Tag: 100w42

  • China’s macht is tanende – en juist dat is gevaarlijk

    China’s macht is tanende – en juist dat is gevaarlijk

    De Chinese president Xi Jinping heeft een meedogenloze centralisering van de macht doorgevoerd ten koste van economische bloei. En zoals de auteurs van Danger Zone: The Coming Conflict with China betogen, worden landen die invloed verliezen des te oorlogszuchtiger.

    Keuze uit het archief

    Op 23 oktober wordt in het 20ste Congres van de Communistische Partij vrijwel zeker Xi Jinping herkozen voor een derde termijn als partijleider. Het ziet er dus naar uit dat er niet veel zal veranderen in het land, en het is volgens veel deskundigen maar zeer de vraag hoe voordelig dat voor China zelf is. En voor de rest van de wereld. Auteurs Hal Brands en Michael Beckley leggen uit dat de slechte economische positie die het land volgens hen heeft, ook voor de rest van de wereld grote nadelen kan hebben.

    Waarom voeren grote mogendheden grote oorlogen? Het conventionele antwoord gaat over uitdagers in opkomst en hegemonen in verval. Een opkomende mogendheid, die tornt aan de regels van de gevestigde orde, haalt een gevestigde mogendheid in, het land dat die regels heeft gemaakt. Spanningen nemen hand over hand toe, krachtmetingen volgen. Het resultaat is een spiraal van angst en vijandigheid die bijna onvermijdelijk op een conflict uitloopt. ‘De groeiende macht van Athene, en de schrik die dit veroorzaakte in Sparta, maakte een oorlog onvermijdelijk’, schreef de oude historicus Thucydides, een gemeenplaats die nu tot vervelens toe voor de rivaliteit tussen de VS en China wordt gebruikt.

    Het idee van de Valstrik van Thucydides, bedacht door politicoloog Graham Allison van Harvard, houdt in dat het gevaar van een oorlog razendsnel zal toenemen wanneer een opkomend China een wegzakkend Amerika inhaalt. Zelfs de Chinese president Xi Jinping haalt dit idee van stal om te betogen dat Washington ruimte moet maken voor Beijing. Terwijl de spanningen tussen de Verenigde Staten en China oplopen, is het geloof dat de wezenlijke oorzaak een dreigende ‘machtsovergang’ is – de vervanging van de ene hegemoon door de andere – inmiddels gemeengoed geworden. 

    Het enige probleem met deze welbekende formule is dat hij niet klopt.

    De Valstrik van Thucydides legt niet echt uit wat de Peloponnesische Oorlog heeft veroorzaakt. Hij gaat voorbij aan de dynamiek die revisionistische mogendheden – of het nu gaat om Duitsland in 1914 of Japan in 1941 – er vaak toe heeft gebracht zich in enkele van de meest verwoestende conflicten uit de geschiedenis te storten. En hij verklaart niet waarom een oorlog een zeer reële mogelijkheid is in de huidige relatie tussen de VS en China, aangezien hij een fundamenteel verkeerde inschatting maakt van de plek waarop China zich momenteel op zijn ontwikkelingscurve bevindt: het punt waarop zijn relatieve macht op een hoogtepunt is en weldra zal beginnen te tanen.

    Periodes van snelle groei overbelasten de ambities van een land

    Er is inderdaad een dodelijke valstrik waar de Verenigde Staten en China in kunnen lopen. Maar die is niet het resultaat van een machtsovergang, zoals het cliché van Thucydides wil. Deze kan het best worden omschreven als een ‘valstrik van een mogendheid op zijn hoogtepunt’. En als we de geschiedenis mogen geloven, is de reden dat hij kan dichtklappen het op handen zijnde verval van China, en niet van de VS.

    Er bestaat een complete literatuur, bekend als de ‘machtsovergangstheorie’, die ervan uitgaat dat een oorlog tussen grote mogendheden vrijwel altijd plaatsvindt op het kruispunt van de opkomst van de ene hegemoon en het verval van de andere. Deze theorie onderschrijft de Valstrik van Thucydides en er zit inderdaad een kern van waarheid in. De opkomst van nieuwe mogendheden werkt steevast destabiliserend. In de aanloop naar de Peloponnesische Oorlog in de vijfde eeuw v.Chr. zou Athene niet zo’n bedreiging voor Sparta hebben geleken als het niet een onmetelijk rijk had opgebouwd en geen superzeemacht was geworden. Washington en Beijing zouden niet in zo’n rivaliteit verwikkeld zijn als China nog arm en zwak was. Opkomende mogendheden breiden hun invloed uit op manieren die bedreigend zijn voor heersende mogendheden.

    Maar de logica die tot oorlog leidt, met name de logica die revisionistische mogendheden ertoe brengt het bestaande systeem op te schudden en wild om zich heen te slaan, is complexer. Een land waarvan de relatieve rijkdom en macht toenemen, zal ongetwijfeld assertiever en ambitieuzer worden. Het zal zijn invloed en prestige wereldwijd willen vergroten. Maar ook al neemt zijn positie gestaag in kracht toe, het zal een dodelijke confrontatie met de heersende hegemoon moeten uitstellen totdat het nog sterker is geworden. Zo’n land moet zich aan de stelregel houden die de voormalige Chinese leider Deng Xiaoping formuleerde voor een opkomend China na de Koude Oorlog: het moet verbergen waartoe het in staat is en rustig zijn tijd afwachten.

    Ander scenario

    Laten we ons nu eens een ander scenario voorstellen. Een ontevreden staat heeft zijn macht en zijn geopolitieke horizon uitgebreid. Maar dan heeft het land zijn hoogtepunt bereikt, misschien doordat de economie vertraagt, misschien doordat zijn eigen assertiviteit een coalitie van vastbesloten rivalen uitlokt, of misschien doordat dit tegelijkertijd gebeurt. De toekomst begint er behoorlijk onheilspellend uit te zien; een gevoel van onbegrensde mogelijkheden maakt plaats voor een gevoel van dreigend gevaar. Onder zulke omstandigheden kan een revisionistische mogendheid op een onverschrokken, zelfs agressieve manier proberen te pakken wat er te pakken valt, voordat het te laat is. De gevaarlijkste baan die een mogendheid in de mondiale politiek kan beschrijven is een langdurige stijging, gevolgd door het vooruitzicht van een scherpe val.

    Zoals we laten zien in ons binnenkort te verschijnen boek Danger Zone: The Coming Conflict with China, voltrekt dit scenario zich vaker dan misschien wordt gedacht. Zo heeft historicus Donald Kagan aangetoond dat Athene zich in de jaren voorafgaand aan de Peloponnesische Oorlog oorlogszuchtiger gedroeg omdat het ongunstige verschuivingen in het machtsevenwicht op zee vreesde, met andere woorden: omdat het bezig was invloed te verliezen ten opzichte van Sparta. In recentere gevallen zien we hetzelfde gebeuren.

    Gedurende de afgelopen honderdvijftig jaar zijn mogendheden op hun hoogtepunt – grote mogendheden die spectaculair veel sneller zijn gegroeid dan het wereldgemiddelde en daarna een ernstige, langdurige vertraging hebben opgelopen – in de regel niet kalmpjes weggekwijnd. Ze werden eerder overmoedig en agressief. Ze onderdrukten afwijkende meningen in eigen land en probeerden aan economische stootkracht te winnen door exclusieve invloedssferen in het buitenland te creëren. Ze stopten geld in hun leger en gebruikten geweld om hun invloed uit te breiden. Dit gedrag veroorzaakt over het algemeen spanningen tussen grote mogendheden. In sommige gevallen leidde het tot rampzalige oorlogen.

    Grote verwachtingen

    Verbazingwekkend is dit niet. Periodes van snelle groei overbelasten de ambities van een land, wekken grote verwachtingen bij de bevolking en maken de rivalen nerveus. Gedurende een langdurige economische bloeiperiode neemt de winst van bedrijven toe en gaan burgers op grote voet leven. Het land wordt een grotere speler op het wereldtoneel. Dan slaat stagnatie toe. Vertragende groei maakt het moeilijker voor leiders om het publiek tevreden te houden. Tekortschietende economische prestaties verzwakken het land ten opzichte van zijn rivalen. Uit vrees voor sociale beroering drukken leiders afwijkende meningen de kop in. Ze voeren wanhopige manoeuvres uit om zich geopolitieke vijanden van het lijf te houden. Expansie lijkt een oplossing, een manier om economische hulpmiddelen en markten te veroveren, om van nationalisme een kruk voor een kreupel regime te maken en buitenlandse bedreigingen af te slaan.

    Veel landen hebben dit pad gevolgd. Toen in de Verenigde Staten de langdurige economische bloei na de Burgeroorlog ten einde liep, onderdrukte Washington met veel geweld stakingen en onrust in eigen land, bouwde een krachtige zeevloot op en breidde in de jaren negentig van de negentiende eeuw op een oorlogszuchtige manier zijn rijk uit. Nadat het snel opkomende keizerlijke Rusland aan het begin van de twintigste eeuw ineen was gestort, onderdrukte de tsaristische regering eveneens binnenlandse onlusten, versterkte haar leger, probeerde koloniale inkomsten te verwerven in Oost-Azië en stuurde een bezettingsmacht van zo’n 170.000 manschappen naar Mantsjoerije. Met spectaculaire gevolgen: Japan liet het niet over zijn kant gaan en versloeg Rusland in de eerste oorlog tussen grote mogendheden in de twintigste eeuw.

    Een eeuw later werd Rusland onder soortgelijke omstandigheden agressief. Toen hij na de financiële crisis van 2008 met een ernstige economische vertraging werd geconfronteerd, viel de Russische president Vladimir Poetin twee buurlanden binnen, probeerde een nieuw Euraziatisch economisch blok te creëren, maakte aanspraak op het grondstofrijke Noordpoolgebied en liet Rusland verder op een dictatuur afkoersen. Zelfs het democratische Frankrijk probeerde wanhopig groter te worden toen zijn naoorlogse economische expansie aan het eind van de jaren zeventig tot stilstand kwam. Het probeerde zijn vroegere invloedssfeer in Afrika weer op te bouwen, stuurde veertienduizend manschappen naar de voormalige koloniën en pleegde in de twee decennia die volgden een tiental militaire interventies.

    Xi heeft zichzelf tot ‘voorzitter van alles’ benoemd

    Al deze gevallen waren gecompliceerd, maar het patroon is duidelijk. Als een snelle opkomst landen in staat stelt zich overmoedig te gedragen, vormt de angst voor verval een sterk motief om nog naarstiger en onbezonnener naar expansie te streven. Hetzelfde gebeurt vaak wanneer snel opkomende mogendheden hun eigen expansie dwarsbomen door het uitlokken van een vijandige coalitie. Enkele van de gruwelijkste oorlogen uit de geschiedenis zijn dan ook uitgebroken toen revisionistische mogendheden concludeerden dat hun pad naar glorie op het punt stond geblokkeerd te worden.

    De rivaliteit tussen Duitsland en Groot-Brittannië aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw wordt vaak vergeleken met de huidige competitie tussen de VS en China: in beide gevallen bedreigde een autocratische uitdager een liberale hegemoon. Maar een meer ontnuchterende parallel is deze: er brak een oorlog uit toen een in het nauw gedreven Duitsland begreep dat het zijn rivalen niet de baas kon zonder te vechten.

    Na de eenwording in 1871 beleefde Duitsland decennialang een grote bloei. De fabrieken spuugden ijzer en staal uit en maakten een eind aan de Britse economische koppositie. Berlijn bouwde het beste leger van Europa en slagschepen die de Britse suprematie op zee bedreigden. In de eerste jaren van de twintigste eeuw was Duitsland een Europese zwaargewicht die een enorme invloedssfeer, een Mitteleuropa, op het continent nastreefde. Ook voerde het onder de toenmalige Kaiser Wilhelm II een ‘wereldbeleid’ dat gericht was op het verwerven van koloniën en mondiale macht.

    Maar in het voorstadium van de oorlog hadden de Kaiser en zijn gevolg er weinig vertrouwen in. Het onbezonnen gedrag van Duitsland zorgde ervoor dat het door vijandige mogendheden werd omringd. Londen, Parijs en Sint-Petersburg vormden een ‘Triple Entente’ om de Duitse expansie een halt toe te roepen. Duitsland verloor in economisch opzicht terrein aan het snel groeiende Rusland; Londen en Parijs legden het land economisch aan banden door zijn toegang tot olie en ijzererts te blokkeren. De belangrijkste bondgenoot van Berlijn, Oostenrijk-Hongarije, werd verscheurd door etnische spanningen. Thuis verkeerde het Duitse autocratische politieke systeem in grote problemen.

    Het onheilspellendst was dat het militaire evenwicht verschoof. Frankrijk breidde zijn leger uit; Rusland versterkte zijn strijdkrachten met 470.000 manschappen en bekortte de benodigde tijd om zich te mobiliseren voor een oorlog. Groot-Brittannië kondigde aan dat het twee slagschepen zou bouwen voor elk slagschip dat door Berlijn werd gebouwd. Duitsland was voorlopig nog de grootste militaire macht van Europa. Maar tegen 1916 en 1917 zou het hopeloos overtroefd worden. Het resultaat was een nu-of-nooitmentaliteit: Duitsland moet ‘de vijand verslaan nu we nog kans op een overwinning maken’, verklaarde chef-staf Helmuth von Moltke, ook al betekende dat ‘het uitlokken van een oorlog in de nabije toekomst’.

    De totale Chinese staatsschuld is tussen 2008 en 2018 verachtvoudigd

    Dat laatste gebeurde toen Servische nationalisten in juni 1914 de Oostenrijkse kroonprins vermoordden. De regering van de Kaiser drong er bij Oostenrijk-Hongarije op aan Servië te vermorzelen, ook al betekende dat een oorlog tussen Rusland en Frankrijk. Daarna viel Duitsland het neutrale België binnen, een essentieel onderdeel van zijn Schieffenplan voor een oorlog op twee fronten, ondanks de kans dat Engeland zou ingrijpen. ‘Deze oorlog zal op een wereldoorlog uitlopen waarin Engeland zal interveniëren,’ erkende Moltke. De opkomst had Duitsland de kracht gegeven om te gokken op een grote rol op het wereldtoneel; het op handen zijnde verval leidde tot de beslissingen die de wereld in een oorlog stortten.

    Het keizerlijke Japan volgde een soortgelijk traject. Gedurende een halve eeuw na de Meiji-restauratie in 1868 was het land gestaag in opkomst. Door het opbouwen van een moderne economie en een nietsontziend leger had Tokio twee grote oorlogen weten te winnen en koloniale privileges verworven in China en op Taiwan en het Koreaanse Schiereiland. Toch was Japan geen hyperoorlogszuchtig roofdier: gedurende de jaren twintig van de vorige eeuw werkte het samen met de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en andere landen aan een coöperatief veiligheidsnetwerk in Azië-Pacific.

    Maar in dat decennium ging er van alles mis. De jaarlijkse groei daalde van 6,1 procent in de periode 1904-1919 naar 1,8 procent in de jaren twintig; daarna verloor Japan zijn overzeese markten als gevolg van de Grote Depressie. De werkloosheid rees de pan uit en failliete boeren verkochten hun dochters. In China werd de Japanse invloed onderwijl op de proef gesteld door de Sovjet-Unie en een opkomende nationalistische beweging onder de toenmalige Chinese leider Tsjang Kai-Sjek. Het antwoord van Tokio was fascisme in eigen land en agressie tegenover het buitenland.

    Vanaf het eind van de jaren twintig pleegde het leger een coup in slowmotion en wendde de nationale tegoeden aan voor een ‘totale oorlog’. Japan bouwde een reusachtig leger op en creëerde met veel geweld een onmetelijke invloedssfeer door in 1931 Mantsjoerije te bezetten en in 1937 China binnen te vallen; ook waren er plannen om overal in Azië-Pacific grondstofrijke koloniën en strategische eilanden te veroveren. Het doel was de stichting van een autarkisch rijk, maar het liep uit op een strategische strop om de nek van Tokio.

    De Japanse invasie in China leidde tot een afstraffingsoorlog met de Sovjet-Unie. De Japanse plannen in Zuidoost-Azië alarmeerden Groot-Brittannië. Door het Japanse streven naar regionale overheersing werden ook de Verenigde Staten een vijand, het land waaruit Tokio bijna al zijn olie importeerde en dat over een onmetelijk veel grotere economie beschikte. Tokio had een overweldigende coalitie van vijanden tegen zich in het harnas gejaagd. En toen zette het land alles op het spel in plaats van vernedering en verval te accepteren.

    Wat de zaak opnieuw in een stroomversnelling bracht, was een drastisch keren van de kansen. In 1941 waren de Verenigde Staten bezig met de opbouw van een onverslaanbaar militair apparaat. In juli vaardigde de toenmalige Amerikaanse president Franklin Roosevelt een olie-embargo uit dat de Japanse expansie een abrupt halt dreigde toe te roepen. Maar Japan had voorlopig nog de militaire overhand in de Stille Oceaan, dankzij zijn vroege herbewapening. Het greep dat voordeel aan voor een bliksemaanval, waarbij Nederlands-Indië, de Filipijnen en andere bezittingen van Singapore tot Wake-eiland werden buitgemaakt en de Amerikaanse vloot in Pearl Harbour werd gebombardeerd, en tekende daarmee zijn eigen doodvonnis.

    De Japanse kansen op een overwinning waren somber, erkende de toenmalige Japanse generaal Hideki Tojo, maar er was geen andere mogelijkheid ‘dan met de ogen dicht te springen’. Het revisionistische Japan werd op zijn gewelddadigst toen het zag dat zijn tijd opraakte.

    Dat is de echte valstrik waarover de Verenigde Staten zich momenteel zorgen moeten maken in het geval van China, de valstrik waarbij een opkomende supermacht zijn hoogtepunt bereikt en dan de pijnlijke gevolgen van een neergang weigert te dragen.

    De opkomst van China is geen hersenschim: decennialange groei heeft Beijing de economische spierkracht verschaft om te streven naar mondiale macht. Grote investeringen in essentiële technologie en communicatie-infrastructuur hebben het land een sterke positie bezorgd in de strijd om geo-economische invloed; China gebruikt een multicontinentaal Belt and Road Initiative, een Nieuwe Zijderoute, om andere staten in zijn kielzog te trekken. Het alarmerendst, zo tonen rapporten van denktanks en het Amerikaanse ministerie van Defensie, is dat China nu een reële kans maakt om een oorlog tegen de Verenigde Staten in het westelijk deel van de Stille Ocean te winnen.

    Het wekt dan ook geen verbazing dat China ook de ambities van een supermacht heeft ontwikkeld: Xi heeft min of meer aangekondigd dat Beijing zijn soevereiniteit wil laten gelden over Taiwan, de Zuid-Chinese Zee en andere omstreden gebieden, om zo de meest vooraanstaande grootmacht van Azië te worden en met de Verenigde Staten te wedijveren om het wereldleiderschap. Maar al zijn de geopolitieke kansen voor China reëel, de toekomst van het land begint er behoorlijk grimmig uit te zien, doordat het land in hoog tempo de voordelen verliest die de snelle groei mogelijk hebben gemaakt.

    Van rond 1970 tot 2000 was China vrijwel zelfvoorzienend qua voedsel, water en energiebronnen. Het genoot het grootste demografische dividend uit de geschiedenis, met tien volwassenen in de werkzame leeftijd voor elke inwoner van 65 en ouder. (De meeste grote economieën tellen gemiddeld vijf volwassenen in de werkzame leeftijd voor elke bejaarde.) China had een veilige geopolitieke omgeving en gemakkelijke toegang tot buitenlandse markten en technologie, mede dankzij een vriendschappelijke relatie met de Verenigde Staten. De Chinese regering maakte handig gebruik van deze voordelen om een proces van economische hervormingen en openstelling door te voeren en tevens het verstikkende totalitarisme van de Chinese leider Mao Zedong om te smeden tot een slimmere – zij het nog altijd uiterst repressieve – vorm van autoritarisme onder zijn opvolgers. Van de jaren zeventig tot begin jaren tien van deze eeuw had China precies de juiste mengeling van eigenschappen, omgeving, mensen en beleid die nodig was om te gedijen.

    Maar sinds 2010 zijn de aanjagers van de Chinese opkomst ofwel tot stilstand gekomen ofwel volledig omgedraaid. Zo begint China door zijn hulpbronnen heen te raken: water is schaars geworden en het land importeert meer energie en voedsel dan enige andere natie, nadat het zijn eigen natuurlijke hulpbronnen heeft verwoest. Economische groei wordt daarom kostbaarder: volgens gegevens van de DBS Bank kost het momenteel driemaal zoveel input om één groeieenheid te produceren als aan het begin van deze eeuw.

    Ook stevent China af op een demografische afgrond: in de periode 2020-2050 zal het land tweehonderd miljoen volwassenen in de werkzame leeftijd verliezen – een ontstellend aantal, evenveel als de hele bevolking van Nigeria – en er tweehonderd miljoen bejaarden bij krijgen. De fiscale en economische gevolgen zullen rampzalig zijn: alleen al om te voorkomen dat miljoenen senioren zullen sterven door verarming en verwaarlozing zullen de sociale en medische kosten van China moeten verdriedubbelen, van 10 procent van het bnp nu tot 30 procent in 2050.

    Ideologische kern

    Daar komt nog eens bij dat China afstapt van het beleid dat snelle groei bevorderde. Onder Xi is Beijing weer afgegleden naar het totalitarisme. Xi heeft zichzelf tot ‘voorzitter van alles’ benoemd, korte metten gemaakt met iedere schijn van collectief bestuur en steun aan het ‘gedachtegoed van Xi Jinping’ tot de ideologische kern van een steeds rigider wordend regime verheven. Ook heeft hij een meedogenloze centralisering van de macht doorgevoerd ten koste van economische bloei.

    Zombieachtige staatsbedrijven schieten als paddestoelen uit de grond, terwijl particuliere bedrijven snakken naar kapitaal. Objectieve economische analyse wordt vervangen door overheidspropaganda. Innovatie wordt steeds moeilijker, in een klimaat waarin men zich op het belachelijke af aan de ideologie moet conformeren. Ondertussen heeft Xi’s genadeloze anticorruptiecampagne het ondernemerschap ontmoedigd en heeft een stortvloed van politiek gemotiveerde regelgeving vooraanstaande Chinese techbedrijven meer dan een miljard dollar aan beurswaarde gekost. Xi heeft het proces van economische liberalisering dat China’s ontwikkeling aanjoeg niet alleen maar tot stilstand gebracht: hij heeft het volledig in zijn achteruit gezet.

    De economische schade van deze tendensen begint zich op te hopen en komt boven op de vertraging die toch al gepaard zou zijn gegaan met het volwassen worden van een snelgroeiende economie. De Chinese economie kachelt al ruim een decennium achteruit: het officiële groeitempo van het land is gezakt van 14 procent in 2007 naar 6 procent in 2019, en volgens nauwgezette studies ligt het werkelijke groeitempo momenteel eerder op 2 procent. Erger is nog dat het grootste deel van die groei afkomstig is van stimulerende overheidsuitgaven. Volgens gegevens van onderzoeksgroep The Conference Board is de totale factor productiviteit tussen 2008 en 2019 jaarlijks met gemiddeld 1,3 procent gedaald, wat betekent dat China elk jaar meer uitgeeft om minder te produceren. Dit heeft op zijn beurt tot een enorme schuld geleid: de totale Chinese staatsschuld is tussen 2008 en 2018 verachtvoudigd en bedroeg voor de coronacrisis meer dan 300 procent van het bnp. Ieder land dat schulden heeft opgestapeld of productiviteit heeft verloren in een tempo dat het huidige Chinese tempo benadert, is vervolgens met ten minste één ‘verloren decennium’ geconfronteerd geweest of met een economische groei van vrijwel nul.

    Bovendien gebeurt dit alles op een moment dat China’s externe omgeving steeds vijandiger wordt. De combinatie van covid-19, een voortdurende schending van de mensenrechten en een agressief beleid hebben ervoor gezorgd dat de reputatie van China het diepste punt heeft bereikt sinds het bloedbad op het Tiananmenplein in 1989. Landen die zich zorgen maken over de Chinese concurrentie hebben sinds 2008 duizenden nieuwe handelsbarrières opgeworpen tegen Chinese goederen. Meer dan tien landen hebben zich teruggetrokken uit Xi’s Nieuwe Zijderoute, terwijl de VS een wereldwijde campagne voeren tegen belangrijke Chinese techbedrijven, met name Huawei, en rijke democratieën op tal van continenten barrières opwerpen tegen de digitale invloed van Beijing. De wereld maakt het China minder gemakkelijk om te groeien en Xi’s regime ziet zich in toenemende mate geconfronteerd met het soort strategische omsingeling dat Duitse en Japanse leiders ooit tot wanhoop dreef.

    Een goed voorbeeld hiervan is het beleid van de VS. De afgelopen vijf jaar hebben twee Amerikaanse presidenten een ‘concurrentiebeleid’ tegen China gevoerd, wat neerkomt op een nieuwe inperking van de Chinese expansie. De Amerikaanse defensiestrategie richt zich nu geheel en al op het onderdrukken van de Chinese agressie in de westelijke Stille Oceaan; Washington probeert met een scala van technologische en handelssancties de invloed en de kansen op een economische koppositie van Beijing in te perken. ‘Als het grote Amerika je eenmaal als zijn “vijand” ziet, heb je een groot probleem,’ waarschuwde een hoge officier van het Volksbevrijdingsleger. Inderdaad zijn de Verenigde Staten ook begonnen meer wereldwijd verzet tegen China te organiseren, een campagne die vruchten begint af te werpen naarmate meer landen op de dreiging van Beijing reageren.

    In maritiem Azië neemt het verzet tegen de Chinese macht toe. Taiwan voert zijn defensie-uitgaven op en maakt plannen om zich tot een ‘strategisch stekelvarken’ te ontwikkelen in de westelijke Stille Oceaan. Japan getroost zich zijn grootste militaire investeringen sinds de Koude Oorlog en heeft toegezegd de VS te zullen steunen als China Taiwan aanvalt. De landen rond de Zuid-Chinese Zee, met name Vietnam en Indonesië, versterken hun lucht-, zee- en landmacht om het Chinese expansiestreven tegen te gaan.

    Ook andere landen bieden weerstand aan de assertiviteit van Beijing. Australië breidt zijn bases in het noorden uit voor Amerikaanse schepen en gevechtsvliegtuigen, en bouwt conventionele langeafstandsraketten en kernonderzeeërs. India concentreert een grote legermacht aan zijn grens met China en stuurt oorlogsschepen door de Zuid-Chinese Zee. De Europese Unie heeft Beijing als ‘systemische rivaal’ bestempeld en de drie grootste mogendheden van Europa – Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk – hebben smaldelen naar de Zuid-Chinese Zee en de Indische Oceaan gestuurd. Er wordt een veelheid aan multilaterale anti-China-initiatieven ontplooid, zoals de Quadrilateral Security Dialogue en het AUKUS-bondgenootschap van Washington, Londen en Canberra. De ‘multilaterale clubstrategie’ van de VS, zo erkende de oorlogszuchtige en goed geïnformeerde Chinese geleerde Yan Xuetong afgelopen juli, ‘isoleert China en schaadt de ontwikkeling van het land’.

    De samenwerking tegen China vertoont ongetwijfeld nog lacunes. Maar de algehele trend is duidelijk: een scala van actoren bundelt langzamerhand de krachten om de macht van Beijing in te perken. China is, met andere woorden, geen land dat eeuwig in opkomst zal zijn. Het is een sterke, ongelooflijk ambitieuze en in grote problemen verkerende mogendheid waarvan de kansen spoedig zullen keren.

    ‘Digitaal autoritarisme’

    In sommige opzichten is dit alles welkom nieuws voor Washington: een China waarvan de economie vertraagt en dat wereldwijd op steeds meer verzet stuit, zal uitzonderlijk veel moeite hebben om de VS als wereldleider van de troon te stoten, zolang die Verenigde Staten tenminste verenigd blijven en hun kansen niet verspelen. Maar aan de andere kant is het nieuws verontrustender. De geschiedenis waarschuwt dat een China dat over zijn hoogtepunt heen raakt het komende decennium onverschrokkener en zelfs onbesuisder te werk zal gaan om lang begeerde strategische prijzen binnen te slepen voordat zijn kans verkeken is.

    Wat zou dat kunnen betekenen? Afgaande op wat China momenteel doet, krijgen we een aardig idee.

    Nu al verdubbelt Beijing zijn pogingen om een eenentwintigste-eeuwse economische invloedssfeer te creëren, door een dominante rol te spelen op het gebied van belangrijke technologieën zoals kunstmatige intelligentie, quantumcomputing en 5G-telecommunicatie en de daaruit voortvloeiende voorsprong te benutten om staten aan zijn wil te onderwerpen. Ook zal het proberen een ‘digitaal autoritarisme’ te vervolmaken dat in eigen land een onzekere Chinese Communistische Partij in het zadel kan houden en dat de diplomatieke positie van Beijing kan versterken door dat model naar autocratische bondgenoten wereldwijd te exporteren.

    Militair gesproken kan de Communistische Partij nietsontziender te werk gaan bij het veiligstellen van lange, kwetsbare aanvoerlijnen en het beschermen van infrastructurele projecten in Centraal- en Zuidwest-Azië, Afrika en andere regio’s, een rol die sommige haviken in het Volksbevrijdingsleger nu al dolgraag op zich willen nemen. Ook kan China zich assertiever gaan opstellen tegenover Japan, de Filipijnen en andere landen die zijn aanspraken op de Zuid- en Oost-Chinese Zee dwarsbomen.

    Het meest verontrustend is dat China het komende decennium in de verleiding kan komen de kwestie-Taiwan naar zijn hand te zetten, voordat Washington en Taipei hun strijdkrachten voldoende hebben versterkt. Het Volksbevrijdingsleger voert zijn militaire oefeningen in de Straat van Taiwan nu al op. Xi heeft herhaaldelijk verklaard dat Beijing niet eeuwig kan wachten tot zijn ‘afvallige provincie’ in de schoot van de familie terugkeert. Als het militaire evenwicht tegen het eind van de jaren twintig tijdelijk nog verder ten gunste van China verschuift en het Pentagon gedwongen zal zijn verouderde schepen en vliegtuigen terug te trekken, krijgt China misschien een uitgelezen kans om Taiwan te veroveren en Washington een vernederende nederlaag toe te brengen.

    Voor de duidelijkheid: China zal vermoedelijk geen doldrieste veldtocht in heel Azië ondernemen zoals Japan dat deed in de jaren dertig en de vroege jaren veertig van de vorige eeuw. Wel zal het grotere risico’s nemen en grotere spanningen accepteren in zijn expansiedrift. Welkom in het geopolitieke tijdperk van een China op zijn hoogtepunt: een land dat nu al in staat is de gevestigde orde op een gewelddadige manier uit te dagen en waarschijnlijk sneller en harder tekeer zal gaan als het er niet langer op vertrouwt dat het de tijd aan zijn kant heeft.

    De Verenigde Staten zullen dan niet één maar twee taken hebben bij hun benadering van China in het huidige decennium. Ze zullen zich moeten blijven mobiliseren voor een langdurige concurrentie en zullen tegelijkertijd snel te werk moeten gaan om agressie van Beijing op de korte termijn af te wenden. Met andere woorden, veiligheidsriemen vast. De Verenigde Staten hebben zichzelf opgepord om een opkomend China het hoofd te bieden. Nu staan ze op het punt te ontdekken dat een China in verval nog gevaarlijker kan zijn.