Screenshot 2026 07 03 at 6.09.36 PM scaled


Een voorpublicatie uit het nieuwe boek van Victoria Bateman

Hoog in de bergen van Peru, zo’n 4 kilometer boven zeeniveau, ontdekten archeologen in 2018 de overblijfselen van een jonge vrouw. Ze was begraven met een vierentwintigdelige jachtuitrusting, bestaande uit onder andere lange werpsperen, snijvoorwerpen en slachtgereedschap. In eerste instantie nam men aan dat het een jonge man was. Wordt er een menselijk skelet met jachtwerktuigen of wapens gevonden, dan gaan archeologen er sinds jaar en dag standaard van uit dat het om een man gaat. Hoewel sommigen hier in dit geval anders over dachten, waren de beenderen van de vrouw zo vergaan dat het lastig te bewijzen was. Maar dankzij nieuw wetenschappelijk onderzoek – van tanden in plaats van botten – konden de archeologen uiteindelijk toch de waarheid achterhalen: deze jager was inderdaad een vrouw.

Over het leven van deze speerwerpende jonge vrouw, onder archeologen bekend als Wilamaya Patjxa 6 (wmp6), weten we meer dan je op het eerste gezicht zou denken. Ze behoorde negenduizend jaar geleden tot een gemeenschap van jagers-verzamelaars in de hooglanden van de Andes. Het was een onvruchtbaar gebied: her en der een plukje gras en af en toe een dier. In de voortdurende strijd tegen de honger was ze dag in, dag uit op zoek naar eten. Ze joeg op herten en vicuña’s (kleine kameelachtigen) en deelde de buit met haar stamgenoten. In het berglandschap, dat haast oneindig leek, groeiden alleen wat wilde aardappels. Ze leed elke dag kou, en de kans op hoogteziekte was groot. Ze stierf ergens tussen haar zeventiende en negentiende, maar naar de oorzaak blijft het gissen. Waarschijnlijk was ze een gerespecteerde stamgenoot met aanzien: ze werd in een ceremonieel graf begraven, samen met haar werktuigen. Die waren nog in zo’n goede staat dat ze zo door een andere jager gebruikt hadden kunnen worden. Op deze manier eerde men haar leven en haar bijdrage aan de gemeenschap.

Deze Peruaanse jaagster, die onder de huidige lokale bevolking bekendstaat als Warawara (ster), bleek niet de enige jagende vrouw. Op het Amerikaanse continent zijn zevenentwintig jagers gevonden die leefden tussen 12.000 en 8000 v.g.j. Van hen zijn er elf geïdentificeerd als vrouw: ongeveer 40 procent. Hoewel er soms aan wordt getwijfeld of de vrouwen die met werktuigen werden begraven überhaupt wel jaagsters waren, duiden de jachttechnieken van die tijd er onomstotelijk op dat vrouwen wel degelijk joegen. Het favoriete wapen van de eerste jagers was de atlatl, een speerwerper die de voorloper was van de pijl-en-boog. Dit wapen was geschikt om vanaf jonge leeftijd te gebruiken, waardoor vrouwen ruim voordat ze kinderen kregen al geoefende jagers konden worden. Bovendien was de jacht een gemeenschappelijke taak: de ene groep spoorde de dieren op en dreef ze bijeen, de volgende groep velde ze vervolgens met speren. Iedereen kon een waardevolle bijdrage leveren aan de jacht.

Op de linkeroever van de Seine, zo’n 40 kilometer buiten het huidige Parijs, hebben archeologen een jachtgebied en slachtplaats gevonden die vrijwel perfect bewaard zijn gebleven. Hier leefde zo’n 13.000 jaar geleden een groep van ongeveer dertig mensen. Het opvallende aan deze plek is dat er uitzonderlijk veel beenderen zijn gevonden, van in totaal ongeveer zesenzeventig rendieren. Maar dat is geen toeval: hier was de Seine minder diep en konden dieren van de ene oever naar de andere waden, zij het langzaam vanwege de sterke stroming. Men hoefde hier dus geen vallen te zetten: het was een grote fuik waar een groep jagers een heleboel dieren in één keer kon vangen.

Het jachtwerk mocht dan weinig moeite kosten, de slacht was een stuk arbeidsintensiever. Nadat ze de dieren bijeen hadden gedreven en met speren gedood, waren er veel handen nodig om de buit schoon te maken, uit te benen en te conserveren: de geweien en huiden werden verwijderd en de karkassen moesten in stukken gesneden en gedroogd worden. De jacht leverde veel meer op dan alleen vlees, en uit de vondsten kunnen we concluderen dat iedereen meewerkte, ongeacht leeftijd, geslacht en vaardigheden.

De jacht heeft duidelijke sporen nagelaten, maar tot voor kort bleven de activiteiten van de verzamelaars in de steentijd onopgemerkt. Archeologen en antropologen gingen er lange tijd van uit dat vrouwen niet als taak hadden om te jagen, maar om voedsel te verzamelen. Bovendien beschouwden ze dit werk ook nog eens als het minst belangrijk, terwijl uit recent onderzoek blijkt dat het voedsel van de jagers-verzamelaars – met name in gebieden die minder onherbergzaam waren dan het leefgebied van de Peruaanse jaagster – voornamelijk bestond uit planten, schelp- en schaaldieren en kleine dieren die ze vingen met netten en strikken. Historica Merry Wiesner-Hanks stelt dat we deze vroege mensen misschien beter verzamelaars-jagers kunnen noemen in plaats van jagers-verzamelaars. Sommigen refereren al helemaal niet meer aan het jagen en hebben het simpelweg over verzamelaarsgemeenschappen. De aanname dat het leven draaide om de jacht, en dat de mannen daar verantwoordelijk voor waren, kantelt nu in rap tempo, en daarmee ons bredere beeld van de steentijdeconomie.

De drijvende kracht achter de eerste ‘industriële’ omwenteling in de geschiedenis waren niet de voorgangers van ingenieurs en uitvinders, maar eenvoudige koks. Knapperige planten en stevig, rauw vlees van een vers geslacht dier kunnen een flinke aanslag zijn op de spijsvertering. De meeste primaten zijn uren per dag kwijt aan kauwen: gorilla’s bijvoorbeeld zesenhalf uur. Grazers moeten zó veel eten om genoeg voedingsstoffen binnen te krijgen dat er bar weinig tijd overblijft om vrolijk door de weide te draven. Door al dat eten kunnen runderen wel vijfhonderd liter methaan per dag produceren, vooral met hun oprispingen. Toen de mens erachter kwam dat je eten zacht en minder giftig kon maken door het te koken, leverde dat beter verteerbaar voedsel op én meer tijd voor andere nuttige activiteiten. Om te kunnen koken moesten mensen met vuur leren omgaan.

Vlees en vis konden ze roosteren op een open vuur als een barbecue, of bakken in een kuil met hete stenen die ze met planten bedekten. Rond 30.000 v.g.j. vonden de eerste koks bovendien het platbrood uit. Door de kunst van het koken hadden de mensen geen spijsverteringsproblemen meer en hoefden vrouwen niet meer langdurig borstvoeding te geven, doordat ze het voedsel tot moes konden koken. Met een buik vol warm voedsel ontstond er ruimte om het leven iets aangenamer te maken. Waren de mensen voorheen uren kwijt aan kauwen, verteren en borstvoeding geven, nu konden ze die ‘vrije tijd’ besteden aan andere taken, terwijl hun hersencapaciteit groeide dankzij proteïne. Zo vervaardigden de mensen in de loop van de steentijd een schat aan nieuwe producten: doeken, matten, valstrikken, visnetten en dekens. En in tegenstelling tot vandaag de dag was alles van natuurlijke oorsprong, zoals plantaardige vezels, rietstengels, dierenhuiden en bladeren. Het was een tijdperk vol creativiteit. De voorwerpen die verzamelaarsvolken tegenwoordig gebruiken, zijn negen van de tien keer gemaakt van vergankelijk materiaal. En het zijn vooral de vrouwen met hun indrukwekkende traditionele vaardigheden die ze produceren. Maar dit soort voorwerpen uit het verleden – tastbare overblijfselen van de steentijdcultuur – zijn allang verteerd en vergaan. De stenen werktuigen die we over het algemeen associëren met deze periode hebben daarentegen de tand des tijds wél doorstaan. Zo heeft het idee postgevat dat de steentijdeconomie draaiende werd gehouden door mannen. Waren ze niet aan het jagen, dan waren ze wel brokken steen aan het bewerken. Misschien hebben we de steentijd de verkeerde naam gegeven: als we onderkennen hoeveel werk de vrouwen destijds verzetten, kunnen we deze periode uit de menselijke geschiedenis beter de meerdan-steentijd noemen.

De geheimen van dit vergane verleden kunnen we nu ontrafelen dankzij een stukje touw dat pas kortgeleden ontdekt werd. Het is het oudste voorwerp van plantaardige vezels dat ooit gevonden is en stamt uit de periode tussen 50.000 en 40.000 v.g.j. Het touwtje is slechts 6,2 millimeter lang, 0,5 millimeter dik en bestaat uit drie ineengedraaide boombastvezels. Het werd opgegraven bij de archeologische vindplaats Abri du Maras, vlak bij de Franse rivier de Ardèche, een zijrivier van de Rhône, en lag 3 meter onder de grond. De vaardigheden om dit touw te maken vormden de basis voor latere technieken als spinnen en weven. Hoewel de vroegste geweven stoffen allang zijn vergaan, weten we dat ze bestaan hebben dankzij gedetailleerde afdrukken op 28.000 jaar oude aardewerkresten die werden opgegraven in het gebied tussen Moravië (in het huidige Tsjechië) en Mesopotamië (in Zuidwest-Azië). Waarschijnlijk was het niet de bedoeling van de pottenbakker om een afdruk van het weefsel in de klei te maken, maar hield hij of zij een lap vast tijdens het maakproces. Sommige van de vroegste aardewerken voorwerpen waren kleine dier- en mensfiguurtjes, en de overblijfselen kunnen ons veel vertellen over de makers. Op de talloze figuurtjes uit de periode tussen 25.000 en 15.500 v.g.j. die zijn opgegraven in Tsjechië zijn vingerafdrukken met fijne lijnen aangetroffen. Dit kan erop wijzen dat de vrouwen als pottenbakkers werkten. Bovendien hebben ze opvallend vrouwelijke versieringen, zoals allerlei vruchtbaarheidssymbolen.

Er zijn ook andere sporen aangetroffen van de productie van voorwerpen die zijn vergaan: namelijk op vrouwengebitten. Mandvlechten was in veel opzichten een essentiële vaardigheid: manden waren immers nodig voor allerlei taken, van vissen tot foerageren. De plantaardige vezels moesten goed geprepareerd worden, onder andere door de buitenste laag van het riet eraf te halen. Aan de groeven in de gevonden gebitten te zien, deden ze dat met hun tanden. Uit archeologische vondsten blijkt bovendien dat de vrouwen hun tanden gebruikten bij het produceren van leren voorwerpen: ze maakten bijvoorbeeld de stukken dierenhuid zachter door erop te kauwen. Ook als ze onderweg wol moesten weven, waren hun tanden waarschijnlijk een handig hulpmiddel; wie tegenwoordig weleens achter de naaimachine zit, herkent dat misschien. De voorwerpen die de vrouwen destijds maakten zijn inmiddels vergaan, maar de sporen op hun lichaam laten onomstotelijk zien dat deze vrouwen een grote bijdrage leverden aan de verzamelaars-jagerseconomie. Ze joegen en verzamelden niet alleen samen met de mannen, ze stonden ook aan de basis van de maakindustrie.

  • Noten zijn hier weggelaten voor de leesbaarheid van de voorpublicatie.

Vertaald door Anne Marie Koper


Deel dit artikel


Recent verschenen