AM tiener compressed scaled


In het geteisterde Cuba wordt dagelijks overleven voorgesteld als een daad van patriottisme. Toegeven aan de schaarste komt erop neer dat je het ‘imperium’ gelijk geeft.

Cuba maakt een meervoudige crisis door: het vrijwel volledige stilvallen van het stroomnet, een suikeroogst die herinnert aan historische minima van eind negentiende eeuw en een druk op de essentiële toevoer van brandstoffen waardoor het land wordt gedwongen tot strenge rantsoenering. Het komt allemaal door een combinatie van aanhoudende tekorten, een verouderde infrastructuur uit het Sovjet-tijdperk en het uitblijven van eigen investeringen wat de samenleving meer dan ooit tot de rand van de afgrond brengt. Het dreigende voedseltekort verplaatst het debat over het voortbestaan van het regime van een terrein dat de geopolitiek overstijgt naar dat van de mensenrechten en morele verantwoordelijkheid, zowel binnen als buiten het land.

Creatief verzet

Enkele weken geleden zond de staatstelevisie een opmerkelijke persconferentie uit met haar eerste politieke vertegenwoordiger, Miguel Díaz-Canel. Hij spreekt niet vaak in het openbaar, maar deed dat dit keer op een toon die fluctueerde tussen epiek en fatalisme. Zijn ‘opwachting’ bij regeringsgezinde media was bedoeld om de maatregelen toe te lichten die worden getroffen om de kritieke situatie te verlichten.

Na een toespraak van twee uur kondigde hij de terugkeer van Cuba naar de negentiende eeuw aan onder de noemer ‘creatief verzet’. Met dit officiële narratief probeert hij de ineenstorting van het systeem dat hij leidt – samen met het militaire conglomeraat Gaesa, een soort ‘bureaucratische aristocratie’ die het hele eiland controleert – te veranderen in een toonbeeld van verheven trots met een flinke scheut nationalisme. Daarbij grijpt hij terug op de sociale politiek van midden jaren negentig, terwijl hij opnieuw de blokkade en het ‘Trump-corollarium’ – Trumps draai aan de Monroe-leer – aanhaalt om drie decennia van economische afhankelijkheid, bevoordeling van een kleine bovenlaag en bestuurlijke stagnatie te verbloemen.

Cuba was gedurende een groot deel van de negentiende en twintigste eeuw de voornaamste suikerexporteur ter wereld, met een economie die sterk was geconcentreerd op suikerriet en suikerproductie. In 1989 bedroeg de productie zo’n 8 miljoen ton en vormde suiker een zeer belangrijk deel van de totale export van het land. Voor de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991 bestond zo’n 75 procent of meer van Cuba’s exportinkomsten uit suiker.

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verloor het eiland zijn voornaamste afzetgebieden en financiële steunpunten, wat leidde tot een flinke daling van de suikerproductie en -export. Tussen 1991 en 1993 liep de productie terug van meer dan 7 miljoen ton naar ongeveer 4,4 miljoen ton. Gaandeweg namen ook de hoeveelheid gecultiveerde grond, de productieve efficiëntie en de beschikbaarheid van hulpmiddelen en grondstoffen sterk af.

Vanwege dat rampscenario riep Fidel Castro persoonlijk op tot een massale discussie over de benodigde acties. Tussen januari en maart 1994 werden daarom de zogenaamde arbeidersparlementen ingesteld, wat resulteerde in ongeveer 500.000 suggesties die als input moesten dienen voor maatregelen die later aan de Nationale Assemblee van de Volksmacht werden voorgelegd.

Slecht bestuur

De vraag blijft waarom Cuba, ondanks zulke offers en maatschappelijke krachtsinspanningen, en ondanks periodes van relatieve economische stabiliteit dankzij inkomsten uit toerisme en de export van rum en tabak, nog steeds onderontwikkeld is en economisch niet van de grond komt.

Dat Díaz-Canel de discussie over ‘creatief verzet’ uit de kast haalt, is een opportunistische en perverse retorische truc, omdat hij zo de verantwoordelijkheid van de Staat om een bestuurlijk probleem op te lossen bij de gewone burger legt. Het volk wordt gevraagd ‘creatief’ te zijn om te overleven, waarmee de hachelijke situatie wordt gerechtvaardigd als een vorm van patriottisch heldendom. Tegelijkertijd wordt verhuld dat het systeem, geleid door een handjevol machthebbers, niet in staat is een echte markteconomie of grootschalig privébezit toe te laten, uit angst voor de gevolgen die zichtbaar werden in de voormalige Sovjetstaten.

Er tekenen zich dus minstens drie constanten af in de strategische berichtgeving, waarin het – uiteraard ernstige – economische embargo alle schuld van de rampspoed krijgt. Iets wat het regime paradoxaal genoeg goed uitkwam, omdat het zo het zelfbeeld van ‘heroïsch verzet’ kon versterken en kon verhullen dat de bevolking in stilte lijdt onder slecht bestuur. In politieke termen heet dat de verantwoordelijkheid afschuiven op een ander.

In de officiële berichtgeving wordt het embargo van de VS, vooral met de aanscherping van de ‘nul-oliepoltiek’, voorgesteld als een almachtige variabele. Door het als enige oorzaak naar voren te schuiven, verstomt het debat over de lage landbouwproductiviteit – Cuba importeert ondanks de vruchtbare grond 80 procent van wat het consumeert – en over de desastreuze monetaire eenwording van een paar jaar geleden. Zo wordt bewerkstelligd dat de burger zijn frustratie niet richt op het interne beleid, maar op een externe en machtige vijand die moet worden bestreden.

Politiek schild

Het zogenoemde Belegerde Plein-syndroom waarop Díaz-Canel zijn toespraak van 5 februari baseerde, berust op een psychologisch verdedigings- en cohesiemechanisme met directe gevolgen voor de sociale identiteit. Nu het land zich meer bedreigd voelt dan ooit, moeten de interne verschillen worden geminimaliseerd en moet de trouw aan de leiders worden versterkt. In zo’n situatie is iemand met een andere mening geen criticus meer, maar een verrader. Volgens Díaz-Canel bevindt Cuba zich immers in een oorlogssituatie: ‘Dat is de zwerm voorstanders van annexatie die we hier hebben, degenen die beginnen te wankelen, die blijken van lafheid of zwakte beginnen te vertonen vanwege depressie en de psychologische oorlog die tegen ons wordt gevoerd.’

Het strategische doel is duidelijk. Er wordt een vorm van defensieve nationalistische trots gekweekt, waarbij burgers het gevoel krijgen dat toegeven aan de schaarste zou neerkomen op het gelijk geven van het ‘imperium’. Zo wordt dagelijks overleven voorgesteld als een daad van patriottisme.

De blokkade fungeert zo als narratief en politiek schild bij ieder fiasco, omdat elk mislukt beleid kan rekenen op dezelfde ‘ontsnappingsclausule’. Daardoor ontstaat een vicieuze cirkel: het defensieve nationalisme voedt de trots van de bevolking, terwijl diezelfde trots verhindert dat burgers aandringen op de interne efficiëntie die het land echt uit de onderontwikkeling zou kunnen en moeten halen.

Embargopolitiek

Het is een feit dat de politiek van de VS jegens Cuba al meer dan vijfenvijftig jaar gericht is op het beperken van de economische mogelijkheden van het eiland, met als expliciet doel een democratische opening af te dwingen. Bij de hernieuwde activering van de Monroe-leer moet strategisch worden nagegaan of genoemd doel al dan niet is bereikt. Het regime houdt immers al decennialang stand, terwijl vooral de bevolking de gevolgen draagt. Als die economische straf is uitgegroeid tot een structurele conditie die het leven van miljoenen mensen aantast, terwijl de machthebbers buiten schot blijven, dan is er duidelijk iets misgelopen in die embargopolitiek.

Als de schaarste aan basisbehoeften niet langer een bijeffect is, maar een ongewis mechanisme wordt, zoals nu gebeurt, houdt het debat op politiek en ideologisch te zijn en verandert het in iets ethisch – misschien wel in een moreel dilemma voor de VS zelf.

En dat is niets nieuws. Hannah Arendt wees al op een van de grootste gevaren van de moderne politiek: de banalisering van het al dan niet bijkomstige kwaad, waarbij de doelen de middelen heiligen. Toegepast op de Cubaanse situatie dreigt het acute gevaar dat het dagelijks lijden van haar inwoners verandert in een legitiem politiek drukmiddel om de onbekwaamheid en laksheid van hun eigen politieke en militaire leiders te breken.

Amerikaans offensief

Het Amerikaanse ministerie van Justitie heeft Raúl Castro (94), voormalig Cubaans president en broer van ‘máximo lider’ Fidel, formeel aangeklaagd bij de federale rechtbank in Florida. Hij zou verantwoordelijk zijn voor de dood van vier piloten van de humanitaire organisatie Hermanos al Rescate, van wie twee vliegtuigen op 24 februari 1996 in het internationale luchtruim van de Straat van Florida werden neergeschoten door Cubaanse straaljagers.
De huidige Cubaanse president Díaz-Canel noemde de aanklacht politiek gemotiveerd en juridisch ongegrond. Hij beschouwt de aanval als legitieme zelfverdediging en noemt de beschuldiging van de VS als het zoveelste offensief om de socialistische Cubaanse regering ten val te brengen. Vorige week deed het koppel Rubio-Trump er nog een schepje bovenop door Cuba als ‘nationaal veiligheidsrisico’ af te schilderen en geen heil te zien in de weg van diplomatie. Ondertussen wordt al langer gezinspeeld op een militaire interventie om Cuba te breken en een pr-gestuurde Amerikaanse regimewissel te forceren.
Bruno Rodríguez, de Cubaanse minister van Buitenlandse Zaken, zegt dat Rubio militaire agressie probeert uit te lokken. ‘De Amerikaanse regering is juist systematisch agressief met haar handelsblokkade. Het Cubaanse volk lijdt dagelijks onder urenlange stroomstoringen, extreme voedselschaarste en gebrek aan drinkwater. Mexico en Uruguay vervoerden onlangs 1600 ton aan voedsel en hygiëneproducten die in eerste instantie verdeeld worden onder kinderen, gepensioneerden en kwetsbare groepen.
Díaz-Canel noemt het handelsembargo uit 1960 een ‘genocidale blokkade’ en waarschuwde dat een militaire invasie zou uitlopen op een ’bloedbad’.


Deel dit artikel


Recent verschenen