese brandweerlieden en medische hulpteams zich naar New York haastten om te helpen bij de reddings- en bergingswerkzaamheden rond het World Trade Center.
‘leven, vrijheid en het nastreven van geluk’ en ‘vrede, orde en goed bestuur’
Canada heeft met zijn succesvolle schrijvers, kunstenaars, sporters, muzikanten, componisten, komieken, acteurs en arbeidskrachten voortdurend talent geleverd aan de Amerikaanse cultuur. Hoewel veel Canadezen met een mengeling van fascinatie en afkeer naar de Verenigde Staten kijken, staat vast dat Canadese migranten al eeuwenlang hebben bijgedragen aan de Amerikaanse welvaart. Een opvallende uitzondering was de in Ontario geboren fascistische ‘radiopriester’ Father Coughlin [een katholieke priester die in de VS bekend werd met zijn populaire radio-uitzendingen en antisemitische denkbeelden].
Daar komen nog honderden Canadese uitvindingen bij die het Amerikaanse leven hebben verrijkt. Denk bijvoorbeeld aan typisch Canadese vondsten als ijshockey en de sneeuwblazer, maar ook aan de verfroller en de vuilniszak. Zelfs uitvindingen die Amerikanen als typisch Amerikaans en als onlosmakelijk onderdeel van hun cultuur beschouwen, blijken uit Canada te komen. Zo hebben we ook de telefoon, insuline, Superman, de Wonderbra [de bekende push-upbeha], basketbal en pindakaas aan Canadezen te danken.
Dan nog een laatste verschil. De Amerikaanse droom, zoals vastgelegd in de Onafhankelijkheidsverklaring, draait om ‘leven, vrijheid en het nastreven van geluk’. Het Canadese ideaal, vastgelegd in de Grondwet van 1867 en door Canadezen vaak aangehaald om het verschil met hun zuiderburen te benadrukken, luidt daarentegen: ‘vrede, orde en goed bestuur’.
51ste staat
Deze geschiedenis was kennelijk niet bekend bij de nieuwe Amerikaanse president, niet vóór en ook niet na zijn inauguratie in januari 2025. Al in de eerste maanden van zijn campagne opperde hij het idee om Canada bij de Verenigde Staten te voegen. Niet veel later schreef hij dat Canada ‘ooit, misschien zelfs binnenkort, onze geliefde en zeer belangrijke 51ste staat zal worden’.
Het idee dat de Verenigde Staten Canada zouden annexeren leek absurd, zo niet krankzinnig. De Canadezen reageerden dan ook terecht verontwaardigd. Toch was het idee niet nieuw. Al aan het einde van de achttiende eeuw koesterde George Washington de ambitie om de Verenigde Staten uit te breiden door Canada in te lijven.
‘Een kwestie van erheen marcheren, meer niet’, schreef Thomas Jefferson ter aanmoediging. Washington was vastbesloten het plan uit te voeren en gaf het Continentale Leger in 1775 opdracht Quebec binnen te vallen. Daarmee hoopte hij te voorkomen dat de Britten in Canada zouden helpen om de Amerikaanse opstand neer te slaan. Tegelijkertijd probeerde hij de habitants [de Franstalige kolonisten van Quebec] aan zijn kant te krijgen en tegen hun Britse machthebbers in opstand te laten komen.
De Fenian-invallen waren een vroeg voorbeeld van hoe Amerikaanse druk en vijandigheid de Canadezen juist dichter bij elkaar brachten
In november van dat jaar veroverde generaal-majoor Richard Montgomery het Britse bolwerk Fort Saint-Jean aan de Richelieu, ten noorden van Lake Champlain. Onder de gevangenen bevonden zich Joseph LaFerté en zijn landheer, de aristocraat Joseph-Marie Godefroy de Tonnancour uit Yamaska. Bij de Slag om Quebec een maand later kregen de Amerikanen te maken met sneeuwstormen en Britse tegenaanvallen. Montgomery sneuvelde terwijl hij een aanval leidde. Zijn troepen en die van generaal-majoor Benedict Arnold kwamen vervolgens zonder hun bevelhebber tegenover een grote Britse overmacht te staan en werden teruggeslagen.
In de zomer van 1776 probeerden de Amerikanen het opnieuw bij Montreal, maar ook daar leden ze een nederlaag. Joseph LaFerté en zijn landheer kwamen in 1777 vrij bij een gevangenenruil en werden teruggestuurd naar Quebec.
Tijdens de Oorlog van 1812 deed zich opnieuw een gelegenheid voor om Canada binnen te vallen en te annexeren. Vooraf hield de Amerikaanse politicus Henry Clay president James Madison voor dat de verovering weinig moeite zou kosten. ‘Ik hoop dat men mij niet aanmatigend vindt als ik zeg dat ik er werkelijk van overtuigd ben dat de militie van Kentucky alleen al in staat is Opper-Canada aan uw voeten te leggen.’ Ook congreslid John C. Calhoun, die net als Clay voorstander was van de oorlog, beweerde dat Canada binnen vier weken kon worden veroverd. De invasiepogingen mislukten.
Tien jaar later, in 1822, probeerde minister van Buitenlandse Zaken John Quincy Adams president James Monroe ervan te overtuigen Canada bij de Verenigde Staten te voegen. Monroe stond er aanvankelijk voor open, maar bracht Adams uiteindelijk wijselijk van het idee af.

Daarmee kwam er nog geen einde aan de pogingen om Canada binnen te vallen. Na afloop van de Amerikaanse Burgeroorlog trokken Iers-Amerikaanse veteranen van het noordelijke leger gewapend Canada binnen. Deze Fenians [Ierse nationalisten die streden voor onafhankelijkheid van Groot-Brittannië] hoopten genoeg Canadees grondgebied te veroveren om de Britten te dwingen Ierland zijn vrijheid te geven.
De Canadese multimiljonair en witteboordencrimineel Conrad Black omschreef de indringers in zijn geschiedenis van Canada als ‘een bijeengeraapt zooitje Ierse fanatici en relschoppers’. De Fenian-invallen mislukten, maar de verschrikkingen en verdeeldheid van de Amerikaanse Burgeroorlog deden Groot-Brittannië beseffen dat zijn verschillende koloniën in Canada beter samen verder konden. In 1867 werden ze daarom verenigd in een confederatie. Het was een vroeg voorbeeld van hoe Amerikaanse druk en vijandigheid de Canadezen juist dichter bij elkaar brachten.
In Portraits of Places (1883) blikte de Amerikaanse schrijver Henry James terug op zijn bezoek aan Quebec en stond hij stil bij de mogelijkheid dat de Verenigde Staten Canada uiteindelijk zouden opslokken. ‘Ik kan me nauwelijks voorstellen dat een vaderlandslievende Amerikaan dit alles (in de stad Quebec) ziet, hoe vluchtig ook, zonder zich af te vragen of het ooit deel zal uitmaken van zijn eigen immense land’, schreef James.
Canada heeft zich altijd verzet en is, soms onder luid protest, een zelfstandig en soeverein land gebleven
‘Als die verandering er vroeg of laat komt, zal de gevoelige reiziger maar al te goed beseffen hoeveel van het verleden in één klap plaats heeft moeten maken voor het heden. De onverzadigbare moderne beschaving zal dan haar grootste prooi hebben verzwolgen.’
De mogelijkheid dat Canada zich ooit bij de Verenigde Staten zou aansluiten, bleef in beide landen onderwerp van discussie. De Britse schrijver Rudyard Kipling verwees er in 1892 naar in zijn essay ‘Across a Continent’, later opgenomen in Letters of Travel. Hij was pas getrouwd en reisde met zijn Amerikaanse vrouw naar Vancouver, waar ze de boot naar Japan zouden nemen voor hun huwelijksreis.
Tijdens de treinreis door Canada raakte Kipling in gesprek met een medepassagier, die ‘net als vele anderen sprak over de mogelijkheid dat Canada zich bij de Verenigde Staten zou aansluiten’. De Canadees moest daar niets van hebben en liet zich volgens Kipling op sommige momenten ‘ongezouten’ uit. ‘In New York klonk een heel ander geluid: daar werd Canada voorgesteld als een rijpe pruim die zo in de mond van Uncle Sam [het symbool voor de Verenigde Staten] zou vallen zodra hij die opendeed.’
Ook de Britse schrijver V.S. Pritchett ondervond hoe gevoelig het onderwerp lag. ‘Ik vroeg ooit aan een Canadees met een Schotse achternaam of Canada zich misschien ooit bij de Verenigde Staten zou aansluiten’, schreef hij in 1964. ‘Hij werd wit van woede, draaide me de rug toe en bleef kwaad voor zich uit mompelen.’
Trouw
Canada heeft zich altijd verzet en is, soms onder luid protest, een zelfstandig en soeverein land gebleven. Het land volgde zijn eigen koers, ontwikkelde zijn eigen instituties en bleef trouw aan zijn eigen overtuigingen. Tegelijkertijd was het altijd een trouwe bondgenoot van de Verenigde Staten en een betrouwbare handelspartner. Canada en de Verenigde Staten onderhouden al lange tijd goede betrekkingen. Het onderlinge vertrouwen is zelfs zo groot dat hun gezamenlijke grens de langste onverdedigde landsgrens ter wereld is.
De eerste Amerikaanse president die tijdens zijn ambtstermijn Canada bezocht, was Warren G. Harding. In de zomer van 1923, 56 jaar na de Confederatie, bracht hij tijdens een tussenstop één dag door in Vancouver. Harding voelde zich ziek en futloos – een week later overleed hij aan een hartaanval – maar wist ondanks zijn klachten toch een vriendschappelijke toespraak te houden.
In Stanley Park in Vancouver staat een monument ter herinnering aan zijn bezoek, met daarop een plaquette met zijn woorden: ‘Wat geven onze twee landen de wereld vandaag een prachtig voorbeeld van vreedzaam samenleven. Geen grimmige vestingwerken markeren onze grenzen, geen enorme oorlogsschepen patrouilleren op de wateren die ons scheiden en geen heimelijke spionnen houden zich schuil in de rustige dorpen langs onze grens. Slechts een vel papier, waarop niet veel meer dan een eenvoudige afspraak is vastgelegd, beschermt mensen en hun bezittingen op de Grote Meren. En duizenden kilometers lang, door landbouwgrond en bossen, wordt onze onschendbare grens alleen gemarkeerd door eenvoudige grenspalen.’
De grens tussen de Verenigde Staten en Canada is zo’n 8900 kilometer lang en kreeg door de eeuwen heen vorm via bilaterale verdragen en afspraken. Een belangrijke stap was het Oregonverdrag van 1846, waarin de 49ste breedtegraad als grens werd vastgelegd. In het Grensverdrag van 1908 werden hierover nieuwe afspraken gemaakt en werd de Internationale Grenscommissie opgericht. Die moest de grens met grenspalen en monumenten zichtbaar maken, als teken van zowel de soevereiniteit van beide landen als hun onderlinge vriendschap.
‘Het is duidelijk dat de Verenigde Staten niet langer een betrouwbare partner zijn’
Toch beweerde de pas verkozen Amerikaanse president, die daarbij weinig kennis van zaken tentoonspreidde, dat deze verdragen niet geldig waren. Volgens hem was er helemaal geen sprake van een echte grens, maar van een kunstmatig getrokken lijn die hij wilde verleggen of zelfs volledig laten verdwijnen.
‘Want Canada en de Verenigde Staten samen, dat zou pas wat zijn,’ zei hij, opnieuw terugkomend op hetzelfde idee. ‘Haal die kunstmatig getrokken grens weg en kijk eens wat je dan krijgt. Het zou bovendien veel beter zijn voor de nationale veiligheid.’
De minister-president van Ontario, de dichtstbevolkte provincie van Canada, reageerde: ‘Het is alsof een familielid je een mes in het hart steekt.’ De nieuwe Canadese premier sloot zich daarbij aan: ‘In deze crisis, veroorzaakt door de Amerikaanse president en degenen die hem daarin steunen, betreuren we het verlies van een vriendschap.’ Later zei hij: ‘Het is duidelijk dat de Verenigde Staten niet langer een betrouwbare partner zijn.’
Ruim tweehonderd jaar lang onderhielden Canada en de Verenigde Staten vriendschappelijke betrekkingen en werkten ze militair en economisch samen, zonder ook maar een spoor van vijandigheid. De Canadese krantenmagnaat en veroordeelde crimineel Conrad Black stond in 2014 stil bij die uitzonderlijk goede verstandhouding. Zijn boek Rise to Greatness: The History of Canada begint met de woorden: ‘Canada heeft vaak een onzeker bestaan gekend, maar het is lang geleden dat het land werd bedreigd door agressieve buurlanden of kolonisten die het wilden uitbuiten.’
Hij schreef dit ruim tien jaar voordat de Amerikaanse president zelf zo’n agressieve buur werd, vastbesloten Canada te koloniseren en uit te buiten.
Verder lezen?
Kwaliteitsjournalistiek kost geld. Maar je wilt 360 misschien liever eerst proberen. Neem daarvoor een proefabonnement en lees een week lang gratis.
Heb je al een account?
