We vinden het doodnormaal dat de actualiteit elk moment van de dag kan inbreken en dan opeens geldt als het enige deel van de werkelijkheid dat er écht toe doet.
Keuze uit het archief
Deze week kreeg techgigant Meta een schadevergoeding van 375 miljoen dollar opgelegd. Het bedrijf werd ervan beschuldigd kinderen te beschadigen door ze bloot te stellen aan ongepaste inhoud en grensoverschrijdend gedrag op sociale media. Er is echter nog een manier waarop sociale media gebruikers beschadigen (en die is misschien nog ernstiger): ze overladen met een stortvloed aan nieuwsberichten waar ze weer op kunnen reageren.
Als gevolg van een aandachtsindustrie die volledig is gericht op winstmaximalisatie van de technologiebedrijven wordt ons dagelijks leven vrijwel beheerst door de laatste nieuwtjes. Dat doet de democratie meer kwaad dan we zouden verwachten, aldus columnist Oliver Burkeman in deze longread van The Guardian. Het opiniestuk werd in 2020 genomineerd voor The Opinion Award van de European Press Prize.
Het was een koude middag, die vrijdag de dertiende november van 2015, maar dat maakte het er alleen maar knusser op in de Old Town Bar, een van de oudste bruine kroegen van Manhattan. ‘Een warm, gezellig tentje zonder kapsones, ik ben er zeer op gesteld,’ zegt Adam Greenfield, die er die dag met een vriend tussen de houten schotjes zat voor een biertje en een frietje. ‘Het soort kroeg waar je in de loop van de tijd geschiedenis opbouwt.’ Greenfield is gespecialiseerd in stadsplanning en is daarom wat filosofischer aangelegd dan de meeste mensen, als het om onderwerpen als de aantrekkingskracht van knusse kroegen gaat. Maar iedereen die weleens in de Old Town Bar of een andere gezellige kroeg in een drukke stad is geweest, weet wat Greenfield en zijn vriend daar vonden: een plek om even bij te komen, bij te tanken, bij te praten. ‘En toen begonnen onze telefoons te trillen.’
Moslimterroristen hadden in Parijs met vuurwapens en zelfmoordvesten een aantal gecoördineerde aanslagen gepleegd, waarbij in totaal honderddertig doden vielen, onder wie negentig concertgangers in de Bataclan. Greenfield weet nog goed dat iedereen daar in New York tegelijkertijd naar zijn telefoon greep, ‘je voelde de temperatuur in de kroeg meteen zakken’. Van alle kanten klonken de meldingen van pushberichten in nieuwsapps en Facebooks veiligheidscheck, de nieuwe functie waarmee gebruikers in de buurt van de aanslagen hun vrienden konden laten weten dat ze ongedeerd waren. Het was alsof de knusse muren van de Old Town Bar ineens zo poreus waren ‘als een vergiet, alsof de buitenwereld met grote kracht door alle gaten naar binnen spoot’.
Het was niet voor het eerst dat Greenfield (die ooit als ontwerper voor Nokia werkte) enigszins schuldbewust besefte dat mobiele telefoons ons leven ook slechter kunnen maken. Het schrille contrast tussen de knusse sfeer in die kroeg en dat akelige nieuws uit Parijs illustreerde de kwetsbaarheid van zo’n plek en de ontspanning die je er vindt. In één klap kaapte het nieuws alle aandacht van zo’n beetje alle aanwezigen. Het deed er niet toe of ze vrienden of familie in Parijs hadden, of ze iets konden doen om te helpen of niet. De actualiteit brak gewoon binnen, verdreef de directe werkelijkheid van de kroeg en drong zich op als het enige deel van de werkelijkheid dat er wérkelijk toe deed.
Marinade van nieuws
Dat we er zelden bij stilstaan hoe vreemd zo’n inbraak in onze dagelijkse werkelijkheid eigenlijk is, komt doordat dit voor velen van ons tegenwoordig een doodnormale situatie is. We baden continu in een marinade van nieuws. ’s Ochtends kunnen we het belangrijkste nieuws al hebben doorgenomen, voordat we ook maar met iemand een woord hebben gewisseld. In de bus of wachtend in de rij doden we de tijd met scrollen op Twitter, dat ons meesleurt in het drama van de presidentspolitiek of een humanitaire ramp. Volgens een onderzoek neemt naar schatting 70 procent van ons zijn smartphone of tablet mee naar bed.
Men maakt zich de laatste jaren erg druk om de hoeveelheid tijd die we aan die apparaten besteden en wat dat mogelijk met onze hersenen doet. Maar één daarmee verbonden psychische verschuiving blijft bijna onopgemerkt: de mate waarin voor een bepaald deel van de bevolking het nieuws steeds meer tijd opslokt – en, iets subtieler, ook steeds centraler komt te staan in onze subjectieve beleving van de werkelijkheid. De wereld van de nationale politiek en internationale crises kan daardoor belangrijker en zelfs echter gaan lijken dan onze directe omgeving – onze familie, onze werkkring, onze wijk.
Het is niet simpelweg dat we veel te veel naar onze schermen zitten te turen, maar die schermen hebben bovendien iets veranderd aan de manier waarop we in de wereld staan: het nieuws is niet langer een decoronderdeel in ons leven, maar vormt er het hoofdtoneel van. De wijze waarop tv- en krantenjournalisten de actualiteit altijd al beleefden, is nu ook de manier waarop miljoenen nieuwskijkers die beleven.
Nieuws is wel het laatste wat inwendige rust mogelijk maakt
Vanuit Brits en Amerikaans perspectief zijn de Brexit en het presidentschap van Trump de bergpieken die in dit nieuwe mentale landschap boven alles uittorenen. Maar door de buitenissigheid van die twee fenomenen verliezen we uit het oog hoe vreemd en hoe nieuw het eigenlijk is dat het nieuws – wat er ook in het nieuws is – zo’n centrale rol in ons dagelijks leven speelt.
In The New York Times draait columnist Nicholas Kristof de inmiddels welbekende riedel van klachten af over een vriendenkring die ‘aan Trump verslaafd’ is geraakt: ‘Op borrels, op tv, aan de eettafel, in de koffiehoek, overal gaat het gesprek tegenwoordig alleen nog maar over Trump.’ Maar de wijze waarop Trump al het andere nieuws in de actualiteit overschaduwt, is niet de enige oorzaak van deze verslaving. Een andere oorzaak ligt in het feit dat de drama’s in het nieuws alle andere zaken in ons leven overschaduwen.
Krankzinnig
Je kunt makkelijk denken dat het nieuws je zo bezighoudt omdat het tegenwoordig zo krankzinnig is. Maar dat is het nieuws altijd al vaak geweest. Wat het nieuws alleen nog nooit is geweest, is zo alomtegenwoordig. Vanaf het prilste begin tot enkele decennia geleden was het nieuws bijna per definitie een bericht van elders: een wereld waarop je even een blik wierp alvorens weer naar je eigen wereld terug te keren. Eeuwenlang was nieuws alleen iets voor een kleine elite. Ook na de komst van de massamedia besteedden hoogopgeleide burgers aanvankelijk zelden meer dan een uur per dag aan het nieuws.
De recente ingrijpende verandering in onze nieuwsbeleving is niet simpelweg te wijten aan het feit dat er nu 24 uur per dag nieuws is. Daar was CNN al in 1980 mee begonnen. Het heeft eerder te maken met het veel recentere gevoel dat we, dankzij de interactiviteit van sociale media, zelf actief aan de actualiteit deelnemen. Als je bijvoorbeeld boos bent over de Brexit, kun je daar bijna de hele tijd boos over blijven: je kunt steeds weer nieuwe woestmakende feiten tegenkomen en lucht blijven geven aan je woede op manieren die tot in de eerste jaren van deze eeuw nog ondenkbaar waren. Was je toen tegen verwanten en collega’s zo tekeergegaan als zelfs mensen van aanzien, romanschrijvers en filosofen tegenwoordig dagelijks op Twitter doen, dan had je iedereen van je vervreemd.
Eén cruciaal verschil is dat het voelt alsof je echt iets doet als je op Facebook een tirade afsteekt, berichten deelt of een online-enquête invult – dat je iets doet waarmee je, al is het op nog zo’n kleine schaal, een bijdrage kunt leveren aan de uitkomst van het verhaal. Dat gevoel dat je invloed hebt mag dan één grote illusie zijn – ten gunste van de sociale media waaraan die illusie ons verslingerd maakt – maar het is onmiskenbaar sterk. En het heeft ook vat op mensen die zelf nooit een bericht of een reactie plaatsen. Alleen al doordat je een onuitputtelijke, op jouw voorkeuren toegesneden voorraad updates, commentaren, grappen en analyses kunt doorbladeren, krijg je het gevoel dat je deelneemt aan het nieuws, wat heel anders voelt dan het passief consumeren van steeds dezelfde headlines die de hele dag door op tv te zien zijn bij CNN of de BBC.
Verlies van controle
Toch is deze nieuwe verhouding tot het nieuws, zoals je misschien zelf ook al hebt gemerkt, geen recept voor meer geluk of succes in ons eigen leven. Als je met een deel van je gedachten voortdurend in de wereld van de actualiteit verkeert, waar je bent blootgesteld aan de totaliteit van alle leed en leugens op aarde en boos wordt over gebeurtenissen die zo groot zijn dat je er in je eentje toch niets aan kunt veranderen, val je ten prooi aan wat Greenfield, schrijver van het boek Radical Technologies: The Design of Everyday Life, ‘een sluimerend gevoel van paniek en verlies van controle’ noemt, een zo wijdverbreid onbehagen dat het inmiddels alledaags voelt.
Niet iedereen heeft natuurlijk de vrijheid om elke dag urenlang op sociale media te zitten, en in zoverre is deze buitensporige vereenzelviging met het nieuws per definitie een probleem van de bevoorrechte klasse. Maar de sluipende kolonisering van onze persoonlijke werkelijkheidsbeleving door ‘de actualiteit’ gaat ook gepaard met de opkomst van een vreemde nieuwe moraal – een sociale norm die erop neerkomt dat wegkijken van de actualiteit, of althans weigeren het nieuws een centrale rol in je leven te geven, een onverantwoorde luxe is die alleen voor een enkeling is weggelegd.

Sinds de Verlichting heerst de gedachte dat het een democratische burgerplicht is om jezelf op de hoogte te houden van het wel en wee van de natie en de wijdere wereld – een plicht die des te meer gewicht krijgt in tijden van opkomend autoritarisme. Maar tegenwoordig gaat men er vaak van uit dat dit automatisch ook de plicht inhoudt om niet de ogen te sluiten voor het nieuws. De aanvechting om de blik af te wenden wordt gezien als een blijk van bevoorrechting en gebrekkig besef van de eigen luxepositie.
‘Als je niet woedend bent, heb je niet opgelet.’ Men gaat er steeds meer van uit dat wie iets wil betekenen voor of zelfs maar solidariteit wil tonen met de directe slachtoffers van de gebeurtenissen in het nieuws –bijvoorbeeld illegale immigranten die te maken krijgen met het hardvochtige uitzettingsbeleid van de regering-Trump – de morele plicht heeft om zich in dat nieuws te blijven onderdompelen.
Probleem
Maar het wordt stilaan duidelijk dat er in deze houding een probleem schuilt, nog los van de gevolgen voor ons individuele geluk. Er is goede reden om te denken dat een samenleving waarin zo veel mensen zo intens meeleven met de emotionele drama’s in het nieuws helemaal geen ideale democratie is, dat deze mate van persoonlijke betrokkenheid juist een symptoom is van de schade die het maatschappelijk leven al is toegebracht. En dat voert ons naar een mogelijkheid die bij nieuwsjunkies, politiek geëngageerde activisten en journalisten niet meteen zal opkomen: dat we het niet alleen aan onze eigen mentale gezondheid maar ook aan de wereld verplicht zijn te zoeken naar een manier om het nieuws weer op zijn plaats te zetten.
Velen van ons kunnen zich de tijd nog heugen dat het nieuws een aangename verstrooiing in ons dagelijks leven was, de favoriete afleiding van de aan zijn bureau gebakken kantoorwerker. Toen essayist Alain de Botton vijf jaar geleden zijn boek Het nieuws: een gebruiksaanwijzing schreef, kon hij daarin nog beweren dat het nieuws ons trekt omdat we daarin even aan onze dagelijkse beslommeringen kunnen ontsnappen. Kijkend naar het nieuws, schreef De Botton, kon je ‘vraagstukken (…) vinden die veel ernstiger en indringender zijn dan de problemen die je zelf op je bordje hebt gekregen, en door deze grotere kwesties je eigen zelfgerichte zorgen en twijfels (…) laten overstemmen.
Door de massamedia werd de aandacht van de lezer het schaarse goed
Een hongersnood, een overstroomde stad, een seriemoordenaar op vrije voeten, een regering die aftreedt (…); zulke externe opschudding is misschien wel precies wat we nodig hebben om inwendige rust mogelijk te maken.’ Het is opvallend hoe snel dat allemaal is veranderd. Tegenwoordig is het nieuws wel het laatste wat inwendige rust mogelijk maakt. Steeds meer wordt het niet zozeer iets waarín, maar waaráán je wilt ontvluchten.
Dat is een symptoom van een nieuwe en acute fase in een historische verschuiving die al heel lang aan de gang is: vroeger leefde men in een wereld waarin informatie schaars was, maar nu is de voorraad informatie in principe onbegrensd en is juist onze aandacht het schaarse goed. De eersten die goed geld wisten te verdienen met een nieuwsvoorziening, waren volgens historicus Andrew Pettegree een aantal goed ingevoerde burgers in het Italië van de zestiende eeuw, die handgeschreven nieuwsoverzichten leverden aan een handjevol rijke cliënten. Dat ze daarmee geld konden verdienen, was een gevolg van informatieschaarste: de inlichtingen in hun bulletins waren niet zo gemakkelijk te krijgen.
In de Londense koffiehuizen van de zeventiende eeuw, vaak beschouwd als de eerste plek waar gewone burgers een maatschappelijk debat over politiek konden voeren, werkte het ook zo. Tegen een kleine entreeprijs kreeg je daar de kans op een gesprek met mensen die van de nieuwste ontwikkelingen op de hoogte waren, en inzage in een rijke voorraad vlugschriften en nieuwsbulletins. De mogelijkheden voor zulke welingelichte politieke gesprekken waren schaars en dus wel wat geld waard.
Aandachtseconomie
Maar naarmate de techniek het makkelijker maakte om nieuws te verspreiden, en steeds meer nieuwsleveranciers naar de gunsten van de lezer dongen, begon er een subtiele omkering op te treden: niet informatie maar de aandacht van de lezer werd het schaarse goed waarom werd gestreden. In het begin van de negentiende eeuw kwamen ondernemers als Benjamin Day, oprichter van The New York Sun, met een revolutionair nieuw verdienmodel: je krant, volgestouwd met sensationele verhalen, voor minder dan de kostprijs aan de man brengen en je geld verdienen met de verkoop van advertenties.
Zo kochten adverteerders in feite toegang tot de aandacht van zo veel mogelijk lezers, wat natuurlijk een stimulans was om verhalen vol overdrijving en verzinsels te publiceren. Day plaatste ooit een reeks artikelen waarin werd beweerd dat Sir John Herschel, een vooraanstaand astronoom, had ontdekt dat er mensachtige wezens met vleermuisvleugels op de maan leefden. Maar ook de serieuze politieke verslaggeving en de onderzoeksjournalistiek profiteerden van deze grofmazige opzet. Adverteerders wilden lezers, en die trok de uitgever misschien vooral met roddelrubrieken of sportverslagen – maar als makelaar tussen deze twee partijen kon de hoofdredacteur een deel van de advertentiegelden naar serieuzere verslaggeving sluizen.
De hele geschiedenis van de massamedia vanaf dat moment zou je, zoals Tim Wu uitlegt in zijn boek Aandacht is het nieuwe goud, kunnen zien als het proces van de groeiende doelmatigheid waarmee de beschikbare hoeveelheid aandacht werd ontgonnen. Succes was daarbij weggelegd voor wie een nieuwe ader aanboorde (zoals toen de radio de huiskamers binnendrong en aandacht inpikte die voorheen werd besteed aan lezen of praten) of manieren vond om de aandacht nadrukkelijker op te eisen (zoals met de komst van kranten in kleurendruk).
Datahonger
Een smartphone met Facebook of Twitter erop is het hoogtepunt van deze trend. Zo’n telefoon is er helemaal op ontworpen om de laatste kruimeltjes aandacht op te zuigen – in de trein, op de wc, in bed – en minutieus alles bij te houden wat je aantikt of wegveegt, alles waar je bij blijft hangen of juist langs scrollt. De sociale media gebruiken de aldus verzamelde onmetelijke hoeveelheden data om je precies het soort berichten voor te schotelen dat mensen zoals jij niet kunnen weerstaan en dat zo verleidelijk mogelijk te doen. Zo kunnen ze de hoofdprijs vragen van adverteerders die maar al te graag zo’n nauw omschreven en daarmee dus waardevol segment van het publiek willen bereiken.
Steeds meer gebruikers beseffen inmiddels wel dat dit gebruik van data om de aangeboden content algoritmisch op de gebruiker toe te snijden de drijvende kracht is achter de verslavende werking van de digitale technologie: softwarebedrijven zijn verwikkeld in een wapenwedloop, op zoek naar steeds efficiëntere middelen om een stukje van de eindige hoeveelheid aandacht in te pikken. Voor hun voortbestaan en hun groei zijn ze dus aangewezen op jouw verslaving aan hun producten. Maar dat verklaart ook waarom het nieuws een steeds grotere rol is gaan spelen in onze gedachten.
In een situatie van informatieschaarste wil het nieuws wel in een aparte mentale wereld blijven die we alleen af en toe betreden; dan móét het zelfs exclusief blijven, net als een attractiepark met een hek eromheen of een besloten club, want er moet iemand aan kunnen verdienen door een toegangsprijs te vragen. Maar in een wereld met een informatieoverschot en aandachtsschaarste geldt het omgekeerde. In de strijd om onze aandacht moet elke nieuwsleverancier – en uiteindelijk elk nieuwsbericht – met alle andere wedijveren om zich ons hoofd binnen te wurmen.

Wu schrijft dat die wedloop zich ‘van nature in een neerwaartse spiraal zal bewegen: de aandacht zal bijna altijd uitgaan naar het opvallendere, sensationelere, buitensporigere alternatief, naar elke prikkel die eerder appelleert aan wat psychologen onze “onwillekeurige” aandacht noemen’. Het resultaat van dit alles is dat naarmate het publieke bewustzijn steeds meer wordt gedomineerd door het nieuws, het nieuws steeds meer wordt gedomineerd door extreme, sensationele en zelfs onware verhalen.
In een aandachtseconomie gedijt het nieuws – het kan er immers op bogen meer aandacht te verdienen dan bijvoorbeeld films of sport; het nieuws gaat over de serieuze zaken in de wereld. En je trekt geheid miljoenen lezers met het schouwspel van een labiele president met zijn vinger op de nucleaire knop, of met de dreiging van een situatie waarin voedsel en geneesmiddelen net als in de oorlog weer op de bon moeten als gevolg van een Brexit zonder deal.
Maar dit vergroot ook de druk om ervoor te zorgen dat elk nieuwsverhaal zich terugverdient door viraal te gaan, en het verlaagt de drang om een deel van de (teruglopende) inkomsten van een nieuwsorganisatie te steken in verslaggeving die tijdrovender en serieuzer van aard is. Deze situatie stimuleert vooral verslaggeving over scorebordpolitiek en over hete hangijzers in de cultuurstrijd, en een spervuur van meningen in opiniestukken die bedoeld zijn om de lezer in zijn vooroordelen te bevestigen of juist verontwaardigde afkeuring uit te lokken. Al met al hoeft een verhaal vanuit commercieel oogpunt niet eens waar te zijn, zolang het maar boeiend is: nepnieuws is geen ontsporing, maar juist de logische eindfase van een media-economie waarin content vooral ‘optimale betrokkenheid’ moet wekken.
Evolutionaire oorsprong
Het is de moeite waard eens goed te bedenken hoe vreemd het eigenlijk is, gezien het onderliggende doel van het nieuws, dat we zo veel met de actualiteit bezig zijn. Als onze belangstelling voor nieuws een evolutionaire oorsprong heeft, is dat omdat het allicht je overlevingskansen verhoogt als je op de hoogte bent van directe lokale bedreigingen voor het leven van jou en je stam. En een van de grote verworvenheden van de beschaving is dat we ook kunnen meeleven met nieuwsfeiten die ons niet persoonlijk raken, maar waarop we wel invloed zouden kunnen uitoefenen door bijvoorbeeld te gaan stemmen, vrijwilligerswerk te doen of geld te doneren.
De moderne aandachtseconomie benut deze twee drijfveren echter niet om ons op de hoogte te houden van bedreigingen voor onszelf of om verbetering mogelijk te maken in het leven van anderen, maar om winst te genereren voor de makelaars in aandacht. Daarom worden we onophoudelijk bestookt met het ene na het andere incident, ongeacht of het werkelijk van belang is, en met een eindeloze opeenvolging van menselijk leed, ongeacht of het in onze macht ligt om er iets aan te doen. Het geloof dat het onze morele plicht is om daar kennis van te blijven nemen – dat deze mate van engagement en emotionele betrokkenheid de enige manier is om op de hoogte te blijven van hoe de wereld ervoor staat – begint steeds meer te lijken op een excuus voor onze verslaving aan het beeldscherm.
Vervreemding
Iedereen die aan onlinenieuws verslaafd is, kent de daaruit voortvloeiende ervaring van vervreemding, ook al begrijpen we niet altijd waar die door komt. Ze manifesteert zich als het moedeloosmakende gevoel dat we op internet onze tijd zitten te verdoen, ook al kunnen we het blijkbaar niet laten. (Zelfs rokers zullen toch niet zo’n enorme hekel aan zichzelf hebben omdat ze niet zonder sigaret kunnen als Twitter-gebruikers omdat ze niet zonder Twitter kunnen?) We beginnen stilaan te beseffen wat het eigenlijk betekent om te zeggen dat aandacht een schaars goed is: dat die absoluut eindig is, dat elke minuut die je aan een bepaald nieuwsbericht besteedt, niet meer kan worden besteed aan alles wat er verder is.
Door aandacht te besteden aan het nieuws, zegt de bij Google vertrokken filosoof en technologie-activist James Williams, ‘betaal’ je in feite ‘met alles waaraan je die aandacht niet hebt geschonken (…), met dat goede gesprek dat je had kunnen hebben met je angstige kind, of met de slaap die je tekortkomt en dat uitgeslapen gevoel dat je de volgende ochtend dus niet hebt’. De verhalen die het nieuws domineren, onttrekken niet alleen aandacht aan ander nieuws; de grondstof die wordt geplunderd, is jouw leven.
De grondstof die wordt geplunderd door het nieuws, is jouw leven
Dat sommigen van ons moeite hebben om dat in te zien, komt mede doordat in dit tijdperk van sociale media de opvatting heerst dat het een morele taak is om de actualiteit, en met name het politieke nieuws, te volgen. Dat je je plicht als staatsburger verzuimt als je geen standpunt weet in te nemen over de brandende kwesties van de dag. Wellicht heb je op de sociale media zelf ook weleens die belachelijke maar toch merkbare druk gevoeld om over elke natuurramp, dode beroemdheid of nieuwe beleidsaankondiging van de regering-Trump plechtig je mening te verkondigen, alsof wij allemaal de ambassadeur zijn van een kleine natie waarvan het stilzwijgen maar al te licht wordt opgevat als een blijk van harteloze onverschilligheid.
‘Te midden van alle chaos in deze wereld voelt het verkeerd om mensen aan te raden het nieuws niet te volgen,’ geeft auteur John Zeratsky toe. Toch is dat wat hij in zijn zelfhulpboeken doet. Betrokkenheid lijkt iets te zijn ‘wat je gewoon hoort op te brengen als volwassen, welingelichte burger of slimme, op groei gerichte carrièremaker’. En als betrokkenheid bij het nieuws een geloofsartikel wordt, gaat de gedachte om je daarvoor zelfs maar gedeeltelijk af te sluiten allicht als ketterij klinken. Maar het zou weleens een vorm van ketterij kunnen zijn waaraan we dringend behoefte hebben – en niet alleen voor onze eigen gemoedsrust. Het functioneren van onze democratie kan ervan afhangen.
Ketter
Eén zo’n ketter tegen wil en dank is Robert Talisse, politiek filosoof aan de Vanderbilt-universiteit in Tennessee, die tot voor kort nog de mening was toegedaan die onder politiek filosofen allicht gemeengoed is: dat politiek van het hoogste belang is en er dus geen maat staat op de tijd die je daaraan moet besteden. In deze zienswijze ‘is democratie bedrijven iets wat je non-stop doet’, aldus Talisse, ‘en als je merkt dat de democratie in de problemen komt of problemen veroorzaakt, dan heb je altijd de oplossing van nóg meer democratie’. Maar door de groeiende obsessie met het nieuws die hij bij zichzelf en anderen constateerde, begon er een heel andere gedachte bij hem post te vatten. Het is bijvoorbeeld maar helemaal de vraag of het nou echt een vorm van democratische participatie is om het onlinenieuws te volgen, of dat het alleen maar zo voelt. En als het dat wel is, wie zegt dan dat het per se iets goeds is?
Stel dat politieke participatie goed is op dezelfde manier als voor je gezondheid zorgen dat bijvoorbeeld is. Iemand die af en toe naar de sportschool gaat, doet dan iets goeds; gaat ze regelmatig naar de sportschool, dan is ze bijzonder goed. Maar brengt ze werkelijk al haar vrije tijd in de sportschool door, zodat haar vriendschappen en haar werk eronder lijden, dan wordt het ziekelijk. Fysiek gezond blijven is namelijk vooral een instrumentele deugd: het is goed omdat het je in staat stelt andere dingen te doen.
Onze veranderde verhouding tot het nieuws leidt zelf tot slechter nieuws
Ben je alleen nog maar met je gezondheid bezig, dan begrijp je dus niet waar het om draait. En doe je het zo intensief dat je jezelf erbij blesseert, dan mis je de essentie nog op een andere manier: dan kun je ook niet meer aan je gezondheid werken. Er valt iets voor te zeggen om te denken dat het met onze nieuwsverslaving ook zo werkt. Door het politieke nieuws zo’n centrale plaats in ons mentale landschap te geven, plegen we misschien wel roofbouw op juist die zaken die de politiek moest faciliteren, en beschadigen we het democratische bestel zelf. Om een duidelijker beeld van de mogelijke schade te krijgen kun je kijken naar wat er sinds de opkomst van de sociale media is gebeurd met de ‘publieke sfeer’, de ruimte waarin het democratisch debat zou moeten plaatsvinden.
De pioniers in het hippietijdperk droomden ervan dat het internet de publieke sfeer enorm zou uitbreiden, tot een nieuwe mondiale agora waar mensen die nooit een stem hadden gehad konden deelnemen aan de besluitvorming. Dat zou eerlijkere en betere besluiten opleveren die veel breder worden gedragen. Maar het wordt steeds duidelijker dat het internet in feite vooral de scheiding tussen publiek en privé opheft en het zo steeds moeilijker maakt om tot een doordachte discussie, laat staan consensus te komen. Onze veranderde verhouding tot het nieuws lijkt zelf tot slechter nieuws te leiden.
Mentale afstand
In 2013, toen Donald Trump nog een lachwekkende tv-ster was en Twitter door gebruikers nog niet liefkozend voor ‘hellsite’ werd uitgemaakt, schreef de Duits-Koreaanse cultuurtheoreticus Byung-Chul Han in zijn vooruitziende boek Im Schwarm (‘In de zwerm’) al dat de digitale communicatie het politieke bedrijf langzamerhand onmogelijk maakte. Een gezond politiek debat berustte in zijn ogen op respect, wat vereist dat de deelnemers aan het debat een zekere mentale afstand tot elkaar bewaren: ‘Het openbare leven vereist een respectvol wegkijken van wat privé is.’
Maar digitale verbondenheid heft die afstand op. Online vervaagt het onderscheid tussen weloverwogen openbaar commentaar op het nieuws en impulsieve oprispingen van je halfbakken privé-indruk; en op sociale media worden de extreemste gevoelsuitbarstingen beloond en uitvergroot. Een directe verbinding tussen het nieuws en de diepste krochten van ieders geest blijkt er niet toe te leiden (en achteraf lijkt dat misschien nogal wiedes) dat het gemakkelijker wordt om tot overeenstemming en oplossingen te komen. Het leidt ertoe dat ieder thema waarover verschil van mening bestaat al snel ontaardt in slaande ruzie.
Voor een goed functionerende publieke sfeer moeten we collectief kunnen beschikken over een gedeelde verzameling feitelijke kennis van de werkelijkheid, als stabiele ondergrond waarop we onze meningsverschillen kunnen uitvechten. Maar met zo’n gigantisch overschot aan informatie, gefilterd op grond van wat ieders individuele aandacht trekt, blijft van die gedeelde grondslag al snel weinig over. Ondertussen worden we door de algoritmes van de sociale media ongemerkt in steeds meer gescheiden groepjes van steeds soortgelijkere mensen opgedeeld, zodat ook als je met elkaar over bijvoorbeeld films of sport discussieert, je dat steeds vaker doet met mensen van dezelfde politieke kleur als jij.
Hoe groter je politieke betrokkenheid wordt, des te meer alles ook politiek wordt – en des te moeilijker het wordt, zo wijst onderzoek uit, om je politieke tegenstanders nog helemaal als mens te zien. En dat is een situatie waar populisten garen bij spinnen, want zij weten dat ze van het leven een veldslag langs politieke lijnen moeten maken om de publieke aandacht volledig te kunnen domineren.
Zo bezien blijft er weinig over van de gedachte dat voortdurend het nieuws volgen een effectieve manier is om autoritaire tendensen te bestrijden of andere lovenswaardige politieke doelen na te streven. Door je op sociale media elke dag urenlang kwaad te maken op je tegenstanders werk je mee aan de uitholling van de democratie, ook al doe je dat vanuit een moreel onberispelijke positie. Onder politiek geïnteresseerden mag dan de algemene wijsheid heersen dat deze tijd schreeuwt om grotere betrokkenheid bij de actualiteit, maar misschien is het tegendeel juist het geval.
Als je jezelf afsluit voor het nieuws, zal dat je echter nog steeds vooral op het verwijt komen te staan dat het egoïstisch is en jij niet beseft hoe bevoorrecht je bent. Een jaar geleden stond er in The New York Times een artikel over Erik Hagerman, een man in Ohio die sinds de verkiezingen van 2016 het nieuws niet meer volgde. Hij ging zelfs zover dat hij ruis op zijn oortjes afspeelde om in koffietenten geen gesprekken over Trump op te vangen. Dat artikel ging viraal – natuurlijk! – en Hagerman kreeg een stortvloed aan honende zedenpreken over zich heen. (Die zou hij althans hebben gekregen als hij ze was gaan lezen.)
‘Niet iedereen kan zich ervoor afsluiten,’ zo verwoordde Kellen Beck de woede van velen in een artikel op Mashable, waarin hij Hagerman uitriep tot ‘de meest egoïstische man in Amerika’. ‘Mensen van wie het gezin uiteen wordt gerukt door het uitzettingsbeleid van de immigratiedienst kunnen zich er niet voor afsluiten. Mensen die slachtoffer worden van vuurwapengeweld kunnen zich er niet voor afsluiten.’ Maar ‘als witte man die in de gelegenheid is gesteld een hoop geld te verdienen (en te sparen), wordt Hagerman niet direct getroffen door veel van wat dit land en zijn medeburgers overkomt’.
Nieuws mijden
Maar de gedachte achter dit argument – dat de keuze om minder aandacht aan het nieuws te schenken vanzelfsprekend een verwerpelijke luxe is – is een restant uit de tijd van informatieschaarste. Als het moeilijk is om aan nieuws te komen, is het goed om de moeite te nemen het nieuws te volgen. Maar als het nieuws overal is en non-stop baden in het nieuws de situatie alleen maar lijkt te verergeren, moet je juist moeite doen om het nieuws, al is het maar gedeeltelijk, te mijden. In een tijd van aandachtschaarste betekent een zinvol leven juist dat je niet aan ieder belangrijk thema aandacht schenkt; van de grootste heiligen in de geschiedenis werd nooit gevraagd om zich om zo veel verschillende vormen van leed te bekommeren als jij tegenwoordig onder ogen krijgt door alleen al een site met buitenlands nieuws door te nemen.
Of het egoïstisch is om je daarvoor af te sluiten, hangt af van de vraag wat je doet met de tijd die je daardoor overhoudt. (Hagerman had, zo stond in het artikel, 20 hectare waterrijke grond gekocht op de plek van een gesloten kolenmijn en wilde dat gebied opknappen om het uiteindelijk aan de samenleving te schenken, een project waar hij de rest van zijn leven en bijna al zijn spaargeld aan dacht te gaan spenderen. Er zijn egoïstischer manieren om je tijd door te brengen.) Jezelf voor veel belangrijk nieuws afschermen is misschien wel een voorwaarde om überhaupt iets te kunnen doen.
We moeten ook blijven werken aan maatschappelijke verbondenheid
Nu de politiek de gedachten van zo veel mensen beheerst, zo stelt Robert Talisse in zijn nieuwe boek Overdoing Democracy, wordt het misschien wel een essentiële vorm van activisme om juist minder tijd te besteden aan dingen die politiek zijn – of die, zoals alles op sociale media, politiek voelen – en die tijd liever te steken in constructieve zaken waarin politiek geen rol kan spelen. Zo bezien is een weigering om in de kroeg of bij de koffieautomaat over Trump of de Brexit te kletsen geen kwestie van je kop in het zand steken, maar een poging om te voorkomen dat alle domeinen in het leven ten prooi vallen aan het dictaat van de actualiteit.
De remedie voor de verdeeldheid in de samenleving, zo wordt vaak gezegd, is om meer tijd door te brengen met mensen van ‘de andere kant’. Maar Talisse raadt ons aan bewust deel te nemen aan sociale activiteiten die helemaal niet door politieke voorkeuren zijn gedreven – waarin de hele vraag van iemands politieke affiniteit sowieso niet aan de orde is. Hij woont zelf in Nashville en gaat tegenwoordig vaak met zijn vrouw naar bluegrassconcerten. ‘Ik heb geen idee wat de politieke kleur van de andere concertgangers is,’ zegt hij. ‘Het is niet dat je als Democraat plekken moet opzoeken waarvan je weet dat er veel Republikeinen komen. Je moet gewoon dingen gaan doen waarin politiek geen rol hoeft te spelen.’
Talisse beseft dat deze goede raad als recept voor het redden van constructieve democratische betrokkenheid nogal triviaal en misschien zelfs naïef klinkt. Maar als je een veilig heenkomen zoekt voor het vreselijk verslavende drama van de nationale en internationale politiek, is dat waarschijnlijk onvermijdelijk: juist omdat het nieuws zo verslavend is, moet je er niet vreemd van opkijken dat het alternatief er eerst nog wat suf bij afsteekt. En hij benadrukt dat hij er niet voor pleit om je voortaan helemaal van conventionele vormen van activisme te onthouden: ‘Ik zeg niet dat je niet naar demonstraties moet gaan. Maar dat moet niet het enige zijn wat je doet. Dus wat ik eigenlijk zeg, is dat democratie meer werk is dan je denkt, omdat je ook die andere dingen moet doen.’ We moeten demonstreren. Maar we moeten ook blijven werken aan de maatschappelijke verbondenheid die onze politiek mede mogelijk zou moeten maken.
Talisse wijst erop dat er na Trumps verkiezingszege veel artikelen werden geschreven met adviezen over hoe je tijdens Thanksgiving moest omgaan met politieke discussies binnen de familie, waarbij de conclusie vaak luidde dat als het te veel stress opleverde om een beschaafd gesprek te voeren met een oom die op Trump had gestemd, je misschien beter thuis kon blijven. Maar dan, zegt Talisse, ga je er stilzwijgend van uit dat als puntje bij paaltje komt, politieke overtuigingen belangrijker zijn dan familiebanden. En dat is de wereld op zijn kop: een van de hoofddoelen van een democratisch bestel is juist dat het iedereen de kans moet garanderen op zaken zoals een familieleven. Als je met Thanksgiving aan tafel zit met een oom die voor Trump is, gaat het er niet om dat je probeert tot een compromis te komen of het met elkaar eens te worden, maar dat je beseft dat we meer zijn dan onze politieke voorkeur alleen. Dat we, in de woorden van Talisse, ‘om elkaar als politieke gelijken tegemoet te treden elkaar als meer dan alleen kiezers moeten zien’.
Druk maken
Het is natuurlijk niet helemaal eerlijk dat we hier überhaupt bij stil moeten staan. Dat wij als individu zelf het initiatief moeten nemen om minder op te gaan in de actualiteit van nieuws en politiek, terwijl het probleem wordt veroorzaakt door een aandachtsindustrie die volledig is gericht op winstmaximalisatie van de technologiebedrijven. Maar het is misschien de enige manier waarop we daarin nog enige verandering kunnen brengen. Als de kolonisering van ons dagelijks leven door het nieuws schadelijk is voor zowel onszelf als het democratisch bestel, moeten we daar niet klakkeloos in meegaan. En misschien is het helemaal niet onze morele plicht om ons druk te maken om alles wat in het nieuws is, maar juist om ons daar een beetje minder druk om te maken.

