DOS Datacenter Protest

De strijd om een data­centrum verenigt onverwachte bondgenoten.

Clinton in Iowa, een klein stadje aan de Mississippi, ligt op vlak terrein maar gaat economisch bergafwaarts. Het telt nog maar zo’n 24.000 inwoners en het centrum lijkt uitgestorven. Aan de westkant strekken zich kilometers aan donkergroene maïs- en sojavelden uit, die worden doorkruist door hoogspanningskabels en door de gemeente zijn aangewezen als industriegebied. Tot de economische activiteiten in de stad behoren de maïsverwerking en de productie van dierenvoeding en van crystal meth. Met zoveel beschikbare grond en een grote behoefte aan investeringen lijkt Clinton een ideale plek voor een gigantisch datacentrum.

Ryan Wisor, een vader met twee dochters die er met toestemming van de gemeente een woonhuis heeft gebouwd, zag halverwege februari twee landmeters met boorinstallaties in de weer op de akker achter zijn erf. Zijn stiefzus zit in de gemeenteraad, dus vroeg hij of zij wist wat daar gepland was. Een paar weken later wist ze te melden dat er een voorstel lag voor een datacentrum. Zo kwam hij te weten dat dit complex zijn huis aan twee kanten zou flankeren en zich op nog geen twintig meter van zijn waterput zou bevinden.

Ambtenaren, nutsbedrijven en de non-profitorganisatie Grow Clinton waren al bijna twee jaar in overleg over de bouw van een datacentrum. Later bleek dat Quality Technology Services (QTS), een internationale projectontwikkelaar in handen van investeringsgigant Blackstone, plannen had om er voor een niet nader genoemde opdrachtgever een van de grootste AI-datacentra van het land neer te zetten: tien gebouwen van elk ruim vierenhalve hectare. Met besloten vergaderingen, geheimhoudingsclausules en zelfs een codenaam (‘Saturday River’) wisten ze het stil te houden, tot het project in een vergadering van het countybestuur op 27 april onthuld werd door Andy Sokolovich, de voorzitter van Grow Clinton. Hij had het liever nog wat langer stilgehouden, maar het was al uitgelekt.

Hyperscaler

Nadat Theresa Andrews die vergadering van 27 april online had gevolgd, zag ze op de website van de gemeente verzoeken om informatie over de status van tientallen landbouwkavels, waaronder een paar pal tegenover haar eigen huis. Ze haalde een paar avonden door om die percelen in een spreadsheet te zetten en zo een plattegrond te maken van de voorgenomen bouwlocatie. Die was van een verbijsterende omvang: zo’n 450 hectare, bijna zeshonderd voetbalvelden. Dit moest een ‘hyperscaler’ worden, en de plannen bleken al in een vergevorderd stadium. Dankzij de wet op openbaarheid van bestuur kwam ze te weten dat er al sinds 2024 plannen lagen om de nutsvoorzieningen in die buurt te verbeteren.

En zo bereikte de Datacentrumopstand van 2026 het kleine Clinton. Niet door Chinese propaganda of desinformatie op sociale media, al is er aan allebei bepaald geen gebrek, maar doordat een handjevol burgers toevallig lucht kreeg van een gepland megaproject in hun gemeente. Andrews, Wisor, Figg en anderen maken zich zorgen over het waterverbruik, de capaciteit van het stroomnet, de bodemverontreiniging, laagfrequente geluidsgolven, de lichtvervuiling, een invasie van aannemers van buiten de staat, en voor iedereen die straks in de schaduw van deze kolos woont: het einde van hun landelijke woonomgeving. Wisor probeert zich voor te stellen hoe het moet zijn om in de tuin te spelen met zijn dochter van negen in de schaduw van dat gevaarte en vreest voor de gezondheid van zijn gezin. ‘Dan zit ik buiten en kan ik alleen maar denken: Straks is dit ineens allemaal weg.’

Inwoners van Clinton begonnen in groten getale de roerige vergaderingen van de gemeenteraad bij te wonen. Die stemde op 9 juni tegen een voorstel voor een moratorium van 120 dagen om meer tijd te nemen voor een evaluatie van de risico’s van zo’n onafzienbaar project. De gemeente begon een verordening op te stellen voor de bouw en het gebruik van een datacentrum. Juridisch kon QTS al zonder zo’n verordening beginnen te bouwen. Gemeenteambtenaren, zegt Andrews, ‘probeerden ons wijs te maken dat die verordening er zo snel mogelijk moest komen, zodat QTS niet zomaar zou beginnen met bouwen: “Je moet juist blij zijn dat we hier vaart achter zetten.”’ Maar samen met andere verontruste inwoners vormde zij de groep Clintonians Against Data Centers.

Daarin zitten zowel Democraten als Republikeinen (die laatste waarschijnlijk iets meer), maar ze kenden elkaars partijvoorkeur niet en lijken die ook niet te willen weten. Op hun Facebookpagina worden politieke opmerkingen die niets met kunstmatige intelligentie te maken hebben verwijderd. ‘Politiek gezien is het een apart clubje,’ zegt Chris Baldus, hoofdredacteur van de Clinton Herald. ‘Als deze kwestie niet speelde, zouden deze lui van hun leven niet met elkaar praten.’
Celeste Robbins, die bij justitie werkt en zich zowel ‘kunstzinnig’ als ‘heel gelovig’ noemt, is een teleurgestelde Trump-kiezer. ‘Als je als stad of staat rijk wil worden, ga je voor een datacentrum,’ zei de president in september. Robbins: ‘Dat ben ik niet met hem eens.’ Het is niet dat ze bij de voorgenomen locatie in de buurt woont, haar verzet heeft te maken met het gebruik van AI: ze haat het gemak waarmee dat menselijk denkwerk verdringt en ze is bang voor massaal banenverlies. Figg, die bij de laatste verkiezingen geen van beide kandidaten zijn stem wilde geven, werkt al zijn hele leven in de techsector en juicht de potentiële vooruitgang van AI juist toe. Hij had net acht maanden gewerkt aan een datacentrum voor Amazon in Indiana toen hij over het project in Clinton hoorde. Hij is naar de raadsvergaderingen gegaan om zijn expertise aan te bieden. ‘Maar hoe meer ik mijn kennis met de stad en de raad en de burgemeester probeer te delen, hoe minder ze ervoor openstaan,’ zegt hij. ‘Dan wordt het voor mij wel heel moeilijk om constructief te blijven en niet gewoon te proberen de bouw tegen te houden.’

70 procent tegen

Volgens een recente peiling van NBC is bijna 70 procent van de Amerikanen tegen de bouw van een datacentrum in hun buurt. Kevin Bradley van Clintonians Against Data Centers wijst erop dat sinds 9/11 nooit meer zoveel Amerikanen het ergens over eens zijn geweest: ‘Dit gaat ons allemaal aan: rijk, arm of middenklasse. We slaan de handen ineen omdat we hier niet blij mee zijn.’ In meer dan vijfhonderd gemeenten is al een moratorium of een verbod op datacentra uitgevaardigd. Het burgerprotest is zo snel opgekomen en zo hard gegroeid dat politici van beide partijen, onder wie gouverneurs- en senaatskandidaten van Iowa, moeite hebben om hun achterban bij te benen. De stormachtige groei van het datacentrumverzet is een gevolg van het tempo en de schaal waarop die centra worden gebouwd, wat weer een afspiegeling is van de mate waarin het ineens overal AI is wat de klok slaat. Onder Trump is het regeringsbeleid om alles wat met technologie te maken heeft, ook de bouw van datacentra, over te laten aan het bedrijfsleven. Over mensen zoals Robbins, Figg en Andrews zegt hij smalend dat ze graag ‘arm en achterlijk’ blijven. Maar op dit punt blijft het grootste deel van zijn achterban toch woedend tegen hem ingaan: de enige andere kwestie waarbij je dat ziet, is misschien de zaak-Epstein. Met al hun gedram en hun grote beloftes hebben de techbedrijven, de durfkapitalisten en hun politieke bondgenoten een politieke storm gezaaid.

Voorstanders van datacentra wijzen op de voordelen: banen, belastingopbrengst, de vele voordelen van AI zelf. Clintons burgemeester Scott Maddasion zegt dat zijn stad, met een jaarbegroting van 24 miljoen dollar, door dit project jaarlijks 20 miljoen dollar aan onroerendezaakbelasting zou kunnen opstrijken. Sokolovich van Grow Clinton zegt dat je eerder aan 30 miljoen moet denken. Volgens hem heeft QTS geen belastingvoordelen gevraagd en wel beloofd om alle kosten te vergoeden die gemaakt worden voor verbetering van de voorzieningen die het datacentrum vereist. Een woordvoerder van stroomleverancier Alliant Energy heeft beloofd dat de kosten van de extreme stroombehoefte van het datacentrum niet op bestaande klanten worden verhaald.

Maar hoe belangrijk de cijfers over waterverbruik en belastingopbrengsten ook zijn, ze vormen niet de kern van het probleem. Het verzet tegen datacentra heeft een diepere oorzaak dan louter het sentiment van nimby’s of zorgen over milieuschade en misbruik van hulpbronnen. Wat je bij de inwoners van Clinton steeds weer merkt, is dat ze zich gepiepeld, genegeerd, respectloos behandeld en verraden voelen – dat ze niets meer te zeggen hebben over cruciale zaken in hun eigen leven. Het voorgenomen datacentrum leek een geheime deal tussen insiders: grote partijen ver weg in Silicon Valley, op Wall Street en in Washington, en de bestuurlijke top van hun gemeente. Voor de techreuzen, QTS, Blackstone en de AI-fans in de regering-Trump is Clinton gewoon een mooi lapje bouwgrond aan de Mississippi. Dat de corebusiness van de branche die daar ruim 450 hectare grond wil opkopen nou toevallig bestaat uit het vervangen van mensen door machines (en volgens sommige AI-deskundigen misschien zelfs het laten uitsterven van die mens) versterkt dat gevoel van machteloosheid alleen maar.

Dat het verzet tegen datacentra zo geworteld is in lokale onvrede en burgers met heel verschillende grieven bij elkaar brengt, maakt het tot iets door en door Amerikaans. In de achttiende eeuw waren het de burgers op het platteland die in verzet kwamen tegen de hoge belastingen en onteigeningen. Begin twintigste eeuw, in een periode die in veel opzichten op de onze lijkt, had opperrechter Louis Brandeis het over ‘de vloek van het grote’: een concentratie van macht en kapitaal die zo groot is dat het individu buitenspel staat en de democratie zelf gevaar loopt. Net als andere gemeenten in het Midwesten kampt Clinton met ‘een verleden van verwaarlozing’, erkent vicevoorzitter Matt Parbs van Grow Clinton. ‘Clinton is sterk doordrongen van de neergang van de maakindustrie in het Midwesten sinds 1980.’ Stel dat over een paar jaar die 45 hectare aan staal en beton, computerservers en microchips verouderd zijn en net als ooit de houtzagerijen worden afgedankt, of zoals de universiteit die door een commerciële partij werd opgekocht, op online onderwijs overstapte en uiteindelijk werd opgedoekt.

IJle proteststem

Ik probeer me voor te stellen dat er een gigantisch datacentrum verrijst rondom het erf waar de dochter van Ryan Wisor met de kippen speelt. Tegen die enorme overmacht van geld, politiek kapitaal, technologische verfijning en betogen over historische onvermijdelijkheid kan een gevoel van verloren waardigheid hooguit een ijle proteststem laten klinken. Maar anderzijds: als de inwoners hier iets tegen willen beginnen, is het niet genoeg om elkaar in podcasts of op Facebook voor rotte vis uit te maken. Dan moeten ze om de tafel gaan zitten.

Dit najaar woonde ik een raadsvergadering bij waar de gemeenteverordening nader moest worden uitgewerkt. Om plaats te bieden aan honderden toehoorders werd niet vergaderd in het stadhuis maar in een enorme houten zaal in een park aan de rivier aan de noordkant van de stad. De zeven leden van de stuurgroep van Clintonians Against Data Centers, sommigen in een groen T-shirt met daarop die naam in grote letters, zaten met hun rug naar de andere aanwezigen aan een lange tafel tegenover ambtenaren, de burgemeester en de raad. Dit werd een onderhandeling tussen mensen die elkaar inmiddels allemaal kenden. De burgemeester, een licht kalende luchtmachtveteraan van begin veertig, slank van postuur en vriendelijk in de omgang, opende de zitting met een hamerslag en het opzeggen van de eed van trouw aan de grondwet.

De vergadering duurde ruim vijf uur, terwijl buiten aan de Mississippi de duisternis inviel. De burgemeester had een concepttekst van de verordening die hij sectie voor sectie met de anderen doornam. Eerst hoorde hij het commentaar van de raadsleden en de ambtenaren aan, vervolgens de kritiek en suggesties van de Clintonians Against Data Centers. De grootste onenigheid betrof de minimale afstand tussen de gebouwen van het datacentrum en de omringende woonpercelen. In het concept stond 300 meter. Andrews pleitte op grond van een onderzoek in Pennsylvania voor ruim 450 meter, wat het hele project onmogelijk zou maken. Volgens raadslid Cody Seeley, deze avond de meest vocale voorstander van het datacentrum, konden de ontwikkelaar en de huiseigenaren daar zelf over onderhandelen, en hij zei: ‘Volgens mij is 150 meter ruim zat,’ wat toevallig ook het standpunt van QTS was.

‘Nee! Nee!’ klonk uit het publiek, dat door de burgemeester tot stilte werd gemaand. Ryan Wisor, die dit als een directe bedreiging van zijn erf ervoer, zei met lichte trilling in zijn stem: ‘Wat mij dwarszit is dat deze verordening ons inwoners en onze huizen moet beschermen. Hij is niet bedoeld om een specifiek bedrijf op een specifiek stuk land in te passen.’ En: ‘Het is niet eerlijk als wij maar gewoon van onze rechten moeten afzien.’ Applaus alom. Het was het emotionele hoogtepunt van de avond.

Ik vond de vergadering zowel doodsaai als inspirerend. De ernst, de aandacht voor detail, het doorzettingsvermogen om maar te blijven praten en luisteren: het ontroerde mij, terwijl de betrokkenen zelf niet erg onder de indruk waren. De Clintonians Against Data Centers voelden zich nog steeds betutteld en genegeerd. De raadsleden ergerden zich misschien aan al die nimby’s en andere lastpakken die hier zo’n moeizaam proces van maakten. (De burgemeester vertrouwde me later toe: ‘We merken dat we wel wat anders met de burgers kunnen communiceren.’) Deze kleine populistische opstand heeft weinig kans van slagen. Er komt gewoon een ‘hyperscale’ datacentrum in Clinton, met wijdverbreide onvrede en beschadigde vriendschappen tot gevolg. En AI zal over de velden van onze republiek blijven walsen. Maar het hart van de democratie klopte daar aan de oever van de Mississippi nog wel. Dat is tenminste iets.


Deel dit artikel


Recent verschenen