Tag: 9/11

  • VS doden Al-Qaida-leider in droneaanval

    VS doden Al-Qaida-leider in droneaanval

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Lange rijen aan grens dreigen ‘nieuwe normaal’ te worden voor Britse vakantiegangers

    » VN-chef Guterres: De wereld is ‘één misverstand verwijderd van nucleaire vernietiging’

    Al-Zawahiri was een van de mannen achter 9/11

    Al-Qaida-leider Ayman al-Zawahiri zondag gedood ‘in de grootste klap voor de groep sinds de dood van zijn stichter Osama bin Laden in 2011’, bericht Al Jazeera. Hij werd uitgeschakeld door een droneaanval van de CIA in de Afghaanse hoofdstad Kaboel, zo verklaarde de Amerikaanse president Joe Biden gisteren in een speciale televisietoespraak. ‘Gerechtigheid is geschied en deze terroristenleider is niet meer’, aldus Biden.

    Al- Zawahiri hielp bij de coördinatie van de aanslagen van 11 september 2001

    De inlichtingendienst had eerder dit jaar de familie van al-Zawahiri in Kaboel gelokaliseerd, zei Biden, die eraan toevoegde dat er geen leden van de familie of burgers bij de aanslag waren gedood. Al-Zawahiri, een Egyptische chirurg met een beloning van 25 miljoen dollar op zijn hoofd, hielp bij de coördinatie van de aanslagen van 11 september 2001 op de VS, waarbij bijna drieduizend mensen omkwamen.

    ‘Het is een grote klap’, vertelde Colin Clarke, onderzoeksdirecteur bij de Soufan Group, een wereldwijd beveiligingsbedrijf, aan Al Jazeera. Hij voegde eraan toe dat zijn aanwezigheid in Kabul ook interessant was vanwege wat het suggereerde over al-Zawahiri’s relatie met de taliban.

    ‘Het vertelt ons dat hij zich veel meer op zijn gemak heeft gevoeld in het afgelopen jaar sinds de taliban de macht hebben overgenomen’, aldus Clarke.

    Lees ook:

  • ‘Het zorgwekkende van complottheorieën is dat ze het debat verstoren’

    ‘Het zorgwekkende van complottheorieën is dat ze het debat verstoren’

    Bush zat dus achter de aanslagen van 11 september 2001, de VN verspreiden het communisme, vaccinaties zijn doodeng en Obama wil oude mensen van staatswege laten ruimen. Amerika was al ver voor Trump in de wurggreep van krankzinnige complottheorieën.

    Dit artikel verscheen al eerder in nummer 61.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week werden in de VS de aanslagen van 9/11 herdacht. De aanslagen zijn voer voor wilde complottheorieën, die ook nu nog vele mensen in hun greep houden.
    Dat bizarre theorieën hun weg naar de politiek gevonden hebben, bleek woensdag ook tijdens het eerste debat tussen Donald Trump en Kamala Harris. Zo zei Trump dat migranten in Ohio huisdieren eten en legde hij Harris’ running mate Tim Walz uitspraken in de mond over abortus die Walz nooit gedaan heeft. Dit artikel van Newsweek uit 2021 laat zien hoe en waar complottheorieën ontstaan en hoe ze zo invloedrijk zijn geworden in de Amerikaanse politiek.

    Een veelgeprezen plan voor de regulering van nieuwbouw in Baldwin County werd de nek omgedraaid. Volgens boze kiezers maakte het deel uit van een complot van de Verenigde Naties om een einde te maken aan het recht op privébezit, het communisme in te voeren en de lokale bevolking in treinwagons af te voeren naar interneringskampen. Toen het plan werd weggestemd, klonk er luid gejuich en werd ‘God Bless America’ aangeheven. De voltallige commissie bouw- en woningtoezicht trad uit frustratie af.

    Marjorie Taylor Greene

    Het Amerikaanse Congresslid Marjorie Taylor Green is in opspraak geraakt door filmpje uit 2018 waarin ze complottheorieën spuit. In de opname beweert ze dat de aanslagen van 11 september een hoax zijn, dat voormalig president Barack Obama moslim is en dat de Clintons moordenaars zijn, bericht The New York Times op 29 januari 2021.
    ‘Het [40 minuten durende filmpje] geeft een kijk op het verwrongen wereldbeeld dat het Republikeinse congreslid uit Georgia uitdraagt, die in de drie maanden sinds haar verkiezing een nationaal merk voor zichzelf heeft gecreëerd als een conservatieve provocateur die met trots de hard-rechtse marge naar het Capitool heeft gebracht’, schrijft het dagblad.
    De krant stelt ook dat Greene een aanhanger is van de Qanon-theorie die beweert dat Trump strijdt tegen een schimmige kliek van Democratische pedofielen.
    Een grote groep van Democraten roept op om haar uit het Huis van Afgevaardigden te verwijderen en ook uit haar eigen partij klinkt er steeds meer kritiek over haar controversiële standpunten, aldus de NYT.

    Een federaal voorstel om artsen te vergoeden voor een gesprek met bejaarde patiënten over de medische opties in hun laatste levensfase is op sterk water gezet. Een aantal conservatieven, Sarah Palin voorop, had het voorstel afgeschilderd als een plan voor bureaucratische ‘doodscommissies’ die zouden gaan bepalen wie in leven mag blijven en wie niet. Het plan had de steun van ouderengroeperingen, geriaters en oncologen. Nu het is verworpen, krijgen bejaarden alleen zo’n gesprek over de verschillende opties voor reanimatie, pijnbestrijding en religieuze bijstand als hun arts dat gratis aanbiedt.

    Vaccinatievrees

    In 2008 kreeg in Amerika niemand mazelen en kregen 13.278 mensen kinkhoest. In 2013 waren er 276 gevallen van mazelen en meer dan 24.000 van kinkhoest. Deskundigen wijten dat aan de daling van het aantal mensen dat wordt ingeënt. Voornaamste oorzaak daarvan is de vrees dat artsen en farmaceutische bedrijven de risico’s van inenting verdoezelen om hun inkomsten niet in gevaar te brengen – ook al zijn de winstmarges in deze specifieke branche zo klein dat zes op de zeven bedrijven zich er de afgelopen 35 jaar uit hebben teruggetrokken.

    Doordat diverse kwakzalvers en beroemdheden dit waanidee blijven verspreiden, zijn ziekten die door vaccinatieprogramma’s bijna waren uitgeroeid nu ineens weer in opkomst.

    Complottheorieën over de overheid zijn al zo oud als de Amerikaanse constitutie

    George Bush heeft duizenden slachtoffers op zijn geweten omdat hij achter de aanslagen van 11 september 2001 zat. Barack Obama is Keniaans staatsburger en had volgens de wet geen president mogen worden. Voorgestelde onderwijsrichtlijnen maken deel uit van een antichristelijke communistische samenzwering om van onze kinderen homo’s te maken. De officiële werkloosheidscijfers en de aanmeldingscijfers voor Obamacare zijn door het Witte Huis gewoon verzonnen. Enzovoort, enzovoort.

    Complottheorieën over de overheid zijn al zo oud als de Amerikaanse constitutie. Maar waren het vroeger vooral tirades van schuimbekkende gekken waar je om kon lachen, tegenwoordig loopt het volgens deskundigen uit de hand: krankzinnige waanbeelden en verzinsels houden het overheidsbeleid in een wurggreep en vormen zelfs een bedreiging voor de volksgezondheid. ‘Dit soort theorieën maakt elke rationele discussie in dit land onmogelijk,’ zegt burgerrechtenadvocaat Mark Potok van het Southern Poverty Law Center, die onlangs een rapport schreef over de gevolgen van het zogenaamde Agenda 21-complot. ‘Ze krijgen echt invloed.’

    De ongehoorde groei van zowel het aantal complottheorieën als hun invloed is volgens deskundigen deels te wijten aan snellere communicatiemiddelen als internetfora, Twitter en andere sociale media. ‘Complottheorieën spelen een grotere rol in het publieke debat dan vroeger,’ zegt Eric Oliver, politicoloog aan de universiteit van Chicago.

    Agenda 21

    Het angstbeeld van Agenda 21 is een goed voorbeeld. Het gaat om een nietbindende intentieverklaring die in 1992 werd ondertekend door Bush sr. en 177 andere wereldleiders. De gedachte was eenvoudig: de landen beloofden in hun beleid voor stedelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening te proberen het milieu zo veel mogelijk te sparen. Zowel links als rechts beschouwden het destijds als een stap die niet veel voorstelde.

    Maar nu niet meer. Extremistische organisaties zien in Agenda 21 nu een poging van de VN en de ‘Nieuwe Wereldorde’ om alle privébezit te confisqueren, communisme te propageren en tegenspraak de kop in te drukken. Je mag niet meer wonen waar je wil. Bomen krijgen evenveel rechten als mensen. Elektriciteitsbedrijven gaan hun klanten bespioneren.

    Buurtbewoners protesteren tegen de aanleg van fietspaden met spandoeken die verwijzen naar sinistere internationale complotten

    In 2012 nam het Republikeinse partijbestuur een resolutie aan waarin het document werd veroordeeld als een ‘geniepig plan’ om het volk een ‘socialistisch/communistische herverdeling van rijkdom’ op te dringen. Het partijcongres zwakte de formulering later af, maar bleef Agenda 21 veroordelen als een onuitvoerbare verklaring zonder financiële onderbouwing, ‘geniepig’ en een ‘aantasting van de Amerikaanse soevereiniteit’.

    En nu wordt overal in het land dat Agenda 21-complot van stal gehaald zodra een gemeentelijke commissie – die vaak nog nooit van de VN-verklaring heeft gehoord – met een bestemmingsplan komt om de wildgroei aan nieuwbouw te reguleren en daarbij oog te houden voor het milieu. Zo verging het Baldway County. In Maine werd een stokje gestoken voor de aanleg van een nieuwe weg die een eind moest maken aan verkeersopstoppingen.

    Idem dito met plannen voor het herstel van oesterbedden in Virginia en een hogesnelheidstrein in Florida. Buurtbewoners protesteren tegen de aanleg van fietspaden (fietspaden!) met spandoeken die verwijzen naar sinistere internationale complotten.

    Ook de rel rond Cliven Bundy is in verband gebracht met de VN: deze boer in Nevada weigert de verplichte vergoeding te betalen voor vee dat op federaal grondgebied graast. ‘Doe eens onderzoek naar Agenda 21 van de VN, die door de regering-Obama wordt gebruikt om je via een bestemmingsplan van al je land en je rechten te beroven,’ schreef iemand uit Idaho aan de regionale krant Coeur d’Alene Press naar aanleiding van die zaak. ‘De VN willen een eind maken aan al het privébezit, want dat vindt men “niet duurzaam”.’ Die brief belandde niet in de prullenbak bij alle andere bizarre complottheorieën die de media elke dag ontvangen. Nee, het schrijven werd in de krant afgedrukt onder de kop: ‘BUNDY: Onderdeel VN Agenda 21’.

    En dat is een verontrustende trend: dat prominente politici verhalen over geheime complotten spuien zonder een greintje bewijs

    Maakt verder niet uit dat die vergoeding voor het grazen op publieke grond al sinds 1934 bestaat, en dat 18.000 boeren ook netjes betalen zonder dat er een wereldwijd complot voor nodig is. Uit onderzoek blijkt dat dit soort bangmakerij zich niet beperkt tot één kant van het politieke spectrum.

    Neem de regering-Bush. Er wordt beweerd dat Bush de aanslagen van 9/11 heeft gebruikt – of zelfs georganiseerd – om oorlog te kunnen voeren en het veiligheidsapparaat uit te breiden. Dat Cheney de Irakoorlog op touw heeft gezet om via aanbestedingen miljoenen dollars te kunnen doorsluizen naar zijn vroegere werkgever Halliburton. Dat ze hun verkiezingsoverwinning in 2004 danken aan verkiezingsfraude in Ohio. En die ideeën leven niet alleen onder gewone burgers, maar worden ook geventileerd door politici met landelijke bekendheid: het Democratische congreslid Keith Ellison, de ultrarechtse Republikein Rand Paul en Robert F. Kennedy, de linkse zoon van Bobby Kennedy in zijn radioprogramma.

    Zonder bewijs

    En dat is een verontrustende trend: dat prominente politici verhalen over geheime complotten spuien zonder een greintje bewijs. Zo steunen veel politici de gedachte dat Obama zijn geboortecertificaat heeft achtergehouden, een belangrijke bouwsteen van de theorie dat hij in Kenia is geboren. Voormalig Congreslid Cynthia McKinney geloofde in de complottheorieën omtrent 9/11. Senator Ted Cruz heeft gezegd dat Agenda 21 de afschaffing van golfbanen en verharde wegen beoogt. En ook prominente zakenlui en commentatoren spuien ongefundeerde complottheorieën. De dalende werkloosheidscijfers die de regering in het verkiezingsjaar 2012 publiceerde, waren volgens Jack Welch, voormalig hoofd van General Electric, gelogen. Dat de peilingen een zege voor Obama voorspelden, was volgens diverse commentatoren een complot van peilingbureaus. Toen het Witte Huis bekendmaakte hoeveel mensen zich hadden aangemeld voor Obamacare, noemde Jesse Waters van Fox News dat ‘een keiharde leugen’.

    Deskundigen die onderzoek naar het fenomeen doen, weten niet zeker waarom zo veel landelijk bekende figuren tegenwoordig openlijk met complottheorieën komen. ‘Mensen overschreeuwen zichzelf soms,’ zegt psycholoog Michael Wood, die hierover doceert aan de universiteit van Winchester. ‘Maar het kan ook heel goed dat die complottheorieën in de hogere echelons echt hebben postgevat. Het zou vreemd zijn als politici hier totaal immuun voor waren.’

    Wanneer complotdenkers hun tegenstanders beschuldigen van dubieuze praktijken, dekken ze zich vaak in met de opmerking dat er alleen een paar kwesties zijn die vragen bij hen oproepen. Dat is volgens deskundigen dé manier om een complottheorie aan te zwengelen. ‘Een van de gebruikelijkste methoden om een complottheorie te propageren is door “enkel wat vraagtekens te plaatsen” bij een officieel verhaal,’ zegt Karen Douglas, redacteur van het British Journal of Social Psychology . ‘Dat is een heel sterke retorische truc: je hoeft inhoudelijk niets aan te dragen, alleen je twijfels te uiten over de beweerde juistheid.’

    Maar als het een gewoonte wordt om politieke tegenstanders van grove fouten te betichten op basis van ongefundeerde onzin, kan dat funest zijn voor het maatschappelijk debat. Als beide zijden elkaar aanvallen op basis van de wildste theorieën en elkaar uitmaken voor terrorist, landverrader, moordenaar of racist, leidt dat tot een polarisatie die besturen onmogelijk maakt. ‘Het zorgwekkende van complottheorieën is dat ze het debat verstoren dat zo belangrijk is voor een democratie,’ zegt Brendan Nyhan van Dartmouth College. ‘Ze leiden de aandacht af van de echte problemen waar het debat over zou moeten gaan.’

    Aztlan-complot

    Waar komen complottheorieën vandaan? Ze borrelen vaak op in marginale subculturen, waar ze worden opgepikt door figuren met iets van geloofwaardigheid, tot ze uiteindelijk de massamedia bereiken. Een goed voorbeeld is het zogenaamde ‘Aztlan-complot’: Mexico zou plannen hebben om de VS binnen te vallen en zeven zuidelijke staten te heroveren. De theorie werd eerst geopperd in een radicaal antimigrantenclubje van nog geen tien mensen. Dat werd opgepikt door anderen en in steeds bredere kring verspreid, tot het uiteindelijk zelfs op CNN werd besproken door de bekende tv-journalist Lou Dobbs.

    ‘In zo’n sociaal netwerk kan een complottheorie zich als een lopend vuurtje verspreiden’

    ‘Zo gaat dat,’ zegt Mark Potok. ‘Het begint met een marginaal clubje, en voor je het weet is het een item op televisie en wordt het razend lastig om nog een serieus debat over immigratie te voeren.’

    De groei van het aantal nieuwsmedia draagt bij aan de verspreiding van complottheorieën, maar volgens experts valt dat nog in het niet bij de invloed van sociale media en internet. Die maken het voor aanhangers van complottheorieën makkelijker om zich online af te zonderen met uitsluitend gelijkgestemden, zodat een situatie ontstaat waarin niemand het beeld met feiten corrigeert en verzinsels welig tieren. ‘In zo’n sociaal netwerk kan een complottheorie zich als een lopend vuurtje verspreiden,’ zegt Cass Sunstein van Harvard University, auteur van het boek Conspiracy Theories and Other Dangerous Ideas . ‘Het is dan echt besmettelijk.’

    Aanhangers van complottheorieën worden soms weggezet als dom en labiel, maar onderzoek nuanceert dat beeld. ‘De realiteit is dat ook goed geïnformeerde mensen aan zulke theorieën ten prooi vallen, als ze er een bevestiging in vinden van wat ze graag willen geloven,’ zegt Brendan Nyhan.

    Daar zijn onderzoekers het over eens: mensen uit alle lagen van de maatschappij omarmen complottheorieën als een manier om de chaos van het leven te bezweren. ‘Om allerlei redenen kan de wereld steeds chaotischer en onoverzichtelijker lijken,’ legt Nyhan uit. ‘Complottheorieën geven je het gevoel dat je weer greep krijgt op de chaos.’

    Onderzoek naar het soort mensen dat in complottheorieën gelooft levert verrassende resultaten op. Zo bleek uit één onderzoek dat mensen die denken dat prinses Diana in 1997 is vermoord, ook sneller geneigd zijn te geloven dat ze nog leeft. En mensen die denken dat Osama bin Laden al dood was toen een Amerikaans commandoteam in 2011 zijn schuilplaats binnenviel, zijn er ook vaker van overtuigd dat hij toen is ontsnapt. Dit vermogen om twee tegenovergestelde ideeën te koesteren is cruciaal. Uit onderzoek blijkt dat slechts één persoonlijkheidsfactor de kans kan voorspellen dat iemand in een complottheorie zal geloven: de vraag of hij al in andere complottheorieën gelooft.

    En het aantal mensen dat in deze, vaak uiterst onwaarschijnlijke verhalen gelooft is gigantisch. Vorig jaar bleek uit een peiling dat 28 procent van de Amerikanen gelooft dat een geheime elite via een wereldwijde autoritaire regering de hele wereld in haar greep probeert te krijgen, 15 procent gelooft dat de bevolking stiekem door de overheid wordt gehersenspoeld via tv-uitzendingen en 14 procent denkt dat de CIA verantwoordelijk was voor de verspreiding van crack in de jaren tachtig. Vergelijkbare en soms nog extremere cijfers zie je bij medische complottheorieën. Uit een onderzoek in het Journal of the American Medical Association in maart bleek dat 49 procent van de respondenten in ten minste één medische complottheorie geloofde, en 18 procent in drie of meer. De bekendste theorieën betroffen behandelingen tegen kanker, vaccinaties en mobiele telefoons, en die hadden ook de meeste aanhang. 37 procent dacht dat natuurlijke behandelmethoden tegen kanker onder de pet werden gehouden door de overheid en de farmaceutische industrie, en volgens 20 procent wordt de overheid door het bedrijfsleven belet cijfers bekend te maken waaruit blijkt dat je van mobiele telefoons kanker krijgt of dat artsen heimelijk geloven dat vaccinaties wel degelijk gevaarlijk zijn.

    Net als politieke fabeltjes hebben medische complottheorieën reële consequenties. Mensen die erin geloven zijn sneller geneigd geen zonnebrandcrème te gebruiken en geen jaarlijkse check-up te laten doen. Uit een studie van de universiteit van Kent bleek dat mensen die aan complottheorieën over vaccinaties werden blootgesteld ‘minder snel geneigd waren zich te laten inenten’ dan de mensen uit de controlegroep.

    Ontkrachten

    Al hebben complottheorieën concrete gevolgen voor het politieke debat en de volksgezondheid, ze zijn lastig te bestrijden. Wie feiten aanvoert om ze te ontkrachten, sterkt de aanhangers slechts in hun geloof. ‘Als je een waan idee probeert te ontkrachten, bijten sommigen zich er juist des te meer in vast,’ zegt Cass Sunstein. ‘Ze denken dan: waarom neemt iemand zo veel moeite om het te ontkennen als het toch niet waar is? Met andere woorden: de ontkenning bewijst het gelijk van hun theorie.’ 

    Brendan Nyhan legde Sarah Palins aantijgingen over ‘doodscommissies’ voor aan proefpersonen. Die kregen daarna informatie waaruit bleek dat Palins bewering niet klopte. Als mensen een hekel aan Palin hadden, of als ze haar wel mochten maar weinig kennis hadden van politiek, geloofden ze die tegenargumenten. Maar het voorleggen van feitenmateriaal had juist ‘een averechts effect bij Palinaanhangers met meer politieke kennis, die na kennisname van de corrigerende feiten nog sterker geneigd waren in de doodscommissies te geloven en tegen de voorgestelde hervorming te zijn’. Sommige aanhangers van complottheorieën zijn dus gewoon niet te overtuigen. Een debat over methoden om complottheorieën te bestrijden kan zelfs een aanleiding zijn voor nieuwe complottheorieën. Zo schreef Sunstein in 2008 een artikel over complottheorieën en de overheid, en het probleem dat de bedenkers van die theorieën online alleen communiceren met gelijkgestemden. 

    Meestal kun je ze negeren, maar wat als het gaat om bij voorbeeld een groep fundamentalistische moslims of andere extremisten die ook geweld prediken? Eén mogelijke tactiek, aldus Sunstein, zou kunnen bestaan uit ‘cognitieve infiltratie van extremistische groepen’. Opsporingsambtenaren moeten zich dan aanmelden bij de discussiefora en sociale netwerken waar die gevaarlijke ideeën circuleren en daar informatie verspreiden die de theorieën ontkracht. Die ambtenaren kunnen zich bekendmaken of juist niet – beide opties hebben volgens Sunstein voor- en nadelen.

    De aanval werd meteen geopend. Sunstein zou alle kritiek op de regering de kop in willen drukken en misschien zelfs willen helpen critici op te sporen. Volgens de nieuwe complottheorie werkte Sunstein in opdracht van de overheid, want hij had vroeger aan het hoofd gestaan van het Bureau voor Informatie en Wetgeving van het Witte Huis: hij was verantwoordelijk geweest voor de informatieverspreiding van het Witte Huis. (Zoek maar op internet, of lees de klantbeoordelingen van Sunsteins boek op Amazon.com: de ‘Sunstein is een stroman van de overheid’-theorie duikt overal op.) 

    Hoe het echt zit? Sunsteins werk had niets met spionage te maken. Hij gaf leiding aan een operatie om de papierstroom te reduceren en te controleren of nieuwe regelgeving niet in strijd was met de wet. ‘Ze denken dat ik me daar bezighield met politieke propaganda,’ zegt hij. ‘Maar dat was mijn werk niet, ik moest alleen de papierstroom indammen.’ 

    Cirkel 

    Sunstein is niet de enige die zoiets overkomt. Toen het Southern Poverty Law Center zijn rapport over Agenda 21 had gepubliceerd, stond de telefoon roodgloeiend. ‘We werden suf gebeld door goedbedoelende mensen die ons uitlegden hoe dom we waren, dat we met open ogen in de val van de elite waren getrapt,’ zegt Potok. 

    Zo gaat dat met de eindeloze cirkel van complottheorieën. Ze zijn niet te weer leggen en niet kapot te krijgen. Wie iets tegen zo’n overspannen theorie inbrengt, moet zelf wel deel uitmaken van het complot. Want over één ding waren de meeste geïnterviewde des kundigen het eens: zodra dit artikel verschijnt, zal Newsweek ervan worden beticht deel uit te maken van een complot. 

  • Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.

    Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.

    Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.

    Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.

    Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.

    Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.

    Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.

    Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld

    We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.

    Vreselijk hoe we afstompen, hè?

    Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.

    Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.

    Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.

    Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.

    Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.

    Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.

    De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.

    Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?

    Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.

    Symbolisch en willekeurig

    Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.

    Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.

    Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.

    Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.

    Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.

    Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.

    Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.

    De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.

    Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.

    De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.

    Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’

    Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.

    Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’


    Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.

    In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!

    Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.

    Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?

    De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.

    En het is mijn schuld.

    Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.

    De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.

    Boodschappers van de terreur

    Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.

    De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.

    Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.

    De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.

    Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.

    Dus: vooral in Europa.

    In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.

    In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.

    In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.

    Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.

    Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.

    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.

    Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.

    De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.

    Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.

    Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.

    Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.

    De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.

    De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online

    Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.

    De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.

    Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.

    Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.

    Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.

    Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.

    En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.

    Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.


    De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.

    Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.

    Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.

    Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?

    Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.

    Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.

    Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.

    Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.

    Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.

    De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.

    Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?

    Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).

    Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.

    Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.

    Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.

    Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.

    Het Werther-effect

    Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.

    Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.

    In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.

    Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.

    Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.

    Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.

    Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.

    Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.

    Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.


    De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.

    Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.

    Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?

    Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.

    Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.

    Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.

    En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.

    We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.

    In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.

    Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.

    Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.

    Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.

    Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.

    Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.

    Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel

    Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel, Der Stern, de Süddeutsche Zeitung, Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.

    En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.

    Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.

    De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.

    Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.

    Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.

    Auteur: Bastian Berbner
    Vertaler: Pieter Streutker

    Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.