Persoonlijke initiatieven kunnen het verschil maken wanneer ze door de samenleving worden opgepikt. ‘Zoals met de meeste dingen is de eerste stap vaak de belangrijkste’, stelt klimaateconoom Gernot Wagner.
Het is makkelijk om elke persooonlijke verantwoordelijkheid voor het verlagen van iemands CO2-voetafdruk van de hand te wijzen. Het was tenslotte oliebedrijf BP dat het idee begin deze eeuw populair maakte door iedereen te vertellen dat het ‘tijd was om op CO2-dieet te gaan’. Het bedrijf wist heel goed hoe onmogelijk dat was, net als zijn eigen ambitie om ‘aardolie achter zich te laten’. Het drastisch verlagen van de uitstoot vraagt om veranderingen in bedrijfsactiviteiten, technologische vooruitgang, nieuwe investeringsprikkels en een gespierder overheidsbeleid, met daarbovenop individuele initiatieven.
Je kunt niet alle persoonlijke acties over één kam scheren. Wie een plastic boodschappentas weigert bij de toonbank lijkt een heilige, maar het zet weinig zoden aan de dijk, vooral wanneer je vervolgens in een vliegtuig stapt. Het gaat om de schaal, en om feitelijke uitstootreductie. Luchtvaartmaatschappijen hebben goede redenen om hun uitstoot te compenseren: zo hebben passagiers minder wroeging en vliegen ze meer. De illusie van vooruitgang die door kleine, individuele acties wordt gewekt, is een cognitieve vertekening die echte vooruitgang ondermijnt.
Fietsers gingen meer en veiliger fietspaden eisen, wat weer leidde tot meer fietsers
Om individuele acties, hoe klein ook, effectief te laten zijn is het essentieel dat ze door anderen worden opgepikt. Neem het fietsen in steden. Fietsers gingen meer en veiliger fietspaden eisen, wat weer leidde tot meer fietsers en zo een gezonde cyclus in gang zette. Amsterdam, Kopenhagen en andere steden die erom bekend staan dat er meer met de fiets dan met de auto wordt gereden, zijn zover gekomen doordat vroege fietsactivisten veiliger wegen eisten. Het was een geleidelijk proces, waardoor er eerder van autovriendelijk verkeersbeleid werd afgestapt dan elders. Parijs en andere steden volgden het voorbeeld, wat deels werd ingegeven door covid-19 en een bredere kijk op het gebruik van beperkte publieke ruimte.
Het op andere gebieden beperken van de CO2-uitstoot vergt een soortgelijke vorm van fundamenteel omdenken. Om het proces in gang te zetten heb je een groep van vroege overstappers op groene producten nodig. Zij laten zien wat mogelijk is, stimuleren de markt en halen kinken uit de kabel. Daardoor wordt een golf van anderen geïnspireerd, wat nodig is om voldoende impact te krijgen. Het is een zichzelf versterkende cyclus: de producten worden beter en goedkoper en dus gewilder.
Steden
Steden spelen een bijzonder grote rol wanneer het op individuele effectiviteit aankomt. Alleen al door als typische New Yorkers in New York te wonen stoot het gemiddelde huishouden half zoveel CO2 uit als een huishouden in een eengezinswoning in een buitenwijk. De redenen liggen voor de hand: kleinere woonruimten in combinatie met kortere afstanden naar werk en vrijetijdsbesteding. Betekent dat een persoonlijk offer? Te oordelen naar de torenhoge onroerendgoedprijzen in New York en andere grote steden vinden mensen van niet.
Natuurlijk zijn er verkeerde prikkels die mensen ertoe aanzetten hun woonruimte te maximaliseren in plaats van te optimaliseren. Of het nu gaat om een makelaar, een hypotheekverstrekker of een echtscheidingsadvocaat, allemaal zijn ze gebaat bij meer vierkante meters. Het helpt ook al niet dat de grootte van je huis een publiek signaal is (en makkelijk te zien op Instagram) terwijl een langere reistijd iets persoonlijks is (dat zelden op sociale media wordt vermeld). Idealiter zou er beleid kunnen worden gemaakt om het wonen in steden aantrekkelijker te maken voor gezinnen, zodat de individuele CO2-uitstoot zou afnemen. Minder asfalt voor auto’s en meer groen verbeteren bijvoorbeeld zowel het stedelijke microklimaat als het wereldwijde klimaat.
Gelukkig zorgen veel stappen die het leven in steden beter maken ook voor een betere klimaatbalans in die steden. Maar CO2-efficiënt wonen is niet genoeg. Steden moeten ook programma’s ontwikkelen om de CO2-emissies van gebouwen en vervoersmiddelen te verminderen. In stadscentra kunnen door het isoleren van één gebouw de woningen van veel gezinnen worden verwarmd en goed openbaar vervoer vermindert vervuiling en uitstoot.
Een volledig geëlektrificeerd huis dat geen gas gebruikt voor verwarming is vaak nog een luxe
De rijken moeten het voortouw nemen. Of het nu om landen of steden gaat, alle plekken waar veel geld is moeten pioniers worden op het gebied van activiteiten die de uitstoot verminderen, zoals woningisolatie. Een milieuvriendelijk huis is een comfortabeler huis. Tochtige ramen en slecht geïsoleerde muren vergallen het woonplezier. Gaspijpen die rechtstreeks je huis binnen lopen zijn groen noch gezond. Ze zijn ook onnodig, nu er warmtepompen en inductieketels zijn die een weliswaar duurder maar groener alternatief bieden. Hyperefficiënte Duitse huishoudelijke apparaten vinden gretig aftrek bij wie ze kan betalen.
Sommige individuele initiatieven kunnen kostbaar zijn. Hoewel een inductieplaat ter vervanging van het vierpitsgasstel dat in westerse huizen gebruikelijk is niet al te duur hoeft te zijn, is een volledig geëlektrificeerd huis dat geen gas gebruikt voor verwarming vaak nog een luxe. Het is aan architecten, ontwerpers en bouwers om mensen die het zich kunnen permitteren daarin te laten investeren. En wat beleidsmakers en stedenbouwkundigen te doen staat, is duidelijk: zij moeten een snelle transitie subsidiëren, terwijl de wereld de leercurve beklimt en de kostencurve van technologische CO2-reductie afglijdt. En ja, dat zou betekenen dat je dingen subsidieert die door welgestelden worden gekocht, maar het beleid kan gemakkelijk worden toegespitst. Bovendien geldt als rechtvaardiging van de subsidies dat je er groene doelstellingen mee realiseert.
Tijd
Tijd is de essentiële factor. Dat een overheid een aanzienlijke CO2-reductie aan het eind van het decennium belooft is één ding. Maar ze moet zich ook realiseren dat ze met de woon- en mobiliteitskeuzes van vandaag de uitstoot voor de komende jaren vastlegt. De stad New York heeft wetgeving die eigenaars van grote panden verplicht de CO2-uitstoot voor 2030 met 40 procent te verminderen. In bouwtermen is dat morgenvroeg. Het kost jaren om plannen te maken, financiering te vinden, vergunningen te krijgen, aannemers in te huren en dan de verbouwing te realiseren.
Cruciaal is om de juiste balans te vinden tussen reglementaire stimulering van bovenaf en individuele vraag van onderaf. Zoals ‘sequencing’ van openbaar beleid vereist dat je eerst duurzame technologie stimuleert om later de kostprijs van CO2-emissies te berekenen, zo moeten geëngageerde individuen het startpunt zijn voor een veelomvattender milieubeleid. Het verminderen van de vleesconsumptie is een belangrijke individuele bijdrage aan het verminderen van de uitstoot. Ondertussen zorgen vegetariërs niet voor een aanzienlijke vermindering van de CO2-uitstoot omdat ze geen vlees meer eten, maar omdat ze tot een geëngageerde en mondige kerngroep behoren die een veelomvattender klimaatbeleid voorstaat en stimuleert.
In de psychologie heet dat de voet-tussen-de-deurstrategie
Belangrijk in de strijd tegen cognitieve vertekening door individuele acties is een geleidelijk opgebouwd momentum: stemmen mensen in met het ene, dan zullen ze ook het andere sneller oppikken. (In de psychologie heet dat de voet-tussen-de-deurstrategie.)
Zoals met de meeste dingen is de eerste stap de belangrijkste. De drang om de CO2-uitstoot van de economie te verminderen zal iedereen raken. Degenen die daartoe in staat zijn kun je beter in de gelegenheid stellen in de groenere wereld van morgen te leven dan in het tanende fossiele tijdperk van vandaag.
Lees ook:

