Maria Stepanova vertelt hoe de nieuwe generatie Russische politieke ballingen herdefinieert wat het betekent om een thuisland kwijt te raken. ’Het intellectuele begrip “ont-heemding” lijkt niet te bestaan in het Russisch.’
1.
In De gave (1938), de laatste roman die hij in zijn moedertaal schreef, beschrijft Vladimir Nabokov een literair geschil tussen geëmigreerde schrijvers. Het gaat om Russische schrijvers die alleen elkaar lezen en nauwelijks geïnteresseerd zijn in Berlijn, de stad waar het lot hen heeft gebracht, of in de mensen die er op straat lopen, of in de literatuur die daar gedijt.
De ruzie gaat over een bepaalde tekst die heeft gezorgd voor een algeheel gevoel van onbehagen. Een van de personages bespot de auteur – een Russische schrijver die zijn glorietijd lang achter zich heeft liggen, al wordt hij in emigrantenkringen nog steeds gelezen – via een aanschouwelijke metafoor: een portret van een onbekende voorouder, dat jarenlang, zelfs tientallen jaren lang in het familiehuis heeft gehangen; misschien was de geportretteerde niet eens familie en alleen maar een kennis. Toch, al sloeg het nergens op, heeft het schilderij de familie hun hele leven begeleid en dook het altijd weer op, als onkruid dat niet vergaat. Wat het noodlot ook voor hen in petto heeft – brand, oorlog, plotselinge verkassing – het portret blijft deel uitmaken van de bezittingen die ze naar de toekomst meenemen. Als iemand zou proberen het af te pakken, zouden ze het als een kostbaar bezit verdedigen. Net zo is het met het werk van deze schrijver op leeftijd.
Ik begin met dit (totaal overbodige, extreem belangrijke) portret om uit te leggen waarom ik hier vandaag Russisch spreek, in plaats van, zeg, Engels, dat meer mensen in dit gehoor zouden begrijpen. De titel van mijn lezing doet het Russisch trouwens nauwelijks recht. In het Russisch wordt ‘ontheemd persoon’ officieel vertaald als ‘peremeshchennoe litso: letterlijk ‘iemand die van de ene naar de andere plek is verhuisd’ – woorden met een precieze, bureaucratische betekenis. Het intellectuele begrip ‘ontheemding’ lijkt niet te bestaan in het Russisch. Om dit gevoel van biografische en historische verschuiving over te brengen, zijn wij aangewezen op neologismen en eufemismen; we moeten definiëren en uitleggen.
Ik bedoel maar: het idee van een ‘eigen plek’ blijkt zo problematisch dat het Russische woordenboek geen woord heeft voor het verlies ervan – of het nu gedwongen of vrijwillig is. ‘Bezdomny’ – letterlijk ‘zonder huis’ – is een parapluterm voor alle soorten thuisloosheid. Er bestaat geen Russisch woord voor iemand die zijn land kwijtraakt. We hebben alleen leenwoorden: emigratie, expatriëring, migratie. Dat laatste woord hebben sommigen van ons de laatste tijd gebruikt om aan te geven dat we alleen als tijdelijke maatregel buiten ons land wonen.
Ons land. Maar wat is ons land, als we er niets van onszelf hebben achtergelaten?

Het Russisch is de laatste jaren belangrijker voor me geworden. Je zou me sentimenteel kunnen noemen. Uiteindelijk is taal niet zomaar iets dat je in je koffer stopt als je je land verlaat. Taal kun je onmogelijk achterlaten; er is altijd ruimte voor in de koffer, ook als je er in de toekomst niet veel aan hebt. In zekere zin ís taal de koffer. Taal draagt al het andere in zich en verandert gewone bezittingen (toilettas, boek, wit overhemd) in een tentoonstelling van een niet meer bestaande wereld.
Weggaan versterkt alleen maar de banden met onze moedertaal: het gruwelijke nieuws in het Russisch is ons dagelijks brood. Een zeker moreel besef – schuld? verantwoordelijkheid? medeplichtigheid? – weerhoudt de recente emigrant ervan weg te kijken, al is het maar even, om op adem te komen, zoals ze ooit wellicht thuis deden, middenin de ramp.
Niet ieder vertrek is gedwongen en niet iedereen die zijn huis verlaat is een vluchteling. Bij Russen kan de grens tussen die twee echt heel dun zijn. Het is moeilijk met zekerheid te zeggen: deze persoon moest vertrekken; die deed het uit vrije wil. Je kunt het gevaar makkelijk onderschatten, zoals degenen ervoeren die zich uitspraken tegen de Russische agressie jegens Oekraïne, zonder ook maar te vermoeden dat ze konden worden gevangengezet voor dergelijke protestuitingen. Andersom kun je het gevaar ook overschatten en weggaan, met als enige gevolg dat je je uiteindelijk doodschaamt voor je eigen veiligheid.
Gevaar en angst zijn niet de enige beweegredenen. Duizenden vertrokken uit walging, omdat ze weigerden deel uit te maken van een organisme dat alles wat er anders uitziet wil opslokken en vermalen. Wat de reden ook was, er komt een moment dat je ineens beseft hoezeer taal je bindt aan de plek die je hebt verlaten. In je eigen ogen, en in de ogen van je nieuwe buren, ben je bovenal Russisch en getekend door de associatie met het nietsontziende Russische staatsgeweld.
Russisch is dat ongewenste portret geworden dat aan je muur hangt; het vestigt de aandacht op de verschillende afkomsten
Ik neig ertoe deze situatie als een persoonlijke drijfveer op te vatten. Mijn taak is om te begrijpen en analyseren wat er op het moment in Rusland gebeurt – en daarbuiten (waar vrolijk dezelfde koers wordt gevolgd). Dit lijkt me nog steeds zinnig, al weet ik maar al te goed hoe onwaarschijnlijk het is dat mijn inspanning zoden aan de dijk zet. De gigantische inspanningen van historici en filosofen in de twintigste eeuw hebben niet kunnen voorkomen dat staatsgeweld weer de kop opsteekt.
Eigenlijk is dit allemaal in zekere zin een eeuw geleden al eens gebeurd. Nabokov’s personages zijn de naaste verwanten van de huidige emigrant-schrijvers. Toch lijkt de analogie op de een of andere manier te makkelijk en gaat ze in feite mank. Russische emigranten van de ‘eerste golf’ voelden zich, niet zonder reden, slachtoffers van revolutionair geweld; zij hoopten weer naar huis te kunnen zodra de bolsjewistische waanzin voorbij was. Op dit moment kan een Rus met een paspoort zichzelf moeilijk als een vluchteling of slachtoffer beschouwen. Van Barcelona tot Berlijn lopen wij op straat naast degenen die gevlucht zijn voor de bommen die door ons land worden geworpen. Daarmee vergeleken is Russische ballingschap overduidelijk iets anders, iets dat schaamte wekt en weinig hoop. Wij komen uit een land dat dag aan dag doorgaat met de misdaden die we op het nieuws zien.
Ik woon nu in Berlijn, waar velen Russisch spreken, net als een eeuw geleden. Nu echter maakt het Russisch dat ik aan het naburige cafétafeltje hoor mijn gevoel van verlies en desoriëntatie alleen maar sterker. Het kan gaan om Russisch-sprekende Belarussen of Oekraïners of nog weer anderen uit al die verschillende post-Sovjetlanden (er is nog steeds geen ander woord voor).
Als ze me aanspreken, is het meestal in het Engels. Zo niet, dan haast ik mij om een Engels gesprek met hen te beginnen. Russisch is dat ongewenste portret geworden dat aan je muur hangt; het vestigt de aandacht op de verschillende afkomsten. Schrijvers in het Russisch kampen met nieuwe kopzorgen. Hoe moeten we onszelf identificeren, of zelfs over onszelf nadenken, als we trouw willen blijven aan degenen die in Rusland zijn gebleven en Russische boeken schrijven die hen in de gevangenis kunnen brengen? Ben ik een russkaya schrijver of een rossiyskaya schrijver ? (Russkaya verwijst naar de etnoculturele identiteit, en rossiyskaya naar de staatsburgerlijke – het laatste leek ooit neutraler te klinken.) Of misschien ben ik een Duitse schrijver die in het Russisch schrijft? Maar als dat zo is, zou dan een jaar Barcelona een Catalaanse schrijver van me maken? Thuisloosheid of ontheemding vervreemdt een schrijver van haar publiek, haar gevoel ergens bij te horen en haar medium.
2.
In een gitzwarte, sardonische tekst getiteld ‘Wij vluchtelingen’, begin 1943 gepubliceerd, beschrijft Hannah Arendt een situatie die ik 80 jaar nadien nog altijd herken. Ze begint met de opmerking dat het collectieve ‘wij’ liever niet wordt geïdentificeerd als ‘vluchtelingen’ – een hekel die door mijn eigen landgenoten wordt gedeeld. De Duitsers en Joden die eind jaren ’30 uitzwermden over de wereld zagen zichzelf liever als nieuwkomers of immigranten. Russen verkiezen als gezegd de term ‘migrant’ om de tijdelijke aard van hun situatie te benadrukken. Dit is allemaal niet voorgoed zeggen we tegen onszelf. Op een dag houdt het op, vast en zeker. Het ongefundeerde optimisme dat het woord ademt hangt misschien samen met hoe mijn generatie aankeek tegen het eind van de tachtiger jaren, toen het Sovjet-systeem ineenstortte en de Berlijnse Muur viel. Ons algehele gevoel toen – hoe gênant ik het nu ook vind – was dat het goede op den duur het kwade overwint, al duurt het even voor het zover is.
Identiteit is nog zo’n oud portret – wie nam het mee uit het verlaten huis? – al wordt het vaak ten onrechte gezien als een magische talisman of een kleine maar vreselijke god. Het eist dat je trouw blijft aan het kleine thuisland van de diaspora-verbeelding, en verbiedt je om je te mengen met andere groepen en nieuwe leefstijlen aan te nemen. Wie zal zeggen wat het in ruil belooft: de mogelijkheid terug te keren? Het prettige idee niet alleen te zijn? Een magische helper die opdraaft om je op je moeilijkste momenten te redden? Diaspora-solidariteit werkt wel tot op zekere hoogte en ongetwijfeld beter dan de ruwe integratiemechanismen waar de meeste staten in voorzien. Maar je hebt er niets aan om de ongezonde stagnatie te doorbreken, de passiviteit als gevolg van het vasthouden aan de hoop dat dit allemaal op een dag voorbij zal zijn, dat je geduldig moet zijn en trouw moet blijven aan wie je was, al was het maar om verzekerd te zijn dat je wordt herkend en geaccepteerd bij je terugkeer naar huis.
Mij lijkt dat de status van ontheemde je anno 2026 maakt tot ‘een menselijk wezen’ tout court. Dat begint niet op het moment dat je van je thuisland wordt losgerukt, maar later, als je beseft dat er geen plek is waarnaar je terug kunt, dat je niet kan en moet stoppen, dat je door moet blijven gaan. Ver-plaatsing, ont-heemding, de verschuiving, de gapende kloof tussen verleden en toekomst – dit proces leidt tot een nieuw soort gemeenschap, eentje die zichzelf nauwelijks als zodanig herkent. Een versplinterde gemeenschap, zonder gemeenschappelijke tradities.
3.
‘Europeanen zijn uit hun levensverhaal gegooid als ballen uit de zakken van een biljarttafel,’ schreef Osip Mandelstam in 1922. Migratie was toen al een massaverschijnsel; het aantal van zulke ontheemden als gevolg van honger en onderontwikkeling is sindsdien gestaag gegroeid. Overal hebben buitenlanders angst en haat gezaaid, maar ook een bepaald soort aantrekkingskracht uitgeoefend, die niet tot exotisme is terug te voeren. De trek naar het onbekende en vreemde schept geleidelijk ruimte voor het lange gesprek dat met de tijd genuanceerder wordt en uiteindelijk leidt tot wederzijds begrip.
De rampen van de twintigste eeuw maken zo’n gesprek onmisbaar. Nationalisme heeft duidelijk gemaakt dat de toekomst van de mensheid afhangt van onze belangstelling voor mensen die cultureel niet op ons lijken. De afgelopen decennia hield de opgave om te begrijpen de Westerse cultuur in haar ban – het was haar prioriteit. Buitenlandse ervaring, met inbegrip van geweld en ballingschap, is een deel van ons gezamenlijke bewustzijn geworden. Deze ontwikkeling heeft ook interessante neveneffecten op de literatuur gehad. Het aantal vertaalde boeken nam toe, vertaalinstituten schoten uit de grond; hele series gewijd aan verschillende delen van de wereld werden opgezet.
De relatie tussen schrijver en lezer is navenant veranderd. In de negentiende eeuw schreven Heinrich Heine en Ivan Toergenjev tijdens hun Parijse verblijf respectievelijk in het Duits en Russisch. Beiden konden uitstekend Frans en waren in staat Franse edities van hun werk te verzorgen maar hun lezerspubliek hielden ze in de landen die zij vrijwillig hadden verlaten. De revolutionair Alexander Herzen publiceerde De Klok in het Russisch, ook al hadden de tsaristische autoriteiten de krant verboden. Een generatie later bleef Mann, als balling in Californië, voor een Duits publiek schrijven, zelfs toen zijn boeken door het Derde Rijk werden verbrand. Maar heel weinig schrijvers veranderden de taal waarin zij schreven: Conrad, Nabokov en Arendt behoren tot de opmerkelijke uitzonderingen.
Maar tot wie richt een schrijver in de diaspora zich vandaag de dag? Deze vraag moet niet worden opgevat als een keuze tussen talen. Soms wordt aangenomen dat je je, als je schrijft in de taal van je verlaten thuisland, richt tot je landgenoten, waar ze ook mogen zijn. En omgekeerd dat je, als je schrijft in de taal van je nieuwe thuisland, alleen in gesprek bent met lokale bewoners. Maar als je experimenteel schrijft zul je waarschijnlijk wel moeten werken binnen de grenzen van je moederaal, hoe graag je die misschien ook wilt ontvluchten.
Vier nexus-sprekers uitgelicht
Alicja Gescinska (1981) is een Pools-Belgische filosoof en schrijver die als kind met haar ouders het communistische Polen ontvluchtte. Ze debuteerde in 2011 met De verovering van de vrijheid en won in 2026 de Socratesbeker voor Vrouwen in duistere tijden, waarin ze tien vrouwen portretteert die zich verzetten tegen onderdrukking en ontmenselijking.
Paul Kingsnorth (1972) is een Britse schrijver, essayist en milieuactivist.Hij was medeoprichter van het Dark Mountain Project, een beweging die de vooruitgangsmythe van de moderne beschaving ter discussie stelt, en waarschuwt in zijn boek Tegen de machine (2026) voor een samenleving waarin technologie, economische groei en bureaucratie de menselijke vrijheid en verbondenheid met de natuur ondermijnen.
Ryszard Legutko (1949) is een Poolse filosoof, schrijver en voormalig politicus die zich verzette tegen het communistische regime in Polen. In zijn boek The Demon in Democracy (2016) betoogt hij dat de liberale democratie en het communisme meer overeenkomsten vertonen dan doorgaans wordt aangenomen. Hij bekritiseert de ideologische eenvormigheid en het conformisme van het Westen.
Eric Li (1968) is een Chinese investeerder en politiek commentator, bekend als pleitbezorger van het Chinese bestuursmodel. Hij betwist het idee dat liberale democratie de enige weg is naar welvaart en goed bestuur. Volgens Li kan een meritocratisch systeem, waarin bestuurders op basis van bekwaamheid worden geselecteerd, een alternatief bieden voor westerse democratieën.
Tegenwoordig hangt de ontvangst van een literaire tekst echter veel minder af van de taal of het staatsburgerschap van de schrijver. Een schrijver van Turkse afkomst die in Duitsland woont en in het Duits over Turkije schrijft kan met recht een dubbele identiteit claimen. Yoko Tawada, die in Hamburg woont, is radicaler: ze schrijft sommige boeken in het Japans en andere in het Duits, en ze heeft geen behoefte om haar keuzes toe te lichten. In Exophony (2025), haar essaybundel over de ervaring om te schrijven in een andere dan haar eerste taal, stelt ze dat ieder van ons een opslagplaats is, een vat waarin alle talen waarmee we ooit in aanraking zijn gekomen worden bewaard, of we ze nu spreken of niet.
Het is deze groep waarvan ik steeds meer voel dat ik er toe behoor. Mensen als wij kunnen zich tussen identiteiten profileren, als onderdeel van een tussenruimte. Zonder het te weten of zelfs te vermoeden zijn we iets gaan vertegenwoordigen voorbij de tweedeling tussen onze diaspora en het land dat we hebben achtergelaten: een nieuwe groepering, haast ongemerkt ontstaan, zichzelf nauwelijks bewust. Klem in de kloof tussen talen en landen hebben we een onverwacht nieuw publiek verworven: een groep onbekenden die onze ervaring delen. Taal is hier op geen enkele, of bijna geen enkele manier bepalend. Waar het in wezen om gaat is de wil in gesprek te gaan.
De ervaring van de emigrant impliceert gewoonlijk de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende talen. Jij bent hun ontmoetingsplek of hun vertrekpunt; ze tasten elkaar af in de pre-linguïstische duisternis: je moedertaal, de taal van je nieuwe land (nog zwak, nog niet echt in je mond gevormd), en natuurlijk het alomtegenwoordige spook van het Engels (dat, of je wilt of niet, dient als achtergrond bij elk gesprek). Jouw woorden, en je lichaam, worden een domein waar spraak en tradities botsen met een onverwacht resultaat, voorbij de logica.
Een ‘vreemdeling’ – en daar zit een onverwacht voordeel – kan schrijven in de ruimte tussen talen of erboven
Iedere mogelijkheid heeft net als iedere hoop haar duistere keerzij. Massaemigratie en, ruimer genomen, ongebreidelde globalisatie dwingen ons om het begrip nationale literatuur te herijken, als we er tenminste van willen uitgaan dat de literatuur van een land is geschreven in een specifieke taal en voor de specifieke mensen die daar wonen.
Een ‘vreemdeling’ – en daar zit een onverwacht voordeel – kan schrijven in de ruimte tussen talen of erboven. Misschien voelen ze zich geroepen om zichzelf uit te spreken tegenover degenen die zich, net als ik niet zo lang geleden, nauwelijks konden voorstellen om te wonen op een plek die niet ‘thuis’ was; misschien zijn ze geïrriteerd door de manier waarop ze in de allereerste plaats worden bejegend: als een vertegenwoordiger van het verlaten land, als een menselijke visitekaart. De gelegenheid om plaatselijke bewoners te mijden en te praten met mensen als jezelf biedt op zich vrijheid. Maar dan heb je wel grote kans dat je je nieuwsgierigheid verliest, je belangstelling verliest voor de levens die niet op het jouwe lijken. Intussen wordt de kring lokale mensen die met jou willen praten wellicht kleiner. Ze hebben elkaar een heleboel te vertellen zonder jouw inmenging.
Nu kom ik bij een algemeen kenmerk dat je ziet weerspiegeld in de groeiende steun voor rechtse partijen, de smeulende woede op toeristen, de gevechten in bussen die de koppen in landelijke kranten halen. Er is steeds minder nieuwsgierigheid en steeds meer woede en irritatie. Dit komt van beide kanten: nieuwe immigranten neigen zelf vaak tot radicaal conservatisme. Veel Russisch sprekende inwoners in Duitsland sympathiseren met Poetin en proberen Russische agressie goed te praten. Zij stemmen op de Alternative für Deutschland. Het verlangen naar wederzijdse begrip, naar vertaling (niet alleen van de ene taal naar de andere, maar van de ene cultuur naar de andere) brokkelt met de dag af.
In de Joodse traditie bestaat een vakantie die impliciet is verbonden aan thuisgedachten. Tijdens het Loofhuttenfeest wonen gelovigen een week lang in geïmproviseerde hutten onder de blote hemel, waar ze eten en slapen, en belangrijker, smullen en feesten – het Soekot is een oogstfeest. Maar het is ook een jaarlijks waarschuwing dat ieder thuis tijdelijk is, dat je niet kunt weten wanneer je opnieuw, of misschien voor het eerst, je bezittingen zult moeten verzamelen en de deur voorgoed achter je zult tsluiten. Tijdens het Loofhuttenfeest heeft iemand twee woningen in plaats van een. Misschien is dit simpelweg een manier om ons eraan te herinneren dat ons ware thuis niet hier is, dat je misschien niet terug komt maar voort zult moeten gaan.
In De menselijke conditie, vijftien jaar na ‘We Refugees’ geschreven, verwerpt Hannah Arendt het idee hoop, dat zij ervaart als een passief en daarom fataal gevoel. Hoop is altijd ergens in de toekomst gedacht. Hoop draagt het masker van onvermijdelijkheid en bedriegt ons derhalve. Hoop reduceert het menselijk leven tot verwachting. Bij wijze van alternatief komt Arendt met het begrip geboortelijkheid, dat mij in deze nieuwe donkere tijden zinnig lijkt. Anders dan hoop biedt geboortelijkheid geen kant en klare mal voor een toekomst waarnaar we zouden moeten streven, en troost het ons ook niet met het geloof dat alles uiteindelijk goed komt. Het is niet zozeer een ethische notie als wel een psychische eigenschap die het levende schepsel is aangeboren. Geboortelijkheid is domweg het vermogen opnieuw te beginnen, vanaf het begin, keer op keer; zonder te weten waarom of waartoe; steeds weer herboren worden, koppig; zonder perspectief volhouden – omdat het nu eenmaal onze menselijke manier van zijn is.
Verder lezen?
Kwaliteitsjournalistiek kost geld. Maar je wilt 360 misschien liever eerst proberen. Neem daarvoor een proefabonnement en lees een week lang gratis.
Heb je al een account?
