ANP 519686102 1


De internationale sancties tegen Iran zijn bedoeld om het regime financieel te verzwakken en de nucleaire activiteiten te remmen. Hoewel de economie zwaar onder druk staat met hoge werkloosheid en inflatie, groeit tegelijkertijd het commerciële imperium van de Islamitische Revolutionaire Garde.

Al voordat de bommen begonnen te vallen stond de Iraanse economie er slecht voor. Zes op de tien mensen in de werkende leeftijd waren werkloos. De prijzen waren het afgelopen jaar met 35 procent gestegen. Circa 18 procent van de bevolking leefde onder de armoedegrens volgens de definitie van de Wereldbank. Hoewel Iran olie en gas exporteert, moest het regime de energiecentrales draaiende houden met laagwaardige stookolie. En toen nam Benjamin Netanyahu economische doelen op de korrel. Naast militaire bases en nucleaire installaties werden er minstens twee gasvelden, een paar olievelden en een autofabriek door de Israëlische vliegtuigen gebombardeerd.

De redenering achter die luchtaanvallen was dezelfde als die achter de internationale sancties tegen Iran. Als de economie wordt getroffen, dalen de belastinginkomsten van het regime, wat een klap zou moeten zijn voor de nucleaire ambities. Het probleem is dat de Iraanse veiligheidsdienst, de Islamitische Revolutionaire Garde, een cruciale rol speelt in de ontwikkeling van Irans nucleaire programma. En de Revolutionaire Garde heeft voor zijn financiering een geheim commercieel imperium opgebouwd dat juist profiteert van maatregelen die schadelijk zijn voor de economie.

Iran zucht al lange tijd onder enkele van de zwaarste sancties ter wereld

Iran zucht al lange tijd onder enkele van de zwaarste sancties ter wereld. Op aangeven van de VS waren die door het Westen versoepeld na de toezegging van Iran in 2015 om het nucleaire programma af te bouwen, en werden ze weer aangescherpt toen president Trump die overeenkomst in 2018 opzegde. De nieuwste maatregelen zijn een gevolg van de Iraanse steun voor Ruslands oorlog tegen Oekraïne en van Trumps terugkeer in het Witte Huis. Westerse bedrijven mogen geen Iraanse olie kopen, het belangrijkste exportproduct, of zaken doen met Iraanse banken.

In 2018, toen Iran het IMF voor de laatste keer toestond zijn financiën door te lichten, exporteerde het land voor 46 miljard dollar aan olie, de helft van zijn totale export. Amerikaanse overheidsfunctionarissen denken dat dit aandeel tegenwoordig nog maar een derde bedraagt. Dit jaar zal Iran naar verwachting zo’n 1,7 miljoen vaten per dag exporteren, ongeveer evenveel als vorig jaar, ondanks de mogelijke productiedaling als gevolg van de Israëlische aanvallen.

De sancties beperken zich niet tot olie. De ‘zwarte lijst’ van Iraniërs die de VS bijhoudt, telt al duizenden namen. En hij wordt elke maand langer. Het is westerse bedrijven verboden zaken te doen met Iraanse bedrijven in zowat elke bedrijfstak, van auto’s, metalen en mijnbouw tot de textielindustrie. Alleen boeren en farmaceutische bedrijven die producten voor burgers leveren zijn vrijgesteld, maar kampen wel met een afschrikwekkende hoeveelheid administratieve rompslomp.

Slinkse omwegen

Gevolg is dat er nauwelijks handel plaatsvindt tussen Iran en het Westen. Van het internationale banksysteem, waar transacties vaak in dollars worden afgewikkeld via het Europese betaalsysteem SWIFT, zijn Iraanse bedrijven nu uitgesloten, zodat ze zelfs voor het betalen van handelspartners in China en Rusland op slinkse omwegen zijn aangewezen. Dat verstoort de Iraanse economie, die volgens de Wereldbank de komende twaalf maanden met 1,6 procent zal krimpen. Nieuwe bedrijven kunnen niet exporteren en leveren dus vooral diensten aan de binnenlandse markt.

Dat trekt een wissel op de overheidsfinanciën. In 2018 bedroegen de inkomsten uit olie en belastingen circa 17 procent van het bbp. Momenteel nog maar 11 procent. Het Iraanse begrotingstekort bedroeg in 2024 ongeveer 3 procent van het bbp. Het regime kan niet lenen van particuliere geldschieters en plundert dus het staatsinvesteringsfonds en drukt geld bij. Daardoor rijst de inflatie de pan uit.

Bij nadere inspectie van de Iraanse geldstromen blijkt van het geld voor ayatollah Ali Khamenei, de hoogste leider, en voor de Revolutionaire Garde maar weinig afkomstig te zijn uit officiële bronnen. Ze leunen vooral op hun eigen financiële imperium. De Revolutionaire Garde heeft drie inkomstenbronnen. Ten eerste een reeks lokale bedrijven en stichtingen. Alle vijf de takken van de organisatie beschikken over een verbluffend breed scala aan banken, fabrieken en start-ups. In hun portefeuille zitten onder meer Persian Gulf Petrochemicals, de grootste Iraanse raffinaderij van petrochemische producten, tunnelbouwer Hara en autoconcern Bahman, ooit de Iraanse Mazda-fabrikant.

Hij schat dat de helft van alle bedrijven in Iran op zijn minst gedeeltelijk in handen is van de veiligheidsdienst

Veel bedrijven zijn onderdeel van Khatam al-Anbiya, een in 1990 opgericht conglomeraat waarin de Garde zijn inkomstenbronnen bundelde. Het is nu de grootste aannemer van het land. Volgens een westerse overheidsfunctionaris is het zo’n vijftig miljard dollar waard, maar hij zegt erbij dat dit maar een ruwe schatting is, omdat het in heel veel kleinere bedrijven belangen heeft. Hij schat dat de helft van alle bedrijven in Iran op zijn minst gedeeltelijk in handen is van de veiligheidsdienst.

Maar het grootste deel van zijn geld haalt de Revolutionaire Garde uit het buitenland. De tweede inkomstenbron is de oliehandel. Elk jaar wordt van oudsher een deel van de Iraanse overheidsuitgaven gereserveerd voor de veiligheidsdienst. Maar omdat de schatkist de laatste jaren krap bij kas zit, krijgt de Garde het nu uitbetaald in olie. Tot de oorlog gingen er zo’n 500.000 vaten ruwe olie per dag naar de veiligheidsdienst, ofwel een kwart van de Iraanse export.

De Garde verkoopt die olie via een uiterst ingewikkeld netwerk van beurzen en brievenbusfirma’s. De afnemers zijn voornamelijk Chinezen. Volgens Amerikaanse functionarissen is dit systeem zowel goedkoper als vernuftiger dan dat van de Iraanse regering. 

De Revolutionaire Garde heeft ook bedrijven die zich bezighouden met illegale import en export. Amerika zegt al jaren dat de Garde voor Europa bestemde drugs uit Afghanistan doorsluist naar het Midden-Oosten. De Garde is ook verantwoordelijk voor de import van wapens in Iran en laat de strijdkrachten daarvoor duur betalen. In die ladingen worden sigaretten, consumentenelektronica en voedsel meegesmokkeld die voor veel geld verkocht kunnen worden aan de van steeds meer luxegoederen verstoken bevolking.

Dilemma

Deze spreiding van inkomstenbronnen stelt westerse beleidsmakers voor een dilemma. De Iraanse economie zucht onder de sancties. Maar als de druk verder wordt opgevoerd zodat de belastinginkomsten nog verder dalen, worden de goederen die de Revolutionaire Garde binnensmokkelt nog meer waard. De nieuwste sancties van Trump hebben er volgens een overheidsfunctionaris toe geleid dat andere Iraanse olieleveranciers nu bij de Garde aankloppen om hun olie te verhandelen, vanwege het geavanceerde netwerk van de veiligheidsdienst.

Als Iran en Israël de vijandigheden hervatten, richten de Israëlische generaals het vizier misschien op locaties van de Revolutionaire Garde. Het herstel van de reeds vernietigde militaire locaties, vermoedelijk ook knooppunten in het distributienetwerk van de Garde, gaat veel geld kosten. Maar de recente geschiedenis van oliesancties wijst uit dat verscherping van sancties de Iraanse handel niet volledig kan stilleggen. Hooguit wordt het transport vertraagd, tot exporteurs een nieuwe omweg vinden. En met de stijgende inflatie en groeiende tekorten blijven Iraanse burgers de tol betalen voor de tegenspoed van hun veiligheidsdienst.


Deel dit artikel


Recent verschenen