Tag: boek

  • De beste non-fictie van april

    De beste non-fictie van april

    Natuurmysteries ontrafeld beschrijft 150 bijzondere natuurfenomenen uit de planten- en dierenwereld & meer boekentips in deze top 5 non-fictie, aangeraden door 360 en Athenaeum Boekhandel.

    Tragedies – Aischylos

    Van de ongeveer negentig stukken van Aischylos zijn zeven tragedies compleet overgeleverd. Perzen bekijkt de overwinning van de Grieken bij Salamis door de ogen van de verliezers. Hoogtepunt in Aischylos’ oeuvre is de Oresteia, een trilogie vol moord en geweld binnen één familie.


    Natuurmysteries ontrafeld – Vincent Albouy

    Hoe wordt een vlinder geboren? Waarom heeft een hommel zo veel stuifmeel op zijn vacht? En wat is het mysterie achter de herrezen slang? In de natuur kom je soms gekke dingen tegen. Natuurmysteries ontrafeld beschrijft 150 bijzondere natuurfenomenen uit de planten- en dierenwereld.


    Cryptomanie – Zeke Faux

    Onderzoeksjournalist Zeke Faux brengt de cryptohype, sinds 2021, levendig in beeld: van de overmoedige beloftes over de rol die crypto ‘binnenkort’ in de financiële wereld zou spelen, tot mensen die in die droom geloofden en oplichters die misbruik maakten van die goedgelovigheid.


    Splinters – Leslie Jamison

    Kort nadat Leslie Jamison moeder is geworden van een dochter, komt er abrupt een einde aan haar huwelijk. Even scherp als onverschrokken legt ze haar eigen gevoelens, twijfels en angsten bloot en zoekt ze naar antwoorden op enkele van de kwellendste levensvragen: hoe gaan we om met verlies?


    Het koude crematorium – József Debreczeni

    Het koude crematorium was in 1950 het eerste boek in communistisch Oost-Europa dat het ware gezicht van de Holocaust liet zien. Met nietsontziende precisie beschrijft Debreczeni de mechanismen van ontmenselijking in de kampen. Ruim zeventig jaar later is dit meesterwerk wereldwijd vertaald.

  • ‘Sla hard toe’. Zo werkt China’s campagne om de Oeigoeren te onderdrukken

    ‘Sla hard toe’. Zo werkt China’s campagne om de Oeigoeren te onderdrukken

    De Oeigoerse dichter Tahir Hamut Izgil werd meerdere malen door de Chinese politie gearresteerd. Om aan vervolging te ontkomen vluchtte hij naar de Verenigde Staten. In zijn autobiografie Wachten op mijn arrestatie in de nacht laat hij zien hoe China de Oeigoeren in het land constant in de gaten houdt en intimideert. Een fragment.

    Ik blijf terugkeren naar de eerste dag van het jaar 2013.

    Die avond werd ik onverwachts opgebeld door Ilham Tohti, een hoogleraar economie van de Centrale Universiteit voor Nationaliteiten in Beijing. Het was jaren geleden dat we elkaar hadden gesproken. Hij zat in een Oeigoers restaurant achter de universiteit, waar hij het nieuwe jaar vierde met een wederzijdse vriend uit Beijing.

    Na het uitwisselen van beleefdheden zei Ilham: ‘Xi Jinping heeft de macht naar zich toe getrokken. Voor ons gaat het dus beter worden. Verlies de moed niet, en geef aan onze vrienden in Ürümqi maar door dat ze optimistisch mogen zijn.’ Ilham was heel opgewekt. Toen hij zei dat het beter zou gaan met ons doelde hij op de politieke omstandigheden van de Oeigoeren. Die waren in het recente verleden snel verslechterd.

    Op dit moment is volstrekt duidelijk hoe absurd het was om van Xi Jinping iets te verwachten wat positief uit zou pakken voor de Oeigoeren, maar indertijd leefde die hoop wel bij veel Oeigoerse intellectuelen. Ook onder Han-intellectuelen waren er mensen die verwachtten dat Xi relatief progressief zou zijn. De Chinese politiek is zo ondoorzichtig dat er over de politieke opvattingen van nieuwe leiders alleen maar gespeculeerd kan worden.

    Xi’s vader Xi Zhongxun was kort nadat de Partij aan de macht was gekomen de hoogste functionaris in het noordwesten van China geweest, en had kritiek geuit op het repressieve beleid van de Partij in Xinjiang. Oeigoerse intellectuelen wilden maar al te graag geloven dat Xi Jinping op dit gebied de voetstappen van zijn vader zou drukken. Het was een uit wanhoop geboren hoop, de droom van een gehavende gemeenschap over een betere behandeling door haar koloniale overheersers.

    Ilham Tohti

    Ik had aan het begin van de jaren negentig kennisgemaakt met Ilham Tohti. Aan het Centrale Instituut voor Nationaliteiten, zoals de naam toen nog luidde, was ik bezig met het afronden van het eerste deel van mijn studie. Ilham deed een master economie. Hij was een enorm energieke, spraakzame man, die heel snel praatte, alsof zijn hoofd vol gedachten zat en hij die in de hoogste versnelling onder woorden wilde brengen. Als we elkaar op de campus tegen het lijf liepen begon hij meteen opgewonden te praten. En als hij eenmaal bezig was, was hij bijna niet meer te stuiten, vooral als het over zijn favoriete onderwerp ging, de economie en demografie van de regio waar de Oeigoeren woonden. Later zou Ilham een van de meest vooraanstaande Oeigoerse dissidente intellectuelen worden. Rond 2005 zette hij een website in het Chinees op, waarop hij artikelen zette waarin hij de rechten van Oeigoeren verdedigde. Hij betoogde dat de Chinese overheid zich in Oeigoers gebied niet aan haar officiële autonomiebeleid hield, dat het Productie- en Constructiekorps in Xinjiang functioneerde als een wetteloze staat binnen de staat, dat door de snelle instroom van Han-kolonisten de inheemse bevolking een minderheid in eigen land aan het worden was, dat er onder de Oeigoeren een enorme werkloosheid was en dat in het onderwijs het Oeigoers was gemarginaliseerd.

    Een van de belangrijkste doelstellingen van zijn website was het aanmoedigen van een gezonde dialoog tussen Oeigoeren en Han-Chinezen en het versterken van een goede verstandhouding tussen de twee etnische groepen. De website trok veel gelijkgestemde intellectuelen en studenten aan, Oeigoeren, Han-Chinezen en anderen, en kreeg ook in het buitenland steeds meer invloed. Mijn neef had me verteld over de site. Hij zei dat veel jonge Oeigoeren actief bijhielden wat erop werd gezet en dat ze daar vaak over discussieerden.

    Het zal geen verwondering wekken dat Ilham Tohti’s dissidente opvattingen de aandacht trokken van de Chinese overheid. De politie nodigde hem vaak uit ‘op de thee’, een eufemisme voor een informele waarschuwing of een verhoor. In bepaalde gevoelige perioden, zoals de Spelen van 2008 of wanneer westerse leiders op bezoek kwamen in Beijing, stuurde de politie het gezin van Ilham een maand ‘op vakantie’. In 2009 zei de overheid dat Ilham verantwoordelijk was voor het geweld van juli dat jaar in Ürümqi. Hij en zijn gezin verdwenen. Men ging ervan uit dat Ilham was gearresteerd. Maar na anderhalve maand informele hechtenis in een buitenwijk van Beijing mochten ze weer naar huis. Ondanks dit alles ging Ilham ervan uit dat de overheid hem niet formeel zou arresteren of gevangenzetten. Per slot van rekening gaf hij college aan een universiteit in de hoofdstad. Hij vond ook dat hij met zijn kritiek volledig binnen de wet bleef. En dat het gezin in Beijing geregistreerd stond was ook bevorderlijk voor zijn gemoedsrust. Het behoeft geen betoog dat het politieke klimaat in de hoofdstad heel anders was dan in Xinjiang. Als hij daar dit soort activiteiten had ontplooid, zou hij allang gearresteerd zijn.

    Arrestatie

    Maar het pakte toch anders uit dan hij had gedacht. Medio januari 2014 hoorden we in Ürümqi dat Ilham was opgepakt in Beijing. Ik vroeg welke eenheid van de politie dat had gedaan en hoorde dat het mensen uit Ürümqi waren geweest.

    Het was niet normaal dat rechercheurs uit Ürümqi een afstand van meer dan 2500 kilometer aflegden om een hoogleraar aan een universiteit in Beijing te arresteren. Normaal gesproken had de politie van Beijing dan jurisdictie. Dat de politie van Ürümqi erop af werd gestuurd betekende dat de beslissing om Ilham te arresteren op het hoogste niveau was genomen. Niet lang daarna hoorden we dat rond dezelfde tijd een aantal studenten van Ilham waren verdwenen. Waarschijnlijk waren ze gearresteerd. Anders gezegd: het zag er niet best uit.

    Ik schrok van de arrestatie van een intellectueel die alleen maar de overheid had opgeroepen om zich aan haar eigen wetten te houden. Daardoor kreeg ik het sombere voorgevoel dat het met de Oeigoerse intelligentsia als groep helemaal de verkeerde kant op ging. Om toch wat te doen tegen het naderende gevaar stak ik een paar uur in het controleren van alle bestanden op mijn laptop en de computer die ik op mijn werk gebruikte en wiste alle bestanden, videobeelden, opnamen en foto’s die de politie mogelijk kon aangrijpen om me te arresteren. Ik gaf iedereen bij ons op kantoor opdracht hetzelfde te doen. Niet lang daarvoor was ik al surfend op het internet Charter ’08 tegengekomen, een manifest waarin Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo en anderen een oproep deden voor democratie en burgerrechten in China. Na het lezen besloot ik het in het Oeigoers te vertalen, maar omdat ik het nergens kon publiceren had ik het maar op mijn computer laten staan. Een paar jaar geleden had ik van een vriend een Word-bestand gekregen met een Chinese vertaling van Xinjiang: China’s Muslim Borderland, een bundel wetenschappelijke artikelen uit de Verenigde Staten en elders. De politieke afdeling van het Volksbevrijdingsleger had het boek in het Chinees vertaald, waarschijnlijk om mensen er intern kennis van te laten nemen. Omdat de overheid de toegang tot informatie vanuit het buitenland strikt reguleerde wilde ik heel graag alle mogelijke buitenlandse informatie over Oeigoeren en ons land in handen krijgen, en dus las ik het boek wel drie keer. Ik had ook de pdf van een in Tainwan gepubliceerd boek van Wang Lixiong waarvan de titel zich in het Engels laat vertalen als My West China, Your East Turkestan. En ik had een foto van de dalai lama met de verbannen Oeigoerse leider Rebiya Kadeer, zijn arm liefdevol om haar schouder geslagen. Het was ontroerend om deze warme band te zien tussen leiders van twee gemeenschappen die in China werden onderdrukt.

    Het was ontroerend om deze warme band te zien tussen leiders van twee gemeenschappen die in China werden onderdrukt

    Het had me heel wat moeite gekost om deze teksten te vinden en te vertalen, en het gaf me een onbehaaglijk gevoel toen ik ze een voor een wiste. Maar latere gebeurtenissen zouden aantonen dat ik er goed aan had gedaan. Het ging echt de verkeerde kant op. De repressie die het gevolg was geweest van de rellen die in 2009 in Ürümqi waren uitgebroken was nog niet voorbij toen de overheid een aparte campagne tegen de Oeigoeren op touw zette, die de naam ‘Sla hard toe’ meekreeg. Die was gericht tegen ‘religieus extremisme, etnisch separatisme en gewelddadig terrorisme’, en had verreikende gevolgen. Han-migranten stroomden in nog grotere aantallen dan eerst Xinjiang binnen. Huizen van Oeigoeren werden gesloopt en hun land werd in beslag genomen. In godsdienstig en cultureel opzicht kregen de Oeigoeren met steeds meer repressie te maken, en in het dagelijkse bestaan werden ze steeds meer gediscrimineerd. Aan de problemen die door Tohti waren benoemd werd niet alleen niets gedaan, ze mochten ongehinderd doorwoekeren. Toch bleef de overheid zeggen dat alle ontevredenheid onder de Oeigoeren voortkwam uit separatisme en terrorisme, en werden er lukraak mensen bestraft.

    Twee maanden nadat Tohti was gearresteerd bereikten ons berichten over een terroristische aanslag in een treinstation in de Zuid-Chinese stad Kunming, duizenden kilometers bij Ürümqi vandaan. Staatsmedia berichtten dat vijf zwart gemaskerde Oeigoeren met messen passagiers hadden aangevallen in de hal waar kaartjes werden verkocht.

    Weer gingen twee maanden voorbij. Toen kwamen staatsmedia met het bericht dat twee Oeigoeren passagiers hadden aangevallen bij de uitgang van het station, waarna ze zich hadden opgeblazen. Kort daarop kwam het bericht dat Oeigoerse terroristen een zelfmoordaanslag hadden uitgevoerd op een markt in Ürümqi.

    De houding en de retoriek van de overheid werden agressiever dan ooit

    In de jaren na het geweld van 2009 in Ürümqi leek het rustiger te zijn geworden in Xinjiang. Maar door drie aanslagen binnen twee maanden liep de spanning weer behoorlijk op. De houding en de retoriek van de overheid werden agressiever dan ooit.

    Oeigoeren reageerden steevast op dit soort gebeurtenissen door ‘Er is iets gebeurd’ te zeggen. Mensen die ik kende hadden complexe gevoelens over zulke incidenten. Enerzijds koesterden ze zoveel ressentiment jegens overheid en Han-Chinezen dat ze dachten: hun verdiende loon. Anderzijds vonden ze het verkeerd om je pijlen te richten op burgers in plaats van op de overheid. Verder waren mensen bang dat zulke aanslagen nog meer repressie tot gevolg zouden hebben en dat ze daar persoonlijk last van zouden krijgen. En als er negatieve gevolgen waren, werd er gemopperd: ‘Laat die lui dankbaar zijn voor hun dagelijks brood in plaats van stomme dingen te doen.’ De officiële rapporten over zulke voorvallen waren meestal vaag, tegenstrijdig en niet erg overtuigend. Verdenkingen, gissingen en geruchten deden algauw de ronde. Volgens de overheidspropaganda werden al deze aanslagen gepleegd door separatisten en terroristen, die Xinjiang af wilden scheiden van China en tot een onafhankelijk Oost-Turkestan wilden komen. De overheid weigerde te erkennen dat het geweld mogelijk een gevolg was van haar eigen beleid, dat nefaste gevolgen had voor het leven van de Oeigoeren.

    Maar onder de Oeigoeren deden tal van geruchten de ronde over wie er achter de aanslagen zaten. Meestal vermoedde men dat ze waren gepleegd door mensen die het slachtoffer waren geworden van overheidsgeweld en nu wraak wilden nemen. Anderen dachten dat de overheid zelf de aanslagen had gepleegd om zo een excuus te hebben voor nog meer repressie en om de wil tot verzet van de Oeigoeren te breken.

    Niet alleen werden de mensen die betrokken waren bij de aanslagen zwaar bestraft, de overheid pakte ook mensen aan die niets te maken hadden met de aanslagen maar connecties hadden met de daders: familieleden, kennissen, mensen met wie ze ooit samen hadden gegeten of bij wie ze hadden gelogeerd. Die werden ervan beschuldigd dat ze terroristen ‘onder hun vleugels hadden genomen’.

    Verboden artikelen

    Net als veel andere Oeigoerse intellectuelen wilde ik graag weten wat er in buitenlandse media over deze aanslagen werd geschreven en hoe er in het buitenland op werd gereageerd. Na het geweld van 2009 in Ürümqi werd in Xinjiang bijna een heel jaar het internet afgesloten. Ook toen het weer werd opengesteld bleven veel buitenlandse websites, vooral op het gebied van nieuws, ontoegankelijk. Als je toch toegang tot zulke sites wist te krijgen gold dat als een ernstig misdrijf. Desondanks gebruikten we stiekem toch VPN’s om de Great Firewall, de beruchte digitale Grote Chinese Muur, van de overheid te omzeilen en op allerlei internationale nieuwssites te komen. We hadden zo weinig informatie over ons eigen land en wat er om ons heen gebeurde dat we dat risico wel wilden lopen. Na de arrestatie van Ilham Tohti en de aanslagen werd de repressie zo hevig dat ons niets anders overbleef dan onze VPN’s te verwijderen en het te doen zonder internationale nieuwssites. Als ik geen gebruik meer kon maken van internet leek er nog maar één optie over te blijven: op de korte golf luisteren naar buitenlandse nieuwszenders.

    Dat jaar gingen we met het gezin op vakantie in Qashqar. We brachten een bezoek aan mijn ouders en gingen bij oude vrienden langs. De man van een vrouw met wie Marhaba op school had gezeten had in een winkelcentrum daar een zaak met elektronische spullen. Ik besloot daar een kortegolfradio te kopen. Hij wist vast wel wat een goede was.

    Toen ik naar binnen liep was hij net bezig alle radio’s uit de winkel in dozen te doen. Ik vroeg wat hij aan het doen was. ‘Het politiebureau heeft gebeld,’ zei hij verbitterd. ‘We moeten al onze radio’s uit de winkel halen. We mogen ze niet meer verkopen.’

    De lijst met verboden artikelen was blijkbaar nog langer geworden. Een paar jaar daarvoor waren lucifers verboden. Kennelijk wilde de overheid het separatisten onmogelijk maken om van de zwavel in luciferkoppen explosieven te maken.

    Dat betekende het einde van mijn plan om een radio te kopen. Een paar dagen later hoorde ik dat de overheid de radio’s in beslag was gaan nemen die bij mensen in huis stonden, eerst in de dorpen, later ook in de steden.

    ‘Zo te zien is het radiotijdperk voorgoed afgelopen,’ zei ik tegen mezelf.

    Lees ook:

  • Agenda

    Agenda

    360 selecteert een aantal toonaangevende internationale concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities.

    Amerikaans interieur

    TEXTIEL | In het Cooper Hewitt, Smithsonian Design Museum in New York is de eerste monografische tentoonstelling in meer dan vijftig jaar te zien over het werk van Dorothy Liebes (1897-1972), een invloedrijke textielontwerpster en weefster. Liebes speelde een sleutelrol in de Amerikaanse interieurs midden vorige eeuw. Ze werkte samen met niemand minder dan Frank Lloyd Wright en Raymond Loewy. 

    Tijdens haar leven kreeg Liebes veel erkenning, maar de reikwijdte van haar opdrachten – die zich uitstrekten van het gebouw van de Verenigde Naties in New York tot filmsets van Adam’s Rib van George Cukor met Katharine Hepburn en Spencer Tracy uit 1949 – is nu pas te zien op de overzichtstentoonstelling in New York. Meer dan 175 werken zijn bewaard gebleven na haar dood in 1972.

    A Dark, A Light, A Bright, Smithsonian Design Museum, New York, t/m 04/2/2024  

    AR6145361 scaled 2

    IJzingwekkend

    SERIE | De serie The Horror of Dolores Roach vertelt een gitzwart verhaal over gentrificatie en kannibalisme in Washington. Niets wordt aan het oog onttrokken en wegkijken kan niet. De ene ijzingwekkende moord volgt op de andere. Met alle ellende van dien. 

    Nu op Prime Video

    230706 Spilde Dolores Roach tease ba7wnf 2

    Vrijwel alles van Antoni Tàpies

    BEELDENDE KUNST | Het Brusselse Bozar toont een groot retrospecief van de Spaanse abstracte kunstenaar Antoni Tàpies (Barcelona, 1923-2012) en het werk dat hij maakte tussen 1944 en de jaren negentig. Tàpies gold als een van de belangrijkste Spaanse kunstenaars van de twintigste eeuw. Hij was een tijdgenoot van Joan Miró en Pablo Picasso, en hij werd in 2010 in de adelstand verheven wegens zijn bijdrage aan de Spaanse kunst. Ook ontving hij de Prins van Asturiëprijs voor de Kunsten, een van de belangrijkste onderscheidingen in de Spaanstalige wereld.

    In 1966 werd hij een paar jaar gevangengezet wegens illegale bijeenkomsten

    Op de tentoonstelling is vrijwel alles te zien: van vroege tekeningen en zelfportretten, zijn ‘materieschilderijen’ uit de jaren vijftig en zijn assemblages uit de jaren zestig en zeventig. Hij gebruikte touw, gips, zand, lijm, hout en ijzerdraad, met vaak felgekleurde accenten tegen een achtergrond die lijkt op een bepleisterde, verweerde muur die de vergankelijkheid symboliseert. Tàpies heeft zich altijd verzet tegen het Franco-regime en vond heil in het occultisme. In 1966 werd hij een paar jaar gevangengezet wegens illegale bijeenkomsten. 

    Antoni Tàpies. De praktijk van de kunst, Bozar, Brussel, 15/9 t/m 7/1/24

    Onder

    Tegenpolen in beeld

    FOTOGRAFIE | Het internationale fotografie festival Cortona On The Move heeft sinds 2011 als missie om hedendaagse fotografie te verspreiden, te promoten en te bekronen. Het festival brengt een keur aan fotografen samen en biedt tentoonstellingen, lezingen en workshops. Belangrijk onderdeel dit jaar zijn ‘nieuwe visies en originele vormen van visuele communicatie’. Zoals de fotoroman. In het naoorlogse Italië met meer dan twee miljoen werklozen was de fotoromanzo een welkome vorm van afleiding in het harde dagelijkse bestaan. De fotoroman was een onmiddellijk succes, maar culturele kringen keken erop neer en beschouwden dit nieuwe concept ten onrechte als een goedkoop subgenre van de literatuur. 

    Rijk aan ideeën en arm aan simplificaties – dat belooft het festival te zijn

    Dit jaar is het thema van het festival ‘Meer en Minder’. Directeur Paolo Woods schrijft dat die twee uitersten meer dan ooit onze huidige wereld bepalen en het de hoogste tijd is om te onderzoeken hoe deze tegenpolen ons wereldbeeld, onze ideologieën en ons gedrag vormgeven. Overvloed staat tegenover schaarste, het overbodige tegenover het essentiële, de happy fewtegenover de massa, rijk tegenover arm – het is een schier oneindige lijst van tegenstellingen die overal om ons heen te zien zijn. Volgens de statistieken zou een gemiddelde Amerikaan drie miljoen jaar moeten werken om net zo rijk te worden als de rijkste Amerikaan. 

    Fotografie is het middel bij uitstek om dergerlijke thema’s in beeld te brengen. Rijk aan ideeën en arm aan simplificaties – dat belooft het festival te zijn.  

    Cortona On The Move, Cortona, Italië, t/m 01/10

    Schermafbeelding 2023 07 26 om 13.42.58 2

    Aan diggelen

    THEATER | SuckerPunch is aangekondigd als ‘de theatervoorstelling die alles wat je dacht te weten over mannelijkheid aan diggelen slaat’. Dat wordt gedaan met high-intensity dans, elektronische beats, punk soul en monologen gebaseerd op waargebeurde ervaringen. 

    Frascati Amsterdam, 8-9/9

    suckerpunch 2

    Reggae en UB40

    MUZIEK | Oude bekenden spelen op het tweedaagse Reggae Lake Festival in het Gaasperpark in Amsterdam: Steel Pulse, UB40, Barrington Levy en Andrew Tosh, de zoon van Peter Tosh, Alborosie, Maxi Priest en anderen op zes verschillende podia. 

    Reggae Lake Festival, 19-20/8

    reggae lake amsterdam 2
  • Oudste joodse bijbel ooit voor ruim 35 miljoen euro verkocht

    Oudste joodse bijbel ooit voor ruim 35 miljoen euro verkocht

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Westerse landen werken aan F-16-coalitie na diplomatie Zelensky

    » Franse oud-president Nicolas Sarkozy veroordeeld tot drie jaar celstraf

    Op de veiling werd de Codex Sassoon het duurste boek ooit

    Bij een veiling in New York, georganiseerd door veilinghuis Sotheby’s, is de oudste joodse bijbel ooit voor een bedrag van ruim 35 miljoen euro onder de hamer gegaan. Dat meldt The New York Times. De zogeheten Codex Sassoon is daardoor het duurste boek aller tijden geworden en het duurste joodse religieuze voorwerp ooit verkocht.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het manuscript van 792 pagina’s is rond het jaar 900 geschreven in wat we vandaag Israël noemen, door een onbekende schrijver. Hij gebruikte ruim tweehonderd schapenhuiden om de vierentwintig boeken van de Torah, de Neviim en de Ketoevim te kopiëren, de joodse geschriften die samen de Hebreeuwse Bijbel, oftewel de Tenach vormen. De geschriften werden samengebonden, waardoor de levensduur van het boek werd verlengd.

    Voorafgaand aan de veiling ging men ervan uit dat de bijbel tot 46 miljoen euro zou kunnen opbrengen. Het record voor een historisch document ligt op bijna 40 miljoen euro, dat twee jaar geleden werd neergelegd voor een exemplaar van de originele Amerikaanse grondwet. Een vereniging verbonden aan een museum in Tel Aviv is de koper van de eeuwenoude bijbel.

    Lees ook:

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen, of online te vinden zijn.

    Pijnlijke paradox rond vreemdelingenhaat

    Morele thriller in Transsylvanië  

    FILM | Vlak voor Kerstmis neemt Matthias – half Roma, half Duits – ontslag bij een slachthuis in Duitsland, om terug te keren naar het bergdorp in Transsylvanië waar hij vandaan komt. Hij wil zijn zoontje Rudi aan het praten krijgen, zijn zieke vader opzoeken en de relatie met zijn ex Csilla nieuw leven inblazen. De sfeer is grimmig en wordt er niet beter op wanneer Csilla drie gevluchte Sri Lankanen aanneemt in haar bakkerij. 

    Zo begint de speelfilm R.M.N. (de Roemeense vertaling van ‘MRI’) van de Roemeense regisseur Cristian Mungiu, die internationaal in de prijzen viel met 4 maanden, 3 weken & 2 dagen en Graduation. Het resulteert volgens recensent David Ehrlich van IndieWire in een ‘sociaal-economische smeltkroes die de kijker geleidelijk bij de keel grijpt. Een weliswaar iets te breed opgezet, maar tijdloos verhaal over vreemdelingenhaat in een lokale setting.’

    Lee Marshall schrijft voor Screen Daily dat regisseur Mungiu te veel thema’s tegelijk wil aanroeren. Volgens de criticus komt dat aan het licht in een sleutelscène op het stadhuis: ‘Geschoten vanuit één camerastandpunt is dat een indrukwekkende krachttoer. Maar het voelt ook alsof de maker hier in één keer alles uit de kast wil halen. Als een Franse medewerker van een ngo een betoog houdt over het behoud van de berenpopulatie in de omgeving, krijgt hij alles over zich heen, van Charlie Hebdo tot de erfenis van het Franse koloniale verleden.’  

    8b2705f7 11c9 4199 b352 95538e3e374a‘Ondanks een gebrek aan ambitie in de finale is dit een prachtige nieuwe mijlpaal in het werk van deze Roemeense meester’ 8b2705f7 11c9 4199 b352 95538e3e374a

    Voor Ben Croll van het Amerikaanse Wrap Magazine kwam diezelfde scène juist als geroepen, want aanvankelijk was het of hij ‘een hoop puzzelstukjes aan elkaar moest leggen’. ‘De eerste negentig minuten voelen als een proloog, maar dan volgt een take van zeventien minuten waarin de regisseur zijn ware intenties uitkristalliseert. Het tekent Mungiu’s grote filmtalent.’

    Ook de criticus van Franse filmsite Le Bleu du Miroir is lovend over R.M.N., waarin een hedendaagse paradox volgens hem fraai in beeld wordt gebracht: ‘De angst voor buitenlanders, racisme, vooroordelen: het is des te verrassender omdat de dorpsbewoners zich uitdrukken in verschillende talen.’ Tegelijkertijd gaan diezelfde bewoners in het buitenland werken om in hun levens-onderhoud te voorzien. ‘Ondanks een gebrek aan ambitie in de finale is dit een prachtige nieuwe mijlpaal in het werk van deze Roemeense meester.’ 8b2705f7 11c9 4199 b352 95538e3e374a

    R.M.N. van Cristian Mungiu draait vanaf 1 december in de bioscoop

    Door Diederik Samwel

    R M N ps 1 jpg sd low

    Dagermans tijdloze waarschuwing tegen radicalisering

    Een roman die bedachtzaam en ontroerend is tegelijk

    LITERATUUR | Stig Dagerman heeft ‘kunst in zijn vingers’, citeert Sweden Posts English de Zweedse journalist Ivar Harrie over Dagermans roman Bränt barn uit 1948. ‘Hij breekt los van de experimentele mogelijkheden van literaire techniek.’ De Zweedse auteur Sven Stolpe noemde het uitzonderlijk om een boek te schrijven dat tegelijk zo ontroerend en zo bedachtzaam is. Het meest onvergetelijk noemt hij ‘de stevige greep van de auteur op zijn jonge held’, die met enige afstandelijkheid wordt benoemd als ‘de zoon’. Deze jonge held, de twintigjarige Bengt, schrijft na de dood van zijn moeder brieven aan zichzelf, die, zoals zij voorspeld had, moeten helpen tegen zijn verdriet. Maar al snel ziet de lezer hoe zijn woede en onmacht alleen maar toenemen, helemaal als hij erachter komt dat zijn drankzuchtige vader een nieuwe vriendin heeft. ‘Het wordt duidelijk dat er een vreselijke afrekening in het verschiet ligt; de enige vraag is tot welke specifieke puinhoop die zal leiden,’ schrijft John Self in The Guardian

    Als Dagerman de roman schrijft, is hij zelf ook nog jong, wat volgens Self tot uiting komt in ‘een overdaad aan emoties en details, cynisme dat grenst aan nihilisme’. Maar in dit geval werken deze kenmerken in zijn voordeel, aldus de Britse recensent, die in de roman een tijdloze waarschuwing ziet tegen radicalisering. De Zweedse auteur Viveka Heyman, die overigens bekendstond vanwege haar felle recensies, zag in de jonge leeftijd van de auteur evenmin een nadeel; ze vond zijn voorgaande werk juist sterker. Ondanks ‘alle ingrediënten voor een meesterlijke Dagerman-roman’ bekroop haar tijdens het lezen steeds het gevoel dat dit ‘al eerder en beter was gedaan’.

    Self betreurt in The Guardian dat we nooit zullen weten hoe Dagerman op latere leeftijd zou schrijven

    Dagerman schreef het manuscript in enkele zomermaanden in een vissersdorpje in Bretagne; ‘in grote eenzaamheid in een afgesloten kamer’, meldt hij zijn uitgever, aangehaald door LitteraturMagazinet. Het zal een roman worden ‘over liefde en verdriet in een arbeidershuis in Söder [een stadsdeel in Stockholm]’, aldus de schrijver, wiens moeder enige maanden na zijn geboorte vertrok om nooit terug te keren. Omdat zijn vader niet voor hem kon zorgen, groeide hij op bij zijn grootouders.

    Self betreurt in The Guardian dat we nooit zullen weten hoe Dagerman op latere leeftijd zou schrijven: hij stopte in 1949, op zijn zesentwintigste, met het schrijven van fictie en beroofde zich vijf jaar later van het leven.

    Bränt barn wordt in december heruitgegeven bij uitgeverij Koppernik als Het verbrande kind, in een vertaling van Bernlef

    Door Laura Weeda

    voorkant Stig Dagerman Het verbrande kind

    Liefdesverhalen als metafoor voor verstikking

    Jafar Panahi filmde opnieuw in het geheim 

    FILM | ‘No Bears is de beste film van Jafar Panahi sinds hij ondergronds is gegaan. Hierin verbeeldt hij op creatieve wijze de wanhoop die heerst in de Iraanse samenleving’, schrijft Babak Ghafoori Azar op de Praagse nieuwssite Radio Farda.

    Net als Panahi’s eerdere films werd deze in het geheim geschoten. Vanwege een kritische houding tegenover de regering in de film Three Faces zat de Iraniër zes jaar in de gevangenis; nu is hij vrij, op voorwaarde dat hij geen films meer maakt. No Bears werd opgenomen in een dorpje aan de Turkse grens, waar de bewoners niet blij waren met de komst van de crew; ‘ze hadden zo hun eigen problemen’, aldus Radio Farda. Panahi raakte betrokken bij het verhaal van een jong stel waarvan het meisje eigenlijk vanaf de geboorte met een andere jongen was verloofd. Dit gebruikte hij in zijn film, waarin ook een ander, Iraans stel na tien jaar ballingschap in Turkije Europa probeert te bereiken.

    Courrier International spreekt van ‘een juweel van virtuoos minimalisme’ 

    Beide liefdesverhalen zijn ‘metaforen van een samenleving op de rand van verstikking’. ‘Precies het soort film dat de lange, slapeloze reis naar een filmfestival ver weg elke minuut waard maakt’, meent Shubhra Gupta van The Times of India, refererend aan het filmfestival van Venetië, waar No Bears dit jaar werd vertoond. Kevin Maher van The Times bewondert de ‘donkere post-moderne satire in deze film over het maken van een film’. Courrier International spreekt van ‘een juweel van virtuoos minimalisme’. c3599f4b 2565 4a3b af8c 8364028fe568 

    Door Laura Weeda

    No Bears st 6 jpg sd low Copyright JP Production

    Back to the eighties en toch avant-garde 

    Een eigen stijl, of liever de hitlijsten bestormen?

    POPMUZIEK | De Franse popartiest Heloïse Letissier wisselt geregeld van pseudoniem. Na haar internationale doorbraak in 2014 met Christine & The Queens werd het Chris, en nu is het Redcar. Die ontwikkeling loopt parallel aan de persoonlijke transitie van de artiest van vrouwelijk naar mannelijk. Het derde album Redcars les adorables étoiles omvat volgens recensent Annabel Ross van The Sydney Morning Herald ‘avant-gardemuziek, gestileerd als een soort rockopera: zwaar van romantiek en vol verlangen en literaire verwijzingen’. De dertien tracks zijn ‘sterk geïnspireerd op de jaren tachtig, met een knisperende drumcomputer en alomtegenwoordige synthesizers’, aldus Ross.

    Ook Eric Bureau van Le Parisien moet door Redcars kwistige gebruik van synthesizers denken aan de newwaveplaten van Depeche Mode, The Cure en Talking Heads. ‘De muziek zit productioneel gezien boordevol ideeën, maar daardoor doet ze tegelijkertijd bij vlagen te experimenteel aan.’

    ‘De muziek zit productioneel gezien boordevol ideeën, maar daardoor doet ze tegelijkertijd bij vlagen te experimenteel aan’

    In de Evening Standard schrijft David Smyth dat Redcar zo te horen in een richtingenstrijd is verwikkeld. Niche en minder toegankelijk, of mainstream om de hitlijsten te bestormen? ‘Sommige nummers klinken duister en rauw. Andere tracks worden gestuwd door energieke beats, maar missen een herkenbare vocale melodielijn om er een pakkende popsong van te maken. Maar deze muziek blijft intrigeren.’

    Neil McCormick moet in The Telegraph bekennen dat zijn Frans verre van toereikend is maar dat het hem ook met de Engelse vertaling bij het album, geregeld begint te duizelen door de teksten. Hij houdt het op een ‘vreemd, sfeervol maar meeslepend werk.’

    Émilie Côté van het Canadese dagblad La Presse werd aanvankelijk afgeleid door ‘ondoordringbare arrangementen’. ‘Na een paar keer luisteren wordt het minder verwarrend, maar deze muziek haalt het niet bij die van Chris en Christine.’ De criticus kijkt dan ook uit naar de aangekondigde samenwerking van Redcar met de Amerikaanse producer Mike Dean, die eerder de studio indook met onder meer Madonna, The Weeknd en Beyoncé.’

    Het album Redcar les adorables étoiles is begin november verschenen

    Door Diederik Samwel

    Redcar
  • Noorse ‘Bibliotheek van de Toekomst’ bewaart publicaties honderd jaar lang

    Noorse ‘Bibliotheek van de Toekomst’ bewaart publicaties honderd jaar lang

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Bibliotheken Oklahoma verboden om informatie over abortus te verstrekken

    » Aanhoudende droogte leidt tot uitzonderlijk slechte oogsten in Italië

    Schrijvers van over de hele wereld nemen deel aan het project

    Onlangs kwamen ruim tweehonderd mensen bijeen voor een bijzondere ceremonie in een bos met duizend sparren ten noorden van Oslo. Dat bos is in 2014 aangeplant door de Schotse kunstenaar Katie Paterson. De boompjes zijn nu nog maar een meter hoog, maar in 2114 zijn ze groot genoeg om het papier te leveren voor een speciale collectie boeken: enkele van ’s werelds meest gerenommeerde auteurs hebben namelijk bij de Bibliotheek van de Toekomst in Oslo manuscripten ingeleverd die pas over een eeuw zullen worden gedrukt, met papier dat van de sparren komt, meldt BBC.

    De ceremonie in het bos voor deze Bibliotheek van de Toekomst – een honderdjarig kunstproject dat door Paterson is bedacht om onze ideeën over tijd te verruimen en het besef van onze verplichtingen aan het nageslacht te vergroten – vindt sinds 2014 elk jaar plaats. De kunstenaar nodigt jaarlijks samen met een kleine groep mensen een prominente schrijver uit om een manuscript te leveren. Die opdrachten lopen door tot 2113, waarna de boeken allemaal zullen worden gepubliceerd.

    Tot aan de publicatie worden de manuscripten honderd jaar lang bewaard in de grootste openbare bibliotheek van Oslo

    Margaret Atwood was de eerste auteur die een verhaal inleverde, met de titel Scribbler Moon; daarna ontving de Bibliotheek van de Toekomst inzendingen vanuit de hele wereld, van de Engelse romanschrijver David Mitchell en de IJslandse dichter Sjón tot de Turkse Elif Shafak, Han Kang uit Zuid-Korea en de Vietnamees-Amerikaanse dichteres Ocean Vuong. Dit jaar kwamen de Zimbabwaanse auteur Tsitsi Dangarembga en de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård naar het bos om hun verhaal te overhandigen. De auteurs mogen niets over de inhoud van hun werk onthullen, maar alleen de titel prijsgeven: dat van Dangarembga heet Narini en haar ezel (narini is Zimbabwaans voor ‘oneindigheid’); dat van Knausgaard heet Blind boek.

    Tot aan de publicatie worden de manuscripten honderd jaar lang bewaard in de grootste openbare bibliotheek van Oslo, in afgesloten glazen laden in een kleine houten opslag die ‘De stille kamer’ wordt genoemd.

    Lees ook:

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen, of online te vinden zijn.

    Zes maanden over tijd

    Ongeboren baby vervult cartooneske hoofdrol

    SPEELFILM | In de Noorse film Ninjababy van Yngvild Sve Flikke leeft de 23-jarige Rachel er vrolijk op los: feestjes, drank, soms een pilletje en nu en dan een onenightstand. Tot ze ontdekt dat ze al zes maanden zwanger is. Rachel zit allerminst op een kind te wachten en weet trouwens niet eens wie de vader is. Het aanstaande kind doet mee in de film en geeft in cartooneske animaties commentaar op de personages en situaties. Ze zijn ontleend aan de graphic novel Fallteknikk van Inga Sætres, waarop de film ook is gebaseerd.

    Het thema van de film komt Leif Tore Lindø van de Noorse krant Aftenbladet bekend voor, maar wordt naar zijn smaak ‘op een verfrissende manier en met een bitterzoete ondertoon gebracht’. Kristine Kujath Thorp, in de hoofdrol, vindt hij ‘absoluut briljant’. De animaties bezorgen de film volgens Lindø een soort ‘indierocksfeer’, behalve in de dialogen tussen moeder en kind: ‘Dan zijn ze overbodig: het enige minpuntje van deze filmtraktatie.’   

    De ‘heerlijk gekke humor, de vindingrijkheid en de woeste energie’ in Ninjababy doen Jan-Olov Andersson van het Zweedse Aftonbladet denken aan de vroege films van Danny Boyle, zoals Trainspotting (1996) en A Life Less Ordinary (1997). Bovendien werd hij ‘gegrepen door het onverwacht voor de hand liggende einde’. 

    ‘Door de bijtende humor en de open, losse toon komen de hoofdpersonen volstrekt authentiek over’

    ‘Door de bijtende humor en de open, losse toon komen de hoofdpersonen volstrekt authentiek over,’ schrijft Sarah Stutte in Kino-Zeit. ‘Daardoor komt het wispelturige en onvolwassen gedrag van de hoofdpersoon prima uit de verf.’ Het is te danken aan het ‘sympathieke, hartverwarmende spel van Thorpe dat we een eerlijk inzicht krijgen in het leven van een vrouw op zoek naar haar plek in de wereld’. 

    David Rooney stelt in The Hollywood Reporter dat de regisseur ‘behendig de clichés over aanstaand moederschap en het vaste recept voor romcoms omzeilt’. Wat werkt in de film is niet zozeer de ‘Look Who’s Talking-achtige gimmick als wel het genot om toe te kijken hoe feilbare personages zich een weg banen door een heikele situatie’.  

    Ninjababy van regisseur Yngvild Sve Flikke draait vanaf 21 april in de bioscoop.

    Door Diederik Samwel

    Ninjababy st 4 jpg sd low Copyright Motlys 1
    Ninjababy


    135 street art kunstenaars

    Biografie in beelden

    FOTOGRAFIE | De Deense fotograaf Søren Solkaer (1969) maakte naam met portretten van popmuzikanten als U2, Björk, Patti Smith en Amy Winehouse. Tijdens een wandeling door Melbourne in 2012, waar hij de bijbehorende expositie had geopend, kwam hij op het idee om de beoefenaars van een heel ander genre vast te leggen: graffiti en straatkunst. Vervolgens bezocht Solkaer vijf jaar lang dertien wereldsteden om in totaal 135 kunstenaars bij een van hun werken in beeld te brengen. 

    In zijn bespreking voor The Sydney Morning Herald schrijft Michael Dwyer dat Solkaer zijn kader en enscenering zo kiest dat ‘elke foto een verhaal vertelt waar een filmmaker hooguit aan kan tippen’. Tegelijkertijd laat de expositie Surface volgens hem goed zien ‘hoe graffiti zich de afgelopen jaren tot een volwassen kunstvorm heeft ontwikkeld’. 

    ‘De fotograaf is er vooral op uit de mythe van zijn subject te vergroten’

    The Edinburgh News is minder enthousiast over het werk van Solkaer. De recensent vindt dat hij voornamelijk boeken produceert die ‘het goed doen op de koffietafel. De fotograaf is er vooral op uit de status of mythe van zijn subject te vergroten en niet om de kijker een diepere of andere kijk op hen te verschaffen.’  

    Angie Kordic van het Zwitserse digitale kunstplatform Widewalls vindt dat hij dat juist wel doet: ‘Boven op het dak, in smalle steegjes of rond een treinstation; Solkaer draagt zowel de geest van het kunstwerk als de manier waarop de kunstenaar naar de wereld kijkt op ons over.’

    De criticus van het onlinemagazine Brooklyn Street Art noemt het alleen al bewonderenswaardig dat Solkaer zo veel straatkunstenaars, al dan niet herkenbaar, voor zijn lens heeft gekregen. ‘De fotograaf gaat te werk volgens de Tsjechische traditie: als een biograaf. Door zijn kadrering en orkestratie ziet hij kans de onderscheidende elementen van elke kunstenaar, diens stijl en werkwijze in één beeld te vangen.’  

    De expositie Surface van Søren Solkaer is tot en met 25 september te zien in Fotomuseum aan het Vrijthof in Maastricht.

    Door Diederik Samwel

    I7R5467
    Surface


    Koreaanse roman verfilmd

    De wereld is klaar voor series als Pachinko

    SERIE/BOEK | In 2017, toen film- en tv-agent Theresa Kang-Lowe de grootse roman Pachinko las, waarin Min Jin Lee schrijft over vier generaties van een arme Koreaanse familie die naar verschillende plekken emigreert, had ze niet verwacht dat deze de aandacht van Hollywood zou kunnen trekken. Vijf jaar later verschijnt het eerste seizoen van Pachinko – met Kang-Lowe als uitvoerend producent – op Apple TV+. In tegenstelling tot Hollywoods decennialange overtuigingen blijken kijkers gewoon bereid om ‘ondertitels te lezen en verhalen van over de hele wereld te consumeren waarin mensen van kleur centraal staan’, schrijft TIME.

    Pachinko is de tweede roman van Lee, die Koreaans-Amerikaans is en gefascineerd raakte door de strijd van Koreaanse immigranten in Japan in de twintigste eeuw. Hoofdpersoon is Sunja, geboren in de vroege jaren 1900, die stoïcijns het lijden van iedereen om haar heen absorbeert terwijl ze de ene crisis na de andere (de Japanse kolonisatie van Korea, de atoombommen op Japan) doorstaat.

    ‘In dit familieverhaal wordt de rijkheid van proza gecombineerd met de specifieke voordelen van televisie’

    De door TIME benoemde bereidheid van de kijker wordt door de recensies weerspiegeld. IndieWire noemt de serie een ‘liefdevol vervaardigde paradox, die de moeite waard is om je aan over te geven’. Die paradox zit hem erin dat sommige delen van het verleden invoelbaar zijn, bijvoorbeeld waar het aankomt op keuzes van ouders die hun kinderen een beter leven willen geven, terwijl andere delen volstrekt ongrijpbaar blijven. Ook London Evening Standard vindt de bewerking van het boek geslaagd, en noemt de serie even groots als het 490 pagina’s tellende boek, en ‘verrukkelijk in zijn uitvoering’. Rolling Stone prijst de ‘kunstzinnigheid en elegantie’ waarmee het onderwerp wordt behandeld. ‘In dit familieverhaal wordt de rijkheid van proza gecombineerd met de specifieke voordelen van televisie.’

    De auteur werkte uiteindelijk niet mee aan het script van de eerste seizoen, bestaande uit acht afleveringen. En hoewel veel recensenten het boek een van de beste noemen die ze het afgelopen jaar hebben gelezen, zijn de grote wijzigingen die scenarioschrijver en producent Soo Hugh in de opbouw heeft aangebracht voor vrijwel niemand een bezwaar. Dat heeft misschien ook met de tijd te maken: ‘De geografie en de individuele gezichten kunnen veranderen, maar verhalen over ontheemding en vluchtelingenervaringen zijn nooit ver van onze huidige realiteit (…). Oekraïne. Syrië. Guatemala,’ aldus The Hollywood Reporter.

    Pachinko is te zien op AppleTV+. Het boek is in het Nederlands vertaald door Ineke Lenting en Paul van der Lecq en verscheen bij Meulenhoff.

    Door Laura Weeda

    Min Jin Lee
    Pachinko

    De microkosmos van Eran Kolirin

    De boekverfilming van een controversiële Palestijnse schrijver

    FILM/BOEK | Aan het begin van Let It Be Morning, de nieuwe film van Eran Kolirin, wordt de bruiloft gevierd van een jong Israëlisch-Arabisch echtpaar wiens verbintenis ‘verdoemd lijkt zelfs voordat deze geconsumeerd is’, zo schrijft het Amerikaans-Joodse tijdschrift Forward.

    Het eerste voorteken is dat de duiven die bruid en bruidegom loslaten als symbool van hoop en vrede weigeren weg te vliegen. En inderdaad, op de nacht na de ceremonie sluiten Israëlische strijdkrachten het dorp af, zonder enige kennisgeving of uitleg.

    ‘Door zijn personages letterlijk gevangen te houden, creëert Kolirin een soort microkosmos’

    De bruiloftsgasten en de bewoners stranden ter plaatse, zonder dat contact met de buitenwereld mogelijk is. ‘Door zijn personages letterlijk gevangen te houden, creëert Kolirin een soort microkosmos die hem in staat stelt de sociale en politieke status van de Israëlisch-Arabische gemeenschap te onderzoeken,’ schrijft Variety.

    De film is geïnspireerd op het gelijknamige boek uit 2006 van Sayed Kashua, die door Middle East Eye wordt omschreven als ‘een controversiële Palestijnse schrijver’. De Arabische journalist, auteur en scenarioschrijver maakte de zeldzame keuze om in het Hebreeuws te schrijven, omdat hij ‘de taal van de Israëliërs moest spreken om het standpunt van de Palestijnen over te brengen’. Haaretz, het dagblad van Israëlisch links, riep hem uit tot ‘een van de meest invloedrijke Arabische commentatoren van Israël’. Maar in 2014 verliet hij zijn land om zich in de VS te vestigen. Tegen The Guardian zei hij:Toen jonge Joden door de straat begonnen te marcheren, “dood aan Arabieren” riepen en Arabieren aanvielen alleen omdat ze Arabieren waren, wist ik dat ik mijn strijd verloren had.’

    Hij was het zelf die filmmaker Eran Kolirin benaderde, die een Palestijnse cast bij elkaar zocht. Maar deze weigerde te komen opdagen bij de vertoning op het filmfestival van Cannes vorig jaar; ‘de film werd gepresenteerd als Israëlisch’, aldus Middle East Eye. Israëlische Arabieren worden sterk aangemoedigd om hun films aldus te presenteren, zodat ze kunnen profiteren van overheidssubsidies. Kolirin zelf zei verheugd te zijn dat zijn film het debat nieuw leven inblaast. ‘Het label “Israëlische film” slaat nergens op. Noemt Scorsese zijn films soms “Amerikaans”? Je kunt deze film noemen wat je wilt. Als je hem als een Palestijnse film wilt presenteren, zal ik zowel vereerd als dankbaar zijn.’

    De film Let It Be Morning is in mei in de bioscoop te zien. Het boek is niet in het Nederlands vertaald.

    Door Laura Weeda

    e15266b59f0a787ce0f613b5fcc19119ac3ce5df
    Let It Be Morning

  • Satirische graphic novel graaft diep in Israëlisch-Palestijns conflict

    Satirische graphic novel graaft diep in Israëlisch-Palestijns conflict

    Wat brengt volstrekt normale, ongelovige mensen ertoe naar iets mythisch als de Bijbelse Ark van het Verbond te graven? De Israëlische tekenaar Rutu Modan laat het zien in haar onlangs verschenen graphic novel Tunnels.

    Een paar jaar geleden kreeg Rutu Modan een lift van Tel Aviv naar Jeruzalem van de man die de website had gebouwd van de Israel Antiquities Authority, de instantie die toeziet op de opgravingen in het land. Toen het gesprek op archeologie kwam, diende zich plotseling een oude herinnering aan. Dertig jaar eerder, herinnerde Modan zich, had ze iemand ontmoet die haar vertelde dat hij en zijn vader opgravingen deden; ze waren op zoek naar de Ark van het Verbond, de kist waarin volgens de Hebreeuwse Bijbel de stenen tabletten met de Tien Geboden werden bewaard. Aanvankelijk had ze hen voor gek versleten, maar nu begon ze toch weer over hen na te denken. Waarom deden ze dat? Wat bracht volstrekt normale, ongelovige mensen ertoe naar zoiets mythisch te gaan graven?

    Rutu 2020 1 2
    Rutu Modan – © Hanan Assor

    Modan ging in gesprek met deskundigen op het gebied van Bijbelse archeologie en verdiepte zich in de Joodse geschiedenis. Ze schreef zich in voor een cursus archeologie aan de Open Universiteit van Israël en ontmoette mensen uit het veld. Ze ontdekte dat de Ark van het Verbond de heilige graal van deze cursus is die, hoewel serieuze archeologen er niet al te opgewonden over raken, de volksverbeelding en de fantasie van avontuurlijke archeologiefanaten nog altijd prikkelt.

    Tot op de dag van vandaag zijn mensen ernaar op zoek, vertelt ze. ‘Ik begon er onderzoek naar te doen en ontdekte dat er veel mystieke krachten aan de Ark van het Verbond worden toegeschreven. Iemand beschreef hem als “Gods walkietalkie, waarmee we met God zouden kunnen praten zoals we ooit hebben gedaan”. En de man die dat tegen me zei was niet eens gelovig.’ 

    64 3 1

    Ze raakte algauw in de ban van de lokale archeologie en geschiedenis. ‘Ik ontdekte dat archeologie een onderwerp is dat alles in zich verenigt: geschiedenis, misdaad, gekken, oplichters, rovers, geleerden en eindeloos veel politiek. Ik realiseerde me dat er een heleboel interessante, sappige kanten aan zitten en dat het een uitstekende basis voor een verhaal zou kunnen zijn.’

    Tunnels

    Het resultaat van Modans onderzoek is te zien in haar onlangs verschenen graphic novel Tunnels, een kruising tussen Indiana Jones en de Israëlische militair en politicus Moshe Dayan. Waar haar eerdere boek The Property zich voornamelijk afspeelt in het verre en koude Polen, voltrekt Tunnels zich geheel in Israël en graaft het onder het oppervlak van deze door conflicten geteisterde regio van het Midden-Oosten.

    Het is een avonturenverhaal dat een diepe duik neemt in de wereld van de Israëlische archeologie, vuile handen maakt door het graven naar verloren schatten, zich in de intriges en rivaliteit van het academische leven stort en keihard in botsing komt met het Israëlisch-Palestijnse conflict.

    ‘Bij dat hele idee van historische rechten heb ik persoonlijk grote twijfels’

    Dit keer heeft Modan kolonisten, Palestijnen en Israëlische soldaten in de bezette gebieden bijeengebracht, in de schaduw van de Westoeverbarrière. Uiteraard wordt de situatie algauw gecompliceerd. ‘Een van de treurigste dingen die ik ontdekte toen ik me in de geschiedenis begon te verdiepen, is dat het historische Israël in de bezette gebieden lag,’ zegt Modan.

    ‘Koning David, Mozes, Salomon, Jozua: allemaal hebben ze daar gewoond, en daarom worden daar de interessantste vondsten gedaan. De Palestijnen graven trouwens ook en verhandelen wat ze vinden. Maar voor mij was dit een van de moeilijkste ontdekkingen, omdat ik begreep dat de kolonisten deze gebieden daarom nooit zullen opgeven. Ik begreep dat we hier niet om het “Land van Israël” vechten dat op de een of andere manier tussen ons verdeeld moet worden, maar dat we om precies hetzelfde gebied vechten omdat daar alles was.’

    03 2

    ‘Bij dat hele idee van historische rechten heb ik persoonlijk grote twijfels, maar als we ergens een historisch recht op iets in dit land hebben, dan is het daar, in de bezette gebieden. En dat is afschuwelijk, het is echt tragisch. Dus besloot ik dat ik de plot van dit boek daar moest situeren, zodat het vanuit narratief perspectief automatisch interessanter wordt.’

    Israëlische stripscene

    Vanaf haar kinderjaren heeft Modan altijd tekeningen gemaakt van de Holocaust en van terreuraanslagen. En van meet af aan waren het niet alleen maar tekeningen. ‘Ik tekende al op mijn derde, en mijn kleuterjuf schreef er verhaaltjes bij die ik haar vertelde. Op mijn vijfde maakte ik mijn eerste boek, en ik heb een heleboel schriften met verhalen en tekeningen,’ vertelt ze. 

    27 2

    Een jaar na haar afstuderen besloten Modan en haar studiegenoot Yirmi Pinkus een groep van onafhankelijke illustratoren op te richten. In 1995 haalden ze Batia Kolton, Mira Friedmann en Itzik Rennert erbij, en als Actus-groep publiceerden ze een aantal stripboeken in Israël en daarbuiten. De meeste waren in het Engels en sommige werden geproduceerd in samenwerking met anderen, onder wie Etgar Keret, David Polonsky en Art Spiegelman. 

    Actus zette de Israëlische stripscene op de kaart en bewees dat het mogelijk was het medium voor allerlei verhalen te gebruiken. ‘We wilden strips maken en hadden geen plek om dat te doen. Ik had een krantencolumn gehad en een boek met Etgar Keret gemaakt,’ zegt Modan, verwijzend naar de graphic novel Nobody Said It Was Going to Be Fun uit 1996. ‘Maar niemand wilde een stripboek publiceren, en dat was wat ik wilde maken. Dus besloot ik dat we het zelf maar zouden doen.’

    Microkosmos

    De hoofdpersoon van Tunnels is Nili, de dochter van een beroemde archeoloog, die met haar zoon een illegale archeologische opgraving op touw zet op de Westelijke Jordaanoever, vlak onder de scheidingsbarrière. Als kind had Nili daar haar vader geholpen bij opgravingen naar schatten uit de Tempel in Jeruzalem, maar de intifada had roet in het eten gegooid. Nu wil ze de missie alsnog volbrengen. Haar vader lijdt aan dementie en ze is vastbesloten de vondst van de verloren Ark van het Verbond op zijn conto te schrijven terwijl hij nog leeft.

    63 2

    Ze weet zich verzekerd van de steun van een rijke verzamelaar van antiquiteiten; bovendien helpen extremistische Joodse kolonisten haar bij het graven. De situatie raakt verhit als ze ontdekken dat Palestijnen op precies dezelfde plek een eigen tunnel graven. Nili’s broer, een jonge archeoloog die droomt van een universitaire carrière, is niet blij met de illegale opgravingswerkzaamheden van zijn zus. Zijn baas op de universiteit is van plan met de eer van Nili’s inspanningen te strijken en ook is er – we zijn nu eenmaal in Israël – een legerofficier in het verhaal betrokken wiens acties nogal bedenkelijk zijn.

    Door de personages en locaties wordt het verhaal een microkosmos van het conflict. 

    Op de vraag of je je extra verantwoordelijk voelt en extra op je tellen moet passen als het om zulk explosief politiek materiaal gaat, antwoordt Modan: ‘Natuurlijk. In onze tijd is dat levensgevaarlijk, en dit boek gaat meer over politieke kwesties dan gewoonlijk. Eerst wist ik niet precies hoe ik dit moest aanpakken. Ik had altijd over mensen uit Tel Aviv geschreven die behoorlijk veel op mezelf leken. En dit keer moest ik over mensen schrijven met een mening en een wereldbeeld die haaks op de mijne stonden. Maar toen begreep ik dat het boek niet over mijn mening hoefde te gaan.’

    Header rutu modan 2

    ‘Als je als Israëlische kunstenaar in het buitenland werkt, verwachten mensen vaak dat je het conflict voor hen zult oplossen, het hun zult uitleggen, boeken zult maken die hun vertellen dat er vrede zal komen en dat alles goed zal aflopen. Ik heb er altijd voor gewaakt mijn mening te geven. Niet omdat ik denk dat mijn standpunten niet belangrijk zijn, maar het zijn volgens mij wel erg beperkte lenzen om naar menselijke situaties te kijken. Dat is goed als het gaat om demonstreren en stemmen, maar met kunst heeft het niets te maken. Tunnels gaat over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Mijn twee eerdere boeken gingen over de Holocaust en terreuraanvallen. Met zijn drieën gaan ze over conflicten die het Israëlische bestaan bepalen.

    Ik zou nooit echt uit Israël weg kunnen gaan, ook al heb ik een beroep dat ogenschijnlijk erg universeel is. Mijn connectie met de taal en de plek heeft helemaal niets met zionisme te maken. Voor mij is wie ik ben, mijn identiteit, gewoon bepaald door die banden.’ 

  • Humorist Colonel Baxter laat wortels dansen en vorken exploderen

    Humorist Colonel Baxter laat wortels dansen en vorken exploderen

    In het hartverwarmende universum van de Engelse tekenaar Glen Baxter (76), excuseer, Colonel Baxter, kan alles. Zijn nieuwste boek New Ways with Vegetables and Other Disasters is opnieuw een staaltje onverstoorbare (Britse) humor en weergaloos taalgevoel. 360 sprak met de kunstenaar.

    Wie altijd de humor kan vinden of een draai weet te geven aan een tragische situatie of aan de saaie tijd die wij nu noodgedwongen beleven, is in het bezit van een waardevol stuk gereedschap. Glen Baxter (Leeds, 1944)  grosseert erin. Er is geen enkele publicatie van hem te vinden die zonder te grinniken kan worden bekeken.

    Maar Baxter is geen komiek, dat zou zijn kwaliteit als kunstenaar tekortdoen. Wat hij tekent interesseert hem, daarna ontstaat de grap pas. Per toeval.

    Baxter koestert, zoals dat heet, het kind in hemzelf en kijkt met die onbevangen blik naar de dingen om hem heen. Vooral naar wat hij als klein jongetje ook al niet begreep, en hem daarom fascineerde.

    New Ways with Vegetables binnenwerk Pagina 28 2

    Net zoals hij in zijn jeugd gegrepen werd door het witte doek in de bioscoop of de avonturenboeken in de bibliotheek. Amerikaanse glamour, westerns en de volstrekt eigen humor van de Marx Brothers. Favoriet was Biggles, een serie avonturenboeken over de fictieve piloot James Bigglesworth, geschreven door de Britse schrijver W.E. Johns.

    Het eerste deel verscheen in 1932; 96 zouden er volgen, totdat de auteur in 1968 overleed, naar verluidt tijdens het schrijven van deel 97. Het originele taalgebruik van Johns, die zijn personages bijvoorbeeld ‘Algy, the Hon. Algernon Montgomery Lacey’ en ‘Ginger Hebblethwaite’ noemde en ellenlange woorden gebruikte, was een bron van inspiratie voor de kolonel.  

    Eten

    Over New Ways with Vegetables and Other Disasters sprak 360 hem over zijn verhouding tot eten. 

    ‘In de loop der jaren heb ik een eindeloze stroom tekeningen over eten gemaakt. Het was mijn Nederlandse uitgever Jaco Groot die voorstelde er een boek van te maken. Onze relatie gaat terug tot 1978, toen hij mij uitnodigde in Amsterdam om een boek te maken met de titel Atlas.

    Een broodje haring bij een van de stalletjes langs de Amsterdamse grachten. Zo ziet de hemel er voor mij uit

    Dat was het begin van een serie tekeningen onder de titel Great Culinary Disasters Of Our Time, gebaseerd op een aantal maaltijden die ik op mijn reizen kreeg voorgeschoteld. Sindsdien ben ik te vinden op het foodfestival in het Franse Bourg-en-Bresse, waar sommige foodtekeningen werden tentoongesteld.’

    Safari

    Er wordt zo veel geweldig ambachtelijk eten gemaakt. Ik ben blij om te zien dat lokaal gekweekte seizoensproducten nog steeds floreren en een speerpunt blijven in de renaissance van het ambacht. Ik heb de streken verkend en mijn tekeningen vier keer per jaar in het tijdschrift L’Actualité Nouvelle-Aquitaine gepubliceerd.

    Onlangs heb ik de fantastische chef Pierre Gagnaire ontmoet, die een 
    wonderbaarlijk lekker diner voor mij en mijn vrouw heeft gemaakt in zijn restaurant Gordes in Parijs. Pierre is echt een kunstenaar. We werken samen aan een boek.

    ‘Het was daar dat ik de grote voedselhistoricus Alan Davidson ontmoette, wiens boeken een enorme inspiratie voor mij zijn geweest. In 1991 kreeg ik een tentoonstelling in Poitiers en raakte in de ban van de lokale keuken van de streek, Poitou-Charentes. Mijn gastheer nam me mee op een gastronomische safari, gelukkig inclusief de wereldberoemde oesters van het Franse eiland Île d’Oléron, evenals de lokale cognac en de fantastische geitenkaasboerderijen daar. 

    Dus mijn avonturen in voedselland gaan gestaag door. Maar uiteindelijk keer ik altijd terug naar een van mijn favoriete plekken om te mogen  proeven van wat voor mij een van ‘life’s great pleasures’ betekent: een broodje haring bij een van de stalletjes langs de Amsterdamse grachten. Zo ziet de hemel er voor mij uit.’

    Humor

    Glen Baxter publiceerde in 2012 het boek Colonel Baxter’s Dutch Safari bij het veertigjarige jubileum van zijn uitgeverij De Harmonie. Bijna elk Nederlands begrip is er in een absurdistische versie terug te vinden. Wim de Bie, een groot fan en verzamelaar van Baxters werk, schreef het voorwoord bij deze bundeling. Uitgenodigd voor een lunch door De Bie zou Baxter grappend gezegd hebben: ‘Krijg ik dan eindelijk het Baxtermuseum eens te zien?’

    Bij aankomst hing er op de voordeur inderdaad een bordje ‘Baxter Museum’ en Wim de Bie verwelkomde Baxter verkleed als suppoost. Hij kreeg een toegangskaartje en elke bezoeker moest naam en adres achterlaten in een daarvoor bestemd boek. Binnen stonden Kees van Kooten en Jan Mulder, met de handen achter hun rug, heel serieus naar zijn tekeningen te kijken. Over humor gesproken. 

    New Ways with Vegetables and Other Disasters van Glen Baxter verschijnt bij uitgeverij De Harmonie.

    Baxter New Ways with Vegetables 1 1

  • Een stem als schuurpapier en fluweel

    Een stem als schuurpapier en fluweel

    Het luisterboek maakt ook in Amerika gouden tijden door. De sonore bariton van inspreker Grover Gardner is een van de meest geliefde stemmen uit het vak.

    Als Grover Gardner naar zijn werk gaat, kan hij bepaalde dingen niet dragen. Geen horloge. Geen sieraden. Geen gesteven overhemd. Geen gesteven wat dan ook. Niets wat kan ritselen, tikken, rammelen of op een andere manier geluid kan maken. ‘Het grootste deel van de dag zie ik eruit als een zwerver,’ zegt hij. Die dresscode hoort bij zijn beroep: Gardner is een van de meest gewaardeerde en geliefde stemmen in de wereld van het luisterboek.

    Onder de ruim twaalfhonderd boeken die Gardner heeft ingesproken, zijn Alexander Hamilton van Ron Chernow, The Stand van Stephen King (speelduur: 48 uur) en de vier tot dusver gepubliceerde delen van The Years of Lyndon Johnson van Robert Caro. De inwoner van Medford (Oregon) werd in 2005 uitgeroepen tot Luisterboekinspreker van het Jaar en staat op de lijst met ‘De beste stemmen van de eeuw’ van het tijdschrift Audiofile. Gardner heeft ook een Audie gewonnen, de Oscar in de wereld van het audioboek. Zelfs als je zijn sonore bariton – door een criticus ooit omschreven als ‘schuurpapier en fluweel’ – over de telefoon hoort, is dat een ervaring waarvoor je best 
zou willen betalen.

    Het luisterboek maakt gouden tijden door, een lichtpuntje in uitgeversland, waar zelfs de verkoop van e-boeken is gedaald. ‘We zien de afgelopen vijf jaar zowel in aantallen als in dollars een groei van meer dan 10 procent,’ vertelt Michele Cobb, directeur van de Audio Publishers Association. ‘Luisterboeken zijn tegenwoordig heel populair.’

    Enorme groei

    Momenteel worden er in de VS jaarlijks ongeveer vijftigduizend audioboeken opgenomen, terwijl de verkoop het afgelopen jaar met 20 procent steeg. 
‘We zagen al een enorme groei met de opkomst van de iPod en daarna in de afgelopen tien jaar met de smartphone,’ aldus Cobb. Diensten zoals Audm, dat gebruikmaakt van professionele insprekers (zoals Gardner) die hun stem lenen aan lange artikelen die in media zoals The New Yorker en ProPublica worden gepubliceerd, en Libro.fm, dat een abonnement 
aanbiedt op een bibliotheek met meer dan honderdduizend luisterboeken, werken aan een verdere verbreding van de audiomogelijkheden voor luisteraars. Maar ondanks alle technologische innovaties die de evolutie van het luisterboek hebben versneld, is de schermvrije, paginavrije aantrekkingskracht bijna primitief en grijpt terug op een diepgewortelde mondelinge traditie. Er gaat iets onmiskenbaar 
kalmerends van uit als je wordt voorgelezen, zelfs 
als het verhaaltje voor het slapengaan niet zozeer een sprookje als wel een thriller is.

    Ondanks alle lofbetuigingen, en hoe intiem de relatie tussen verteller en luisteraar ook kan zijn, is Gardner zich er zeer goed van bewust dat je zijn naam waarschijnlijk niet kent. En zo wil hij het ook graag. ‘Ze zeggen weleens: “Man, wat een geweldig boek. Maar wie het heeft ingesproken? Dat weet ik niet meer.” En dat is prima,’ zegt hij. ‘Ik ben blij dat 
je vergeten bent wie ik ben en dat je het boek geweldig vond, want dat is mijn werk.’

    In 1981 deed Gardner als jong acteur in Washington auditie bij het Talking Book-programma voor visueel gehandicapten van de Library of Congress, wat uiteindelijk leidde tot het onverkort opnemen van werken voor Books on Tape [pionier in de luisterboekenbranche. Het bedrijf is tegenwoordig onderdeel van uitgever RandomHouse). De leesboekbranche zag er destijds heel anders uit: de grote uitgeverijen deden weinig in luisterboeken en de audioboeken die ze wel uitbrachten waren ingekort en werden ingesproken door bekende personen. De beperkte hoeveelheid onverkorte luisterboeken die werden uitgebracht, zat verpakt in lelijke dozen met tientallen cassettes – en later in lelijke dozen met cd’s. Halverwege de jaren negentig veranderde alles; de verspreiding van het internet maakte het voor luisteraars mogelijk om eenvoudig onverkorte luisterboeken te kunnen downloaden. In 1995 werd de internetgigant voor luisterboeken Audible, nu een dochter van Amazon, opgericht. Volgens de Audio Publishers Association werd meer dan 87 procent van de in 2016 verkochte luisterboeken gedownload.

    Gardners lievelingstitels zijn onder andere The Civil War van Shelby Foote, News of the World van Paulette Jiles, The Cider House Rules van John Irving, The Adventures of Augie March van Saul Bellow (‘dat is van jaren geleden, maar ik krijg er nog steeds e-mails over’), David Rosenfelts mysteriereeks over Andy Carpenter en 
de Lyndon B. Johnson-biografie. (‘Man, ik hoop dat Caro de vijfde af heeft voor ik te oud ben om in te spreken en mijn tanden eruit vallen,’ zegt Gardner. ‘Van mij mag hij er nog tien schrijven, want ik vind ze prachtig.’)

    Grover Gardner.
    Grover Gardner.

    Gardner begint elk project, niet geheel verrassend, met het lezen van het desbetreffende boek en met een gedetailleerde visualisatie van de personages 
en gebeurtenissen die erin worden beschreven. Dat werkt: zijn vertelling roept levendige beelden op van de situatie, of het verhaal zich nu afspeelt in de straten van New York in Joseph Mitchells Up in the Old Hotel of langs de oevers van de Mississippi in The Adventures of Huckleberry Finn. ‘Als je de situatie in je hoofd naspeelt, is dat wat de luisteraar te horen krijgt,’ legt Gardner uit. Bij dat naspelen maakt hij ook veel bewegingen in de opnamestudio (vandaar de zo goed als geluidloze kleding die hij draagt), onmisbaar, ook al ziet het gehoor er niets van – zo schuift hij tijdens een gesprek tussen twee personages heen en weer of maakt hij driftige gebaren om een ruzie kracht bij te zetten. Hij moet er alleen wel voor zorgen dat hij vlak bij de microfoon blijft.

    Op een gemiddelde dag brengt een inspreker tussen de vier en zes uur door in de studio. Een uur band kost twee à tweeënhalf uur opnemen. (Volgens 
Business Insider kunnen insprekers die geen bekende persoonlijkheid zijn 100 tot 500 dollar per uur definitieve band vragen.) Gardners langste project was het elfdelige The Story of Civilization van Will en Ariel Durant. Hij deed bijna duizend uur over dat boek – meer dan 41 achtereenvolgende dagen achter de microfoon. ‘Een van de aardige complimenten op Audible over dat boek is van iemand die opmerkt dat het net lijkt alsof ik nooit heb gepauzeerd,’ herinnert Gardner zich. ‘Het is belangrijk dat je het hele boek door voortdurend je energie en je stem op hetzelfde niveau houdt. Je wilt niet dat het klinkt alsof je er eeuwen over hebt gedaan om het in te spreken. Je wilt dat het klinkt alsof je het in één ruk hebt voorgelezen.’

    Anders dan bij toneel, waarbij bereik heel belangrijk is, hoeft Gardner voor zijn werk niet zo behoedzaam met zijn stembanden om te gaan, hoewel hij wel behoorlijk voorzichtig is met luide gesprekken in rumoerige cafés en met iets vervelends als verkoudheid. Maar hij benadrukt herhaaldelijk dat het inspreken van luisterboeken lichamelijk een zware baan is. ‘Als een auteur besluit dat hij zijn boek wil inspreken, is het eerste wat hij zegt: “Wat is dat ongelooflijk vermoeiend!”’ vertelt Gardner, die 
ook studioregisseur is voor de uitgeverij van luisterboeken Blackstone Audio.

    ‘Ik noem geen namen, maar er is een auteur die we echt hebben moeten overtuigen,’ vertelt Chris Lynch, directeur en uitgever van Simon & Schluster Audio. ‘Ze had enkele van haar boeken ingesproken en wij zeiden: “De recensies zijn niet best. We willen er nu graag een acteur voor vragen.” En de auteur wilde wat het beste was voor het boek, dus uiteindelijk ging ze ermee akkoord.’

    Gardner beschrijft de wereld van het audioboek als een hechte, hartelijke gemeenschap, en ook een steeds verder opbloeiende, duidelijk recessiebestendige branche

    Gardners advies aan aspirant-insprekers is om je met een digitale recorder en een boek terug te trekken in een kamer en zonder te stoppen een uur lang voor te lezen. ‘Zeg me dan of je het nog steeds wilt worden. Het antwoord is vaak nee,’ vertelt hij. ‘Als je gaat 
analyseren welke componenten allemaal nodig zijn voor het goed inspreken van een luisterboek, zul 
je versteld staan. Alle dingen waarmee je aan het goochelen bent in je hoofd, je lijf, je keel en je stem.’

    Zelfs geroutineerde insprekers van voice-overs vinden luisterboeken ‘een totaal andere discipline’. ‘Als je afkomstig bent uit een wereld waarin het erom gaat dat je de aandacht trekt met je stem, dat je de luisteraar moet boeien – Morgen, grote uitverkoop! – dan werkt dat niet bij luisterboeken,’ legt Gardner uit. ‘Als ik luister naar de klank van je stem, mis ik de inhoud van het boek. In ons werk gebruiken we vaak het woord ‘transparantie’. Je wilt dat mensen vergeten. Je wilt dat mensen opgaan in het verhaal.’ Hij citeert de vuistregel die een bevriende producer hanteert bij het evalueren van luisterboekaudities: ‘Als ze dertig seconden nadat ze op ‘play’ heeft gedrukt helemaal in het verhaal zit, is het goed. Als ze nog steeds nadenkt over de klank van de stem van de 
verteller, is het niet goed.’

    Gardner beschrijft de wereld van het audioboek als een hechte, hartelijke gemeenschap, en ook een steeds verder opbloeiende, duidelijk recessiebestendige branche. ‘Voor de luisteraars van audioboeken is het luisterboek het laatste wat ze opgeven,’ zegt hij. En veel luisteraars zijn net zo verknocht aan hun favoriete insprekers. Zo zijn er de opnames van de Harry Potter-boeken door Jim Dale en Stephen Fry, elk met een verbijsterend uitgebreide, driedimensionale keur aan personages. Voor velen is David Sedaris’ onmiskenbare, lichtelijk nasale stemgeluid (zoals te horen op NPR en This American Life, maar ook op opnames van zijn eigen boeken) onlosmakelijk verbonden met zijn proza. Toni Morrison spreekt haar romans in met dezelfde bedachtzaamheid en poëzie als waarmee ze die heeft geschreven. Het overlijden van Tom Wolfe en Philip Roth zou fans ertoe kunnen aanzetten om nog eens van het werk van Harold N. Cropp te genieten, wiens verbale acrobatiek zo prachtig het beeldende proza van Wolfe verwoordt, of van Ron Silver, die Roths Joodse personage uit New Jersey heel mooi neerzet.

    Bekende persoonlijkheden worden weleens ingezet als inspreker, zoals Anne Hathaway (The Wonderful Wizard of Oz) en Nicole Kidman (To the Lighthouse van Virginia Woolf), maar het gebeurt eigenlijk zelden. ‘Ik denk niet dat Scarlett Johansson een concurrente van me is bij het binnenhalen van inspreekwerk voor luisterboeken,’ zegt Gardner. Soms leidt het tot een schitterend resultaat, zoals bij Colin Firth die The End of the Affair van Graham Greene voorleest, maar niet vaak. ‘Een beroemd acteur is wel goed voor de publiciteit, maar die zakt in als de beroemde acteur geen beroemde verteller blijkt te zijn,’ aldus Chris Lynch. ‘Tegenwoordig weten de fans wie de goede vertellers zijn. Uiteindelijk kan het hun niets schelen of het een bekend iemand is of niet.’

    Wat betreft zijn eigen status als bekend persoon: Gardner wordt zelden herkend. Het is weleens gebeurd in een vliegtuig en een keer door de postbode. ‘Mensen zeggen weleens: “Ken ik uw stem niet van een reclamespotje?” Dan zeg ik: “Nee, waarschijnlijk niet.”’ Maar dat ontbreken van roem wordt ruimschoots goedgemaakt door het voorrecht om dit unieke werk te kunnen doen, een onemanshow in de ware zin van het woord. ‘Je bent niet alleen de verteller. Je bent de regisseur. Je bent de decorontwerper, de decorbouwer, de choreograaf,’ vertelt Gardner. ‘Je bent de casting director, want je moet uitzoeken wie al die mensen zijn en hoe ze moeten klinken. In geen ander onderdeel van het acteursvak heb je zo veel zeggenschap over de aanpak van het materiaal.’

    ‘En je leest een paar van de beste verhalen die ooit geschreven zijn,’ voegt hij eraan toe. ‘Daar kan niets tegenop.’

    Auteur: Molly Fitzpatrick
    Vertaler: Paul Bruijn

    Openingsbeeld: © The Preiser Project

    The Village Voice
    Verenigde Staten | villagevoice.com

    Eerste alternatieve weekblad van Amerika, vernoemd naar de wijk Greenwich Village. Het tijdschrift werd in 1955 mede opgericht door Norman Mailer en won in zijn bestaan drie Pulitzerprijzen. Sinds 2017 verschijnt The Voice alleen nog digitaal.

  • ‘Niemand wist hoe je over Trump moest schrijven. Ik wel’

    ‘Niemand wist hoe je over Trump moest schrijven. Ik wel’

    Deze week verscheen de Nederlandse vertaling van Fire and Fury, de onverbiddelijke bestseller over Donald Trump. Het Duitse weekblad Die Zeit sprak met auteur Michael Wolff over zijn toegang tot het Witte Huis, 
de kritiek op zijn boek en de wraakzucht van Trump.

    U beschrijft in uw boek de eerste maanden van Donald Trump in het Witte Huis, en u beweert dat hij mentaal niet in staat is om zijn werk te doen. U zet daarmee fundamentele vraagtekens bij het presidentschap van Donald Trump. Was dat uw opzet?

    ‘Het was niet mijn bedoeling Trump 
te beschadigen. Ik had met plezier een ander boek geschreven, over Trump 
als succesvol president. Eigenlijk had 
ik dat zelfs heel graag gedaan, want 
dat zou pas een bijzonder boek zijn geweest. Maar ik heb daar geen enkele aanwijzing voor gevonden.’

    Klopt het dat president Trump na het 
verschijnen van uw boek informatie heeft 
ingewonnen over uw afspraken met de pers? Houdt hij u in de gaten?

    (lacht) ‘Ja, blijkbaar wel. Als hij dat serieus meent, dan zal hij de afgelopen tijd veel tijd voor de televisie hebben doorgebracht.’

    Uw boek heeft enorme gevolgen. Trump heeft zijn voormalige chef-adviseur Steve Bannon zo goed als buitenspel gezet en 
probeert via Twitter te bewijzen dat hij mentaal stabiel is. Wat mogen we allemaal nog meer verwachten?

    ‘Dat weet ik eerlijk gezegd ook niet. Ik had dit allemaal totaal niet verwacht. Het gaat tenslotte maar over een boek. En veel van wat ik schrijf is absoluut niet nieuw.’

    U geeft heel wat voorbeelden die erop wijzen dat Trump geestelijk gestoord zou zijn. U schrijft dat hij oude vrienden van 
zijn golfclub niet meer herkent, dat hij voortdurend en steeds vaker hetzelfde 
zegt. Lijdt de president aan dementie?

    ‘Dat kan ik niet zeggen, ik ben geen arts. Maar als je een gesprek voert met iemand die voortdurend alles herhaalt, dan vind ik dat toch alarmerend.’

    ‘Toen ik zei dat ik een boek wilde schrijven, zei hij: ‘Een boe-oek?’ En verloor onmiddellijk zijn interesse’

    Kunt u iets meer vertellen over een van 
de keren dat u Trump in het Witte Huis hebt ontmoet?

    ‘Nee.’

    Waarom niet?

    ‘Omdat die ontmoetingen niet on the record waren, ze waren niet voor publicatie bedoeld. Hij begon telkens weer over de media. Als ik hem in de wandelgangen tegenkwam, begon hij bijvoorbeeld te klagen over de latenightshows… ik zei dus net dat ik niet over deze ontmoetingen zou praten en nu doe ik het toch, maar goed. Er was een grappig voorval toen hij eens begon te klagen over de uitzendingen van Saturday Night Live. Hij zei: “Die zijn slecht, die zijn zeer, zeer slecht.” En ik antwoordde: “Ach, dat is toch gewoon wat de mensen van dit programma verwachten.” Waarop hij antwoordde: “Maar ze zijn zeer, zeer slecht.” En ik zei: “Trekt u zich dat toch niet zo aan. Negeert u dat toch gewoon.” En hij keek me aan en zei: “Maar Michael, ze zijn zeer, zeer, zeer slecht.” En ik dacht: Okééé…’

    Hoe vaak hebt u hem ontmoet?

    ‘Niet zo vaak. Maar dat hoefde ook niet, want het boek gaat over wat mensen die elke dag met hem samenwerken over hem denken.’

    U kon de eerste maanden van zijn presidentschap bijna ongehinderd het Witte Huis binnenlopen. Hoe heeft u het voor elkaar gekregen om Trump van uw boekproject te overtuigen?

    ‘Ik heb hem na de verkiezingen gevraagd of ik een boek mocht schrijven over zijn eerste honderd dagen als president. Hij dacht eerst dat ik op zoek was naar werk. Maar toen ik zei, nee, nee, ik zoek geen baan, ik wil een boek schrijven, zei hij – ik herinner me dat nog heel goed: “Een boe-oek?” Toen verloor hij onmiddellijk zijn interesse. Daarna zei ik nog dat ik heel graag een boek wilde schrijven, en hij zei alleen nog: “Ach, ach, ja natuurlijk.” Ik heb Kellyanne Conway [een van Trumps belangrijkste adviseurs] daarvan op 
de hoogte gebracht en vervolgens dook ik op geregelde tijdstippen op in het Witte Huis.’

    Hoe moeten we ons dat precies voorstellen?

    ‘Ik liet gewoon afspraken maken voor mezelf. Ik zei dat ik met goedkeuring van de president aan een boek bezig was, en omdat niemand precies wist hoe de vork in de steel zat, kon ik daar bij momenten hele middagen gewoon gaan zitten en kijken hoe het er toegaat. Hoe vaker ze me zagen zitten, 
hoe meer ze me als een deel van het meubilair gingen beschouwen. Soms kwam iemand me zomaar iets vertellen en soms hing ik gewoon wat rond in de West Wing.’

    Kan dat zomaar? Is die niet streng beveiligd?

    (lacht) ‘Je kunt daar inderdaad zomaar rondlopen.’

    Wat deed u anders dan de andere journalisten in het Witte Huis?

    ‘Om heel eerlijk te zijn, stelde ik niet eens vragen. Ik zat daar op een bank in de hal te wachten op mijn afspraak en ik hield mijn ogen en oren open. Ik was als een spons die alles opzoog.’

    Waar was u het bangst voor?

    ‘Dat Rupert Murdoch, de grote mediabaas, lucht zou krijgen van mijn boek en Trump zou vertellen dat hij me eruit moest gooien. Ik vreesde dat Murdoch mijn achilleshiel was.’

    *Murdoch heeft u ooit lange tijd uitgebreid toegelaten tot zijn inner circle, waarna u een heel kritisch boek over hem hebt geschreven. *

    ‘Ja, en toch heeft hij Trump vreemd genoeg nooit voor mij gewaarschuwd. Hoewel ze regelmatig met elkaar telefoneren.’

    Afgezien van Trump zelf is het bijna onvoorstelbaar dat zoveel medewerkers openlijk met u over de president hebben gepraat.

    ‘Ik had het gevoel dat niemand wakker lag van een boek dat pas over een jaar of zo zou verschijnen. Soms hadden 
we een gesprek off the record, waarna 
ik vroeg om bepaalde uitspraken te mogen gebruiken voor het boek. Toen ze vroegen wanneer het zou verschijnen en hoorden dat dat pas over een jaar zou zijn, leek dat zo ver weg dat 
ze het allemaal prima vonden.’

    Michael Wolff. © Nathan Congleton / Getty Images
    Michael Wolff. © Nathan Congleton / Getty Images

    U schrijft dat de medewerkers van Trump heel anders over hem zijn gaan denken in 
de zes maanden dat u daar was. Hoezo?

    ‘In het begin vond iedereen het leuk om die eigenaardige, maar door het volk verkozen president bij te staan. De meesten kenden hem helemaal niet. 
Bij andere regeringen hadden de medewerkers al twee of drie jaar samengewerkt met de presidentskandidaat, voor hij het Witte Huis introk, maar Trump had niet zo’n ingewerkt team. Tijdens mijn laatste weken in het Witte Huis, toen Trumps medewerkers hem bij het dagelijkse werk hadden leren kennen, waren ze allemaal compleet gedesillusioneerd door zijn woedeaanvallen, zijn koppigheid en door het feit dat zijn kinderen uiteindelijk meer gezag hadden dan zijn ervaren medewerkers.’

    U schrijft dat alle medewerkers er inmiddels van overtuigd zijn dat er aan hun baas iets schort en dat hij niet voldoet aan de hoge eisen van het presidentschap. Waarom houden de meesten er dan niet mee op?

    ‘Aan de ene kant gaat het om hun carrière. Maar ik denk dat ze gewoon ook het ergste willen voorkomen. Ze zijn er om hem zoveel mogelijk op het goede spoor houden. Zijn medewerkers proberen Trump onder controle te houden, hoewel ze weten dat hij niet onder controle te houden is. Het zijn geen mensen die bewondering hebben voor de man voor wie ze werken. Ze zien het min of meer als hun taak het land voor Trump te beschermen.’

    Een van uw belangrijkste gesprekspartners in het Witte Huis was Steve Bannon, die u beschrijft als een briljant strateeg. Bannon moet toch precies geweten hebben met wie hij zo openlijk over Trump in gesprek ging en wat de risico’s daarvan waren.

    ‘Bannon raakte steeds gefrustreerder over Trump en hij zag hem in toenemende mate als een probleem voor zijn nationalistische project. Bannon was ervan overtuigd dat zijn kandidaat Roy Moore bij de tussentijdse verkiezingen voor de senaat in Alabama zou winnen en dat hij daarna afstand zou kunnen nemen van Trump. Want Moore had Bannon in zijn functie van kingmaker bevestigd. En Bannon zou mijn boek hebben gebruikt om zich te distantiëren van Trump, die hij steeds meer als een idioot begon te zien.’

    Bannon heeft intussen een van zijn 
uitspraken over Trumps oudste zoon, Donald Trump Junior, teruggenomen…

    ‘Nee, hij neemt die uitspraak niet terug, dat klopt niet. Hij zegt alleen dat zijn beschuldiging van landverraad niet tegen Donald Junior gericht was, maar tegen Paul Manafort [een andere Trump-adviseur]. Wat absurd is.’

    ‘Zijn medewerkers zien het als hun taak het land voor Trump te beschermen’

    Zou u Bannon die uitspraak op tape terug kunnen laten horen?

    ‘Hij weet dat ik dat opgenomen heb. En daarom heeft hij ook zijn andere uitspraken over Donald Trump Junior niet teruggenomen, bijvoorbeeld dat hij meteen zou breken bij een ondervraging door speciaal aanklager Robert Mueller. Bannon wil de schade beperken, maar hij kan zijn uitspraken niet terugnemen.’

    Veel journalisten hebben gepoogd Trump politiek te verklaren. Uw boek gaat bijzonder weinig over politiek…

    ‘Dat is puur en alleen omdat ik denk dat politiek Trump niet interesseert. Volgens mij moet je Trump niet proberen te verklaren door te beschrijven hoe hij de hervorming van het zorgstelsel aanpakt. Dat is niet het verhaal. De journalisten in Washington wisten van meet af aan niet hoe ze over Donald Trump moesten schrijven. Ik ontdekte hoe het moet. En het lijkt de lezers te overtuigen.’

    Volgens critici hebt u succes met uw boek omdat u Trumps tegenstanders bevestigt 
in hun afkeer.

    ‘Welnee, mijn boek bevestigt niets, 
het is Harry Potter!’

    ‘Hij is de eerste president in de geschiedenis van de Verenigde Staten die een klacht indient wegens smaad en schending van de morele levenssfeer’

    Eigenlijk komt uw argumentatie erop neer dat een man die zich gek en dom gedraagt, misschien gewoon gek en dom ís. Dat is gevaarlijk. The New York Times verwijt u dat uw kritiek niet gefundeerd is.

    ‘Ik denk dat The New York Times even verrast was door mijn boek als Trump zelf. De krant dacht dat het verhaal van Trump haar toebehoorde. En toen kwam ik op de proppen, een onafhankelijke journalist, een buitenstaander die niet tot de journalistieke en politieke kringen in Washington behoort. En nu zijn ze verontwaardigd dat ik er met de scoop van de eeuw vandoor ben gegaan.’

    Trump staat erom bekend dat hij erg wraakzuchtig kan zijn. Bent u niet bang voor bijvoorbeeld een onverwachte belastingcontrole?

    (lacht) ‘Ja, hij is echt heel wraakzuchtig. Hij heeft al een klacht tegen me ingediend! Hij is de eerste president in de geschiedenis van de Verenigde Staten die een klacht indient wegens smaad en schending van de morele levenssfeer. Naar mijn mening is dat een contradictie, als je president bent van de Verenigde Staten. Dus ja, hij is wraakzuchtig. Maar hij is ook incompetent, en daarom maak ik me niet echt zorgen.’

    En hoe zit het met extremistische Trump-aanhangers? Het huis van de vrouw die Roy Moore in Alabama ten val heeft gebracht door hem ervan te beschuldigen dat hij haar als kind heeft aangerand, is onlangs in vlammen opgegaan.

    ‘Die arme vrouw woont in Alabama, ik woon in Greenwich Village in New York. Ik woon niet te midden van de Trump-aanhangers. Ik denk dat een Trump-fanaat op West 9th Street nogal zou opvallen.’

    Oprah Winfrey heeft laten weten dat ze er ‘serieus over nadenkt’ in 2020 op te komen als presidentskandidaat voor de Democraten. Hebt u haar al een nieuw boekproject voorgesteld?

    (lacht) ‘Goed idee!’

    Auteur: Kerstin Kohlenberg
    Vertaler: Els Snick

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • In de ban van de boom

    In de ban van de boom

    De Duitsers hebben altijd een liefdevolle verhouding met hun bossen gehad. Geen wonder dus dat een boek over het verborgen leven van bomen een bestseller werd. Maar tegelijk neemt het houtverbruik bij onze oosterburen toe. Een reportage over houthakkers en bomenknuffelaars, en over de vraag of bomen kunnen voelen.

    Hoe het hart van een land eruitziet, wordt ook in zijn periferie bepaald. In bowlingcentra, cafés, verenigingsgebouwen. En zelfs in het bos. Dus is het van belang dat op deze winterochtend in Oberbayern een boom valt. 
Vannacht heeft het gesneeuwd, maar nu is het bos onder een vale lucht druppend aan het ontdooien 
en valt er natte sneeuw van de takken. Horen doe je dat niet, want midden in het winterlandschap is 
een dreunende en dampende machine, voorzien 
van grijparmen, zagen, walsen en messen, zich als een hongerig insect door het bos heen aan het bijten. De gevelde boom wordt stevig vastgepakt: een spar, misschien wel negentig jaar oud. Sneeuw spat op, boomschors barst, spaanders vliegen in het rond. 
Een paar tellen later ligt de stam in stukken op de grond, pasklaar voor op de vrachtwagen, vakkundig doorgesneden als een gehalveerd varken.

    Op een paar meter afstand staat een man roerloos toe te kijken. Laarzen en spijkerbroek, gewatteerde jas en vilthoed, grijs haar en een montere blik. De Beierse boseigenaar Florian von Schilcher (1944), 
de zesde generatie van een adellijke familie, ziet 
deze ochtend bomen vallen die zijn opa Hubert 
heeft geplant.

    Voelt hij weemoed? ‘Ach, welnee! Bomen groeien om te worden gekapt,’ zegt Von Schilcher. Hij vindt het goed om te zien dat waar zojuist nog de oude boom stond er nu licht en ruimte is, zodat de volgende 
spar ‘gas kan geven’. Over een paar decennia zullen zijn zoons of kleinkinderen die vellen.

    Zo simpel is dat.

    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke
    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke

    Hetzelfde jaar, dezelfde winter, hetzelfde land, 
alleen een ander deel van de periferie en een ander bos, waar een uit de kluiten gewassen man in een olijfgroen boswachterspak boven de bladeren en 
takken uitsteekt. Het is muisstil, alleen kraakt er zo nu en dan een tak in het gemeentebos van het Eifeldorp Hümmel in Rheinland-Pfalz. De man in het bos draagt een bril met een zwart montuur en heeft een baard van drie dagen; hij zou zomaar een therapeut uit de grote stad kunnen zijn. Plotseling gaat hij op zijn hurken zitten en veegt oude bladeren, mos en modder weg. In de grond zit iets ruws. Knoestig, donker, dood. ‘Schraapt u er maar eens overheen,’ zegt hij. ‘Wel voorzichtig.’ Onder het donker wordt het licht. Dat is hout. Leven.

    Een paar jaar geleden was het Peter Wohlleben zelf die – nieuwsgierig en onthutst – met zijn zakmes over deze donkere klomp schraapte. Een oeroude boomstronk, het overblijfsel van een beuk. Hoe kon die nog leven, zonder stam, zonder bladeren, zonder fotosynthese? Met biologen van de nabijgelegen 
Universiteit van Aken bekeek Wohlleben de stronk in het bos nauwkeuriger. Kennelijk pompten de bomen eromheen al vierhonderd jaar een suikeroplossing naar hun verminkte soortgenoot, via diens wortels. ‘Dat noem ik nou burenhulp,’ zegt Wohlleben.

    Peter Wohlleben (1964) is de afgelopen tijd een beroemdheid geworden. In zijn afgelegen 
boswachtershuis heeft hij een boek geschreven dat de Duitsers recht in het hart treft. Het verborgen leven van bomen stond in 2015 het langst boven aan de 
bestsellerlijst voor non-fictie van Der Spiegel. De boodschap: bomen zijn niet alleen dingen, maar ook wezens. Het zijn ‘oude vrienden’ van elkaar. Maar ook van de mens. Inmiddels hebben 400.000 Duitsers het boek gekocht.

    Florian von Schilcher mag dan waarschuwen voor ‘behaaglijkheidslectuur’ en een ‘nieuwe romantisering’ van het bos, Peter Wohlleben krijgt onophoudelijk uitnodigingen voor debatten en aanvragen 
voor seminars. En liefdesbrieven van alleenstaande vrouwen, die zijn boek onder – jawel – de kerstboom hebben gelezen.

    Zo gecompliceerd ligt dat.

    Het bos is zo Duits als brood en bier

    De twee mannen wonen hemelsbreed 500 kilometer van elkaar vandaan en schelen twintig jaar in leeftijd. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet. Hun confrontatie komt alleen tot stand door een journalistieke constructie, het onderzoek voor deze reportage. Je zou de twee en hun meningsverschillen simpelweg kunnen laten voor wat ze zijn, ware het niet dat de Duitsers hun liefde voor het bos uitgerekend hebben ontdekt in een tijd waarin ze heel veel bomen voor zichzelf laten kappen.

    Vrijwel iedereen zal zichzelf hierin herkennen: wie hout koopt, voelt zich goed, of het nu om speelgoed, meubilair of terrasdelen gaat. Wie hout koopt, is een goed mens. Dat daarvoor bomen moeten sneuvelen, wordt snel vergeten.

    Onderzoekers van de universiteit van Hamburg schatten het jaarlijkse ‘boshoutverbruik’ van de Duitsers op 1,06 kubieke meter per persoon. De vraag van 
articuliere huishoudens is tussen 1990 en 2010 verdubbeld. Hout geeft warmte, ook als het niet brandt. Als het wel brandt, dan geeft het des te meer warmte: verwarmen met hout geldt als knus en effectief tegelijk. In het afgelopen decennium is het aantal pelletkachels verviervoudigd. Voor het eerst sinds meer dan honderd jaar wordt in Duitsland weer meer hout verbrand dan er in de bouw wordt gebruikt. Volgens Von Schilcher is de houthonger in Duitsland alleen te stillen met snelgroeiende bomen, gekapt zonder rekening te houden met welk wezen ook.

    Wohlleben vindt dat een redenering die zo van iemand uit de bio-industrie zou kunnen komen. Von Schilcher vraagt zich hierop af wat er aan levensvreugde 
overblijft als we allemaal vegetariër zouden worden. Het antwoord van Wohlleben: tot nog toe heeft dat niemand kwaad gedaan.

    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Het debat, dit artikel, de bestseller: ze zouden er 
allemaal niet zijn als Peter Wohlleben een boek had geschreven over het verborgen leven van de suikerbieten. Of over tarwe. Maar het bos? Dat is voor de Duitsers meer dan een verzameling bomen. In het bos wortelt de nationale identiteit, het is natuurlijk en cultureel erfgoed, de Germaanse geesteswereld, die sprookjes en mythen voortbrengt.

    In het bos was Hermann de Cherusk de Romeinen te slim af. In het bos nam Siegfried een bad in drakenbloed. In het bos daar zijn de rovers. Hans en Grietje verdwaalden in het bos. Joseph von Eichendorff noemde het bos de ‘echokamer van de ziel’, Caspar David Friedrich schilderde de ene boom na de andere. Schilderijen, lyriek en prentenboeken met het bos 
als thema vullen musea en bibliotheken. Het bos is zo Duits als bier en brood.

    In moeilijke tijden trekken de Duitsers zich terug in het bos, als wild waarop wordt geschoten. Onthaasting en escapisme, in elk geval mentaal. Een dood vluchtelingenkind op het strand? Poetins strategische spelletjes met Syrië? Aanrandingen op het domplein in Keulen? In het bos, waar geen televisie is en op plekken geen bereik, is nog aan nieuws te ontsnappen. Bos is wellness. Een vlucht uit de werkelijkheid, zoals ooit in de romantiek.

    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons
    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons

    Er is geen romanticus te bekennen wanneer op een waterkoude ochtend in het bos van Von Schilcher 
de kettingzagen beginnen te huilen. Zoals zoveel branches besteedt ook de bosbouw al sinds lange tijd opdrachten uit aan externe bedrijven, die het zware werk door seizoenarbeiders laten doen.

    En dus kijkt Florian von Schilcher toe hoe twee zwijgzame Roemenen zich door het kreupelhout heen werken. Vlad en Vasile zwaaien met hun 
kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer in Rambo. Ze hebben opdracht om jonge beuken weg te halen en ‘zo andere bomen in staat te stellen te groeien,’ zegt Von Schilcher. En wel zo veel mogelijk sparren. Waarom eigenlijk?

    ‘De beuk is vanaf het eerste tot het laatste moment van zijn leven een bron van ergernis,’ zegt Von Schilcher.
De bladeren nemen te veel licht weg voor andere bomen. De stam vertakt zich te vroeg in een brede kruin, waarmee je vrijwel niets kunt beginnen. 
‘En een beuk die omvalt, slaat in als een bom. Daar groeit dan de eerste jaren niets meer.’

    Vlad en Vasile zwaaien met hun kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer

    De strijd tussen Wohlleben en Von Schilcher ontbrandt al bij dit detail, dat voor beiden geen detail is. De beuk is namelijk de meest Duitse van alle Duitse bomen, meer nog dan de eik. Als Peter Wohlleben groepen rondleidt door het bos bij Hümmel, laat hij hen vierduizend jaar oude beuken zien, en zegt: ‘Zo zag het er vroeger in vrijwel het hele land uit.’ Voordat kolenbranders, mijnwerkers en scheepsbouwers Europa in de zeventiende eeuw in belangrijke mate hadden ontbost, was het gebied dat tegenwoordig Duitsland heet grotendeels bedekt met beukenbossen. Nog altijd buigen taalonderzoekers zich over de vraag of de Duitse woorden Buch en Buchstabe zijn ontstaan doordat de Germanen hun runen in het harde hout van de beuk [Buche in het Duits] krasten.

    Wohlleben vraagt zich af: waarom niet laten groeien wat inheems is? De spar is een importplant. Hij noemt die een ‘boom voor luie mensen’. Sparren groeien niet naar het licht, maar kaarsrecht tegen de aantrekkingskracht van de aarde in, snel en pasklaar 
de zagerij in. Desondanks, vindt Wohlleben, doen ze alleen maar alsof ze rendabel zijn. In warme zomers worden ze aangevreten door kevers. En bij een storm kieperen ze om, omdat ze ondiepe wortels hebben. De beuk daarentegen wortelt diep en opent zijn kruin als een waaier om elke drup regen op te vangen. ‘Welke boom zou nou beter zijn opgewassen tegen 
de opwarming van de aarde?’

    Von Schilcher vindt het grappig dat uitgerekend een eco-auteur zich uitspreekt tegen het idee van duurzaamheid. Hij vertelt dat Hans Carl von Carlowitz, net als Von Schilcher van adel, in 1713 in een manifest voor het eerst als voorwaarde heeft gesteld dat er altijd net zoveel hout moet aangroeien als er wordt gekapt. Hoe sneller er wordt gerooid, des te sneller er dus ook moet worden aangeplant. ‘Daar houd ik me aan.’ Ook zegt Von Schilcher dat hij zijn hele leven een gemengd bos heeft onderhouden: 70 procent naaldbomen, ondersteund door 30 procent loofbomen – als ‘bijmenging’. Als er iemand is die een monocultuur wil, dan is het die schrijver uit de Eifel wel. Anonieme stemmen noemen Wohlleben een ‘boomracist’ en een ‘plantenfascist’, die niets anders dan de beuk wil accepteren. Wohlleben zegt hierop dat hij gemengde bossen wantrouwt. Wat eruitziet als de wil van de natuur, zijn ‘bomenakkers’, geplant naar de behoeften van de markt.

    Zo gaat het over en weer. Niet alleen tussen Wohlleben en Von Schilcher, maar ook tussen het 
Bundesamt für Naturschutz, dat meer ‘natuurlijke ontwikkeling van het bos’ wil, en het Deutscher Energieholz- und Pellet-Verband, dat snel veel nieuw hout nodig heeft. Zelfs in de Bondsregering wijzen de neuzen niet dezelfde kant op. Het door een SPD-minister geleide ministerie voor Milieu wil tot 2020 10 procent van alle openbare bossen tot oerbos maken. In het door een CSU-minister geleide ministerie van Landbouw noemt een hoge ambtenaar oerbossen ‘bosruïnes’. Als de Bondsrepubliek ‘het tijdperk van de decarbonisatie’ wil binnengaan, zich onafhankelijk wil maken van smerige kolen, Poetins gas en de olie van de Saoedi’s, dan kan dat alleen met zon, water, wind – en hout.

    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Aan al deze tegenstrijdige opvattingen valt op dat de verschillende partijen er tot nog toe alleen maar over gediscussieerd hebben met welke mix van bomen de mensheid het meest geholpen is, als koks die hartstochtelijk van gedachten wisselen over een optimaal recept. Maar nu verovert deze boswachter uit de Eifel het hart en het brein van zijn lezers met de bewering dat de bomen zelf van belang zijn en een geheugen en gevoelens hebben.

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens, door de mens onderschat en afgeslacht? Staan we binnenkort met beuken te knuffelen zoals we dat nu met dolfijnen doen?

    Er zijn seminars waarbij je bomen kunt omhelzen. En het is waar dat tijdens een boswandeling de bloeddruk daalt. Verscheidene onderzoeken hebben aangetoond dat zelfs het aantal antikankercellen in het lichaam toeneemt. Onduidelijk is nog waarom. Waarschijnlijk vanwege de zogenaamde phytoncides, gasvormige stoffen die bomen afscheiden ter bescherming tegen schadelijke insecten en dieren.

    Op een mistige, waterkoude dag leidt Peter Wohlleben weer een groep rond in zijn bos. Mannen en vrouwen met stevige schoenen en kleurrijke outdoorkleding van dure merken. Ze hebben veldkijkers, fototoestellen, thermosflessen en wandel- en nordic walking-stokken bij zich. De uitrusting van stedelingen die een bezoek aan het platteland brengen. Liefdevol streelt Wohlleben de jonge scheuten van beuken, zoals een moeder in het voorbijgaan de hoofden van haar kinderen. ‘Het is toch jammer,’ zegt hij, ‘dat vrijwel elke boom in Duitsland voor zijn natuurlijke dood wordt omgehakt.’

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens?

    In de groep wordt geknikt. Dat zijn gasten soms in imposante auto’s naar de Eifel komen, daarover spreekt Wohlleben niet. Hoeveel hout ze verbruiken, vraagt hij niet. En dat hij vindt dat elk meubelstuk net als eieren een herkomststempel zou moeten 
hebben, houdt hij voor zich. Tijdens de urenlange natuurwandelingen onthoudt Wohlleben zich consequent van kritiek op zijn publiek en leidt hij de bezoekers van zijn bos van wonder naar wonder zoals zijn lezers van anekdote naar anekdote. In Het verborgen leven van bomen schrijft Wohlleben dat ‘hele bossen’ via een ‘wood wide web’ met elkaar in verbinding staan. ‘Beukenouders’ bieden schaduw en brengen hun kinderen geduldig groot. Als je ze ongemoeid laat, groeien beuken dicht bij elkaar: ‘Groepsknuffels 
zijn aangenaam.’ Wohlleben schrijft dat ‘bomen 
pijn ervaren en een geheugen hebben’.

    Florian von Schilcher zegt: ‘Hij schrijft best aardig, dat moet ik hem nageven. Maar kinderen en ouders? Enorme flauwekul. Daarmee verslijt hij de mensen voor dom.’

    Rondvraag onder wetenschappers levert aanvankelijk niets op. Er is vrijwel geen onderzoeker die het boek van Wohlleben heeft gelezen. Omdat het onomstreden is? Er niets nieuws in staat? Of omdat het onzin is? Christian Ammer, professor Bosbouw en Bosecologie in Göttingen, mailt aan Die Zeit: ‘Het boek zegt meer over de lezers dan over bomen. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kun je – zwak uitgedrukt – bij sommige passages alleen maar het hoofd schudden.’


    Waar Wohlleben ook verschijnt, telkens weet hij de rust te bewaren van iemand die het recht aan zijn zijde weet en een meerderheid achter zich waant. Niet hij verslijt de mensen voor dom, zegt Wohlleben, maar de houtindustrie, een conservatief kartel van zwijgers en mooipraters. Iedere Duitser weet tot op de komma nauwkeurig wat het brandstofverbruik van zijn auto is en hoeveel stroom zijn huishouden verbruikt. Maar hoeveel kubieke meter van zijn bloedeigen grondstof hout hij jaarlijks nodig heeft, weet niemand. Waarom niet?

    Ik ontmoet hem bij hem thuis, in zijn boswachterswoning in het bos. In de tuin heeft hij met zijn vrouw mais, aardappels, pastinaken en courgettes geplant, om zo zelfvoorzienend mogelijk te kunnen leven. Wohlleben zegt dat hij is opgegroeid in decennia van angst. Club van Rome, bossterfte, Koude Oorlog, opgedroogde rivieren, Tsjernobyl. ‘Ik heb altijd de vaste overtuiging gehad dat ik niet aan seniliteit zal sterven.’

    Als hij over zichzelf vertelt, klinkt hij een beetje minder zelfverzekerd dan tijdens zijn rondleidingen in het bos. Hij weet dat elke tijd en elk milieu hun eigen verschijningsvormen hebben. Op het gymnasium was hij onder de indruk van ‘de jonge leraren, die allemaal hadden meegedaan aan de studentenprotesten van eind jaren zestig’. Wohlleben nam 
deel aan demonstraties van Greenpeace en het WNF. Hij probeert ‘zo weinig mogelijk vlees’ te eten. Aan 
de muren van zijn huis hangen de verentooi van e
en Sioux, een parelketting van de Yokut-stam en armbanden van de Crow. Peter Wohlleben heeft altijd hart gehad voor de indianen.

    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons
    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher neigt meer naar een cowboy. Hij is voorzitter van de schietvereniging van Dietramszell. Onlangs was hij op antilopejacht in Oeganda. De geweien aan de muren van zijn huis strengelen zich bijna ineen. De angst voor bossterfte vond hij dertig jaar geleden al overdreven.

    Als Von Schilcher zijn leven moet samenvatten, pookt hij eerst eens het vuur op en laat vervolgens op vrijwel elke anekdote een zelfvoldaan lachje volgen. Zijn jeugd heeft voor een groot deel uit ‘vlegelachtig gedrag’ bestaan: ‘We reden als waanzinnigen. Op mijn veertiende zat ik zonder rijbewijs achter het stuur.’

    Een ‘rampzalige leerling’ was hij, zegt Von Schilcher, zeven keer wisselde hij van school. Hij had een baantje in het orang-oetanhuis in de dierentuin van Berlijn, deed alsnog examen, trouwde met een Braziliaanse, studeerde biologie in Edinburgh en schreef zijn proefschrift over het seksleven van de fruitvlieg. In de open haard ligt het hout zachtjes te knapperen, Von Schilcher legt er nog een paar blokken op. Tussen Dietramszell en Hümmel, op die 500 kilometer tussen de twee mannen, gaat het om veel meer dan het bos. En ook om meer dan ecologie en economie of een generatieconflict.

    Het gaat om de levensinstelling alles goed te willen doen, zoals Wohlleben, en het niet iedereen naar de zin te hoeven maken, zoals Von Schilcher. Het gaat om verschillende mannenrollen. En om het eeuwige contrast tussen stad en platteland.

    Al 25 jaar onderhoudt Peter Wohlleben het bos van Hümmel, maar hij zegt zelf dat hij ‘in de stad gesocialiseerd is’. Een eengezinswoning in de buurt van Bonn, vader werkte bij het ministerie van Financiën en ’s avonds werd er onder het eten over politiek gesproken. Al die gesprekken hadden een hoog 
theoretisch en moralistisch gehalte. Vanuit de stad bekeken lijkt de plattelandsbevolking soms gecorrumpeerd door de eigen economische belangen. 
Hoe zou iemand die in een mestveehouderij werkt tegen mestveehouderijen kunnen zijn?

    © dominikla / Flickr Creative Commons
    © dominikla / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher vindt deze manier van denken ‘schijnheilig’. Buiten de steden gaat het er nu eenmaal niet zo idyllisch aan toe als het tijdschrift Landlust in de stationskiosk doet vermoeden. ‘Hoe intensiever de verstedelijking, des te sterker de romantisering van de natuur,’ zegt Von Schilcher. Het komt er immers op neer dat de plattelandsbevolking het vuile werk doet voor de stedelingen. Zaaien en maaien, mesten en slachten. ‘En wat krijgen ze voor dank?’

    Het heeft weer eens gesneeuwd, misschien wel voor het laatst deze winter. Peter Wohlleben loopt met een oudere dame door zijn stijf bevroren bos. In de kwarteeuw die hij tot nog toe in het bos van Hümmel heeft doorgebracht, heeft Wohlleben 15 procent ervan ongemoeid gelaten, zodat boomouders en -kinderen ongehinderd kunnen groeien. Dat zijn werk desondanks lucratief is voor de gemeente heeft een andere oorzaak: hij verkoopt grafplaatsen, die hij ‘rustbiotopen’ noemt. Begraven worden in het bos is een trend.

    De Duitse verbondenheid met het bos is eeuwigdurend. Sinds Wohlleben dertien jaar geleden zijn rustbos opende, zijn hier 3400 mensen ter aarde besteld. Ze liggen in cirkels om de stammen heen, 
in biologisch afbreekbare urnen. Vandaag leidt Wohlleben de 75-jarige Eleonore Rottscheid-Zölliken van stam naar stam. Ze wil een boomgraf voor zichzelf en haar man reserveren.

    ‘Wilt u liever een schaduw- of een zonplek?’ vraagt Wohlleben.

    ‘Graag een beetje verscholen,’ zegt ze.

    ‘Vindt u de boomsoort belangrijk?’

    Uit de zijzak van zijn wandelbroek haalt Wohlleben een tablet tevoorschijn. Op het scherm verschijnt een landkaart met honderden stippen. Geel staat voor eiken. Rood voor douglassparren. Groen voor beuken. Grijs voor bezet. Grijs overheerst. Na een halfuurtje wikken en wegen staat Eleonore Rottscheid-Zölliken tussen boom 4243 en boom 4249 wolkjes adem het bos in te blazen. De eerste boom is een grote, rechte beuk, de laatste een krom, scheefgegroeid ding. ‘Ik wil die kleine wel,’ zegt mevrouw Rottscheid-Zölliken.

    Wohlleben tikt op zijn tablet en een groene stip wordt grijs. Over enkele dagen zal mevrouw Rottscheid-Zölliken voor de prijs van 2990 euro ‘bijzettingsgerechtigde’ bij boom 4249 zijn en ooit deel gaan uitmaken van een reservaat, ook biologisch.

    99 jaar

    Peter Wohlleben heeft met deze transactie weer een stukje bos beschermd voor de komende 99 jaar. 
Tegen de houtlobby, tegen alle Von Schilchers, en tegen alle mogelijke opvolgers die in de verre toekomst zijn bos zullen overnemen en misschien wel andere ideeën en idealen najagen.

    Van het geld dat Wohlleben met zijn bestseller heeft verdiend, wil hij zijn oude boswachtershuis laten renoveren. De muren isoleren, zonnepanelen op het dak. Tot nog toe stookt Peter Wohlleben met hout. Hij verbruikt geen 1,06 kubieke meter per jaar, zoals de gemiddelde Duitser. Hij verstookt 10 kubieke meter.

    Auteur: Henning Sussebach
    Vertaler: Pieter Streutker

    Peter Wohllebens Het verborgen leven van bomen, 
verschijnt half april bij AW Bruna. Vertaling: Bonella van Beusekom.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • Een man van goede hoop

    Een man van goede hoop

    De Zuid-Afrikaanse auteur Jonny Steinberg kreeg alom lof voor zijn non-fictieboek A Man of Good Hope, dat binnenkort in Nederlandse vertaling verschijnt. In het boek tekent hij het levensverhaal op van de Somalische vluchteling Asad, die naar Amerika wil maar in Zuid-Afrika terechtkomt. In deze voorpublicatie beschrijft Steinberg hoe zijn samenwerking met Asad tot stand kwam.

    Asad Abdullahi zit tegenover me aan een tafel in de Compagniestuinen. Om ons heen zitten oudere blanke mannen te schaken. Mijn schrijfblok ligt open op tafel, ik heb een pen in mijn hand. Ik vraag Asad naar de wijk Kaaraan in Mogadishu, waar hij ongeveer de eerste acht jaren van zijn leven heeft doorgebracht. Hij zegt dat hij zich er maar weinig van herinnert.

    ‘Het geeft niet,’ zeg ik. ‘Probeer maar niet het je te herinneren, vertel gewoon wat in je opkomt als je aan Mogadishu denkt.’

    Er valt me nu iets heel vreemds op. Hij draagt een nauwsluitende gele sweater met capuchon en blauwe skinny jeans, en in deze strakke kleding lijkt hij niet alleen groot en dun, maar ook als het ware verlengd. Elk deel van hem – zijn neus, zijn wangen, zijn handpalmen en vingers, zijn romp – lijkt heel zorgvuldig te zijn uitgerekt. Het resultaat is elegant.

    Ineens bedenk ik dat hij precies op de plek zit waar Kaapstad is ontstaan. De tuinen om ons heen zijn bijna op de dag af 358 jaar geleden aangelegd. Hier zit Asad, op heel oude grond, terwijl hij zelf zo jong is en zo overduidelijk niet welkom.

    In zijn slanke vingers houdt hij een twijgje. Dat heeft hij waarschijnlijk gevonden toen we vanaf de bibliotheek hierheen liepen. Nu breekt hij het in tweeën en brengt het naar zijn neus.

    Hij trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op. Hij ruikt er nog eens aan.

    ‘Wat gek,’ zegt hij. ‘Vanaf het moment dat ik het op de grond zag liggen, wist ik waar de geur me aan zou doen denken.’

    Asad woont in Blikkiesdorp: de aars van Kaapstad, de kringspier waardoor de stad de delen uitscheidt die hij niet wil hebben

    Hij begint te vertellen hoe hij inkt maakte. Hij was een jaar of zeven en leerling van een madrassa. Daar maakte hij het houtskoolmengsel waarin hij zijn pen zou dopen om de Koran over te schrijven. Om de inkt te binden heb je het sap van de agreeg-boom nodig. Je splijt een takje open en knijpt met je vingers het sap eruit en laat dat in de houtskool en het water druppelen. Terwijl je in het mengsel roert, breng je onwillekeurig je vingers naar je neus. Je ademt diep in. Ah!

    Op zijn gezicht verschijnt een intens weemoedige glimlach, en ik denk dat ik weet waar hij met zijn gedachten is.

    Hij weet dat ik er nog ben, dat aan de tafel naast ons mannen zitten te schaken. Maar hij is ook ergens anders en hij geniet ervan, omdat hij beseft dat het maar heel even zal duren. Hij is meer dan twintig jaar in de tijd teruggegaan. Dankzij het twijgje dat 
hij in de Compagniestuinen heeft gevonden, beleeft hij een vergeten hoogtepunt opnieuw, want uit de uitdrukking op zijn gezicht blijkt duidelijk dat het sap van de agreeg bedwelmend is.

    Ik krijg een ingeving. Ik weet dat ik als ik erover nadenk, al is het maar heel even, een reden zal vinden om het niet te doen, dus denk ik er niet over na. Een man die zomaar een twijgje opensplijt en daardoor zo levendig, zo krachtig naar een andere wereld wordt teruggevoerd, dat is een man over wie ik een boek zou moeten schrijven.

    Kinderen in Blikkiesdorp. – ©  Dan Kitwood / Getty Images
    Kinderen in Blikkiesdorp. – © Dan Kitwood / Getty Images

    Enkele weken eerder was ik naar zijn hut gereden om daar te ontbijten. Volgens mijn agenda was dat op 24 september 2010, een nationale feestdag in Zuid-Afrika. Pearlie Joubert, een journaliste die ons aan elkaar had voorgesteld, was bij me. Ik had eerst een heel ander boek in gedachten. Ik had Pearlie gevraagd me te introduceren bij mensen die in mei 2008 uit Kaapstad waren gevlucht na de geweldsuitbarsting tegen buitenlanders die in Zuid-Afrika woonden. Die periode had ik willen vergelijken met gebeurtenissen van vijftig jaar eerder.

    Asad kwam naar buiten om ons te begroeten. Hij droeg een turquoise macawi, die rond zijn middel was geknoopt en tot op zijn enkels viel. Pearlie had me verteld dat hij zevenentwintig was. Ik vond dat hij ouder leek, misschien omdat ik een macawi associeerde met iemand van middelbare leeftijd.

    Hij nodigde ons uit binnen te komen in de hut, die overal bedekt was met prachtige, geplooide stoffen. Er hingen er een stuk of tien van het plafond in de hoek bij zijn bed om het af te schermen van de rest van de kamer. Ook de blikken muren waren bedekt met stoffen. De kleuren ervan waren donker en gedempt: kastanjebruine en donkergroene tinten. Ze hulden de kamer in schaduwen, alsof het schemerde en niemand het licht had aangedaan, en ik schrok toen ik ineens zijn vrouw zag. Ze zat op een kruk in de hoek. Haar mollige gezicht staarde ons aan vanonder een hoofddoek die haar wangen bijna helemaal bedekte.

    Asad nodigde ons uit te gaan zitten en boog zich over een bunsenbrander. Hij zei dat hij voor ons het Somalische ontbijt wilde maken waar hij het over had gehad: pannenkoeken. Naast hem stond het deeg in een plastic kom, en op het fornuis stond een pan met reepjes vlees en uien en paprika’s te sissen.

    Asad Abdullahi – © Sam Barker
    Asad Abdullahi – © Sam Barker

    Asad woont in Blikkiesdorp. Het wordt soms de aars van Kaapstad genoemd, de kringspier waardoor de stad de delen uitscheidt die hij niet wil hebben. Dat klopt wel zo ongeveer. Het dorp dat in 2007 door de gemeente is gebouwd, bestaat uit zestienhonderd identieke eenkamerbouwsels die in zestien identieke vierkante blokken zijn verdeeld. Het is neergezet om mensen onderdak te bieden die uit illegaal bewoonde woningen waren gezet, een dump waar de uitgestotenen van de stad op een hoop zijn gegooid. Doordat het meer dan dertig kilometer van het centrum van Kaapstad ligt, is het economische hart van de stad alleen bereikbaar via een lange, dure taxirit. Het is het ultieme getto: de bewoners zijn ingesloten door afstand, armoede en hun eigen achtergrond. Begin 2010 hebben de stad en het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen in hun gezamenlijke wijsheid besloten om vierendertig Somalische en Congolese families in Blikkiesdorp te plaatsen. Ze hadden in 2008 allemaal hun huis moeten ontvluchten met een bende Zuid-Afrikanen op hun hielen. Allemaal hadden ze het grootste deel van de afgelopen twee jaar moeten doorbrengen in geïmproviseerde vluchtelingenkampen, omdat ze te bang waren om terug te gaan naar Kaapstad. Blikkiesdorp was voor hen de plaats om te re-integreren. Ze mochten zonder huur te betalen in een eenkamerhut wonen te midden 
van de verschoppelingen van de stad, mensen die misschien niet anders konden dan hen haten.

    Twee maanden voordat ik Asad leerde kennen, ging er een gerucht door Blikkiesdorp. Het was de dag voor het einde van het wk voetbal, dat zo trots op Zuid-Afrikaanse bodem werd gehouden. Blikkiesdorp, aldus het gerucht, zou dat vieren door de daar wonende buitenlanders te vermoorden. Die avond verzamelde zich bij Asads hut een menigte, die stenen tegen de blikken wanden begon te gooien. Asad belde Pearlie, die iedereen in Kaapstad leek te kennen, onder wie iemand in de hogere rangen van de politie. Een afdeling ordepolitie haastte zich naar het strijdtoneel.

    Tijdens het ontbijt vertelde Asad ons hoe hij zijn kostje bij elkaar scharrelde.

    Elke morgen ging hij naar Mitchells Plain Town Centre, ongeveer tien kilometer verderop, een druk winkelcentrum in de grootste township van Kaapstad, dat door Somalische handelaren was overgenomen. Hij bleef daar dan rondhangen tot hij iemand vond die een chauffeur nodig had om voorraden op te halen in een van de groothandels in Kaapstad, of om enkele mensen naar een andere stad te brengen, of voor wat dan ook. Asad bood aan tegen een vergoeding te rijden.

    Hij zei dat het nauwelijks iets opleverde, dat hij een handelaar was, een zakenman, en dat hij om te overleven een winkel moest openen hier in Blikkiesdorp, maar dat hij daarvoor alleen het geld nog bijeen moest krijgen.

    Dit was geen loze praat. Ik zou de komende weken tijd van hem kopen. Hij zou me door de Somalische delen van de stad leiden, me naar de hostels en 
restaurants daar brengen en me voorstellen aan de ondernemers. Ook zou hij ontmoetingen regelen met mensen die in mei 2008 uit allerlei delen van de stad waren gevlucht. Met zijn hulp zou ik een verhaal schrijven over de ervaringen van de Somaliërs tijdens die beruchte periode van gewelddadigheden. Ik zou hem zevenduizend rand betalen voor zijn tijd, exact het bedrag dat hij nodig had om een winkel te kunnen beginnen.

    Ik zat in zijn hut en at het ontbijt dat hij had klaargemaakt, toen ik ineens bedacht dat onze overeenkomst zijn leven een stuk gevaarlijker zou maken.

    ‘Wil je hier een zaak runnen waar alleen contant 
geld in omgaat?’ vroeg ik. ‘Wat zal je buren er dan van weerhouden je neer te schieten en je dagopbrengst 
te stelen?’

    Hij lachte. Niet alleen met zijn ogen, maar met zijn hele mond. Zijn tanden waren hagelwit en volmaakt regelmatig.

    ‘Het is niet aan gangsters om te bepalen wanneer 
ik zal sterven,’ antwoordde hij. ‘Terwijl je nog in de baarmoeder zit, heeft Allah al de hele loop van je leven bepaald.’

    Hij keek me ondeugend aan. Ik had het gevoel dat hij me een privégrapje had verteld.

    Bewoners van Blikkiesdorp ten tijde van het WK Voetbal in 2010. – © Dan Kitwood / Getty Images
    Bewoners van Blikkiesdorp ten tijde van het WK Voetbal in 2010. – © Dan Kitwood / Getty Images

    Een week nadat ik hem in de Compagniestuinen had gesproken, ging ik naar hem toe in Blikkiesdorp. Hij had een gat in een van de blikken wanden gesneden en dat dichtgemaakt met een metalen draadwerk. Erachter stond een krukje en daarachter bevonden zich schappen tot aan het plafond, vol sigaretten en chips en ingeblikt eten en zakken mieliemeel.

    Aanvankelijk vertel ik hem niet waar ik op hoop. Ik bezoek hem twee keer per week in Blikkiesdorp. We zitten dan op zijn bed en praten ongeveer een uur. Daarna vertrek ik.

    Aan het einde van een van deze bezoekjes vraag ik of hij wil nadenken over het idee dat ik een boek schrijf over zijn leven. Ik zeg dat hem dit, als we het erover eens worden, veel tijd zal kosten: twee ochtenden per week en dat misschien wel een jaar lang. Ik was van plan de plaatsen te bezoeken waar hij had gewoond – of in elk geval de plaatsen waar je naartoe kon – en ik wilde mensen gaan zoeken die hem hadden gekend, de huizen zien waar hij had geslapen en door de straten lopen waar hij had gelopen. Ik beloof hem 25 procent van de royalty’s wanneer het boek uitkomt, en noem het bedrag waar het waarschijnlijk om zal gaan. Hij hoeft me niet meteen een antwoord te geven; ik vind dat hij er eerst over moet nadenken.

    Met gemengde gevoelens rij ik over de n2 terug naar Kaapstad. Ik ben opgewonden. Zodra ik terug ben op de universiteit van Kaapstad zal ik, nog voordat ik mijn kantoor binnenloop, regelrecht naar de bibliotheek gaan en er vier of vijf van de meest gezaghebbende boeken over Somalië halen en me erin verdiepen. Ik voel me ook ongemakkelijk. Dit is niet de eerste keer dat ik het zeer persoonlijke levensverhaal opteken van iemand die veel armer is dan ik. Het geeft me een bijzonder ongemakkelijk gevoel om geld te betalen voor toegang tot de privéwereld van iemand die arm is. Per slot van rekening is datgene wat ik maak een commercieel product, en het idee dat ik de enige ben die eraan verdient is onaangenaam.

    Bij eerdere gelegenheden heb ik geprobeerd het beste uit beide te halen. Ik vroeg iemands medewerking zonder hem daarvoor geld aan te bieden; zijn beweegredenen om daarmee in te stemmen waren steevast ingewikkeld en vaak ondoorgrondelijk. We werken lang samen. Ik laat hem de conceptversies zien van het manuscript dat zal worden uitgegeven. En vervolgens, zodra ik helemaal zeker ben van zijn toestemming zonder betaling, bied ik hem een deel van de royalty’s aan.

    Ik ben het beu om op deze manier te werken. Het is me gaan tegenstaan: de aanmatiging, het verzwijgen, de autoriteit die ik mezelf heb gegeven om de overeenkomst er tot de laatste druppel uit te persen. En dus bied ik Asad op voorhand een handelsartikel aan waarvan we de opbrengst zullen delen. Dat lijkt me veel zuiverder en eerlijker.

    Toch lost dit lang niet alles op. Het geld dat ik hem heb betaald om zijn winkel op te zetten, heeft hem de ruimte gegeven om met mij te praten. Je kunt van een man die elke dag om werk loopt te schooien niet verlangen dat hij twee dagen per week vrij neemt om zijn herinneringen door te spitten. De beloofde royalty’s zullen er ongetwijfeld voor zorgen dat hij zijn verplichtingen nakomt tot het einde van het project, ongeacht hoe diep ik in zijn privéleven graaf. Ik heb nog geen manier gevonden om een boek te schrijven zonder macht uit te oefenen.

    ‘Het is niet aan gangsters om te bepalen wanneer ik zal sterven’

    Uiteindelijk zorgt ons project voor een veel directer en onverwachter ongemak.

    Het begint met de vraag wat er met Asads winkel moet gebeuren in de uren die hij met mij doorbrengt. Zijn vrouw kan achter de toonbank staan wanneer hij met me praat, maar ze spreekt heel weinig Engels en geen Xhosa of Afrikaans, en dus moet Asad, die deze drie talen steeds beter beheerst, altijd in de buurt zijn. Soms ga ik met hem mee naar Mitchells Plain of naar Bellville, of naar een klusje waarvoor 
hij in het centrum van de stad moet zijn. Over het algemeen moeten we onze gesprekken echter binnen roepafstand van zijn zaak voeren.

    In het begin spreken we af in zijn hut. Ik zit op de rand van zijn bed en hij zit op een plastic stoel. Maar hij voelt zich niet op zijn gemak met deze regeling. Hij friemelt voortdurend met zijn handen. Bij het minste of geringste geluid van buiten spitst hij zijn oren. Toen we een uur bezig waren aan ons tweede gesprek, had hij er genoeg van. Hij laat me kortaf weten dat we niet meer in zijn hut kunnen afspreken en staat erop dat we naar mijn auto verkassen.

    En dat wordt dus, keer op keer, de plaats waar we elkaar treffen. Ik zit op de plaats van de bestuurder, hij op die van de passagier, mijn schrijfblok gaat telkens van mij naar hem en weer terug terwijl ik korte aantekeningen neerkrabbel van zijn verhaal en hij tekeningen maakt bij de taferelen die hij beschrijft. Ik sta evenwijdig aan zijn hut geparkeerd, niet meer dan een meter of twee van het met een metalen draadwerk afgedekte gat waardoor zijn vrouw de klanten bedient. Iedereen die iets bij hem gaat kopen, strijkt langs mijn autoportier.

    Hij zegt dat hij dit wil omdat zijn hut te klein is, maar dat is niet zo. Het is een heel prettige ruimte om te praten, in feite veel gezelliger dan een auto. Ik vraag me af wat de werkelijke reden is en waarom hij die voor me verborgen wil houden.

    Wanneer er een ritme ontstaat in de tijd die we samen doorbrengen en dat ritme betekenis begint te krijgen, dringt het langzaam tot me door. Ronduit gezegd, het dringt tot me door zodra ik me de bizarre en perverse aard van onze ontmoetingen realiseer.

    Ik ben een ingezetene van mijn land, en veel vreemdelingen om me heen weten dat. Een van hen wil misschien wel een kogel door mijn hoofd schieten, maar hij weet dat hij daarmee een hele machinerie op gang brengt en dat ze naar hem zullen zoeken. 
Ik en degenen om me heen, wij bevinden ons in dezelfde kring. We kennen allemaal de regels.

    Asad bevindt zich niet in die kring. Hij staat erbuiten, want de regels zijn niet op hem van toepassing. Zijn winkel levert elke dag contant geld op en hij weet dat zijn buren weten dat als iemand hem door zijn hoofd zou schieten en zijn geld zou stelen, de machinerie van de staat in een reflex haperend in beweging en dan tot stilstand zou komen. Het dringt langzaam tot me door dat deze wetenschap zijn leven bepaalt. Bij elke beslissing die hij neemt, botst het imperatief om vrij te zijn met het imperatief om veilig te zijn. Op zijn schouders rust de permanente last om niet vermoord te worden.

    Het is onze derde week samen. We zitten in mijn auto te praten.

    ‘Start de auto,’ zegt hij.

    Ik kijk hem aan. Een ogenblik geleden was hij nog diep verzonken in jeugdherinneringen, zijn hoofd gebogen, uit gewoonte met zijn hand over het dashboard strijkend. Nu zit hij kaarsrecht met zijn ogen strak gericht op de achteruitkijkspiegel.

    Ik draai me om.

    ‘Niet doen,’ zegt hij. ‘Start de motor nou maar.’

    Ik doe wat hij zegt. Daarna draai ik aan mijn zijspiegel om te zien wat hij ziet. Een paar honderd meter achter ons komen drie jonge mannen op ons af lopen met de capuchon van hun trui ver over hun wenkbrauwen getrokken. Ik ben niet bang. Ik weet zeker dat ze zo meteen rechtsaf of linksaf zullen gaan en een andere straat in zullen lopen. Het zijn gewoon drie inwoners van Blikkiesdorp die met hun eigen zaken bezig zijn. Iedereen onder een bepaalde leeftijd draagt immers zo’n trui met capuchon. Die van Asad ligt keurig opgevouwen bij de kleren in zijn hut.

    We wachten.

    Ik begin Asads angst te voelen.

    Alsof het een virus is, alsof het van hem is af gesprongen en in mijn huid is gedrongen en nu door mijn aderen kruipt.

    Dit moment levert heel veel op. Doordat een deel van hem in mijn bloed zit, kan ik het begrijpen. Ik weet nu waarom hij erop staat dat we elkaar in mijn auto treffen. Belangrijker nog, ik weet welke overwegingen hebben meegespeeld toen hij me toeliet in zijn leven.

    ‘Elke keer dat ik je bezoek ben je bang,’ zeg ik.

    ‘Ja,’ antwoordt hij, met zijn ogen nog steeds gericht op de mannen achter ons.

    ‘Je bent bang dat een blanke in een mooie auto 
mannen met wapens aantrekt, dat jij en je gezin minder veilig zijn als ik er ben.’

    ‘Ik maak me daar heel veel zorgen over,’ zegt hij.

    ‘Je wil ook per se dat we elkaar ’s morgens treffen, omdat de gangsters dan slapen.’

    ‘Dat klopt.’

    ‘En je wil me in de auto ontmoeten, zodat je het gevaar kunt zien aankomen.’

    ‘In de hut,’ zegt hij, ‘kun je niets zien. Het eerste wat je van ze ziet, is een wapen voor je neus.’

    De drie jonge mannen zijn ons inmiddels voorbijgelopen en we kijken hen na terwijl ze verdwijnen.

    Ik zet de motor af en pak mijn pen en schrijfblok. Ik wil hem niet vertellen wat ik nu nog meer denk te weten. Dat hardop zeggen zou gevaarlijk zijn. Het zou ons dwingen om onze regeling nader te onderzoeken in al haar naakte perversiteit; het zou het 
ons moeilijker maken door te gaan.

    Ik stel me zijn overwegingen voor. Hij wil heel graag met mij in contact blijven, want ik ben net als Pearlie iemand van de andere kant, iemand die binnen 
de baan van het recht reist. Wie weet wanneer hij 
de hulp van zo iemand nodig heeft? Misschien vanavond al.

    Maar om onze relatie in stand te houden, moet hij urenlang naast me zitten en in zijn verleden duiken. Anders verlies ik mijn belangstelling in hem en ga ik weg. Hij moet die herinneringen ophalen in de buurt van zijn woning en gezin, want hij kan zijn nieuwe zaak niet zo vaak en zo lang in de steek laten. Niettemin denkt hij dat mijn regelmatige bezoekjes waarschijnlijk mannen met wapens zullen aantrekken.

    Dus jongleert hij. De delen van mij die veiligheid brengen, haalt hij dichterbij en de delen die gevaar kunnen betekenen, probeert hij zo veel hij kan te reduceren.

    Vandaar mijn auto. Tussen oktober 2010 en september 2011 hebben we daar vele uren doorgebracht. Terwijl hij met zijn innerlijke oog naar zijn jeugd kijkt, scannen de twee ogen aan weerszijden van zijn neus de straat.

    Auteur: Jonny Steinberg

    Een man van van goede hoop, vertaald door Marianne Palm, verschijnt op 22 februari bij Atlas Contact.
    Een man van van goede hoop, vertaald door Marianne Palm, verschijnt op 22 februari bij Atlas Contact.
  • Roberto Saviano zegt niks

    Roberto Saviano zegt niks

    De Süddeutsche Zeitung begon een jaar geleden de serie interviews Ohne Worte. Zonder woorden kan veel gezegd worden. Ook journalist en chroniqueur van de Napolitaanse maffia Roberto Saviano kwam voor de lens van fotograaf Frank Bauer te staan. Met gebaren gaf hij uiting aan zijn angsten en beschreef hij wat het met hem doet om nergens thuis te zijn zo lang de ‘ndrangheta op hem jaagt.

    Roberto Saviano heeft het leven van zijn gezin kapotgemaakt, zo ziet hij dat zelf. Vaak gaan er maanden overheen voor het gezin bijeen is, en als het ervan komt is iedereen altijd gespannen. ‘Ik heb mijn gezin mee gesleept in een wereld van angst en twijfel,’ schreef hij. Hij zou dat niet nog eens doen, en toch: spijt heeft hij niet. Het is zoals het is als je de Napolitaanse maffia nerveus maakt, zoals Saviano in 2006 met zijn boek Gomorra. Sinds die tijd is Saviano een onvrij man. Hij woont op een geheim adres, wisselt regelmatig van woonplaats, moet elke afspraak en elke reis afstemmen met de veiligheidsdiensten van het betreffende land en zodra hij verschijnt, worden hotels en restaurants ontruimd en op bommen doorzocht. Bij deze fotosessie waren twee lijfwachten aanwezig.

    Een leven zonder echt ergens thuis te zijn. Wat doet dat met u?
    Een leven zonder echt ergens thuis te zijn. Wat doet dat met u?
    U noemde Italië ‘mooi maar vervallen’. Is het sindsdien verbeterd?
    U noemde Italië ‘mooi maar vervallen’. Is het sindsdien verbeterd?
    Een leven zonder echt ergens thuis te zijn. Wat doet dat met u?
    Een leven zonder echt ergens thuis te zijn. Wat doet dat met u?
    Ik heb mijn gezin mee gesleept in een wereld van angst en twijfel
    Bent u bang?
    Bent u bang?

    Beschuldiging

    De Amerikaanse nieuwssite The Daily Beast betichtte Roberto Saviano, bekend van de bestseller Gomorra, onlangs van plagiaat in zijn tweede boek ZeroZeroZero, over de internationale cocaïnehandel. In La Repubblica verweerde de nemesis van de Napolitaanse maffia zich: ‘Wat ik schrijf, heet non-fictie.’ De beschuldiging zou bedoeld zijn om hem in diskrediet te brengen.

    Uw vader is katholiek, uw moeder joods. Hoe vaak bidt u op een dag?
    Uw vader is katholiek, uw moeder joods. Hoe vaak bidt u op een dag?
    Denkt u dat er iemand is die zich voor u zal opofferen?
    Denkt u dat er iemand is die zich voor u zal opofferen?
    Hoe moeten wij ons uw dagelijks leven voorstellen?
    Hoe moeten wij ons uw dagelijks leven voorstellen?
    Wat uit uw vroegere leven mist u sinds uw boek over de Camorra?
    Wat uit uw vroegere leven mist u sinds uw boek over de Camorra?
    Heeft u enig idee hoeveel aanslagen er op u beraamd zijn?
    Heeft u enig idee hoeveel aanslagen er op u beraamd zijn?

    (Foto boven: Saviano antwoordt met gebaren op de vraag: maakt uw studie filosofie uw leven makkelijker of moeilijker? © Frank Bauer)

  • Weg met de homo economicus

    Weg met de homo economicus

    De economische mens – rationeel, berekenend, uit op eigen voordeel – 
is al sinds Adam Smith de held van de aanhangers van de vrije markt. Maar volgens de Zweedse journaliste Katrine Marçal is het hoog tijd om afscheid te nemen van deze mannelijke creatie. In haar boek 
Je houdt het niet voor mogelijk breekt ze een lans voor een meer vrouwelijke kijk op economie, waarin ook plaats is voor emoties, altruïsme en zorgzaamheid. Een voorpublicatie.

    De schrijver van de boeken over Winnie de Poeh, A.A. Milne, merkte eens op dat vooral kinderen dol waren op verhalen over onbewoonde eilanden. Het idee om te stranden in een geïsoleerde wereld sprak op een bijzondere manier tot hun verbeelding.

    Milne meende dat dit was omdat het eenzame eiland het kind de meest effectieve mogelijkheid bood om te vluchten uit de werkelijkheid. Geen moeder, geen vader, geen broertjes en zusjes; geen sociale controle, plichten, conflicten of machtsspelletjes. Een heel nieuwe wereld. Helder en duidelijk. Je bent vrij en alleen, met slechts je eigen voetsporen in het zand. En vooral: het is een wereld waarin het kind zelf de macht kan opeisen.

    De troon bestijgen en zichzelf uitroepen tot zonnegod.

    Je kunt zeggen dat economen een beetje op kinderen lijken. Velen van hen zijn dol op Robinson Crusoe. De meeste mensen die economie hebben gestudeerd, hebben hun docent wel een versie van Daniel Defoe’s roman uit 1719 horen vertellen. Je kunt je natuurlijk afvragen wat een verhaal over een blanke, racistische man, die zesentwintig jaar in zijn eentje op een onbewoond eiland woont voor hij vriendschap sluit met ‘een wilde’, te zeggen heeft over moderne economieën.

    Maar dan heb je nog niet begrepen waar het in de economische wetenschap om draait.

    Daniel Defoe’s schipbreukeling wordt gezien als de ultieme economische mens. Crusoe is terechtgekomen op een onbewoond eiland zonder sociale codes en wetten. Er is niets wat de economie hindert en het eigenbelang kan ongestoord worden nagejaagd. Op Crusoe’s eiland is de economische impuls van de rest van de wereld afgescheiden en daarom is Crusoe voor economen een schoolvoorbeeld.

    Op de markt worden wij geacht anoniem te zijn. Daarom zou de markt ons vrijmaken. Het doet er niet toe wie je bent. Karaktereigenschappen en persoonlijke relaties spelen geen rol. Alleen je betaalvermogen is van betekenis. De keuzes die mensen maken, zijn vrij en onafhankelijk, we staan los van onze achtergrond of omgeving, als eenzame eilanden in een lege oceaan. Niemand beoordeelt ons en niemand houdt ons vast of tegen. Er zijn alleen begrenzingen van technische aard: het eindige aantal uren in een dag en de eindige voorraden natuurlijke hulpbronnen. Robinson Crusoe is vrij en zijn relaties met andere mensen zijn vooral gebaseerd op het nut dat ze voor hem kunnen hebben.
    Niet omdat hij slechts is, maar omdat dat rationeel is – zoals rationeel in dit verhaal wordt voorgesteld.

    Robinson Crusoe is hét voorbeeld van de economische mens

    In de roman wordt Robinson Crusoe in York in Groot-Brittannië geboren. Zijn vader is koopman en Robinson heeft twee oudere broers. De ene sterft in een oorlog en de andere verdwijnt. Robinson studeert rechten maar voelt zich niet erg aangetrokken tot het veilige bestaan van de Britse middenklasse. In plaats daarvan monstert hij aan op een schip naar Afrika. Na een aantal reizen komt hij uiteindelijk in Brazilië. Daar begint hij wat ten slotte een zeer succesvolle plantage zal worden. Robinson Crusoe wordt rijk. Maar Robinson Crusoe wil nog rijker worden. Er varen schepen naar Afrika om slaven te halen en hij gaat aan boord. Tijdens zijn laatste reis vergaat zijn schip en Robinson Crusoe spoelt als enige aan op een nabijgelegen onbewoond eiland.

    Hier begint het avontuur.

    © Roel Burgler / HH
    © Roel Burgler / HH

    Probleemoplossend vermogen

    Robinson leeft vele jaren in isolement, met slechts een paar dieren als gezelschap. ‘Wilden’ en kannibalen plunderen de stranden. In zijn logboek houdt hij in kolommen niet alleen bij over hoeveel geld en materieel hij beschikt, maar ook hoeveel geluk en pech hij heeft.
    Hij mag dan op een onbewoond eiland zijn – maar hij leeft.
    Hij mag dan geïsoleerd zijn van de anderen – maar hij verhongert niet.
    Hij mag dan geen kleren hebben – maar het klimaat is aangenaam.
    In iedere situatie berekent Robinson de winst. En hij is heel tevreden. Vrij van begeerte, jaloezie en trots. Vrij van andere mensen. Triomfantelijk schrijft hij dat hij kan doen en laten wat hij wil. Hij kan zich koning of keizer van het eiland noemen. Wat een feest! Vrij van afleiding en lichamelijke lusten richt hij zich op bezit en controle. Het eiland ligt daar om door hem veroverd te worden en de natuur is er om door hem getemd te worden.
    De roman over Robinson Crusoe wordt vaak verteld als illustratie van het probleemoplossend vermogen en de vindingrijkheid van de mens. Robinson kweekt mais, maakt aarden kruiken en melkt geiten. Hij maakt kaarsen van geitentalg en twijnt pitten van gedroogde brandnetels. Maar het is niet alleen Robinsons vindingrijkheid waarop het kleine eenmansmaatschappijtje is gebouwd. Hij gaat in totaal dertien keer naar het gestrande schip om materialen en werktuigen te halen. Die gebruikt hij om het eiland en op den duur ook andere mensen aan zich te onderwerpen.
    Die werktuigen en materialen zijn geproduceerd door anderen, ook al zijn ze nog zo ver weg. En Robinson is volledig van hun werk afhankelijk.
    Na vijfentwintig jaar op het eiland komt Robinson uiteindelijk in aanraking met een inboorling. Hij redt hem van de kannibalen en geeft hem de naam van de dag waarop ze elkaar hebben ontmoet. Vrijdags dankbaarheid kent geen grenzen. Hij houdt van Robinson als van een zoon en werkt voor hem als een slaaf. Vrijdag, die zelf een kannibaal is, verlangt wel naar mensenvlees maar verandert zijn eetgewoonten uit consideratie met Robinson. Bijna drie jaar brengen ze met elkaar door in wat de schrijver Daniel Defoe beschrijft als een staat van volkomen geluk. Ten slotte worden ze ontdekt en varen ze terug naar Europa.
    Na aankomst in Lissabon ontdekt Robinson dat hij ongelooflijk rijk is geworden. De plantage in Brazilië is tijdens zijn afwezigheid door zijn arbeiders gaande gehouden en heeft al die jaren dat hij weg was grote winsten gemaakt. Robinson verkoopt zijn aandeel, trouwt en krijgt drie kinderen. Daarna sterft zijn vrouw. Die serie gebeurtenissen – huwelijk, kinderen en dood – wordt in de roman met één enkele zin beschreven.
    En Crusoe gaat weer scheep.

    Alles moet gekocht, geruild en verkocht worden met een zo groot mogelijke winst

    Homo economicus

    De Ierse schrijver James Joyce beschreef Robinson Crusoe als de belichaming van de ‘mannelijke zelfstandigheid, onbewuste wreedheid, koppigheid, trage maar effectieve intelligentie, seksuele apathie en berekende zwijgzaamheid’.
    Robinson Crusoe leeft in afzondering, en economen houden ervan mensen af te zonderen. De op zijn onbewoonde eiland gestrande Robinson maakt het mogelijk na te denken over de manier waarop de mens zonder of los van zijn omgeving zou reageren. Dat is precies wat de meeste economische standaardmodellen doen. Ceteris paribus, oreert de hoogleraar economie enthousiast in het Latijn. ‘Het overige blijft gelijk.’ In een economisch model dat meerdere variabelen kent, moet je één enkele variabele isoleren – anders werkt het niet. Slimme economen zijn zich altijd bewust geweest van het probleem van deze redeneerwijze, maar zij vormt nog steeds de basis van ‘hoe een econoom moet denken’. Je moet de wereld kunnen vereenvoudigen om eraan te kunnen rekenen en men heeft ervoor gekozen om dat op Adam Smiths wijze te doen.
    In het boek schept Robinson Crusoe snel een economie. Hoewel er geen geld is op het eiland, koopt en ruilt hij naar hartelust – de waarde van goederen wordt bepaald door de vraag.
    Het principe dat de waarde van een goed wordt bepaald door de vraag, wordt ook verteld in de vorm van een verhaal over twee gestrande mannen.
    Stel je twee mannen op een onbewoond eiland voor: de ene heeft een zak rijst en de andere heeft tweehonderd gouden kettingen. Thuis op het vasteland had je met een gouden ketting een hele zak rijst kunnen kopen, maar nu zijn de mannen niet op het vasteland. Ze zijn gestrand en dat verandert de waarde van hun spullen.
    De man met de rijst kan plotseling alle gouden kettingen vragen voor één portie rijst. Misschien wil hij zelfs wel helemaal niet ruilen. Wat moet hij op het eiland met een gouden ketting? Economen zijn dol op dit soort verhalen, ze knikken en vinden dat ze iets ongehoord diepzinnigs hebben ontdekt over hoe mensen functioneren.
    In hun standaardmodellen is er namelijk nooit sprake van dat twee mensen op een verlaten eiland misschien wel met elkaar gaan praten of dat ze zich eenzaam voelen. Bang zijn. Elkaar nodig hebben. Na een tijdje te hebben gekletst, zouden ze erachter zijn gekomen dat ze als kind geen van beiden van spinazie hielden en dat ze ooms hadden die lange periodes aan de drank waren. Nadat ze daar een tijdje over hadden gepraat, hadden ze de rijst waarschijnlijk gedeeld. Het feit dat wij mensen op deze manier kunnen reageren, heeft dat geen economische betekenis?
    De mannen in het verhaal zitten niet zozeer vast op een onbewoond eiland, ze zitten vooral vast in zichzelf. Solistisch. Geïsoleerd. Onbereikbaar. Slechts door middel van handel en concurrentie in staat tot interactie met elkaar. Niet in staat de wereld om zich heen als iets anders te zien dan een reeks goederen. Alles moet gekocht, geruild en verkocht worden met een zo groot mogelijke winst.
    Robinson Crusoe is hét voorbeeld van de economische mens. Homo economicus wordt hij genoemd, en deze ligt ten grondslag aan alle bekende economische theorieën. De economische wetenschap meende dat de studie zich moest richten op het individu. Om die reden moest men een vereenvoudigd verhaal bedenken over hoe het individu zich gedroeg. Zo ontstond er een model van menselijk handelen dat het economisch denken sindsdien heeft bepaald. En bovendien is dit individu een ongehoord charismatische persoon.
    Wie economie studeert, moet een sprookje leren over een man die de wereld intrekt om zijn winst te maximaliseren. Onder de geldende omstandigheden en beperkingen. Hij wordt geacht een algemeen geldende, zij het vereenvoudigde, beschrijving te zijn van wat de mens is. Het gaat op voor zowel mannen als vrouwen, rijken als armen, ongeacht cultuur of religie, voeten of handen. De economische mens beweert in ieder van ons een puur economisch bewustzijn te beschrijven. Waardoor we wensen formuleren en die vervolgens proberen te vervullen.
    De economische mens is rationeel en wordt geleid door zijn verstand, hij doet niets wat hij niet hoeft te doen en als hij het toch doet dan is het om genot te verkrijgen of pijn te vermijden. Hij zal altijd pakken wat hij pakken kan, alles doen om te winnen, om degenen die in de weg staan te slim af te zijn of desnoods uit de weg te ruimen.
    De economische standaardmodellen zeggen dat wij in feite allemaal zo zijn. In elk geval voor zover wij voor economen relevant zijn. En daarom moet dát deel door economen bestudeerd worden. De meest fundamentele eigenschap van mensen is dat wij eindeloos veel willen hebben. Alles. Nu. Meteen. Maar dat kan niet. De eindeloze wensen van mensen worden begrensd door de beperkte hoeveelheid middelen op de wereld en door het feit dat ieder ander natuurlijk ook dingen wil hebben. Alles. Nu. Meteen. En als je niet alles kunt krijgen, dan moet je kiezen. Schaarste maakt keuze noodzakelijk.
    Keuze betekent alternatieve kosten, gemiste inkomsten van de niet-gekozen mogelijkheden. Kies je het ene pad, dan kun je niet tegelijkertijd ook het andere kiezen. De economische mens heeft bepaalde voorkeuren.
    Als hij liever tulpen wil dan rozen en liever rozen dan margrieten, dan kiest hij ook eerder tulpen dan margrieten. Bovendien is hij altijd rationeel – hij kiest de minst kostende weg om zijn doelen te bereiken.
    We bedenken wat we willen hebben en vervolgens komen we in actie om het te verkrijgen. We berekenen de kortst mogelijke afstand tussen A en B. We willen zo veel mogelijk tegen zo laag mogelijke kosten. 
Daar gaat het allemaal om. Je beslist wat je wilt en in welke volgorde. Vervolgens probeer je eraan te komen. Klaar voor de start … af. Dan begint het leven. En zo eindigt het trouwens ook. Goedkoop inkopen, duur verkopen.
    Het grote voordeel van de economische mens is dat hij voorspelbaar is. Daarom kun je alle problemen die hij ontmoet in elegante wiskunde uitdrukken. De mens als homo economicus is berekenbaar. Er is slechts eigenbelang en uit een dood universum kunnen we de natuurwetten van de samenleving afleiden.

    Je kunt zeggen dat economen een beetje op kinderen lijken
    © Roel Burgler / HH
    © Roel Burgler / HH

    Rationeel en egoïstisch

    Net als Robinson Crusoe was de economische mens een moderne mens die zich had vrijgemaakt van ouderwetse, irrationele onderdrukking. Net als Robinson Crusoe kon hij zichzelf redden, was er geen koning of keizer die hem kon voorschrijven wat hij moest doen. Hij was zijn eigen koning of keizer, hij was vrij en van niemand. Zo was de nieuwe mens, waarmee de economische wetenschap de moderne tijd betrad.
    De economische mens bepaalde zijn eigen leven en liet anderen hun leven bepalen. Hij was ongehoord competent. Domweg omdat hij mens was. Zijn 
superieure verstand maakte hem tot heer over zijn eigen wereld, en niet tot dienaar of ondergeschikte. Hij was vrij. Hij kon in iedere situatie bliksemsnel alle mogelijke alternatieven overzien en tegen elkaar afwegen. Zoals een schaker op wereldniveau doorkruiste hij met al zijn keuzemogelijkheden het bestaan. Zo was de menselijke natuur, zeiden de economen van de negentiende eeuw. Bovendien was de mens tolerant: de economische mens beoordeelde anderen niet op hun afkomst maar op hun (mogelijke) toekomst. Hij was bovendien nieuwsgierig en flexibel. Hij streefde er altijd naar het beter te krijgen. Meer te hebben. Meer te zien. Meer te beleven.
    Werken heeft geen intrinsieke waarde, vindt de economische mens, maar het is nodig om ergens te komen. Hij stelt doelen, komt in actie, vinkt ze af en gaat verder. Hij blijft nooit staan bij wat voorbij is, kijkt alleen maar vooruit. Wil hij jou hebben, dan doet hij er alles aan om jou te krijgen. Liegen, stelen, vechten, alles verkopen wat hij heeft. Hij is solistisch maar zijn solisme is wellustig. Hij doet altijd alles om zijn verlangens te bevredigen. Liever door af te dingen en te onderhandelen dan door geweld te gebruiken. Niet iedereen kan nu eenmaal tegelijk aan de trog. De goederen en diensten in de wereld zijn begrensd. Hij bewondert mensen die geslaagd zijn. Het gaat erom te krijgen wat je wilt. Het in je handen te houden en te zeggen: ‘Dit is van mij’.
    Aan het eind van de film zal hij altijd in zijn eentje wegrijden, de zonsondergang tegemoet.
    Emoties, altruïsme, zorgzaamheid komen niet in de economische standaardtheorieën voor. De economische mens kan een voorkeur hebben voor saamhorigheid of voor een bepaald gevoel maar het is slechts een voorkeur – net zoals je appels kunt prefereren boven peren. Soms wil hij iets voelen – vanwege de ervaring. Maar gevoelens zijn geen onlosmakelijk deel van hem. Voor de economische mens is er geen kindertijd, hij is van niets of niemand afhankelijk en er is geen maatschappij die hem beïnvloedt. Hij herinnert zich zijn eigen geboorte. Die was niet anders dan al het andere.
    Rationeel, egoïstisch en niet afhankelijk van zijn omgeving. Alleen op een eiland of alleen in de maatschappij, het maakt niet uit. Er bestaat geen samenleving, er zijn alleen individuen.
    Economie wordt dus de wetenschap van het ‘conserveren van liefde’. De samenleving wordt bijeengehouden door eigenbelang. Uit Adam Smiths onzichtbare hand wordt de economische mens geboren. De liefde kon worden bewaard voor de privésfeer. Het was belangrijk die apart te houden.
    Anders zou de honingpot weleens leeg kunnen raken.

    Wij zijn bezig de mannen te worden met wie we vroeger wilden trouwen

    Greed is good

    Bernard de Mandeville, een Nederlandse arts die in Engeland werkte, publiceerde in 1714 zijn beroemde fabel over bijen. Grinnikend beschrijft hij hoe zij, als iedere bij zelf doet wat zij wil, ook het beste resultaat voor de hele kast bereiken. Het eigenbelang dient het algemeen belang, zolang de bijen maar hun gang mogen gaan. Als je je ermee bemoeit, komt er geen honing. IJdelheid, jaloezie en hebzucht vergroten merkwaardig genoeg het geluk in de kast. Die lage gevoelens doen bijen harder werken. Zo krijgen we economische groei en blijft de honing altijd vloeien. Greed is good. Op eigenbelang kunnen we bouwen.
    Als iedereen egoïstisch handelt, vindt er een magische omwisseling plaats naar wat het beste is voor het geheel. Net zoals bij Smith. Ons egoïsme en onze hebzucht kunnen door de onzichtbare hand van de economie worden omgezet in harmonie en balans – een verhaal dat qua zingeving en vergiffenis niet onderdoet voor de diepste mysteriën van de Katholieke Kerk. Jouw hebzucht en egoïsme vormen eigenlijk jouw verzoening met andere mensen.
    ‘Amerika functioneert niet zonder diepgeworteld geloof – en het doet er niet toe welk’, zei president Dwight D. Eisenhower.
    Het idee dat de economie door een onzichtbare hand gestuurd werd, ontwikkelde zich tot de gedachte dat de markt ook een einde zou maken aan de geschiedenis. Als onze economische belangen steeds verder vervlochten zouden raken, zouden de primitieve conflicten van daarvoor niet langer nodig zijn. Je schiet je neef niet neer omdat hij moslim is als je gemeenschappelijke economische belangen hebt. Je rent niet naar je buurman om die te vermoorden omdat je dochter met hem naar bed is geweest als jouw bedrijf van hem afhankelijk is.
    De onzichtbare hand houdt je tegen.
    De bloedige gebeurtenissen van de twintigste eeuw hebben laten zien dat de mens niet zo eenvoudig in elkaar zit. Maar het is een goed verhaal. En de meeste mensen willen een goed verhaal niet nader onderzoeken.
    In elk geval niet grondig en vrijwillig.
    Het mechanisme van de markt zou wereldvrede en geluk voor iedereen kunnen produceren uit zoiets simpels als onze ordinaire smerige gevoelens. Het is dus niet zo vreemd dat we ons hebben laten verleiden. Exploitatie was niet langer persoonlijk. De vrouw die haar rug ruïneert voor 6 dollar per uur doet dat niet omdat iemand slecht is of haar daartoe heeft veroordeeld. Niemand is schuldig, niemand is verantwoordelijk. Het is gewoon de economie. En die is aangeboren. Die is in feite ons diepste wezen.
    Omdat wij allemaal als de economische mens zijn.

    Katrine Marçal

    Je houdt het niet voor mogelijk verscheen begin oktober bij De Geus.

    Wie is Katrine Marçal?
    Katrine Marçal (1983) is een Zweedse journaliste en woont in Londen. Op haar 22ste begon ze met schrijven voor het grote Zweedse dagblad Aftonbladet en op haar 25ste werd haar eerste boek gepubliceerd. Je houdt het niet voor mogelijk stond in Zweden op de shortlist voor de Augustprijs en werd bekroond met de Lagencrantzer Award.

    Ontmoet Katrine Marçal
    360 Magazine organiseert samen met De Balie en De Geus op 21 oktober een bijeenkomst met Katrine Marçal. Zij gaat in gesprek met schrijfster Myrthe Hilkens. Kaarten kunt u bestellen bij de kassa van De Balie. www.debalie.nl

    Foto’s
    Fotograaf Roel Burgler volgt Marjolein en gezin sinds 2010. Boven: Marjolein gebruikt een insectenzuigpompje om het gif van een wesp uit de voet van dochter Linda (4) te zuigen, voor de tent op de camping. Onder: Marjolein schilt aardappelen terwijl zoon Thomas op haar smartphone en laptop wilt spelen. Links: Marjolein werkt op haar laptop op een deken in het park. © Roel Burgler / HH