De Ape is een overblijfsel uit een verloren tijdperk waarin de auto’s nog klein waren en de wereld nog overzichtelijk. De productie van de Ape werd eind vorig jaar stopgezet. Een zwanenzang.
De Vespa kenmerkt niet alleen het Italiaanse straatbeeld, maar is ook in Duitsland nog altijd alomtegenwoordig en populair. De Ape, het wendbare vrachtautootje dat in Italië trouw zijn dienst vervult, is daarentegen nauwelijks te zien op de Duitse straten. De Italiaanse fabrikant Piaggio heeft zijn voertuigen liefdevol naar twee insecten vernoemd.
Maar nu is er een aan het uitsterven: de Ape, de bij, die al duizenden jaren deel uitmaakt van het dagelijks leven. Talloze teksten en afbeeldingen getuigen hiervan, vooral in Italië, waar bijen op grafmonumenten prijken en op het wapen van de Barberini, een van de machtigste adellijke families uit de middeleeuwen. En nu? Afgezien van enkele projecten om dit nuttige insect weer de stad in te brengen, moet je in de natuur zijn om nog korven en kasten voor honingbijen te zien, die daar door boeren zijn neergezet. De wilde bij wordt met uitsterven bedreigd. De wesp vliegt nog altijd rond in de hoofdsteden, maar is minder geliefd: hij jaagt ons schrik aan op de ontbijttafel en levert bovendien geen honing.
Maar genoeg over de natuur. Het is namelijk niet veel anders in de kunstmatige wereld van de auto’s. Ook hier blijft de wesp en verdwijnt de bij. Althans, zo is het in Italië, de maatstaf voor de grotere kwesties des levens. In Rome bijvoorbeeld, dat nog altijd als de hoofdstad van de wereld voelt, teisteren Vespa’s het verkeer en is niemand veilig. Of het nou een echte Vespa is of niet, in de volksmond zijn alle tweewielers hetzelfde. Zodra het stoplicht rood wordt, daalt er een zwerm neer op de wachtende auto’s. Ze verzamelen zich eromheen, ervoor, erachter en ernaast, en als het licht op groen springt, schieten ze als eersten weer weg.

De Vespa is en blijft alomtegenwoordig: niet alleen in Rome, maar ook in andere steden en dorpen, en ook in het buitenland. Het is een fenomeen, pure ‘Made in Italy’, zoals de rechts-nationalistische regering van Giorgia Meloni het graag ziet. Ze heeft zelfs haar ministerie van Financiën ernaar vernoemd: Ministero delle imprese e del Made in Italy. Maar verder zal ik me in dit stuk onthouden van politiek.
De Vespa heet zo omdat hij een smalle taille heeft waar de bestuurder de voeten plaatst, een breed stuur vooraan en een groot achterwerk waarop je met zijn tweeën of zelfs drieën kunt zitten. Hij stamt uit een andere tijd, met een zwakkere motor en retrodesign, maar houdt zich opvallend goed staande in een gemotoriseerd tijdperk waarin auto’s almaar groter, gestroomlijnder en vervangbaarder worden – en als het goed is ook steeds stiller en minder vervuilend. De Vespa gaat natuurlijk ook met zijn tijd mee: er is inmiddels een elektrisch model, al is dat volgens sommigen een stuk minder cool.
Vliegtuigontwerpers
De look van de Vespa is te danken aan ondernemer Enrico Piaggio en zijn hoofdingenieur Corradino D’Ascanio, twee vliegtuigontwerpers die na de oorlog van de geallieerden geen wapens meer mochten produceren, en dus iets anders moesten bedenken om op de markt te kunnen blijven.
Dus ontwierp Piaggio in 1946 een tweewieler die de naoorlogse Italianen meer bewegingsvrijheid bood dan de fiets. Een massavervoermiddel dat perfect in zijn tijdgeest paste: praktisch, een tikje mollig en emotioneel. Toen kwam Hollywood ten tonele, en als de Italianen nog niet wisten wat Piaggio voor hen in petto had kwamen ze er snel genoeg achter in de film Roman Holiday, waarin Gregory Peck met Audrey Hepburn door het tijdloze Rome snort.
Zeventig jaar later zijn er nog veel ‘wespen’ in Rome te zien, maar nauwelijks meer een ‘bij’: de vrachtscooter die een jaar na de Vespa, in 1947, op de markt kwam. De Ape, het grotere zusje, was in feite een soort Vespa, met een smalle taille, een starre as, twee achterwielen en een laadplatform achterop.

De motor was vergelijkbaar met die van de Vespa: 125 kubieke centimeter en 2 pk moesten toereikend zijn om 200 kilo laadvermogen in beweging te brengen – en later nog veel meer. De Ape was eenvoudig en goedkoop in een tijd waarin bijna niemand een auto kon betalen. Daarom werden alle overbodige snufjes achterwege gelaten.
Aan de voorkant bleef alles grotendeels hetzelfde: een stuur met handvatten waar je polsen op den duur pijn van doen. Dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven; het idee om dit met een rond autostuur te vervangen hield geen stand. De Vespabank werd een kwartslag gedraaid, er zat geen radio of verwarming in en de raampjes konden open. Aanvankelijk was alles helemaal open, zowel de cockpit als de laadbak. Later werd de laadbak vervangen door een overdekte cabine, maar de bestuurder bleef buiten zitten, zoals bij een postkoets uit het Wilde Westen. Daarna kwam er ook voorin een cabine, terwijl het achterste gedeelte open bleef of juist werd afgesloten. Door de jaren heen werd de Ape hoekiger, maar ook veelzijdiger.
Er bestaan ongelooflijk veel modellen: de Ape als vuilniswagen, als foodtruck met een (Napolitaanse) pizzaoven, als boekenkraampje of minikledingwinkel, als cross-Ape met rolbeugel of als taxi met open passagiersruimte. Toch blijft de klassieke Ape met open laadbak het populairst. Het was de gemotoriseerde ezel van boeren, koopmannen en ambachtslieden die knetterend over zonnige heuvels en door smalle steegjes trok. Een echt werkpaard.
Romantisch beeld
Er wordt weleens gezegd dat hippe jongeren op een Vespa rijden en grimmige oude mannen in een Ape, maar dat klopt niet helemaal. Er heerst een romantisch beeld van het oude echtpaar dat na het werk schouder aan schouder in de cockpit zit gepropt. Ook jonge stellen rijden in een Ape rond, soms zelfs met kinderen. In de jaren zeventig had de Ape de jeugd in zijn greep: met een tweetaktmotor van 50 kubieke centimeter kon je er al op je veertiende zonder rijbewijs 40 km/u mee rijden – en met wat gesleutel nog veel sneller.
Toch doken er vorig jaar geruchten op, later bevestigd door Piaggio: de fabriek in Pontedera bij Pisa zou eind 2024 sluiten. Vanwege Europese veiligheids- en uitstootreglementen sterft de Ape uit, net zoals de bijen door gif en kunstmest.
De Ape in India
Toch is het einde nog niet nabij. Er zijn in de afgelopen tien jaar meer dan 2 miljoen Apes gebouwd. Dankzij het eenvoudige en daardoor duurzame ontwerp zullen ze nog lang op straat te zien zijn. Misschien niet meer in Rome of Milaan – behalve dan voor reclamedoeleinden, zoals in Duitsland – maar nog wel op het platteland. Af en toe rijdt er ook nog een rond op Duitse wegen, als liefhebbersmodel van de verscheidene Ape-fanclubs of als blikvanger voor sociale of culturele initiatieven.
Bovendien worden in het verre India nog altijd Apes gebouwd; Piaggio heeft in 1999 een fabriek geopend in Baramati, waar jaarlijks 2 miljoen driewielers van de lopende band komen, waaronder de Ape Calessino, die als gemotoriseerde riksja wordt gebruikt. Maar het is niet meer ‘Made in Italy’.


