Er gaat niets boven livemuziek, schrijft Dave Grohl, de frontman van de Foo Fighters. De treurige schermpjes waarmee we het nu moeten stellen, doen hem denken aan beveiligingscamera’s en klinken als ‘de geluidsopnamen die Neil Armstrong vanaf de maan stuurde’.
Waar had je dit jaar de 4e juli [Amerikaanse Onafhankelijksheidsdag] willen vieren? Lekker in de achtertuin, barbecueën met je gekste familieleden, ruziënd over wie het illegale vuurwerk mag afsteken dat je aan lager wal geraakte neefje uit South Carolina heeft meegesmokkeld? Of nog beter: in het Shenandoah National Park, met een kleffe hotdog in je hand, terwijl We’re an American Band van Grand Funk Railroad keihard opstaat?
Ik weet precies waar ik had moeten zijn: in het FedExField-stadion, net buiten Washington D.C., met mijn band Foo Fighters en zo’n tachtigduizend van onze beste vrienden. We zouden vieren dat 25 jaar geleden ons debuutalbum is uitgekomen. Een door en door Amerikaans, gedenkwaardig feest waarbij het bier rijkelijk zou vloeien. Het zou een spetterend evenement worden waar drommen door de zon gebronsde mensen op af zouden komen, en ze zouden allemaal meezingen op een kwart eeuw Foo Fighters. Maar het is anders gelopen.
Helaas heeft de coronapandemie de livemuziek verbannen naar kleine, treurige schermpjes die doen denken aan beveiligingscamera’s van huisdeuren en klinken als de geluidsopnamen die Neil Armstrong vanaf de maan stuurde, hakkelend en gecomprimeerd. Daarbij vergeleken lijkt Max Headroom haast een mens. Begrijp me goed, ik kan leven met de saaie en beperkte cuisine van de quarantaine (met mijn lasagna is niets mis!) en ik weet dat iedereen zich gelukkig mag prijzen die niet in een ziekenhuis of bij een besteldienst werkt, maar toch, ik hunker naar een portie goeie ouwe live-rock-’n-roll, waarbij het zweet je uitbreekt en je trommelvliezen bijna scheuren. Liever vandaag dan morgen. Het soort muziek waarvan je bloed sneller gaat stromen, je lichaam in beweging komt en je hart een sprongetje maakt.
Er gaat niets boven de energie en de sfeer van een liveoptreden. Je voelt echt dat je leeft als je je favoriete artiest op het podium ziet staan, in levenden lijve, en niet als een eendimensionaal beeld dat opgloeit in je schoot terwijl je door een middernachtelijk YouTube-wormgat reist. Zelfs onze meest geliefde superhelden worden menselijk als je ze in het echt ziet. Stel je voor dat je in 1985 in het Wembley-stadion was geweest en Freddie Mercury het podium op had zien lopen voor het optreden van Queen op Live Aid. Dat zal voor altijd gelden als een van de beste liveoptredens aller tijden (al duurde het maar 22 minuten), omdat Freddie en Queen ons er op de een of andere manier aan hielpen herinneren dat er achter elke popster een mens schuilgaat: iemand die een armband met studs om zijn bovenarm doet, zich in een krankzinnig strak wit hemdje wurmt, zijn benen een voor een in zijn stonewashed jeans perst – gewoon iemand zoals wij. Maar dat er die dag geschiedenis werd geschreven kwam niet eens zozeer door de muzikale magie van Queen. Het kwam vooral door de manier waarop Freddie contact wist te maken met het publiek, en zo het aftandse voetbalstadion wist om te toveren in een sonische kathedraal. In het volle daglicht wist hij op majestueuze wijze 72.000 mensen te bespelen, ze tot een harmonieus koor te smeden.
Sierlijke duik
Ik ga al mijn hele leven naar concerten en ben maar al te bekend met dat gevoel. Ik heb me meer dan eens verdrongen bij de koude hekken voor in de arena. Ik heb helemaal bovenin meegedrumd op mijn lievelingsnummers, ik ben bijna verdrukt in de massa, ik heb gedanst op gevaarlijk hoge decibelniveaus terwijl ik me verloor in het ritme. Ik ben door volslagen vreemden in de lucht getild en naar het podium gedragen, om vervolgens met een sierlijke duik weer in hun bezwete armen te belanden. Ik heb uit volle borst meegezongen met mensen die ik misschien nooit van mijn leven meer zal zien, de armen in elkaar gehaakt. Een eerbetoon aan de haast tastbare kracht van muziek die je samen ervaart.
Als je even alle vuurwerkshows en confetti van een concert in een stadion wegdenkt, wat houd je dan over? Niet meer dan… mensen? Ik zal nooit de nacht vergeten dat ik U2 zag optreden in Washington D.C., in wat destijds het MCI Center heette. Het was tijdens de Elevation Tour in 2001, een immense productie.
Ik wachtte op het moment dat de lichten uit zouden gaan en ik me zou kunnen verliezen in een fantastische show vol geavanceerde effecten. Tot mijn verbazing kwam de band zonder enige aankondiging het podium op lopen, met de zaallichten nog aan, en het eerste nummer werd ingezet in het schelle licht, zonder het gebruikelijke spektakel van lasers en ledschermen waar we allemaal aan gewend zijn geraakt. Het was een briljante zet die het publiek overrompelde en die het begin van dit onvergetelijke optreden een heel pure, persoonlijke insteek gaf. Let wel, het was niet omdat er iets was misgegaan. Het was een les in intimiteit. Zonder lasers en stroboscoop kromp het stadion tot het formaat van een groezelige nachtclub vlak voor sluitingstijd, alle onvolkomenheden haarscherp uitgelicht. En dat simpele gebaar maakte eens te meer duidelijk dat we ook allemaal maar gewoon mensen zijn. Mensen die verbinding zoeken.
‘Als je naar het publiek kijkt,moet je jezelf in hen herkennen, net zoals zij zich in jou moeten kunnen herkennen’
Op een keer, voor een Foo Fighters-show in Vancouver, maakte mijn tourmanager me erop attent dat niemand minder dan ‘the Boss’, Bruce Springsteen, zich onder de aanwezigen bevond (gevolg: verlammende zenuwen). Verstijfd van angst vroeg ik me af hoe ik in godsnaam een show moest neerzetten in het bijzijn van deze legendarische showman, vermaard om zijn epische concerten die wel vier uur konden duren. Ik zou zijn hooggespannen verwachtingen nooit kunnen waarmaken! Uiteindelijk bleek hij te zijn gekomen voor het voorprogramma (gevolg: ongekende ontluistering) en ik kwam met de schrik vrij. Maar we maakten nog wel even een praatje voor we op moesten, en ik realiseerde me opnieuw dat er niet alleen een mens schuilgaat achter elke superheld, maar ik begreep ook waarom miljoenen mensen zich met hem kunnen identificeren: hij is authentiek. Drie uur later, toen ik op een bankje in de kleedkamer zat bij te komen van het optreden, badend in het zweet, werd er op de deur geklopt. Bruce wilde nog even gedag zeggen. Hij bleek te zijn gebleven om ons te zien optreden (gevolg: openzakkende mond) en hij bedankte ons hartelijk en prees ons optreden, met name de manier waarop we contact hadden gemaakt met het publiek. Duidelijk iets wat hij zelf herkende.
Op de vraag vanaf welke plek hij ons dan precies had gezien, zei hij dat hij ergens in de menigte had gestaan, tussen de andere mensen. Logisch. Hij zocht natuurlijk ook die verbinding.
Een paar dagen later kreeg ik een brief van Bruce, handgeschreven, op briefpapier van een hotel, waarin hij dat nog eens toelichtte. ‘Als je naar het publiek kijkt,’ schreef hij, ‘moet je jezelf in hen herkennen, net zoals zij zich in jou moeten kunnen herkennen.’ Ik wil niet opscheppen, maar ik denk dat ik 25 jaar lang de beste plek in het stadion heb gehad. Want ik kan jullie echt zien. Ik zie jullie tegen de dranghekken duwen. Ik zie jullie hoog op de tribunes meedrummen op jullie favoriete nummers. Ik zie hoe jullie boven de menigte uit worden getild en naar het podium worden gedragen, om weer met een sierlijke duik in de bezwete armen van het publiek te belanden. Ik zie jullie zelfgemaakte borden en jullie vintage T-shirts. Ik hoor jullie lachen en krijsen en ik zie jullie tranen. Ik heb jullie zien geeuwen (ja, jij) en ik heb jullie dronken zien wegzakken op jullie stoel.
Ik heb jullie zien staan in orkaanachtige rukwinden, in de bloedhitte en in de vrieskou. Ik heb sommige van jullie zelfs ouder zien worden en heb meegemaakt dat jullie kinderen kregen, die nu op jullie schouders meedeinen met een beschermende koptelefoon op hun hoofd. En elke avond dat ik tegen onze lichttechnicus zeg: ‘Light ’em up!’, doe ik dat omdat ik de ruimte wil verkleinen, zodat we ons één kunnen voelen in het schelle licht.
Sonische kathedraal
In de huidige wereld van angst, ongemak en sociale onthouding is het moeilijk voor te stellen dat we ooit weer zo’n ervaring zullen delen. Ik weet niet wanneer we weer veilig uit volle borst zullen kunnen zingen, met de armen in elkaar gehaakt, terwijl ons hart als een bezetene tekeergaat en we dansen en bruisen van levenslust. Maar wat ik wél weet, is dat het zal gaan gebeuren, omdat we het nodig hebben. Het is geen keuze. We zijn mensen. We hebben momenten nodig die ons laten voelen dat we niet alleen zijn.
Die ons laten voelen dat we begrepen worden. Dat we allemaal onze tekortkomingen hebben. En, wat misschien nog wel het belangrijkste is, dat we niet zonder elkaar kunnen. Ik heb mijn muziek, mijn woorden, mijn leven gedeeld met de mensen die naar onze optredens zijn gekomen. En zij hebben hun stem met mij gedeeld. Zonder het publiek – zonder dat joelende, schreeuwende, zwetende publiek – zouden mijn nummers niet meer zijn dan geluid. Maar samen zijn we instrumenten in een sonische kathedraal, een kathedraal die we samen opbouwen, elke avond opnieuw. En die kathedraal komt er zeker weer te staan.
Dave Grohl
The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000
Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Nog altijd van onberispelijke kwaliteit. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

