de ontluistering van amerika


Wat betekent de crisis nou écht voor Amerika? In zijn nieuwste boek The Unwinding: An Inner History of the New America schetst George Packer het indringende portret van een wankelende grootmacht. De ontluistering van Amerika verschijnt deze maand in Nederlandse vertaling. Deze voorpublicatie is exclusief voor de lezers van 360.

De gedwongen verkopen kwamen met duizenden tegelijk. Je had ze in Country Walk en Carriage Pointe, in de binnenstad van Tampa en aan de rand van de stad in Pasco, richting Gulfport en St. Pete in het noordoosten. Ze troffen huizen waar een stapel post van drie maanden achter de voordeur lag en huizen waar kinderen naar Dora the Explorer keken en volwassenen de telefoon niet meer opnamen, motels met een bezettingsgraad van 20 procent en speculatiepanden met obscure namen en zonder bekend adres. Ze kwamen in de vorm van een bezoekje van zo’n steile deurwaarder, de engel des doods.

De gedwongen verkopen waren begonnen met een klacht, steeds dezelfde klacht: ‘Je bent me geld schuldig!’ De klacht was afkomstig van financiële instellingen met doorzichtige namen als HSBC Bank USA, EMC Mortgage Corporation, BAC Home Loans Servicing, L.P., voorheen Countrywide Home Loans Servicing, L.P., LSF6 Mercury REO investeringstrust serie 2008-1, Citibank, N.A., als gevolgmachtigde van certificaathouders van Alt-A Trust 2006-6 van Bear Stearns 6, Deutsche Bank Trust Company, Americas f/k/a Banker’s Trust Company, als gevolgmachtigde en beheerder van IXIS 2006-HE3 van Saxon Mortgage Services, Inc. f/k/a Meritech Mortgage Services, Inc. als feitelijk gevolgmachtigde. De klachten van de instellingen waren opgesteld door executieverkoopfabrieken als advocatenkantoren David J. Stern, P.A. en Marshall C. Watson, P.A. en de Florida Default Law Group en als aanmaningen afgeleverd door deurwaarders als ProVest, LLC-Tampa, Gissen & Zawyer Deurwaarders en het kantoor van de sheriff van Hillsborough County. De aanmaningen werden in handen besteld, aan de voordeur gespijkerd, bij een buur achtergelaten of tussen de rotzooi gegooid bij het lege huis van Olivia M. Brown c.s., Jack E. Hamersma, Mirtha De La Cruz, ook bekend als Mirtha Delacruz, Aum Shree uit Tampa, LLC, LSC Investor, LLC, Jan met de Pet en Josephine Givargidze en onbekende echtgenoot van Josephine Givargidze. De aanmaning luidde:

Er is een rechtszaak tegen u aangespannen. U hebt twintig kalenderdagen na dagtekening van deze aanmaning om een schriftelijke reactie in te dienen bij de griffier van de rechtbank. Bellen volstaat niet: u moet een schriftelijke reactie indienen, inclusief het hierboven vermelde zaaknummer en de namen van beide partijen, indien u wilt dat de rechtbank uw kant van het verhaal hoort. Stuurt u uw reactie niet op tijd, dan verliest u de rechtszaak mogelijk, waarna uw loon, uw geld en uw bezittingen eventueel worden ingevorderd zonder voorafgaande waarschuwing van de rechtbank.

Flats te koop in Tampa - © Drew Coffman
Flats te koop in Tampa – © Drew Coffman

Aldus in gang gezet hoopten de rechtszaken zich op in het centrum van Tampa, op de derde verdieping van de George E. Edgecomb-rechtbank van het dertiende gerechtsarrondissement. Aan de overkant van de baai hoopten ze zich bij bosjes op op de tweede verdieping van het gerechtsgebouw van St. Petersburg van het zesde gerechtsarrondissement. Ze werden omgezet in een miljoen pagina’s wetsdocumenten, die op hun beurt in dikke, matbruine wetsdossiers werden opgeborgen, en die weer in dozen, waarna de dozen op trolleys werden geladen die de rechtszaal in werden gereden door gerechtsdienaren die eruitzagen alsof ze moe waren van de inspanning. Daar gingen in zwarte toga gestoken rechters – van wie degenen die al met pensioen waren gegaan speciaal voor dat doel waren teruggekeerd en van wie de zeshonderd dollar per dag grotendeels betaald werden uit griffierechten – aan de slag met het wegwerken van de achterstand van een half miljoen executieverkopen, zoals eerdere generaties de mangrovemoerassen hadden weggewerkt om plaats te maken voor Tampa.

Er waren zo veel executieverkopen en de druk van het Hooggerechtshof om ze snel af te handelen was zo groot dat een rechter van een jaar of vijfenzeventig soms drieduizend zaken tegelijk onder handen had. Op een gemiddelde decemberdag stonden er in Hillsborough County ’s ochtends ongeveer zestig zaken op de rol, die om 9.00 uur begonnen met bijvoorbeeld National City Mortgage vs. Christopher Meier en rond het middaguur eindigden met Chase Home Finance vs. William Martens, zodat er voor elke zaak drie minuten was – meestal nog minder – om het recht zijn beloop te laten. Na de lunch, om 13.30 uur, deed de rechter uitspraak in nog eens zestig zaken, te beginnen met Wells Fargo Bank vs. Stephanie Besser, en om 17.00 uur eindigend met Deutsche Bank vs. Raymond Lucas.

In het geval waarin mevrouw Besser of de heer Lucas door een advocaat werd bijgestaan kon de rol tijdelijk langzamer gaan en achter raken op het schema. Het ergste was wanneer mevrouw Besser of de heer Lucas in hoogsteigen persoon kwam opdagen, want dan moest de rechtbank de confrontatie aangaan met het gezicht achter de gedwongen verkoop, de groeven van angst die erin waren geëtst doordat iemand het verlies van zijn huis in het vooruitzicht was gesteld. Gêne maakte zich dan van de zitting meester, alsof een terminale patiënt de zaal betrad waar artsen zonder blikken of blozen zijn hopeloze vooruitzichten bespraken, en de rechter had ongetwijfeld liever de raadsheer van de beklaagde een paar lastige vragen gesteld. Gelukkig kwam dat bijna nooit voor. De meeste zaken hadden geen verdediging, want de enige advocaat die aanwezig was vertegenwoordigde de bank – het was er bijna altijd een van de diverse advocatenkantoren in Florida die bekendstonden als executiefabrieken en die de zaak door een computersysteem toegewezen hadden gekregen – en was soms zelfs niet eens fysiek aanwezig, maar klonk uitsluitend als een stem met meesterstitel uit de hoorn van de rechtbanktelefoon en hamerde veertien zaken per halfuur af. Elke zaak eindigde met dezelfde vragen van de rechter: ‘Is er nog iets bijzonders aan dit dossier? Ontbreekt er niets?’, waarna twee verdiepingen lager, in kamer 202, een datum voor de executieveiling werd vastgesteld.

Bevel voor een gedwongen verkoop - © Steven Depolo
Bevel voor een gedwongen verkoop – © Steven Depolo

Soms was alleen de rechter in de zaal aanwezig, met een of twee rechtbankmedewerkers en een gerechtsdienaar die de trolleys heen en weer reed. Om tijd te besparen, en misschien zelfs om deze juridische veemarkt aan het oog van het publiek te onttrekken, werden veel zittingen niet eens in een rechtszaal gehouden, maar in de beslotenheid van de privévertrekken van de rechter.
In de zomer van 2010 begon het de gerechtsdienaren in zaal 409 van de George E. Edgecomb-rechtbank op te vallen dat een vrouw bij de dagelijkse rol met executieverkopen aanwezig was die er schijnbaar niets had te zoeken. Ze zat op de achterste rij, zei nooit iets, maar maakte uitgebreide aantekeningen. Als ze al in een zaak verwikkeld was, dan kwam die nooit voorbij, en ze zag er eerder uit als een juridisch secretaresse dan als een jurist, met haar truitje met V-hals en slangenprint, haar zwarte pantalon, haar jasje met borduursels en haar schildpadmontuur. Ze was een dikkerdje van in de zestig, met droog, strokleurig haar tot in haar nek en een vermoeide uitdrukking op haar gezicht: zo iemand die niet opvalt, tenzij ze iets ongewoons doet.

Sylvia Landis – want zo heette ze – was een gewone burger, een particulier, maar ze had persoonlijke belangstelling voor de manier waarop de rechtbanken de stroom gedwongen verkopen afhandelden en voor de mensen die erin werden meegesleurd. Zoals bijna iedereen in Tampa kwam ze van elders, namelijk uit Doylestown, in Pennsylvania. Haar vader was vertegenwoordiger en chronisch werkloos geweest, waardoor ze in een financiële puinhoop was opgegroeid. Ze was in de dertig toen ze geen last meer had van nachtmerries over de hongerdood. Ze studeerde af in persoonlijke financiën en werkte zich op tot de middenklasse, waar haar ouders uit waren getuimeld. Ze had twintig jaar als loopbaancoach bij de politie van Los Angeles gewerkt.

In 1999 begon Sylvia zich op haar pensioen voor te bereiden door zich aan te sluiten bij de groeiende middenklassensubcultuur van mensen die in het onroerend goed stapten. Ze volgde een cursus bij de Zuid-Californische investeringsgoeroe Marshall Reddick, die zijn seminars met goddelijke inspiratie kruidde en als motto had: ‘Help de armoede van de middenklasse de wereld uit.’ De cursus was net een revival, met mensen die de zaal uit renden om huizen te kopen. Sylvia werd aangestoken en bezat op een gegeven moment vijf huizen: twee in Californië, die ze met winst verkocht, een appartement in Asheville in North Carolina en twee in Florida, waarvan één in Tampa, dat ze voor huurinkomsten aanhield, en één spiksplinternieuw in Cape Coral, waar ze na haar pensionering wilde gaan wonen.

Maar het liep anders.

In 2004 dwong eierstokkanker haar met vervroegd pensioen te gaan. Ze verhuisde in 2007 naar het appartement in Asheville met het idee een nieuwe loopbaan te beginnen. Begin 2008, toen de markt instortte, kon ze plotseling niet meer ademen en werd ze op de hartafdeling van het ziekenhuis opgenomen. Ze had een schuld van 157.500 dollar op het huis met drie slaapkamers in Cape Coral – het epicentrum van de crisis, met het hoogste aantal gedwongen verkopen van het land – en de huur die ze incasseerde was met de helft gedaald. Ze wist dat ze het huis zou kwijtraken, en voordat de Bank of America het gedwongen verkocht probeerde ze er snel vanaf te komen. Ze verkocht het voor minder dan de hypotheekwaarde. Dat was het moment waarop Sylvia bekend werd met de manier van optreden van banken.

Begin 2009 vond ze een koper (ze zou de helft van haar investering verliezen), maar het leek wel alsof ze elke dag iemand anders aan de lijn had en ze werd van het kastje naar de muur gestuurd. De verkoop ketste af, en ze begon te geloven dat de bank haar kosten liet oplopen. Het begrip robosigning was nog niet uitgevonden, maar ze ontving documenten die er niet erg authentiek uitzagen: computergegenereerde exemplaren, voorzien van onjuiste data en verdacht uitziende handtekeningen, van de overdracht van haar hypotheekakte aan de Bank of America nadat die Countrywide had gekocht, de oorspronkelijke hypotheeknemer. Ze schreef adjunct-bankdirecteuren aan, procureurs-generaal, Gretchen Morgenson van The New York Times: iedereen die zich de zaak mogelijk zou aantrekken. Het geld voor haar advocaat begon op te raken en ze moest haar eigen verdediging voeren. Al die tijd herstelde ze van de kanker, en het behoeft geen betoog dat de stress haar gezondheid geen goed deed.

Eind 2009 verkocht ze het huis in Cape Coral. Alsof dat nooit was gebeurd stelde het advocatenkantoor van de bank, David J. Stern, Sylvia twee weken later in gebreke. (Stern was de grootste en beruchtste executieverkopenfabriek van Florida en werd met honderdduizend zaken per jaar – de meeste van Fannie en Freddie – gerund als een legaal slavenbedrijf, waarvan de directeur de winst spendeerde aan vier huizen, tien luxueuze auto’s, twee privévliegtuigen en een jacht van 40 meter, totdat het bedrijf werd gesloten na een fraudeonderzoek door de staat.) Het duurde vier maanden voordat Sylvia iemand bij de bank trof die de puinhoop van de onterechte executieverkoop opruimde, maar haar krediet was op.

George Packer - © uitgeverij Atlas Contact
George Packer – © uitgeverij Atlas Contact

Tegen die tijd was ze naar Tampa verhuisd. Ze had een overwaarde van vijftigduizend dollar op haar huis daar, waarop een hypotheek van negentigduizend dollar met een vaste rente rustte. Financieel gezien zou het verstandig zijn om van het appartement in Asheville af te komen, zelfs met een groot verlies, en in het huis in Tampa dat ze voor huurinkomsten gebruikte te gaan wonen. Bovendien had haar enige metgezel, een hyperactieve, kleine shih tzu – Sylvia had geen kinderen – behoefte aan een tuin. Het was een zeer bescheiden woning, in een arbeiderswijk die Sugarwood Grove heette, waar de buren in pick-uptrucks reden en hun eigen huizen opknapten. Maar ja, ze had nu eenmaal behoefte aan een huisgenoot. In 2007 had ze nog een vermogen gehad van een miljoen.

Is het tegen de regels als ik hier kom zitten?

Nu bezat ze niets meer. Haar spaargeld was in rook opgegaan. Ze zou geen dak meer boven haar hoofd hebben gehad als ze geen overheidspensioen had gekregen. Intussen had ze een groot deel van haar geld aan Wajed ‘Roger’ Salam gegeven, ‘jointventure-expert’ uit Tampa, ‘oprichter van Mastermind Forum’ en ooit partner van motivatiespreker Anthony Robbins. Natuurlijk zou ze nooit meer iets van dat geld terugzien. Toen ze nog in Los Angeles woonde hadden leden van de club van onroerendgoedgoeroe Marshall Reddick een groepsproces tegen hun mentor aangespannen wegens frauduleuze huizenverkopen in Florida (volgens Sylvia had Reddick meer armoede veroorzaakt dan weggenomen). Hoewel ze er spijt van had dat ze niet op haar instinct had vertrouwd en met een smak geld uit het onroerend goed was gestapt toen ze de crisis zag aankomen speet het haar niet dat ze er ooit aan was begonnen, ook al werd inmiddels kwaad gesproken van beleggers omdat ze de crisis zouden hebben veroorzaakt en kregen ze daarmee dezelfde status als verstrekkers van rommelhypotheken. Het was toch typisch Amerikaans om initiatief te nemen en jezelf vooruit te helpen?

Een zinnetje dat ze ooit in een column in The New York Times had gelezen typeerde haar perfect: ‘de voormalige middenklasse’. Ze wist dat talloze anderen hetzelfde lot hadden ondergaan als zij. Sylvia was apolitiek opgegroeid, met een onvoorwaardelijk respect voor de autoriteiten – ze wist niet eens hoe de politievakbond heette –, maar de ervaring met de bank had haar veranderd. Ze noemde het ‘regelrechte fraude’, iets wat ze nooit voor mogelijk had gehouden. Een zeer conservatieve impuls die was terug te voeren op Doylestown, namelijk angst voor chaos en een verlangen naar recht en gezag, leidde haar naar het centrum, naar de George E. Edgecomb-rechtbank van het dertiende gerechtsarrondissement. Ze wilde zien wat er met de gedwongen verkopen gebeurde zodra ze op de rechtbank belandden. Ze dacht dat wat ze zag anderen van pas kon komen.

Sylvia voelde een zeker ontzag toen ze op een maandagochtend voor het eerst naar de rechtbank ging. Van nature was ze beleefd en schopte ze geen stennis, maar het kostte haar moeite de zaal te vinden waar de verkopen werden afgehandeld; nergens hing een programma van de zittingen. Een receptionist op de vijfde verdieping zei dat de zaken in zaal 513 werden gehouden, maar ze kwam erachter dat zaal 513 zich in een afgesloten gedeelte op de vierde verdieping bevond, waar geen rechtbankmedewerker te bekennen viel. Ze ging nog een verdieping lager, naar rechtszaal 409, waar volgens de receptionist ook zittingen plaatsvonden (maar niets leek zeker, want nergens stond iets geschreven, en de wet betekende niets als hij niet op schrift stond). De deur naar zaal 409 stond open. Binnen zat een gerechtsdienaar. Ze zei tegen Sylvia dat er niets te zien viel, alleen administratieve procedures.

‘Is het tegen de regels als ik hier kom zitten?’ vroeg Sylvia.

Op de rechtersstoel heerste rechter Doug Little over een telefoon en een trolley vol dozen met dossiers. Via de luidspreker van de telefoon was een advocaat te horen van het kantoor van David J. Stern, Esq. ‘Goedemorgen, edelachtbare,’ snerpte de telefoon, geheel in stijl met de plechtigheid van de zitting. Terwijl de rol werd afgewerkt begon Sylvia aantekeningen te maken. De originele hypotheekakte zat vaak niet in het dossier, dus zei de rechter tegen de advocaat die aan de lijn hing dat hij die aan het einde van de week moest hebben overgelegd. In sommige gevallen ontbrak het hele dossier. Verschillende beklaagden kwamen opdagen of lieten zich door een advocaat bijstaan. Je had Michael Mcrae, die achttien jaar met zijn twee zoons in zijn huis had gewoond, een nieuwe baan had en zijn hypotheek opnieuw probeerde te financieren (de rechter schortte de verkoopdatum op). Je had Howard Huff, een zwarte, laagopgeleide man die niet leek te weten waar het huis in kwestie stond, omdat hij er simpelweg in had toegestemd zijn handtekening te zetten onder een hypotheek die diende als investeringsvehikel voor een aandelenhandelaar die hij kende, en nu werd hij ineens door de bank voor de rechter gedaagd. (Ongerust rende Sylvia Huff achterna en drong er bij hem op aan pro-Deobijstand te vragen. Hij keek haar verbijsterd aan.) Maar bij het overgrote deel van de zaken was geen verdediging aanwezig.

Sylvia wist hoe dat kwam, wist dat de banken de beklaagden net zolang hadden verpletterd, tegen hen hadden gelogen, hen van het kastje naar de muur hadden gestuurd en hun telefoontjes niet hadden beantwoord tot ze het allang hadden opgegeven wanneer de dag van de rechtszaak aanbrak. Er werd recht gesproken in hun afwezigheid, in één luttel ogenblik.

‘Ik sta langer voor het loket van de McDrive,’ zou Sylvia later zeggen, ‘dan die mensen die hun huis kwijtraakten de tijd krijgen.’ Terwijl zíj daar aanwezig was in plaats van hen voelde ze iets anders dan de stress die haar eigen beproeving met zich meebracht, iets wat meer op empathie leek.

Bijna aan het einde van de ochtendsessie richtte rechter Little zich plotseling tot haar. ‘Kan ik iets voor u doen?’

‘Kan ik een exemplaar van de rol krijgen?’

De rechter keek onzeker naar de gerechtsdienaar. Die schudde verwoed van nee: ‘De rol gaat elke dag door de papierversnipperaar.’ Later zag Sylvia haar iets tegen een van de andere rechtbankmedewerkers fluisteren.

Gedwongen verkoop - © Justin Sullivan/Getty Images
Gedwongen verkoop – © Justin Sullivan/Getty Images

Maar op dat punt in haar leven liet Sylvia zich niet zo gemakkelijk afschepen als ze misschien deed voorkomen. Ze wachtte tot het einde van de dag, vroeg toen nog een keer naar de rol en kreeg een exemplaar van de griffier. Met de rol kon ze de namen van de huiseigenaren en de banken
in verband brengen met de zaken waar ze bij aanwezig was geweest en aantekeningen van had gemaakt. Die avond verwerkte ze haar aantekeningen tot een verslag en stuurde dat naar een netwerk van advocaten in Florida die actief waren in de verdediging van executieverkopen. Zo werd ze, zonder ervoor te worden betaald, hun ogen en hun oren in de rechtbank. Op die manier sloot Sylvia Landis zich aan bij de eerste beweging waar ze ooit deel van uitmaakte – ze sprak van ‘een middenklassenbeweging’ – waarin mensen zich zorgen maakten over de rechtspraak, over eigendomsrecht, over transparantie en democratie, met alle naïviteit van de middenklasse van Amerikanen die altijd in het systeem hadden geloofd en er nooit tegen hadden gestreden. En zo leerde ze Matt Weidner kennen.

Onze ouders waren vadsig en lui

MATTHEW D. WEIDNER, ADVOCAAT, stond op de deur van plaatglas te lezen. ONROEREND GOED CIVIELE ZAKEN FAMILIERECHT BEDRIJFSRECHT. Eigenlijk accepteerde Weidner iedereen die de deur bij hem binnenliep: hij was een allesvreter, de zelfvoorzienende boer van de juridische wereld, iemand die een voorschot van een paar rooitjes vroeg. Hij werkte vanuit een luizige winkelruimte op de begane grond tussen een kroeg en een bikinibar in een smoezelig deel van het centrum van St. Petersburg. Zijn rommelige, ronde bureau nam het grootste deel van het vloeroppervlak in beslag. Op het eerste gezicht zag Weidner er zelf een beetje smoezelig uit.

Hij was eind dertig en geboren in Florida. Uit een oud bankpasje bleek dat hij ooit dik was geweest, maar hij was triatlons gaan doen en afgeslankt. Onder zijn diploma’s aan de muur achter zijn bureau hingen ingelijste medailles. Hij was gescheiden en zijn ex-vrouw woonde nog in het huis met de te hoge hypotheek; ze wilde het niet verkopen. Hij wist dat er een crisis aan zat te komen toen er Hummers in hun wijk begonnen te verschijnen – de arrogantie, de absurditeit. Weidner leaste meteen een witte Cadillac – zijn bijdrage aan de Amerikaanse auto-industrie – met in de kofferbak een overlevingsrugzak met camouflagepatroon. Hij had een levendig, roze gezicht, o-benen en een gevatte opmerking voor elke situatie waarin hij terechtkwam. Ging hij zaal 400 van het gerechtsgebouw van St. Petersburg binnen, dan sperde hij met geveinsde schrik zijn lichtblauwe ogen open wanneer hij de aanwezige advocaten in donkere pakken zag en zei hij: ‘Zooitje tuig in de zaal.’ Was hij eenmaal op dreef, dan rolden de zinnen in vloeiende golven van opwinding en verontwaardiging van zijn lippen: ‘We consumeren rotzooi die overal vandaan komt, maar maken zelf niks. Ja, schulden, die maken we. En als hier nou zomaar de elektriciteit uitvalt en New York of Chicago op z’n gat ligt? Hoe lang denk je dat het duurt voordat er totale paniek uitbreekt?’ Maar dan, als hij zwaar overdreef, nam hij verbaal gas terug en vroeg hij: ‘Ik doe toch niet al te hysterisch, hè?’

Weidner had er niet altijd van die apocalyptische ideeën over Amerika op na gehouden. Hij was als padvinder begonnen in het land van de spring break: Daytona Beach. Zijn oom, Don, was voorzitter van de Republikeinse Partij in Florida toen die staat nog grotendeels Democratisch was. Onder zijn leiding had de partij zich over alle zesenzeventig districten verspreid en de eerste staatsconventie gehouden, in 1979. Matt had Ronald Reagan met de paplepel ingegoten gekregen, bezocht bijeenkomsten van jonge Republikeinen en geloofde vroom in God, land, het Amerikaanse exceptionalisme, zelfvoorzienendheid en een kleine overheid. Toen hij in de tijd van Gingrich’ revolutie in het Congres op de universiteit zat had hij zijn boxer Newt genoemd. Hij stond volledig achter de inval in Irak: ‘We doen iets goeds en krijgen er de vooruitgeschoven basis van een tankstation voor terug.’ En toch zag hij, als hij erop terugkeek, dat het al was misgegaan bij zijn ouders en hun generatie, in de jaren zeventig. Weidners grootouders hadden zich na de Tweede Wereldoorlog uit de naad gewerkt en lieten na hun dood een afbetaald huis na. Zijn opa werkte goddomme nog toen zijn vader, met zijn verhoogde hypotheek, al met pensioen was en al een jaar of tien zat te niksen. ‘Onze ouders waren vadsig en lui,’ zei hij. ‘Onze grootouders zouden nooit alles hebben geleend en op krediet hebben geleefd. Als je kijkt naar het bruto binnenlands product van de afgelopen twintig jaar, vooral van de afgelopen tien jaar, dan hebben we dat niet te danken aan iets wat we hebben geproduceerd. Het is handel in virtuele aandelen op basis van wat in de dertig jaar daarvoor is geproduceerd.’

Weidner studeerde in 1999 aan Florida State University af in de rechten, waarna hij als lobbyist voor de Florida Academy of Pain Medicine ging werken. Hij vloog de hele staat door om artsen te fêteren en vertegenwoordigers van Pfizer en Novartis cheques van anderhalve ton voor de jaarlijkse conferentie van de Academy te laten uitschrijven. Hij ging naar bijeenkomsten in Tallahassee waar de zaal zo was ingericht dat de stoet lobbyisten soepeltjes via het buffet langs het wachtende Congreslid werd geleid. Het moment van de waarheid was de handdruk, wanneer Weidner de afgevaardigde in de ogen keek, de envelop barstensvol cheques uit zijn zak haalde, de afgevaardigde die aanpakte, voelde hoe dik de envelop was, bepaalde hoeveel tijd Weidner kreeg om uit te leggen waarom het belangrijk was een wet te blokkeren die bepaalde dat patiënten voor hun herhaalrecept hydrocodon elke keer naar hun huisarts moesten omdat hun moeders geen hoestsiroop voor hun kinderen mochten kopen en… Weidner werd halverwege zijn zin afgekapt, het werd tijd om verder te gaan.

Wat er ook gebeurt, ik laat me mijn huis niet afpakken

Na verloop van tijd werd hij er letterlijk ziek van. Hij liep de zaal uit en dacht: Ik wil verdomme een eerlijk beroep, zoals een rechtspraktijk.

In 2001 ging hij op het advocatenkantoor van zijn oom Don in Jacksonville werken. Op 12 december zou Weidner met zijn oom, nog een advocaat en twee cliënten in Dons eenmotorige Piper Cherokee naar Fort Lauderdale heen en weer vliegen. Vanwege een laat telefoontje van een rechter moest Matt op kantoor blijven. Die avond verongelukte het vliegtuig in dichte mist in een moerasachtig naaldbos dicht bij het vliegveld van Jacksonville. Alle inzittenden kwamen om.

Na dat ijzingwekkende respijt vloog Weidner naar St. Petersburg, waar hij een eenmanspraktijk opzette. De eerste paar jaar had hij niet eens een plek om te zitten. Hij pakte gewoon een bureau wanneer een van de andere juristen in het winkelpand naar een zitting was. Met hard werken en zuinig aan doen hield hij het hoofd boven water, voornamelijk dankzij echtscheidingszaken, totdat rond 2007 in groten getale de executieverkopen kwamen. De eerste deden zich voor in arme wijken, zoals die in het zuiden van St. Pete. Vervolgens kwamen vrijeberoepsbeoefenaren uit de middenklasse opdagen. Het was een slachting, maar buiten beeld, want niemand wilde erover praten. Beschaamd kijkende mannen konden het nauwelijks opbrengen Weidner te vertellen over de hypotheekzwendel waar ze in waren getrapt.

Echtparen namen plaats en gingen elkaar verbaal te lijf, waarbij de vrouw haar man ervan beschuldigde dat hij zijn baan was kwijtgeraakt en de man de vrouw dat ze een groter huis had gewild, totdat Weidner ingreep: ‘Hé, ophouden nu. Het is wij tegen zij, en het maakt niet uit wat er is gebeurd. We moeten gezamenlijk optrekken.’ Dan liep hij naar hun kant van het ronde bureau en trok een bureaustoel bij: ‘Ik wil dat jullie je bezighouden met hoe dit er bij de kinderen in hakt.’

Sommige cliënten die voor het eerst kwamen zeiden: ‘Wat er ook gebeurt, ik laat me mijn huis niet afpakken.’ Dan zei Weidner: ‘Dan ben ik jullie man. Ik zal voor jullie knokken.’ Het grootste deel van 2008 en 2009 ging hij ervan uit dat de overheid en de banken wel een oplossing zouden vinden: de niet-afbetaalde leningen delen, waarbij het ministerie van Financiën de banken de helft zou betalen en de banken de andere helft afschreven, zodat de hypotheken van de federale overheid werden, die opnieuw met de huiseigenaar om de tafel ging en ze in hun huis zou laten wonen. Een soort reddingsoperatie van de banken: gewoon al die spookschulden in rook laten opgaan, die in de hele geschiedenis van de wereld toch nooit zouden worden afbetaald. Maar er kwam geen reddingsoperatie voor de huiseigenaren. Zijn cliënten waren tevergeefs maanden bezig iemand van hun bank te spreken te krijgen die akkoord wilde gaan met een verkoop tegen een lagere prijs of een aanpassing van de hypotheek, totdat ze het zat werden en bij Weidner kwamen: ‘Ik ben er klaar mee. Mijn moeder heeft wel iets waar ik kan gaan wonen,’ of: ‘We huren wel ergens iets in de stad.’

Dan zei Weidner: ‘Ik heb nog nooit een executieverkoopzaak verloren.’ Dat was waar. Niet één. Niet omdat hij zo goed was, hoewel zijn cliënten hem een onverschrokken advocaat vonden, maar omdat het systeem verrot was.

Weidner kwam erachter dat de zaak van de bank als los zand aan elkaar hing zodra hij enige weerstand bood. De oorspronkelijke akte was zoek. Dossieronderzoek wees uit dat het pand soms de verantwoordelijkheid van geen van de medewerkers was geweest. Het elektronische hypotheekregistratiesysteem had het juiste, oude fysieke document in het rechtbankarchief vervangen door een digitale facsimile, die volgens de wet van Florida niet rechtsgeldig was. Op de papieren stonden een valse handtekening, een gefingeerde datum, een nepstempel. Niemand had het in de gaten zolang de economie voorthobbelde, maar zodra alles naar de kloten ging en mensen hun rekeningen niet meer konden betalen bleken de Amerikaanse hypotheken een en al bedrog. Een cliënte die Arlene Fuino heette, een makelaar en ‘vraagbaak op het gebied van aandelen- en executieverkoop’, werd in gebreke gesteld door ‘U.S. Bank National Association, als gevolmachtigde voor Structured Asset Securities Corporation Trust 2006-WF2. Wat betekende dat in godsnaam? Weidner stapte met de zaak naar een rechter van het zesde gerechtsarrondissement en eiste dat de advocaat inzicht gaf in wie de eiser was: ‘Wij vragen alleen of ze bekend willen maken wie de rechtspersoon is die mijn cliënt vraagt hem een paar honderdduizend dollar te geven.’ Wall Street (‘Gotham’ noemde hij het, ‘de anus, het nationale zwarte gat dat al het geld opslokt, het hart van de apocalyps’) had de hypotheken zo vaak door middel van aandelenuitgiftes opgeknipt en er pakketten van gemaakt, waarna de banken zoveel formaliteiten hadden omzeild om de rommelhypotheken te verdoezelen dat niet één instelling recht op iemands huis kon doen gelden. Wat hulpsheriffs er niet van weerhield bij de mensen aan te kloppen.

Ons hele systeem van de eigendom van onroerend goed is in beroering en is één grote chaos

Verbijsterd

Weidner had nooit getwijfeld aan de bekwaamheid van de rechtbanken, maar was verbijsterd over de gevolgen: ‘Ons hele systeem van de eigendom van onroerend goed is in beroering en is één grote chaos.’
Op een dag zat hij in zaal 300 van het gerechtsgebouw van St. Petersburg te wachten tot zijn zaak voorkwam toen de advocaat van een eiser in een andere executieverkoopzaak tegen de rechter zei dat ze helemaal niet de advocaat van de eiser was. Ze was door een computer van een gigantische gedwongenverkoopfabriek, Lender Processing Services, opgeroepen om Wells Fargo te vertegenwoordigen, maar het bleek dat Wells Fargo niet de hypotheeknemer was; dat was U.S. Bank, tenminste, dat dacht zij. Rechter Pamela Campbell zei dat ze het moest uitzoeken. Toen Weidners zaak werd afgeroepen ging hij op het vaalgroene tapijt van de rechtszaal staan en zei: ‘Edelachtbare, ik kan er met mijn verstand niet bij wat we zojuist in de vorige zaak gehoord hebben.’ Rechter Campbell glimlachte flauwtjes. ‘Hopelijk komen ze erachter wie de ware eiser is.’

De rechters hoorden Weidners betogen aan en besloten tot opschorting van de executieverkopen, maar weigerden zijn verzoeken om afwijzing. Zijn cliënten waren een ander tenslotte geld schuldig. Dus sleepten de zaken zich jaar na jaar in een soort niemandsland voort, terwijl hypotheeklasten niet werden voldaan, banken verzoeken om andere regelingen afwezen en cliënten geen uitsluitsel kregen. Maar ze bleven tenminste in hun huis wonen.

Zo had je Jack Hamersma. Toen Jack voor het eerst bij Weidner binnenliep was hij een stevige vertegenwoordiger in boten, een mannenman die ooit een autoreparatiewerkplaats had gehad en huizen had opgeknapt en doorverkocht. Hij was begin vijftig en had een schuld van zeshonderdduizend dollar wegens twee leningen op zijn huis in St. Pete, een belachelijk hoog bedrag, want tegen de tijd dat hij Weidner in de arm nam was het misschien de helft waard. Jack wilde dat zijn advocaat en iedereen die maar wilde luisteren wist dat hij zijn hele leven hard had gewerkt en zich het huis kon veroorloven toen hij het kocht. Toen Weidner zich ermee ging bemoeien kregen de banken het belangrijkste document niet boven water. De zaak sleepte al jaren, een periode waarin Jack zijn baan kwijtraakte, inteerde op zijn spaargeld en drie soorten kanker bleek te hebben: endeldarm-, lever- en lymfekanker. Het overkwam veel van Weidners cliënten: baan kwijt, huis kwijt, gezondheid kwijt, meestal in die volgorde. Weidner zag Jack voor zijn ogen verschrompelen; hij verloor 50 kilo, totdat hij drie jaar na hun eerste ontmoeting op een middag het kantoor binnenstrompelde om het over zijn zaak te hebben, met vermagerde benen uit zijn korte broek en een canvas tas over zijn schouder waaruit een slangetje van een infuus naar een verband op zijn borst liep. Hij had net vijf uur chemotherapie achter de rug en dat was het begin van achtenveertig uur medicijnen toegediend krijgen.

‘Het valt me op dat veel van mijn cliënten ziek zijn,’ zei Weidner tegen Jack nadat hij hem had gevraagd of hij niet wilde gaan zitten. ‘Ik weet niet wat het verband is. Jij wel?’ ‘Ze hebben duidelijk veel stress,’ zei Jack met een dikke stem. Vanaf zijn nek omhoog waren nog steeds de sporen van zijn knappe, ruige uiterlijk te zien. ‘Als je niet kunt werken heb je jarenlang geen inkomen, en dat leidt tot allerlei ellende. Je geld raakt op. Je doet het niet expres, maar je kunt gewoon niemand meer betalen.’
‘Jij bent een van degenen die het langst meedraaien,’ zei Weidner.
‘Straks overleeft het me nog!’
‘Nog niet opgeven.’ Er was niet veel voor nodig om Weidner te doen losbranden, en dat Jack er was, was genoeg. ‘We doen wat we moeten doen, het is onze roeping, we willen iets voor elkaar krijgen, en ik ben allejezus over de zeik omdat de overheid ons elke mogelijkheid om iets gedaan
te krijgen heeft ontnomen.’
‘Ik weet niet of de overheid banen moet creëren,’ zei Jack, ‘maar ik weet wel dat de overheid iets aan de situatie moet doen. Toen ik financiële hulp vroeg keken ze me aan alsof ik van Mars kwam.’ Jack was zo goed als failliet, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor het programma van de overheid dat huiseigenaren noodhulp bood. Zijn behandeling kostte vijfendertigduizend dollar per maand, en als Medicaid zijn aanvraag afwees werd de behandeling gestaakt. ‘Mijn wereldje is maar heel klein en ik vind geen uitweg. Vroeg of laat gaat het helemaal mis.’
‘Ze hebben mijn moeder niet veel langer gegeven dan jou, en zij leeft nog.’

‘Ik mag graag denken dat ik het aankan. Dat wil zeggen: wat mijn instelling betreft, de spirituele kant. Maar klinisch gezien, nee, het valt niet te opereren. Volgens de statistieken heb je nog twee jaar als je hebt wat ik heb.’
Het gesprek kwam op Jacks zaak. Die leek op sterven na dood. ‘Ik heb al zowat een jaar niks meer van de Bank of America gehoord,’ zei Jack. ‘Af en toe krijg ik een FedExgram van Wells Fargo waarin staat dat ik van ze af ben als ik ze vandaag honderddrieëntachtigduizend dollar betaal.’
‘Dus als jij het vandaag krijgt en zij krijgen het morgen…’
‘Technisch gesproken is dat te laat.’ Jack wist een lachje op te brengen. ‘Ik begin er niet over.’
‘Geen slapende honden wakker maken.’ Weidner zat zich weer op te winden. Hoe kon de vijftig biljoen dollar schuld van de Verenigde Staten godverdomme ooit afbetaald worden? ‘Het wordt zo abstract dat niemand nog betaalt. Waarom zou je? Dat hele schuldengedoe… Alsof we met z’n allen een monster voeden. Als iedereen ermee ophoudt zijn de rapen pas echt gaar.’
‘Ik betaal niemand nog iets,’ zei Jack. ‘Dat kan ik niet, ik zou niet weten hoe.’ Toen er iemand met een dwangbevel voor de deur stond omdat hij een schuld had op zijn klantenkaart van Home Depot had hij gewoon niet opengedaan.
‘Het enige wat misschien nog haalbaar is, is wereldwijd alle schulden kwijtschelden,’ zei Weidner. ‘Het wordt verdomme alleen maar erger, want doe je niets, dan moet je zoon zijn hele leven werken en bouwt hij nooit wat op. Dan is hij alleen maar bezig zijn eigen schuld, die van de staat en die van de banken af te lossen.’
‘Als je het van mijn kant bekijkt: ik kan er niets tegen doen, dus wat moet je?’

‘Niks.’
‘Niks,’ zei Jack. ‘Maar zo denk ik niet, zo zit ik niet in elkaar, dat is niets voor mij, maar ik word zo in een hoek geduwd dat ik geen andere mogelijkheid meer heb.’
Het was Weidner een raadsel waarom de banken niet achter Jacks huis aan zaten, dat nog steeds iets waard was, maar bij anderen tot het uiterste gingen. Het leek volstrekte willekeur, wat nog griezeliger was dan elk ander scenario: dat de banken de schuld in hun boeken wilden laten staan als creditposten die ze hun aandeelhouders konden laten zien, dat ze perverse financiële prikkels kregen of dat ze eigenlijk dachten dat de markt binnenkort wel weer zou opleven. Wat Weidner ook niet begreep was waarom alle werkloze huiseigenaren in het land voor wie een gedwongen verkoop dreigde zich niet verenigden in een massabeweging. Hij vroeg Jack ernaar, en Jack had een antwoord.

‘Je raakt van alles afgesneden. Moet je je voorstellen dat je elke dag opstaat en geen doel hebt. Je werkt niet, je eigenwaarde is nul. Je gaat contact uit de weg, komt de deur niet uit, neemt de telefoon niet op. Je raakt in een isolement. Ik ga niet eens de deur uit om een hapje te gaan eten. Ik ga geen vijftien dollar uitgeven.’
Weidner leunde achterover in zijn stoel en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. ‘Het goede nieuws is dat je nog in je huis woont.’
‘Dat is geweldig,’ zei Jack. ‘Morgen is er weer een dag.’
‘Zo is het. En jij zit daar om hem te verwelkomen. Jij blijft lekker zitten waar je zit.’
‘Liever failliet en levend dan dood. Hoe zeggen ze dat ook weer? Ze kunnen je kapotmaken, maar opvreten kunnen ze je niet?’ Jack en Weidner moesten lachen.
En dus sleepte de zaak van BAC Home Loans Servicing, L.P., f/k/a Countrywide Home Loans Servicing, L.P. tegen Jack E. Hamersma zich voort en bleef Jack in zijn huis wonen, totdat hij er twee maanden later stierf.

Een leegstaand huis - © Michael Williamson/Getty Images
Een leegstaand huis – © Michael Williamson/Getty Images

Decadente kleptocratie

Weidner kon er wel vaker met zijn verstand niet bij. Hij had talloze visioenen van een snel in verval rakende, decadente kleptocratie die beide politieke partijen bediende: Amerikanen die voorbewerkt gif aten dat ze kochten met van een magneetstrip voorziene voedselbonnen, laaggeschoolde arbeiders die structureel niet bekwaam genoeg waren om ooit nog iets te kunnen betekenen en te stom om te beseffen dat ze hun oude baan nooit meer zouden terugkrijgen, banken in ‘Gotham’ die de laatste druppels welvaart uit het land zogen, bedrijven die niet gehinderd werden door enig besef van nationaal belang, het eigendomsrecht dat aan duigen lag, de wereld die verzoop in schulden…

Zo zag de toekomst eruit: maatschappelijke onrust, sociale desintegratie

Weidner was lid van de National Rifle Association, beschikte over een vergunning om een verborgen wapen te dragen en had een semiautomatische Smith & Wesson AR-15 met drie magazijnen van veertig kogels naast zijn bed liggen. Maar hij voelde zich er niet veiliger door; hij werd er eerder doodsbang van, want zag op beurzen wapenorgies van verzamelaars en wist hoeveel staatsgenoten bewapend waren: goede vaderlanders die trouw hadden gezworen aan de grondwet, zoals hijzelf, oorlogsveteranen en sportievelingen in camouflagekleding en getatoeëerde kinderen uit de steden die eruitzagen alsof ze een burgerleger aan het optuigen waren. Het werd een gekkenhuis toen Obama aan de macht kwam; er kwam een stormloop op munitie, terwijl wapenhandelaren T-shirts verkochten waarop stond: WAARSCHUWING: IK BEN EEN VETERAAN. Het ministerie van Binnenlandse Veiligheid heeft vastgesteld dat ik kan radicaliseren en een gevaar voor de nationale veiligheid kan zijn. NADEREN OP EIGEN RISICO. U BENT GEWAARSCHUWD! Dus wat er zou gebeuren wanneer het elektriciteitsnetwerk van Tampa uitviel? Chaos. Zo zag de toekomst eruit: maatschappelijke onrust, sociale desintegratie.

Weidner legde een overwinningstuintje met wortelen, sla, tomaten en paprika’s aan op de binnenplaats van zijn appartement in St. Pete. Het was geweldig om echte groenten te proeven, zelfs al om ze aan te raken. Hij overwoog een stuk land te kopen in het oosten van Hillsborough County, in een afgelegen gebied waar hij in het weekend met zijn vriendin naartoe ging en onderweg ruwe honing en melk kocht op boerderijen van mensen die leefden van wat ze verbouwden en van de jacht op herten en wilde zwijnen. Dat zou het enige antwoord kunnen zijn: Amerikanen moesten weer boer worden. Al die effectenmakelaars en beleggers moesten modder onder hun nagels krijgen en zonverbrand en uitgeput naar bed gaan. Het zou een einde maken aan hun angst en hun depressies. De eenvoudigste gemeenschappen zouden de aarde erven. Hij zou er als vluchteling gaan wonen wanneer de hele zooi in elkaar donderde, misschien een paar veteranen met militaire vaardigheden die het slachtoffer van een executieverkoop waren geworden de klus laten klaren. Je wilde niet al die zwaargestoorden laten rondlopen zonder dat ze iets omhanden hadden.

Weidner begon in 2009 te bloggen. Eerst deed hij het om klanten te werven, maar het duurde niet lang of hij vond een eigen stem – hoogdravend, angstaanjagend, kwetsend, woedend – en werd aanvoerder van een beweging van juristen die de verdediging voerden in gedwongenverkoopzaken. De beweging was voortgekomen uit een groepje advocaten uit Jacksonville, aangevoerd door een pro-Deoadvocaat die April Charney heette en die Weidner voorstelde aan Sylvia Landis. Weidner, die blogde onder de slogan ‘Vechtend voor het Amerikaanse volk, zonder blad voor de mond zolang de vrije meningsuiting beschermd blijft’, schreef elke dag ’s ochtends vroeg of ’s avonds laat, vaak zeer uitgebreid. In de week van Martin Luther Kings verjaardag postte hij een essay aan zijn ‘Waarde collega-advocaten’, dat sterk was gemodelleerd naar Kings ‘Letter from a Birmingham Jail’:

Terwijl ik hier zit opgesloten in een rechtszaal voor executieverkoopzaken stuitte ik op uw recente verklaring waarin u mijn huidige activiteiten “onverstandig en prematuur” noemt… Misschien is het voor hen die nooit de pijnlijke steek van een gedwongen verkoop hebben gevoeld gemakkelijk om te zeggen: “Wacht.” Maar wanneer u keurige gezinnen op straat gegooid hebt zien worden, wanneer u de banken deuren hebt zien intrappen en zonder gerechtelijk bevel de sloten hebt zien veranderen, wanneer u zonder in te grijpen de rechtshandhaving terzijde hebt zien staan, zeggende: “Het is een civiele zaak”, wanneer u rechtszittingen hebt bijgewoond die indruisen tegen fundamenteel recht, wanneer u directeuren van banken en bedrijven gewetenloos winsten hebt zien opstrijken, wanneer u cliënten ziek hebt zien worden en hebt zien sterven als gevolg van de stress en de pijn van een gedwongen verkoop en van hun economische situatie, wanneer u alleenstaande vrouwen doodsangsten hebt zien uitstaan omdat ze bang zijn dat hun voordeur voor de derde keer zal worden ingetrapt, wanneer u kinderen ziet die hun ouders alleen maar hebben zien lijden, dan begrijpt u waarom het wachten ons zwaar valt.

Wortels uit eigen tuin - © Steven Depolo
Wortels uit eigen tuin – © Steven Depolo

Weidner werd door het zesde gerechtsarrondissement op de vingers getikt omdat hij de rechtsgang zou hebben verstoord toen hij een oude vrouw die haar eigen verdediging deed had aangeboden haar bij te staan. De rechtbank beweerde dat hij cliënten wierf, hij beweerde dat opperrechters hem wilden straffen omdat hij de federale overheid had opgeroepen de rol van de rechtbanken in Florida op zich te nemen. Hij werd ook aangeklaagd wegens smaad door een bedrijf uit Palm Harbor dat hij ervan had beschuldigd hypotheekdocumenten automatisch te ondertekenen, waarbij hij de term ‘robosigning’ muntte. Sommige journalisten bewezen hem eer door de term populair te maken. Hij kreeg telefoontjes van The New York Times en The Wall Street Journal en was vaak op de pagina’s van The St. Petersburg Times te vinden. Hij sprak graag met journalisten; de pers was voor zijn zaak de laatste hoop, het enige instituut waarin hij nog vertrouwen had, meer dan in de meeste mensen die ervoor werkten. Weidner bleef echter een gewone advocaat die vanuit een rommelig kantoor werkte en in zijn witte Cadillac de zes straten naar de plaatselijke rechtbank reed. ‘Ik zou graag een soort Gloria Steinem zijn,’ zei hij, ‘want ik heb een grote mond en laat mensen op de een of andere manier naar me luisteren. Maar er moet wel brood op de plank komen.’ De enige gedachte die voorkwam dat hij er echt niet meer met zijn verstand bij kon was die aan de miljoenen dollars voor juridische bijstand die hij en zijn blog – waarop hij gerechtsstukken publiceerde zodat anderen ze konden gebruiken – de grote banken in Gotham kostten.

Als ik niet vecht sta ik op straat, na twintig jaar hard werken

Op een dag kreeg Weidner een telefoontje van een Indiase vrouw die Usha Patel heette. Een commerciële geldverstrekker, Business Loan Express, probeerde de Comfort Inn in Pasco County waarvan ze de eigenares was van haar af te pakken. Usha mailde Weidner een stapel documenten. Hij las ze en hoorde haar uit, maar hij nam haar niet als cliënt aan. Hij vertegenwoordigde huiseigenaren, en haar zaak was commercieel en uiterst ingewikkeld. Later, toen de zaak voor de rechter kwam, raakte hij er zijdelings bij betrokken. Daar was hij blij om, want Weidner had nooit een cliënt als Usha Patel onmoet, die zo hard vocht, die zo fanatiek in de Amerikaanse droom geloofde dat hij er zelf bijna weer vertrouwen in kreeg.

Usha wist dat zij verantwoordelijk was voor de hypotheek – zij had immers haar handtekening onder de akte gezet – en had begin 2010 geprobeerd een nieuwe betalingsregeling met Business Loan Express overeen te komen net toen ze met haar gezin voor een bruiloft naar Londen ging. Ze waren nog maar net op het vliegveld van Tampa geland of haar zoon keek op zijn telefoon en zei: ‘Mam, we moeten naar een spoedhoorzitting.’ Usha’s spoedhoorzitting was klein bier vergeleken met de grote fraudezaken en faillissementen aan het begin van het nieuwe millennium. Business Loan Express, dat was omgedoopt in Ciena, was verwikkeld in een bankroet en werd door het ministerie van Justitie aangeklaagd wegens frauduleuze leningen. Een bankroet op Wall Street was een bedreiging voor Usha’s noodlijdende motel in Pasco County omdat Ciena zocht naar manieren om zijn schuldeisers te betalen. Weidner zei: ‘De titanen van de financiële wereld daar in Gotham vechten om het kadaver van Ciena, terwijl Ciena op hetzelfde moment zijn tentakels om Usha’s nek heeft.’ De leninggever had Usha om de tuin geleid – hij was helemaal niet van plan geweest om tot een nieuwe betalingsregeling te komen – en tijdens de spoedhoorzitting op 19 maart oordeelde de arrondissementrechtbank van Pasco County dat het motel waarin Usha Patel haar ziel en zaligheid had gestoken onder curatele werd gesteld, wat inhield dat de opbrengst ervan ten goede kwam aan het bankroete Ciena en zijn schuldeisers, met als gevolg dat Usha zonder bedrijf kwam te zitten. Ze huilde tijdens de rechtszitting. Haar zoon zei: ‘Er komt niets van in. Ik heb geld en betaal een advocaat voordat de rechter het bevel ondertekent.’ Diezelfde dag vroeg Usha op grond van artikel 11 van de faillissementswet bescherming van haar bedrijf, Aum Shree in Tampa, aan bij de federale faillissementsrechtbank in de binnenstad. Het motel mocht openblijven. Daarna begon het ingewikkeld te worden.

Tijdens de eerste zitting viel het Usha op dat de eiser niet langer Ciena was, of Business Loan Express, of een andere naam die ze had gehoord sinds ze haar hypotheek had gesloten. Haar nieuwe tegenstander was HSBC, de op één na grootste bank ter wereld, de ‘oorspronkelijke beheerder’ van het door hypothecaire leningen gedekte waardepapier waar Usha’s lening deel van uitmaakte. Plotseling werden documenten ingebracht waarin stond dat de hypotheek was toegewezen aan HSBC, documenten zonder notarisstempel, documenten zonder naam of datum eronder, documenten met verdachte handtekeningen van zogenaamde adjunct-directeuren. Usha’s zaak werd onderdeel van de grote executieverkopenpuinhoop die het land in zijn greep hield. Omdat ze geen schikking met de bank overeen kon komen klampte Usha zich vast aan het papierwerk, het enige wapen waarmee ze haar motel kon redden.

Bijna twee jaar lang vocht Usha tegen HSBC en zijn leger advocaten. Ze las elk document dat het kantoor van haar advocaat binnenkwam en uitging en leerde alles over faillissements- en eigendomsrecht. Naarmate de rol langer werd vulden de documenten de ene doos na de andere, die ze in haar Toyota RAV4 laadde, waarin ze ze bewaarde, en reed heen en weer tussen het motel, haar huis en de computerwinkel van haar zoon. Toen haar eerste advocaat de zaak moest laten vallen nam ze een andere in de arm, en toen die ermee ophield huurde ze een derde in, daarna een vierde, waarna Matt Weidner als adviseur een van Aum Shrees aandeelhouders vertegenwoordigde, maar Usha kende de zaak beter dan zij allemaal. Usha moedigde haar advocaten aan te blijven knokken, niet andersom. Op het laatst bedroegen haar advocatenkosten tweehonderdduizend dollar. Tegen die tijd was haar geld allang op. Haar zoon en de rest van haar familie, in de Verenigde Staten, in Engeland en in Gujarat, steunden Usha in haar strijd, want anders dan Mike Ross, Sylvia Landis en Jack Hamersma was Usha Patel geen Amerikaan van origine, oftewel: ze stond er niet alleen voor.

‘Dit is mijn boterham,’ zei ze. ‘Mijn hart zit erin, en mijn geld. Als ik niet vecht sta ik op straat, na twintig jaar hard werken.’ In de weken voor de uitspraak bleven Usha, Weidner en haar laatste advocaat avond na avond in de zaak van haar zoon tot ver na middernacht op en namen ze elk woord van de zaak door. Twee dagen voor de uitspraak toonde HSBC, nu het werd geconfronteerd met een mogelijk verlies, zich bereid tot een schikking. Usha accepteerde een nieuwe betalingsregeling, van anderhalve ton in één keer en tienduizend dollar per maand tegen 6 procent rente. Het voelde nauwelijks als een overwinning, maar ze gaf nog eens een paar duizend dollar extra uit om die in het oudste restaurant van Tampa te vieren met haar vele advocaten en anderen die haar hadden gesteund.

Door haar uitputtende strijd tegen een financiële dienstverlener van wereldformaat keek Usha anders aan tegen het land waar ze was gaan wonen. Ze concludeerde dat het recht er was voor de rijken, niet voor haar. Bankiers en juristen profiteerden ervan, terwijl zij failliet ging. De banken verdienden hun geld door de kleine luiden te koeioneren, eerst door haar net zolang te intimideren tot ze overstag ging, en daarna, toen ze terugvocht, door haar onder papierwerk te bedelven, door taxateurs en inspecteurs in te huren die gefingeerde rapporten schreven over de toestand van haar motel, waardoor ze haar goede naam besmeurden. Als ze het over HSBC had trok ze haar neus op en haar mondhoeken omlaag en kneep ze haar ogen tot spleetjes, waardoor ze net zo leek te walgen als wanneer ze de arbeidsmoraal van Amerikanen beschreef.
Hoe dan ook was Usha niet tot dezelfde conclusie gekomen als Weidner. Zij geloofde niet dat Amerika naar de verdommenis ging. Ze zag nog steeds een schitterende toekomst voor zich, zo niet voor zichzelf, dan toch voor haar kinderen. ‘Juist nu,’ zei ze toen haar zaak achter de rug was, ‘zegene God Amerika. Daar geloof ik in.’

George Packer, De ontluistering van Amerika, Atlas Contact (verschijnt mei 2014)

George Packer is een Amerikaanse journalist, auteur en toneelschrijver. Hij is vooral bekend van zijn buitenlandpolitiekstukken voor The New Yorker en van zijn boek The Assassins’ Gate: America in Iraq, 2005.


Deel dit artikel


Recent verschenen