darts 2966935 2


De maatschappij bestookt ons met adviezen voor een beter leven. Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit. Waarom zijn we zo bang om ‘gewoon’ te zijn?

Keuze uit het archief

Voor veel mensen is de start van een nieuw jaar de aanleiding om goede voornemens te bedenken en in praktijk te brengen. Blijkbaar vinden veel mensen dat er altijd nog wat aan hun leven te verbeteren valt. Dit artikel van The Economist van drie jaar geleden laat zien welke gevaren er kleven aan het streven naar perfectie en dat het beter is om onze imperfectie te aanvaarden. ‘Perfect is de vijand van goed.’

Zo’n twintig jaar geleden gaf ik, als jonge universitair docent, een college over negentiende-eeuwse Amerikaanse literatuur. Ik was dol op die periode, maar mijn studenten deelden mijn enthousiasme niet. De meesten hielden het met Moby-Dick of Ralph Waldo Emersons Essays al na een paar bladzijden voor gezien en woonden vervolgens gehuld in stilzwijgen mijn colleges bij, in de hoop dat ze geen vragen zouden krijgen.

Roy was anders dan de anderen. Hij was uitzonderlijk belezen en hij sprak vol bezieling over de teksten, door zijn medestudenten gadegeslagen met een mengeling van verbijstering en ontzag. Aan het einde van het semester leverden de meeste studenten plichtmatige en volstrekt onleesbare essays in. Maar Roy kwam twee dagen voor de deadline naar mijn kamer met de vraag of hij uitstel kon krijgen. Ik legde uit dat ik hem geen extra tijd kon geven zonder doktersverklaring en dat het hem punten zou kosten als hij te laat inleverde. Ik zei dat hij het best naar huis kon gaan en gewoon maar moest beginnen met schrijven. Hij had er allang blijk van gegeven dat hij veel interessants had te melden. Hij had zijn essay al af, zei hij. Waarom had hij het dan nog niet ingeleverd, wilde ik weten. ‘Omdat het niet goed is,’ antwoordde hij, met een vertrokken gezicht. Hij smeekte me hem wat respijt te geven; ik hield vol dat dat niet binnen mijn vermogen lag.

Het essay werd een dag te laat ingeleverd. Hoewel het hem vijf punten kostte, had hij nog altijd een hoog cijfer. Ook de rest van dat jaar leverde Roy zijn werk te laat in, maar desondanks was hij de ongeslagen nummer één van de groep. Het jaar daarop schreef hij zich bij mij in voor een masterprogramma. Zijn werk werd steeds indrukwekkender en zijn overschrijdingen van de deadlines steeds ingrijpender. Toen hij een week voor de inleverdatum van zijn eindscriptie naar me toe kwam, zag ik een vurige, rode uitslag op zijn voorhoofd. Geschrokken vroeg ik of het wel goed met hem ging.

‘Het ging om zijn afstudeerscriptie en niet om zijn levenswerk. Het hoefde niet perfect te zijn’

‘Niks aan de hand,’ zei hij fel. ‘Ik ga krabben als ik stress heb, dat is alles.’ Op datzelfde moment zag ik dat zijn nagels helemaal waren afgekloven en dat er opgezwollen plekken op zijn vingers zaten. Ik verwees Roy door naar de studentenpsycholoog. Eerst wilde hij daar niets van weten, maar al snel begreep hij dat hij daardoor misschien makkelijker uitstel zou kunnen krijgen. In september verstreek zijn officiële deadline, maar dankzij de psycholoog kon hij het rekken tot januari van het volgende jaar. Roy kwam vlak voor de Kerst naar me toe. Hij zag er slonzig uit en staarde wat voor zich uit. Hij kon zijn scriptie onmogelijk op tijd afkrijgen, zei hij. Maar inmiddels beheerste ik de kunst van de zachtmoedige aanpak. Het ging om zijn afstudeerscriptie, zei ik, en niet om zijn levenswerk. Het hoefde niet perfect te zijn.

‘Geloof me,’ zei hij met een vreugdeloos lachje, ‘het is verre van perfect. Het komt niet eens in de buurt.’ Ik vermoedde dat hij zijn hele scriptie al had geschreven, wat hij bevestigde. ‘Ik heb het allemaal nog eens overgelezen,’ voegde hij eraan toe. ‘En ik zag geen andere mogelijkheid dan alles weg te gooien.’ Met open mond vroeg ik of hij nog een kopie had bewaard. Dat was niet het geval. Hij had meer dan twintigduizend woorden gewist. ‘Ik heb te veel respect voor u om zoiets bij u in te dienen,’ zei hij.

Het bleek de laatste keer dat ik Roy zou zien. In de anderhalf jaar daarna kreeg hij keer op keer uitstel vanwege zijn aanhoudende angsten. Toen de deadline van het laatste uitstel was verstreken, kwam hij noch met een scriptie, noch met excuses. Ik schreef hem en vroeg of hij me een voorlopige versie kon laten zien. ‘Dat zou ik u niet willen aandoen,’ luidde zijn antwoord. Daarna heb ik nooit meer iets van hem vernomen.

Perfectionisme: Troost bij Sylvia Plath

Creativiteit en frustrerend perfectionisme gaan vaak samen, getuige talloze kunstenaarsbiografieën.

Het door depressies gekenmerkte en door zelfmoord beëindigde leven van de Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath (1932-1963) is doordrenkt van die combinatie. In een bespreking van The Letters of Sylvia Plath, Volume 1: 1940-1956 schreef The New Yorker vier jaar geleden: ‘Ze had het temperament van een perfectionist, dat andere perfectionisten zullen herkennen: de basis is roekeloosheid, zelfs wreedheid jegens zichzelf.’

Titels als ‘Perfection is Terrible’ en ‘The Imperfect Perfectionist’, maar wellicht het meest in het oog springend is de tekst ‘How Sylvia Plath Helped Me Overcome Depression and Embrace Uncertainty’. Daarin omschrijft ‘popcultuurjournalist’ Jeffrey Davies zichzelf als iemand die van jongs af aan was geobsedeerd door perfectie en controle. Als hij Plath begint te lezen voelt hij herkenning: ‘Net als ik begreep Sylvia niet waarom ze ooit was ondergedompeld in sprookjesfantasieën, terwijl het echte leven daar helemaal niet op leek. Net als ik begreep Sylvia niet waar ze het zelfvertrouwen vandaan moest halen om haar schrijversdromen na te jagen, laat staan hoe ze een functionerend volwassen mens moest zijn.’ 

De ontdekking van haar werk was doorslaggevend: ‘Ik denk niet dat Sylvia Plath ooit de plek van innerlijke rust heeft kunnen vinden die ik heb gevonden, maar ik ben nog steeds dankbaar dat ze er met mij was. Voor de duisternis, en voor het licht.’

Onoverkomelijk tekort

Een van de teksten uit een syllabus die ik had gebruikt tijdens Roys colleges was ‘The Birth-Mark,’ een kort verhaal van Nathaniel Hawthorne uit 1843. Het is het aangrijpendste verhaal dat ik ken over de psychologie van perfectionisme. Aylmer, een jonge bètastudent, ontwikkelt een toenemende koortsige obsessie met een kleine, rode moedervlek in de hals van zijn beeldschone jonge vrouw Georgiana. Zij komt gekmakend dicht in de buurt van perfecte schoonheid en voor hem is dat onverdraaglijk. Hij ziet die moedervlek als een symbool van het ‘fatale menselijk tekort… een teken dat zonde, ellende, verval en dood ook vat kunnen krijgen op zijn vrouw’. Georgiana kijkt ook steeds meer naar zichzelf in de verwrongenheid van haar mans blik en begint zijn afschuw van de moedervlek te delen. Ze smeekt hem zijn vindingrijkheid te gebruiken om ‘de imperfectie van de natuur’ te corrigeren.

Aylmer brengt zijn vrouw onder in een verborgen boudoir naast zijn laboratorium en dient haar verschillende alchemistische brouwsels toe. Terwijl ze daar in afzondering zit, leest Georgiana het wetenschappelijke dagboek van haar man, feitelijk een litanie van teleurstellingen: ‘Al had hij nog zo veel bewerkstelligd, de conclusie leek onontkoombaar dat zijn grootste successen vrijwel zonder uitzondering mislukkingen waren, gemeten naar het ideaal van zijn ambities.’

Daarom maakt Georgiana zichzelf wijs dat zijn afschuw van haar imperfectie een nobele blijk van liefde is

Georgiana is niet in staat de onvermijdelijke conclusie te trekken: de morbide obsessie van haar man met haar ‘onoverkomelijke tekort’ is een projectie van zijn teleurstelling over zichzelf. Daarom maakt Georgiana zichzelf wijs dat zijn afschuw van haar imperfectie een nobele blijk van liefde is. Aylmer distilleert een mysterieus drankje met de smaak van ‘water uit een goddelijke bron’ en Georgiana drinkt het op. De moedervlek verdwijnt, maar vrijwel meteen daarna laat Georgiana het leven.

Deze verontrustende fantasie van een merkwaardige jonge man in een ondergronds laboratorium heeft wereldwijd tot de verbeelding gesproken van vele mannen en vrouwen. Bij het lezen van Hawthornes verhaal is het moeilijk om niet te denken aan alle verhalen over mensen die zijn overleden, of voor het leven zijn verminkt, na bezoek aan een plastisch chirurg in Turkije of de Dominicaanse Republiek. De vorm van een neus of een bovenlijf veranderen staat symbool voor de zeer begeerde maar onbereikbare droom van een perfecte toekomst. Het is slechts een van de perfectionistische fantasieën die ons consumentenbestaan teisteren. We zien perfecte bruiloften, huizen en vakantiebestemmingen op reclamezuilen, tv-schermen en sociale media. Die beelden roepen bij miljarden kijkers gevoelens op van afgunst, onvolkomenheid en verlangen.

Zelfkastijding

In mijn werk als psychoanalyticus zie ik geregeld mensen die in de greep zijn van een meedogenloos ideaal van professionele, romantische, fysieke of morele perfectie. Er gaat vrijwel geen dag voorbij of ik heb wel een patiënt die zich erover beklaagt, of zichzelf verwijt, dat hij niet weet te voldoen aan een bepaald doel dat hij zichzelf heeft gesteld, of aan een bepaalde standaard. Deze zelfkastijding wordt meestal versterkt door de overtuiging dat iemand die ze kennen – een collega, broer of zus, een vriend – in hun plaats wel slim genoeg zou zijn, of voldoende doorzettingsvermogen zou hebben, om te slagen.

Aan het begin van de lockdown, in het voorjaar van 2020, kreeg ik het idee dat veel van mijn patiënten de perfectionistische eisen die ze aan zichzelf stelden een beetje konden loslaten. Instellingen en bedrijven schakelden over op thuiswerken en voor veel mensen nam de werkdruk iets af; ze werden niet voortdurend in de gaten gehouden en kregen de kans hun prioriteiten te heroverwegen. Ze ontdekten kleine genoegens – taart bakken, wandelen, lezen, praten – en leken optimistisch over de relatie met hun partner en hun familieleden.

Ik verbaasde me vooral over de betrekkelijk nieuwe instelling van zelfacceptatie waarmee deze veranderingen gepaard gingen. ‘Ik was eigenlijk heel vrolijk nadat ik dat beleidsstuk had ingeleverd,’ zei Polly, een van mijn patiënten. ‘Het rammelde aan alle kanten.’ Nadat ze zichzelf bij onze eerste ontmoeting had getypeerd als ‘pathologisch nauwgezet’, schepte ze er nu genoegen in werk af te leveren dat ‘net door de beugel’ kon. ‘Zie het maar als een soort compensatie voor alle duizenden uren onbetaald werk van de afgelopen jaren.’

Net als het virus

De beperkingen hadden haar de ogen geopend voor alles wat ze al die jaren had gemist: tuinieren, fietsen met haar partner, spelletjes doen met haar kinderen. Maar na een week of zes voelde ik deze nieuwe lankmoedige houding verflauwen en zag ik oude eisen weer meedogenloos de kop opsteken. Net als het virus zelf had Polly’s perfectionisme zich aangepast aan de omstandigheden die het geleidelijk hadden geneutraliseerd. Ze meende thuis verlost te zijn van het oordeel en het toezicht van haar manager; maar inmiddels was ze zich er meer en meer van bewust dat ze in de gaten werd gehouden op [het chatprogramma] Slack. Thuiswerken bleek nieuwe ingangen te bieden om met elkaar te wedijveren: wie presteerde het best onder alle extra druk?

Bij vrijwel al mijn patiënten zag ik deze verschuiving in enige vorm plaatsvinden: een strikter fitnessprogramma, er strenger op toezien of de kinderen hun huiswerk maakten. Mijn patiënten ergerden zich ook vaker, en sneller, aan hun partner, aan hun collega’s en soms aan mij. ‘Denkt u niet dat al die zelfreflectie daadwerkelijk handelen soms in de weg staat?’ vroeg een man me. ‘Is het soms niet beter om op te houden met mekkeren en gewoon in actie te komen?’

Het perfectionisme was terug, even verlokkelijk en onverbiddelijk als voorheen

Ook buiten mijn spreekkamer merkte ik deze omslag, het gevoel dat de lockdown even respijt had geboden maar dat het nu tijd was om weer serieus aan de slag te gaan. Het perfectionisme was terug, even verlokkelijk en onverbiddelijk als voorheen. Doordat het perfectionisme na een korte pauze weer zo ongenadig toesloeg, begon ik te vermoeden dat het een diepgeworteld en onlosmakelijk aspect is van ons mens-zijn. Uiteindelijk begint de Bijbel ook niet voor niets met de zondeval, waarna de door God geschapen mens sterfelijk wordt. In allerlei culturen zien we een versie van dit scheppingsverhaal. Vanuit dit perspectief is religie een extravagante manier om onze verloren perfectie te herwinnen – in ieder geval in monotheïstische godsdiensten.

Maar het geloof heeft ook een tegengesteld – of complementair – doel. Eeuwenlang is religie de belangrijkste manier geweest om in het reine te komen met het feit dat we zondig en feilbaar zijn, imperfect dus. Het religieuze streven naar morele en spirituele verbetering gaat hand in hand met het somber stemmende besef dat perfectie is voorbehouden aan God. Stervelingen in de Bijbel of in de mythologie, zoals de architecten van de Toren van Babel, of Prometheus, die een goddelijke status proberen aan te nemen, worden terstond gestraft. In de religieuze verbeelding staat het idee van menselijke perfectie gelijk aan blasfemie.

Autonomie

Met de opkomst van de industriële samenleving gingen mensen iets losser om met het geloof. Nietzsche merkte op dat de burgers van de moderne, seculiere samenleving, die hadden afgerekend met God, merkten dat ze toch niet zonder hem konden. Ze verzonnen een keur aan nieuwe goden in zijn plaats: Cultuur, Wetenschap, Handel, de Staat, het Zelf.

Van Emersons provocerende essay over onafhankelijkheid in 1841 tot aan de opkomst van de zelfhulpindustrie ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw, en niet in de laatste plaats de opkomst van onze selfiecultuur, wordt autonomie beschouwd als een groot goed, als iets nastrevenswaardigs. Een verbetering van onze onderwijskundige, esthetische en financiële positie, en de behoefte aan erkenning van anderen – het zijn allemaal elementen van de perfectionistische wind die er door onze maatschappij waait.

Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit

Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit. In een artikel uit 2017 schrijven twee Britse psychologen, Thomas Curran en Andrew Hill, de exponentiële toename van perfectionisme onder jonge mensen toe aan de ‘steeds veeleisendere sociale en economische parameters’ waarbinnen zij een bestaan moeten zien op te bouwen. Ook zien Curran en Hill een oorzaak in een ‘in toenemende mate angstig en controlerend ouderschap’.

Door de krapte op de arbeidsmarkt, met name waar het gaat om goedbetaalde en creatieve banen, en door het feit dat huizen onbetaalbaar zijn geworden, gaan zowel jongeren als hun ouders steeds verder in hun pogingen een gunstige uitgangspositie te verwerven. Vandaar de zoveelste onbetaalde stage, cursus of extra klus. Door de opkomst van perfectionistische stress in verband te brengen met de sfeer van onzekerheid en competitie die de vrijemarkteconomie met zich meebrengt, waren Curran en Hill voorlopers in hun kritiek op de meritocratie, zoals die later is geuit door bijvoorbeeld de Amerikaanse filosoof Michael Sandel.

Door sociale media wordt het gevoel niet goed genoeg te zijn nog eens versterkt

In The Tyranny of Merit, gepubliceerd in 2020, betoogt Sandel dat het meritocratische kapitalisme heeft gezorgd voor een permanente wedijver binnen de maatschappij, een wedijver die solidariteit en het idee van een ‘algemeen belang’ ondergraaft. Dit systeem zorgt voor een tweedeling tussen winnaars en verliezers, werkt bij de eerste groep ‘hoogmoed en zelfingenomenheid’ in de hand en bij de laatste een structureel laag zelfbeeld. Binnen een dergelijke cultuur zullen jonge mensen snel ontevreden worden, zowel over wat ze hebben als over wie ze zijn. Door sociale media wordt de druk opgevoerd om een perfect beeld van jezelf neer te zetten, en wordt het gevoel niet goed genoeg te zijn nog eens versterkt.

Zonder intrinsiek gevoel van eigenwaarde zal een perfectionist zijn eigenwaarde afmeten aan externe maatstaven: academische verdiensten, sportieve prestaties, populariteit, behaalde successen op werkgebied. Als hij niet aan de verwachtingen voldoet, zal hij zich beschaamd en vernederd voelen. De druk van maatschappelijke verwachtingen is bepaald geen nieuw fenomeen, maar de afgelopen decennia wordt die last als veel zwaarder ervaren, wellicht doordat de verwachtingen zelf zo uiteenlopend en tegenstrijdig zijn. Het perfectionisme van de jaren vijftig was geworteld in de normen en waarden van de massacultuur en vastgelegd in iconische beelden van het ideale, witte, Amerikaanse gezin – beelden die nu een parodie lijken.

In die tijd betekende perfectionisme je naadloos voegen naar bepaalde waarden, gedragingen en conventies: robuust zelfvertrouwen voor mannen, ingetogen elegantie voor vrouwen. De perfectionist stond onder druk om er net zo uit te zien als ieder ander, maar dan nog net wat uitgesprokener. De perfectionist van nu moet zich juist onderscheiden door middel van een eigenzinnige stijl of spitsvondigheid, wil hij of zij een voet tussen de deur krijgen in onze aandachteconomie.

Controle

Maar perfectionisme is niet alleen een kwalijke kracht. De eis van perfectie kan weliswaar verstikkend zijn, maar perfectionisten kunnen zich soms ook juist staande houden door wat ze presteren. Als het ons allemaal te veel dreigt te worden en we ons vastbijten in onze tekortkomingen, kunnen een geweldig examenresultaat of duizend likes op Instagram ons heel even het gevoel geven dat we alles onder controle hebben.

Het is natuurlijk wel een vluchtige sensatie, die voortdurend moet worden gevoed. Zoals Moya Sarner, een auteur die veel psychoanalytische opvattingen incorporeert in haar werk, het formuleerde: ‘Het levert een schraal bestaan op, dat niet zozeer wordt bepaald door wat er is, maar vooral door wat er níét is. Als je voortdurend probeert je leven te veranderen in het leven dat je ambieert, leef je niet het leven dat je hebt.’ In 1990 ontwikkelde de Amerikaanse psycholoog Randy Frost een lijst met 35 vragen, bedoeld om perfectionisme in kaart te brengen. Zijn ‘multidimensionale perfectionismeschaal’ maakt een onderscheid tussen drie soorten van perfectionisme.

Het werkt een zeer motiverende, maar uiteindelijk slopende drang in de hand om een geïdealiseerde versie van jezelf te verwezenlijken

De eerste soort is het zelfgerichte perfectionisme, een zeurderig stemmetje in je hoofd dat voortdurend zegt dat je het beter moet doen. Dat werkt een zeer motiverende, maar uiteindelijk slopende drang in de hand om een geïdealiseerde versie van jezelf te verwezenlijken: gelukkiger, gezonder, rijker (dergelijke vergelijkende adjectieven tref je vaak aan op het omslag van zelfhulpboeken). In mijn spreekkamer neemt dit vaak de vorm aan van een patiënt die zichzelf verwijt een amandelcroissant te hebben gegeten, of de hele dag politieseries te hebben gekeken, in plaats van een presentatie voor te bereiden of een kind te helpen met een geschiedenisopstel.

De tweede soort is het sociaal wenselijke perfectionisme, waardoor we proberen te voldoen aan de verwachtingen van anderen. Dat komt vaak tot uiting in fantasieën over kritiek, als een innerlijke monoloog waarin ons te verstaan wordt gegeven hoe we zouden moeten zijn en wat we zouden moeten doen. In ons hoofd horen we hatelijke, kleinerende opmerkingen over onze lompe manier van doen, onze lelijke kleren of onze saaie gesprekken.

Projectie

De derde soort is perfectionisme dat is gericht op anderen. Daarbij wordt die bestraffende stem naar buiten gekeerd en verlangen we van de mensen om ons heen dat ook zij voldoen aan onze onmogelijke idealen. Dit is met name kwalijk als het wordt ingezet als machtsmiddel: de ouder die zijn kind vraagt waarom het maar negen tienen heeft, of de baas die niet begrijpt waarom een werknemer zich laat vloeren door een griepje. Op anderen gericht perfectionisme is vrijwel altijd projectie: je zoekt naar zwakten en teleurstelling bij anderen omdat je het niet kunt verdragen die bij jezelf te onderkennen, en dat maskeer je als autoritaire kritiek.

Dit zijn interessante denkbeelden, maar zodra we met echte mensen te maken hebben is het moeilijk deze categorieën van elkaar te onderscheiden. De drang om slanker of slimmer te zijn wordt vaak gevoed door een koor van interne en externe stemmen. Het is niet zo heel moeilijk te begrijpen hoe zelfkritische gevoelens worden omgezet in kritiek op anderen.

Perfectionisme is een lastig te vangen begrip. Klinisch gezien kan het zich uiten in een duizelingwekkende hoeveelheid symptomen: depressies en angsten, obsessieve stoornissen, narcisme van de ‘dunne huid’-soort (een geprojecteerd opgeblazen zelfbeeld verhult intense kwetsbaarheid), psychosomatische ziekten, suïcidale gedachten, een vertekend lichaamsbeeld en eetstoornissen. Perfectionisme heeft de kameleontische gave zich te voegen naar verschillende karakters en kwetsbaarheden, en misschien is dat wel de reden dat het nooit is geclassificeerd als een afzonderlijke psychische aandoening.

Helikopterouders

Dat betekent ook dat zeer verschillende jeugdervaringen een voedingsbodem kunnen vormen voor perfectionisme. Curran en Hill hebben gelijk dat de zogenaamde ‘helikopterouders’ – ouders die op een verstikkende manier waken over de schoolprestaties en de buitenschoolse activiteiten van hun kinderen – hebben geleid tot een toename van perfectionisme. Maar mijn eigen ervaring heeft me geleerd dat heel andere opvoedstijlen tot een vergelijkbare uitkomst kunnen leiden.

De ouder die een respectvollere afstand bewaart tot het leven van zijn of haar kind, kan het kind een diepgeworteld verlangen naar erkenning meegeven – erkenning die het kind alleen meent te kunnen krijgen door onophoudelijk te presteren. De dochter die het gevoel heeft nooit te kunnen winnen, die het gevoel heeft dat ze nog zo haar best kan doen met rugby, schaken of cheerleaden, maar van haar ouders toch vooral kleinzielige kritiek zal krijgen, zal ook altijd het gevoel blijven houden dat ze het béter moet doen.

Maar het kind dat door de ouders bij elke tekening of elke medaille op het schild wordt gehesen alsof het een meesterlijke prestatie heeft geleverd, kan ook het gevoel blijven houden dat het de prestaties van zijn jonge jaren moet evenaren. Hoe je het ouderschap ook invult, de kans bestaat dat je je kind een wanhopig verlangen meegeeft om te pleasen en dat je kind de rest van zijn leven moeite zal hebben het onderscheid te maken tussen wat het zelf wil en wat jij van hem verlangt.

De ideale plek tussen te veel en te weinig betrokkenheid is ongekend lastig te vinden.

Dit klinkt misschien als een methode om alle schuld in de schoenen van de ouders te schuiven – wat volgens velen de essentie is van psychoanalyse. Maar je zou het ook kunnen zien als een menselijk inzicht, de erkenning dat het ongekend moeilijk is om een kind goed op te voeden. De ideale plek tussen te veel en te weinig betrokkenheid is ongekend lastig te vinden.

Dat het zo moeilijk is om niet verstrikt te raken in de tentakels van perfectionisme, suggereert dat perfectionisme daadwerkelijk in de menselijke psyche zit ingebakken. Hoe we ook worden opgevoed, we internaliseren een ideaalbeeld van wie we zouden willen zijn. Psychoanalytici noemen dit het ego-ideaal, een beeld van het perfecte zelf dat we als klein kind zagen weerspiegeld in de adorerende blik van onze ouders of verzorgers. Maar we krijgen op dat punt in ons leven ook een superego, de geïnternaliseerde stem van een zeer kritische ouder, die veel later maar al te vaak wordt versterkt door andere volwassenen met gezag, zoals een docent of een baas. Beide personages die onze psyche bewonen, kunnen beschuldigend aanvoelen. Perfectionisme groeit uit zelfliefde en zelfvernedering.

Sommige psychologen zijn van mening dat perfectionisme niet pathologisch hoeft te zijn

Sommige psychologen zijn van mening dat perfectionisme niet pathologisch hoeft te zijn. In 1978 maakte D.E. Hamachek, een Amerikaanse psycholoog, onderscheid tussen normaal en neurotisch perfectionisme. De normale perfectionist kan de lat voor zichzelf heel hoog leggen zonder te vervallen in bestraffende zelfkritiek. Hij kan er zelfs plezier in scheppen om te streven naar verbetering.

Latere onderzoekers hebben vraagtekens gezet bij Hamacheks onderscheid, met als argument dat het verlangen om perfect te zijn nooit ‘normaal’ kan zijn. Hunkeren naar iets wat intrinsiek onmogelijk is, kan alleen maar leiden tot frustratie en het gevoel tekort te schieten. Door mijn eigen ervaring met perfectionisten ben ik tot een soortgelijke conclusie gekomen. Maar hoewel perfectionisme ons gevoel van eigenwaarde kan ondermijnen, ken ik maar weinig mensen die afstand zouden willen doen van het streven jezelf te ontwikkelen en te groeien.

Iets in ons mens-zijn zorgt ervoor dat het lastig is om te voelen dat we genoeg hebben gedaan, genoeg zijn

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze ambitie niet stukloopt op perfectionistische geestdrift? Er zijn geen makkelijke oplossingen. Iets in ons mens-zijn zorgt ervoor dat het lastig is om te voelen dat we genoeg hebben gedaan, genoeg zíjn. We zijn niet bereid de hoop te laten varen dat anderen op een dag zullen inzien hoe bijzonder wij zijn: het perfecte wezen dat onze ouders ooit op een voetstuk hebben geplaatst. De Franse psychoanalyticus Serge Leclaire poneerde de intrigerende stelling dat onze taak in het leven erin bestaat dit fantastische kind in metaforische zin te doden. We moeten bij voortduring afstand doen van de fantasie van het ideale zelf, en treuren om het feit dat dit een onbereikbaar ideaal is.

Ik moet dan altijd denken aan een van mijn eerste patiënten, Lydia, een vrouw van in de twintig wier moeder onlangs was overleden aan een ernstige ziekte. Haar ouders waren gescheiden toen ze nog heel klein was; haar vader was hertrouwd en woonde met zijn nieuwe gezin in het buitenland. Lydia werd gekweld door haar eigen uiterlijk, ze postte dwangmatig selfies en telde het aantal likes, terwijl ze nauwgezet controleerde of haar huid, gebit en figuur geen smetjes vertoonden.

Tijdens Lydia’s jeugd was haar moeder voornamelijk bezig geweest met haar carrière en had de zorg voor haar dochter uitbesteed aan verschillende au pairs. Lydia kon haar moeder niet boeien met haar verhalen over alledaagse problemen met huiswerk, vriendschappen en jongens. De enige manier waarop ze zich kon verzekeren van haar moeders aandacht was door middel van mode en make-up: make-overs, manicures en onlineshoppen. Ze herinnerde zich de liefdevolle blik van haar moeder wanneer ze mascara opdeed of haar haren borstelde. Dan zei haar moeder dat ze zo mooi was, dat de man die haar ooit zou krijgen zich gelukkig mocht prijzen. ‘En zodra ik dan probeerde met haar over een probleem met een docent of een vriendin te praten, zag ik de belangstelling bijna letterlijk van haar gezicht glijden, alsof ze dat er allemaal niet bij kon hebben.’ Lydia leerde haar eigen boontjes doppen. Maar na het overlijden van haar moeder merkte ze dat ze volledig werd beheerst door een streven naar lichamelijke perfectie.

Kinderlijke houding

Ik opperde dat Lydia zich misschien genoodzaakt voelde weer het schattige kind te worden dat ze weerspiegeld had gezien in de blik van haar moeder als ze samen met make-up in de weer waren. Deze opmerking triggerde een stroom van langdurig onderdrukte woede en frustratie. ‘Al had ik tegen haar geschreeuwd toen ze nog leefde, dan nog had ze me nauwelijks opgemerkt,’ zei ze met bittere tranen. ‘En nu zal ze me nooit meer horen.’

Lydia’s woede was een vorm van uitgesteld verdriet, niet alleen om de moeder die ze was verloren maar ook om het perfecte kind dat ze zich kortstondig had gevoeld op de momenten dat ze de aandacht van haar moeder had weten vast te houden. Door te rouwen om dat kind leerde ze afrekenen met haar dwangmatige zelfkritiek. Niet lang nadat ze was gestopt met het posten van selfies, kwam Lydia een keer binnen met een glimlach om haar lippen. ‘Op weg naar buiten ving ik een blik van mezelf op in spiegel,’ zei ze. ‘En ik dacht: Jezus, ik ben eigenlijk best aantrekkelijk!’ Ze lachte weer hartelijk. ‘Maar grappig genoeg ben ik geen topmodel. En wat nog opmerkelijker is: dat wil ik ook niet eens meer worden.’

Het lijkt soms alsof perfectionisme de weg is naar succes in ons volwassen bestaan. Maar in werkelijkheid is het een fundamenteel kinderlijke houding, die ons doordringt van de overtuiging dat het leven in feite voorbij is zodra we de hoop laten varen om de beste versie van onszelf te worden. Het tegendeel is waar, zoals ook Lydia ontdekte: het is precies het moment dat we eindelijk kunnen gaan leven.

Pijlijk perfectionisme

‘Perfect is de vijand van goed’ is een aforisme dat Voltaire voor zijn Dictionnaire philosophique uit 1764 zou hebben ontleend aan de Italiaanse uitspraak Il meglio è l’inimico del bene. Eerder al, in 1726, noteerde Montesquieu: Le mieux est le mortel ennemi du bien (‘het betere is de aartsvijand van het goede’). 

Perfectionisme is, kortom, een neiging waarvoor al eeuwenlang wordt gewaarschuwd. Tevergeefs, want het lijkt in het huidige tijdsgewricht vaker voor te komen dan ooit tevoren. ‘Maar liefst twee op de vijf kinderen en adolescenten zijn perfectionist’, zegt Katie Rasmussen, een Amerikaanse wetenschappelijk onderzoeker op het gebied van ontwikkeling en perfectionisme bij kinderen. En volgens de Wereldgezondheidsorganisatie heeft het aantal jeugdige perfectionisten het afgelopen decennium recordniveaus bereikt.

Is het een probleem? Cultureel gezien beschouwen we perfectionisme als een positief kenmerk. Maar er zit een fors aantal haken en ogen aan. Perfectionisme leidt tot een waslijst aan klinische problemen: van depressie, angsten en fobieën tot eetstoornissen, chronische vermoeidheid, slapeloosheid en soms zelfs zelfmoord. Volgens Sarah Egan, wetenschapper aan de Curtin University in Perth, en gespecialiseerd in perfectionisme, eetstoornissen en angst, zijn er onderzoeken die suggereren ‘dat hoe hoger het perfectionisme is, hoe meer psychische stoornissen je zult krijgen’. Oppassen daarmee dus.

BBC, Londen


Deel dit artikel


Recent verschenen