Tag: 191

  • Kunstenaar Chila Kumari Singh Burman brengt Bollywood-bling naar Tate Britain

    Kunstenaar Chila Kumari Singh Burman brengt Bollywood-bling naar Tate Britain

    De Brits-Indiase Chila Kumari Singh Burman versierde in opdracht van Tate Britain de neoklassieke gevel van het museum. Het werd een vrolijke installatie, die samenviel met Diwali, het hindoefeest van duizend lichtjes. ‘Achter elke decoratie zit een reden.’

    Chila Kumari Singh Burman, wier ouders uit de Punjab kwamen, maar geboren is in Liverpool, verkent al meer dan veertig jaar haar Brits-Indiase achtergrond, plus wat zij beschrijft als ‘de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid’. Haar uitbundige werk omvat schilderijen, prints, collages, fotografie en performances: Bollywood-bling ontmoet popart, met uitbundige kleuren, glitter en een uitdagende weigering om zich te laten beperken tot één enkele benadering of interpretatie.

    Burman was in de jaren tachtig lid van de Britse Black Art-beweging en een van de eerste Zuid-Aziatische vrouwen die politieke kunst maakte in het Verenigd Koninkrijk. Haar werk is nog steeds doordrenkt met boodschappen over vrouwelijk empowerment en de wens om meerdere culturele verbanden en identiteiten te verkennen, zoals te zien is in haar huidige werk op de gevel van het Tate Britain. Ze heeft het gebouw gehuld in kaleidoscopische referenties, van Indiase mythologie tot George Orwell, via de negentiende-eeuwse ‘Warrior Queen’, de vrijheidstrijdster Jhansi ki Rani, en de horentjes die Burmans vader vanuit zijn ijscowagen verkocht.

    Wat is de gedachte achter uw Tate Britain-opdracht?

    ‘Het zou mooi zijn als mensen zeggen: “Wow, is dat echt het Tate Britain?” Maar ik wil het ook hebben over mijn positie als Zuid-Aziatische vrouw die opgroeide als een Punjabi uit Liverpool, mijn interpretatie laten zien van de traditionele en populaire Indiase cultuur, de neoklassieke façade van het museum doorbreken en alles door elkaar mengen. Chaos in de orde brengen. Of het nu met fotomontages, collages, schilderijen, delen van mijn etsen of tekeningen op de iPad zijn. 

    Er zitten allerlei elementen uit mijn verleden in: de neonreclame van de Bengaalse tijger die op de ijscowagen van mijn vader stond, een pauw zoals die in hindoetempels rondlopen en ikzelf die een Shotokan-vechtsportsprong maak. Naast Britannia bovenaan het fronton van het Tate heb ik een figuur van een Bollywood-actrice met geheven vuist gezet, die op het omslag van Mukti heeft gestaan, een tijdschrift voor Zuid-Aziatische vrouwen dat ik in de jaren tachtig mede heb opgericht. Zij is mijn versie van Kali, de godin van de schepping en de vernietiging, en daar heb ik de woorden “I’m a Mess” aan toegevoegd, die ik ooit op een badge zag staan – want het is een puinhoop in Groot-Brittannië op dit moment, nietwaar?

    Langs het fries van de voorgevel staan de woorden ‘Remembering a Brave New World’. Waarom heeft u die titel gekozen?

    ‘Omdat het suggereert dat er inspiratie gevonden kan worden in het verleden, en het biedt ook een gevoel van hoop voor de toekomst en geloof in een heerlijke nieuwe wereld. Het heeft een dubbele betekenis omdat Aldous Huxleys Brave New World [Heerlijke nieuwe wereld] een dystopische, totalitaire staat was waarin iedereen in de gaten werd gehouden. Ik weet dat sommige mensen misschien vragen: waarom citeer je dit witte manspersoon uit de upper class dat op Eton heeft gezeten? Maar Huxley was zijn tijd zo ver vooruit; hij was een verstandige man.’

    De opdracht valt samen met Diwali, het hindoefeest van de duizend lichtjes.

    ‘De datum van Diwali verschilt elk jaar en toevallig viel het net in de tijd waarin ik de opdracht van het Tate moest uitvoeren. Dus dat gaf me de geweldige gelegenheid om Diwali in het landschap van de westerse kunstwereld te plaatsen. Het festival gaat over het licht aan het einde van de tunnel, over goed boven kwaad. Dus daar heb ik Lakshmi aan toegevoegd, de belangrijkste godin van Diwali, van rijkdom, fortuin en luxe, en ik heb er de god Ganesha een plaats in gegeven, die ook met Diwali aanbeden wordt en geluk en voorspoed brengt. In mijn jeugd hadden we geen kunst aan de muren, maar wel kalenders met goden en goeroes erin. Ik heb het Tate Britain een beetje op een moderne tempel laten lijken, zonder dat die veel met religie te maken heeft.’

    U beschrijft uw werk als ‘een en al bling met een vlijmscherp politiek bewustzijn’.

    ‘Het toont een overvloed aan decoratie en verfraaiing. Ik maak gebruik van versiering, maar met een boodschap. Achter elke decoratie die ik in het Tate Britain heb gebruikt, zit een reden. Op twee van de pilaren staan afbeeldingen van mijn Punjabi Rockers-prints – de titel en de inhoud vormen een combinatie van mij als Punjabi met mijn liefde voor alle soorten muziek, of het nu hippie, punk, reggae is, of de bhangra- en Bollywood-filmmuziek waar mijn ouders thuis naar luisterden. De centrale pilaren zijn gehuld in Indiase vuurwerkverpakkingen met Lakshmi en Ganesha erop die verwijzen naar Diwali. Op de andere pilaren staan bloemen en details uit mijn Jelly Handcuffs-serie. Op de trappen liggen mijn kaleidoscopische iPad-tekeningen, die verwijzen naar Indiaas vuurwerk, en precies in het midden boven de hoofdingang staat het hindoesymbool “aum”.

    Toen ik nog klein was, gingen we elke zondag naar de hindoetempel, en ik weet zeker dat ik daar mijn gevoel voor kleur vandaan heb. Ik vond het altijd heerlijk om me mooi aan te kleden om naar de tempel te gaan; sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heb ik de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid verkend, en in die context speelde ik vaak met traditioneel ‘meisjesachtige’ accessoires – bindi’s, beha’s, bloemen, juwelen en make-up – om gender en ras te onderzoeken. Ik vind het leuk om het idee van arte povera en gerecyclede materialen één feministische stap verder te voeren door goedkope, mooie rommel te gebruiken die men normaal gesproken geen blik waardig zou keuren.’

    U bent naar de kunstacademie gegaan om te ontkomen aan een gearrangeerd huwelijk, en later raakte u nauw betrokken bij de Britse Black Arts-beweging. Hoe was het om in die tijd kunstenaar te zijn?

    ‘Ik mocht van mijn ouders nooit uitgaan en ik had geen vriendje tot ik in 1979 naar Leeds Polytechnic ging. Het was een fantastische tijd om kunstenaar te zijn, want het was de periode van punk en Rock Against Racism, en er was telkens meer belangstelling voor performance en marxistische, feministische kunst. Ik speelde in een vrouwelijke punkband die Delta 5 heette – het was een en al seks, drugs en rock-’n-roll. In de jaren tachtig zat ik op een kunstacademie, de Slade, en dat was een heel experimentele, politiek beladen tijd. Politiek, kunst en muziek waren sterker verbonden met ideeën rondom ras, klasse en gender. Toen ik later van de Slade af ging, raakte ik betrokken bij een groep Zuid-Aziatische vrouwen die Mukti hebben opgericht, een Aziatisch, feministisch tijdschrift dat in zes talen uitkwam.

    Ik sloot me aan bij een aantal activistische groepen en werd curator van Curation for Liberation in de Brixton Art Gallery en van Artists Against Apartheid in de Royal Festival Hall met Darcus Howe. Ik ontwierp toen ook de antiracistische Southall Black Resistance-muurschildering met Keith Piper. We dachten allemaal dat we ons “eigen ding” moesten doen, omdat de witte kunstwereld ons niet zou zien staan. Ik ben altijd activist en artiest geweest – er was nooit een tekort aan dingen om commentaar op te geven.’

    In 1988 schreef u uw inmiddels baanbrekende essay ‘There Have Always Been Great Black Women Artists’ in reactie op Linda Nochlins ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ Heeft u het idee dat de situatie erop vooruit is gegaan?

    ‘Er hebben grote veranderingen plaatsgevonden – het bestaan van onze kunst wordt meer erkend – maar er is nog veel meer te doen. Heel veel kunstenaars buiten de dominante cultuur – en vooral kunstenaars uit de diaspora in Groot-Brittannië – ontbreken nog in de grote kunstverzamelingen, en er zijn niet genoeg monografieën, retrospectieven 
    of selecties voor opdrachten en internationale tentoonstellingen. Daarom is het zo fantastisch dat ik nu in het Tate Britain te zien ben.’

    Twee sleutelwerken

    2f8aeabcbd9c46c68f388d5aaf634c2e
    Courtesy of the artist

    Cornets and Screwballs Go Vegas (2010)

    ‘Bachan Singh, mijn vader, kwam in het begin van de jaren vijftig naar Engeland en werkte eerst voor Dunlop in Liverpool, maar daarna kocht hij een ijscowagen. Hij werkte tevens als goochelaar die vuur, scheermesjes en verbrijzelde gloeilampen doorslikte. Ook had hij een vaste act in de Seaman’s Club en was hij een ervaren kleermaker die maatwerk leverde.

    Hij verkocht meer dan dertig jaar lang ijsjes op Freshfield Beach vanuit een grote bestelbus met bovenop een Bengaalse tijger. In de jaren zeventig hielp ik hem altijd in de bus, die ik elke avond na school schoonmaakte. Er was geen tijd voor huiswerk, maar ik mocht zoveel ijs eten als ik maar wilde en werd ondergedompeld in een wereld van kleur, smaak en materialen.’

    t14092 568850 10
    Courtesy of Tate

    Cut–Foot–Pupil–Uprisings (1981)

    Dit zwart-witbeeld van politieagenten, bedekt met een rood raster over een naaipatroon voor een kledingstuk, is er een van zes unieke prints die een reactie vormden op de rellen in de jaren tachtig. Ik deed mijn Master of Arts aan de Slade en woonde op dat moment in Brixton, en mijn partner werd door de politie in de gevangenis gegooid omdat hij een zijstraat in rende tijdens de rellen in Leeds. 

    De prints zijn gemaakt met de meester-graficus Stanley Jones op de grafische afdeling van de Slade, die erom bekendstond dat er met uiteenlopende technieken werd geëxperimenteerd, en hierop combineer ik etsen met zeefdrukken en lithografie. Ik vind het leuk om dingen door elkaar te mengen en ik volg de regels niet, zelfs niet als het om grafiek gaat. Dit is een plaat waarop de agenten gasmaskers dragen, maar die heb ik in een zuurbad gelegd zodat er stukjes af zouden breken en er zitten ook gaten in. Ik had het niet zo op de politie op dat moment, dus beeldde ik een Amerikaanse agent af en stopte hem ook in een zuurbad, en daaroverheen legde ik dat papieren patroon met uitsparingen erin. De spanning en de scheiding in de gelaagdheid en de gefragmenteerde beelden weerspiegelen het geweld en het conflict van het onderwerp.’ 

    Tate Britain is gesloten maar het werk van Chila Kumari Singh Burmans zal nog tot 28 februari aan de gevel te zien zijn.

  • Het januarinummer is er! | Goed doen moet beter

    Het januarinummer is er! | Goed doen moet beter

    »  Bekijk het volledige online magazine in ons archief. Bent u niet lid? Dan kunt u een gastaccount aanmaken en krijgt u 5 artikelen cadeau.

    Schermafbeelding 2021 01 08 om 16.35.11 1

    Redactioneel: Autonomie

    Missionarissen die het woord zo veel mogelijk willen verspreiden en tegelijkertijd een helpende hand uitsteken, worden niet meer zo vriendelijk ontvangen op het Afrikaanse continent als voorheen. Deze ‘barmhartige’ tak van de kerk heeft lange tijd ongemoeid kunnen opereren, omdat men ervan uitging dat een missionaris niets anders in de zin heeft dan naastenliefde. Voor de meeste is dat vast zo, laten we daar gemakshalve van uitgaan. Toch werd twee jaar geleden een organisatie in het leven geroepen die dit heilige huisje omverwierp.

    ‘We zijn het zat om genegeerd te worden,’ schrijven de oprichters van de site van No White Saviours. En zij waren blijkbaar niet de enige die gehoord wilden worden over de misstanden in het ontwikkelingswerk. In een mum van tijd telde de beweging tweehonderdduizend sympathisanten. Niet dat hulp overbodig zou zijn geworden, integendeel, alleen de schrijver Teju Cole begon er in 2012 al over. Snoeihard veroordeelde hij de volgens hem snelst groeiende industrie van wat hij het wittereddercomplex noemde. Reddende witte ridders die voornamelijk hun eigen emotionele behoefte aan het bevredigen zijn. Belangrijker is dat westerse steun uitgaat van de autonomie en kracht van degene die geholpen moet worden, in plaats van
    de eigen zo te applaudisseren hulpbereidheid.

    Of Renee Bach medische kennis via Gods ondoorgrondelijke wegen heeft doorgekregen, zonder daar ooit voor geleerd te hebben, weet niemand. Het ligt ingewikkelder. De partijen die haar aanklaagden stellen de achteraf moeilijk te beantwoorden vraag of zij hun kinderen wel aan haar organisatie Serving His Children (SHC) zouden hebben toevertrouwd als zij geweten hadden dat Bach de eed van Hippocrates nooit heeft afgelegd.

    Van oudsher wordt er nauwelijks genderneutraal geïnvesteerd

    Het draaide uit op een schikking. Met een belangrijke voetnoot waarin nadrukkelijk staat vermeld dat de organisatie geen aansprakelijkheid op zich neemt maar in overeenstemming met de families bereid is financiële steun te betalen.

    Misschien is dat meteen ook de beste vorm van ontwikkelingshulp. Met contant geld kan de ontvanger zelf beslissen wat het hardst nodig is.
    De ontvangers van cash besteden het geld vaak heel anders dan traditionele hulporganisaties, volgens de Cash Learning Partnership. Dat geldt, maar dan ietsje anders, bijvoorbeeld ook voor bedrijven in Nigeria die gerund worden door vrouwen. Van oudsher wordt er nauwelijks genderneutraal geïnvesteerd. Net zoals in het ontwikkelingswerk moet dat gebaseerd zijn op een aanname die niet meer van deze tijd is.

    Want, zo weten wij dankzij onderzoek naar de hersens van jongens en van meisjes, die verschillen niet significant. Het zijn de vooroordelen die stereotypen het meest beïnvloeden.

    Katrien Gottlieb

    gottlieb@360international.nl