Van Vox tot Rassemblement National en Fratelli d’Italia – Europees rechts lanceert beschuldigingen van ‘klimaatterrorisme’. Ze stellen daartegenover een ‘alternatief’ ecologisme, waarin de industrie alle ruimte krijgt.
Dossier: Soeverein Europa
‘This is Europe’s moment to answer the call of history’, riep Ursula von der Leyen aan de vooravond van de verkiezingen. 360 maakte voor het juninummer (dat nu in de winkel ligt!) in aanloop van de Europese verkiezingen een rondje langs de lidstaten en koos in samenwerking met weekblad De Groene Amsterdammer de meest verheffende en inzichtelijke bijdragen van grote denkers als Varoufakis, Piketty, Mastrobuoni en Krastev. Tot en met 6 juni komt er elke dag een artikel online waarin een van hen hun deskundig licht laat schijnen over hoe de Europese integratie verdiept en verbeterd kan worden.
Jaren geleden was de oude Jean-Marie Le Pen, oprichter van het Franse extreemrechtse Front National, van mening dat klimaatverandering een idiote obsessie was van een minderheid van ‘bobo’s’, oftewel salonsocialisten. Inmiddels zouden we zeggen: radical chic. In de loop van de tijd hebben klimaatveranderingen zich echter alom gemanifesteerd en zijn de bewijzen bruut aan ons opgedrongen. En veel traditionele partijen hebben het probleem inmiddels in zoverre erkend dat de voormalige christendemocratische kanselier Angela Merkel, die zichzelf graag ‘klimaatkanselier’ noemde, zelfs kon pochen dat ze de voormalige Amerikaanse president George W. Bush had overtuigd van de risico’s van een catastrofe. Al aan de vooravond van de vorige Europese verkiezingen geloofde 77 procent van de kiezers in de klimaatverandering en was bovendien van mening dat het thema als prioriteit moest worden beschouwd. Inmiddels zouden conservatieven of progressieven het dan ook niet meer in hun hoofd halen om de internationale inspanningen om de klimaatopwarming tegen te gaan, zoals het akkoord van Parijs, een halt toe te roepen.
Om zich toch van de mainstream af te keren, veranderde extreemrechts van strategie. Daarbij verloor het zijn natuurlijke vijand, de milieuactivist, geen moment uit het oog. Hetzelfde Front National, enige tijd geleden door Marine, de dochter van Jean-Marie, hernoemd tot Rassemblement National, stopte met de ontkenning van de verwoestende gevolgen van klimaatverandering of met het verspreiden van hoaxes die maar al te duidelijk antiwetenschappelijk zijn (zoals dat het klimaat periodiek verandert, in de loop van miljoenen jaren, alleen niet door toedoen van de mens, maar gewoon uit zichzelf). Net als andere extreemrechtse partijen in Europa is Marine Le Pen van toon veranderd. Ze heeft er een maatschappelijk probleem van gemaakt.
Zogenaamde ‘elite’
Marine le Pen, het Spaanse Vox, de Oostenrijkse FPÖ, het Poolse Recht en Rechtvaardigheid, het Hongaarse Fidesz en de Duitse AfD hebben in hun militante antimilieupolitiek alle de kans aangegrepen om in te gaan tegen traditionele partijen en luid te verkondigen dat de keuzes die een zogenaamde ‘elite’ maakt ten koste gaan van het ‘volk’, dat offers brengt doordat voor veel geld zogenaamd overdreven doelstellingen worden nagestreefd. Deze propaganda werkt ook heel goed tegen de Europese Unie, die verantwoordelijk is voor het bedenken en naleven van de Green Deal, en het bestrijden van de opwarming van de aarde bovenaan haar prioriteitenlijst heeft gezet.
Europees rechts lanceert dus beschuldigingen van ‘klimaatterrorisme’ zonder onderscheid te maken tussen de Europese Commissie, de Groenen, Fridays for Future of de activisten die zich vastlijmen op snelwegen of in musea. Ze stellen daartegenover een ‘alternatief’ ecologisme, dat ons moet beschermen tegen een vermeende internationale, milieuactivistische samenzwering die het algemeen welzijn en de nationale soevereiniteit zou willen vernietigen.
Onlangs nog haalde Giorgia Meloni in een recent interview met Il Messaggero uit naar ‘ideologisch ecologisme’
Groene partijen en ecologen vormen het perfecte doelwit omdat ze vijanden zouden zijn van de portemonnee, van de belangen van de werknemers en die van de traditionele Europese industrie. Onlangs nog haalde Giorgia Meloni in een recent interview met Il Messaggero uit naar ‘ideologisch ecologisme’ en beloofde ze meer aandacht voor ‘het territorium’. Het achterliggende idee is dat degenen die het milieu nu beschermen dit doen ten koste van de burgers, wier koopkracht en levensstandaard achteruitgaan. Erg origineel is dit idee niet. Kijk maar naar Vox, dat de noodzaak van energie-autarkie en een herindustrialisatie van Spanje propageert. Of naar Marine Le Pen, die in naam van een ‘ecologisch patriottisme’ het nucleaire quotum van Frankrijk wil verhogen tot 81 procent (het ligt nu op 70 procent), ervoor pleit de ontwikkeling van alternatieve, hernieuwbare brandstoffen stop te zetten en een verlaging eist van de btw op brandstof om zo het boze gelehesjeselectoraat aan haar kant te krijgen. Of de AfD, wiens slogan ‘Red diesel’ de Duitsers ervan moet overtuigen dat het hart van hun industrie, de automobielindustrie, wordt bedreigd door klimaatpaniek, een gevaar waartegen deze partij als enige op de bres springt. Ondanks de kleine nuances in de (verwarrende) theorieën die ten grondslag liggen aan hun woeste antimilieubeleid, hebben de Europese rechtse partijen alle tot doel de terechte angst voor een mogelijke catastrofe om te smeden in heimwee naar het oude Europa, inclusief rokende schoorstenen. En daarmee sluiten ze een weddenschap met de toekomst.
In Servië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Slovenië pikken vrouwen het niet langer hoe rivieren en bossen in hun regio worden vervuild. Een strijdbare generatie komt nu in opstand tegen de milieuverontreiniging en klimaatverandering.
Dappere vrouwen uit het Bosnische Kruščica hebben meer dan vijfhonderd dagen gewaakt bij de rivier om de bouw van miniwaterkrachtcentrales tegen te gaan. Ook in Kraljevo (Servië) strijden vrouwen voor het behoud van hun rivieren. In Kroatië werpen ze zich op voor het behoud van het milieu en de publieke ruimte tegen de exploitatie door onder andere de toeristische sector.
De vrouwen in Kruščica hadden met de mannen geruild die normaal gesproken nachtdiensten voor hun rekening namen, omdat ze verwachtten dat de politie hen niet zou aanvallen. Rond vijf uur ’s ochtends arriveerde er een speciale eenheid. ‘Ze zeiden dat we opzij moesten gaan en als we dat niet deden, ze het bevel hadden ons in het water te gooien. Een paar minuten later begonnen ze met hun schilden op ons in te slaan. Op onze armen, benen… Vreselijk. Overal gekerm, gegil,’ vertelt Amela Zukan.
Trauma’s
De trauma’s van die nacht dragen de vrouwen nog altijd met zich mee. Sommigen zijn ziek geworden en dragen hun verwondingen als een ereteken. Maar ze zijn nog even vastberaden. Natuurlijke rijkdommen zijn onze laatste verdedigingslinie, zeggen ook andere vrouwen die in Servië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Slovenië op de barricades staan voor de natuur.
‘Als de donkerste scenario’s uitkomen, krijgen we te maken met extreme droogte, watertekorten en steeds frequentere overstromingen,’ zegt Zukan, die benadrukt dat de kwetsbaren en gemarginaliseerden, de armen en zieken, mensen in ontwikkelingslanden, meer te lijden hebben onder de klimaatverandering. De bijeenkomsten van bewoners in Kruščica begonnen aanvankelijk spontaan, toen deze tweeduizend zielen tellende gemeenschap lucht kreeg van de plannen voor de bouw van een miniwaterkrachtcentrale.
Ze hebben ons misleid, bestolen, verdeeld, wat al erg genoeg is
Het protest had succes. ‘We hebben heel wat mensen wakker weten te schudden, veel mensen zagen dat we onze rivier met succes hebben verdedigd en zijn onze methode zelf gaan toepassen. Wij strijden vandaag niet alleen maar voor ónze rivier, maar voor alle rivieren in Bosnië en Herzegovina en daarbuiten, in de hele regio,’ zegt Zukan. Dat beaamt ook natuuractivist Bojana Minović uit het Servische Kraljevo, die strijdt voor het behoud van de bergrivieren in haar streek. ‘Ze hebben ons misleid, bestolen, verdeeld, wat al erg genoeg is. Deze waanzin begon al in de oorlog: de sluiting van de fabrieken, het wegvallen van verschillende sociale, maatschappelijke en economische zekerheden. En te midden van dat alles storten ze zich nu ook nog eens op onze natuurlijke rijkdommen,’ zegt ze.
Minović merkt op dat het groot kapitaal tot in alle poriën van de maatschappij is doorgedrongen. Ze omschrijft hoe alles tegenwoordig jong, flitsend en strak moet zijn. De goede oude bergrivieren voldoen niet langer aan de standaarden, ze zijn niet Instagram-waardig. De mensen zwemmen niet meer in de Ibar [een van de rivieren rondom Kraljevo], ‘maar alleen nog in zwembaden, omdat het daar mooier, toegankelijker is.’ Minović vertelt dat er langs de bergrivieren zwembaden worden opgetuigd.
‘En zo’n stomme Ibar, waar opa’s vroeger in hun socialistische onderbroek zwommen, vinden we niks meer aan’
‘Alles moet nieuw, aantrekkelijk, mooi en leuk zijn. We willen dat alles comfortabel en toegankelijk is. ‘En zo’n stomme Ibar, waar opa’s vroeger in hun socialistische onderbroek zwommen, vinden we niks meer aan.’ Het is een vorm van prestige geworden om badhuizen te bezoeken, die inmiddels de helende mineraalwaterbronnen bij Vrnjačka Banja bedreigen. De badhuizen ‘leveren namelijk mooie kiekjes op voor Instagram, net als de zwembaden dat doen: cocktails, muziek, jonge, gezonde en strakke lijven.’
In haar werk wordt Minović ook geconfronteerd met de maatschappelijke kant van de ecologische problemen. Daarbij noemt ze twee belangrijke factoren: naast de schade aan de natuur vindt er ook een verarming van de bevolking plaats. ‘Hier zegt men dat de grond rondom de bergrivieren schraal is. Armer dan arm, onbruikbaar. En dus dalen de grond en het bos in waarde. Daardoor wordt het makkelijker deze natuurlijke hulpbronnen te verkopen,’ zegt ze.
Het gaat hier om economisch achtergestelde regio’s waar de verkoop van stukken bos of welke vorm van natuurlijke hulpbronnen dan ook voor sommige mensen vaak een laatste redmiddel is. ‘Degenen die stukken bos bezaten, kapten die om hun kinderen naar school te kunnen sturen, om voor eten te zorgen, om te overleven, om hun kinderen de mogelijkheid te geven hier weg te gaan,’ zegt Minović.
Pas wanneer een investeerder de aarde helemaal omwoelt en de veiligheid zichtbaar in gevaar komt na een overstroomde weg door een lekkende dijk, of als de forel uit de rivieren verdwijnt, pas dan zien ze de gevolgen in van al die bouwprojecten in en rondom hun bergrivieren. Maar de bewoners zeggen ook dat ze hun huizen moeten verwarmen en dus het bos moeten verkopen om te kunnen leven. Ook Minović ziet de teloorgang van het ecosysteem, de klimaatverandering, de buitengewoon zachte winters, de afnemende neerslag in de steeds warmer wordende zomers.
‘Ik weet echt wel wat winter is, hoe vier jaargetijden eruitzien,’ verzucht ze. Dat klimaatverandering overal is doorgedrongen en niet meer te negeren valt, vindt ook Irena Burba, een klimaatactivist die al zestien jaar bij de Kroatische ngo Groen Istrië werkt en actief deelnam aan talloze sociale en klimaatprotesten, zoals destijds in Lungomare en Plomin. ‘In ons werk merken we dat de aanval op het publieke domein en de publieke ruimte ieder jaar intensiveert,’ zegt ze.
Baai van Lapad
Irena Woelle is een Sloveense designer en activist die actief is op het snijvlak van milieu, maatschappij en cultuur. Ze houdt zich bezig met thema’s als stedelijk tuinieren en urbane imkerijen, maar ze zet zich ook in tegen fracking, glyfosaat, jachttoerisme en de ontgroening van het stadsbeeld. In een van haar projecten, getiteld Ik ben toch niet zo gek om daarheen te gaan, legde ze de link tussen het kapitalisme en het patriarchaat, die volgens haar veel gelijkenissen vertonen en langs dezelfde lijnen opereren.
Brandpunt was de baai van Lapad, geschilderd door de uit Dubrovnik afkomstige schilder Flora Jakšić, die op haar zeventiende, tegen haar wil in, werd uitgehuwelijkt en vervolgens tien jaar in een gewelddadig huwelijk opgesloten zat.
Gedurende haarleven was Flora’s huis een toonaangevend centrum voor schilderkunst in Dubrovnik; ze liet in haar testament opnemen dat Vila Flora aan de baai van Lapad een plek moest worden waar kunstenaars konden exposeren en hun vakanties konden doorbrengen. Van de baai van Lapad is niet veel meerover: een en al beton, kitsch en asfalt. De titel van het project is ontleend aan het antwoord van een jonge moeder aan haar partner, die voorstelde om met hun kind in de snikhete, verbouwde baai van Lapad te gaan zwemmen.
Met haar initiatief om het centrum van Rijeka gezonder en leefbaarder te maken door het Matija Vlačić Flacius-plein om te dopen tot Theeplein, wilde Woelle geneeskrachtige kruiden op het plein laten planten. Daarmee hoopte ze de in vergetelheid geraakte kennis omtrent de helende werking van planten en hun gebruik bij de bestrijding van kwaaltjes nieuw leven in te blazen. ‘Publieke ruimtes worden mateloos ingepikt,’ zegt Woelle. ‘We kunnen niet eens meer een wandeling maken door onze eigen steden, omdat alles is geprivatiseerd; overal zijn cafés en restaurants die er in feite alleen maar zijn voor toeristen.’
Ook Burba benadrukt de desastreuze gevolgen van het leunen op toerisme. ‘De stranden worden op illegale wijze opgespoten en de kust wordt almaar verder ingelijfd. Hotelketens en campings dijen almaar uit. Er blijft steeds minder ruimte over voor de inwoners. Er zijn wel een miljoen winkelcentra,’ zegt ze.
‘De leefbaarheid is bij ons flink verslechterd door het grenzeloze toerisme’
De publieke ruimte raakt in het gedrang. ‘De leefbaarheid is bij ons flink verslechterd door het grenzeloze toerisme,’ zegt Burba. ‘In de zomer staan er ellenlange files, waardoor je amper toegang hebt tot bepaalde diensten, zoals de eerste hulp. We hebben een enorm afvalprobleem, de hoeveelheid afval die wordt geproduceerd kunnen we simpelweg niet op een adequate manier verwerken.’ ‘Mensen zijn vaak pas bereid te reageren als er een probleem in hun achtertuin ontstaat, maar we zagen dat er in het geval van Lungomare ook veel mensen in opstand kwamen vanwege de emotionele binding met het gebied,’ zegt Burba.
Ze zagen in dat er al zoveel is gecommercialiseerd, dat ze bereid waren te strijden voor dat laatste strookje publieke ruimte. ’Niet veel anders was het in Kruščica. Alle inwoners verdedigden de rivier ‘met hart en ziel’, aldus Zukan. Weer of geen weer. Voor ons was het net alsof we naar ons werk gingen. Iedereen was verplicht zijn eigen dienst te draaien,’ zegt ze. ‘Zonder de inwoners was de rivier allang vernietigd. Nu is het weer een prachtige plek, die alle aandacht dubbel en dwars waard was.’
De Israëlische auteur Etgar Keret ziet sociale media als een groot probleem in de oorlog in Gaza. Het zijn machines die ‘haat aanwakkeren’. En bij het flinterdunne activisme zet hij vraagtekens.
Etgar Keret is een van de bekendste en origineelste Israëlische auteurs. Hij schrijft vooral surrealistische korte verhalen vol zwarte humor, en hij is een populaire kinderboekenschrijver. Het interview vindt plaats in zijn woonkamer in Tel Aviv. Grote ramen en veel boeken. Er is thee met koekjes. Zijn huisdier ligt onder zijn fauteuil. Het is een wit konijn dat Hanzo heet. Het konijn huppelt even weg, maar komt al snel weer terug.
Uw land is nu acht weken in oorlog. Wat vindt u daarvan?
‘Het is een heel complexe situatie. Volgens mij zijn sommige problemen niet op te lossen. Toch vind ik het ongelooflijk verbazingwekkend dat ongeveer negen op de tien mensen buiten Israël met wie ik contact heb, denken dat het supersimpel is. Je moest eens weten hoeveel discussies ik al heb gehad, met journalisten of op sociale media, over de vraag of Hamasterroristen kinderhoofden hebben afgehakt, ja of nee. Je kunt het er dus over eens zijn dat Hamas kinderen heeft doodgeschoten en in brand gestoken, ook baby’s, en dat ze ouders vermoordden voor de ogen van hun kinderen. Maar het is blijkbaar vooral een belangrijke kwestie of ze baby’s hebben onthoofd of niet.’
Wat zegt u dan?
‘Dat we er uitgebreid over kunnen debatteren, maar alleen als mijn gesprekspartner gelooft dat dit detail doorslaggevend zal zijn voor zijn mening over wat er is gebeurd.’
Hoe verklaart u dat zo veel mensen lijken te twijfelen aan de gebeurtenissen van 7 oktober?
‘Ik heb de indruk dat veel mensen niet eens meer weten hoe ze aan informatie moeten komen. Vroeger werkte het proces als volgt: je raakte geïnteresseerd in iets, zocht naar meer informatie en vormde je een mening. Tegenwoordig gaat het zo: je vindt de ene partij leuk en de andere haat je. Je gloeit van de haat en dan zoek je nog meer brandstof om je haat op te poken. Ik heb het niet alleen over het conflict in het Midden-Oosten, het is een algemeen maatschappelijk fenomeen dat ertoe leidt dat mensen in parallelle verhalen leven en met elkaar botsen. En allemaal hangen ze aan machines die hun haat aanwakkeren.’
Een paar uur na het brute bloedbad stond de wereldopinie grotendeels aan de kant van de Palestijnen. Waarom heeft Israël de oorlog van de verhalen zo snel verloren?
‘Ik ben misschien ouderwets, maar ik denk dat sociale media een groot probleem zijn. Ze beïnvloeden verkiezingen en maakten iemand als Trump tot president. En kijk nu eens wat er van het activisme geworden is. Ik ben oud genoeg om me te herinneren dat activisme ooit betekende dat mensen zich vastbonden aan bomen, zodat ze niet omgehakt konden worden. Weet je dat nog?’
‘Meerduidigheid is totaal niet meer toegestaan’
Ja.
‘Activisme betekende actie ondernemen om de wereld te veranderen. Tegenwoordig heet het al activisme als je de vlag waar je voor bent op Facebook post. Volledig toegewijd zijn aan eenzijdigheid, dat is het allerbelangrijkste. Meerduidigheid is totaal niet meer toegestaan. Op dit moment zul je de meeste haat over jezelf afroepen als je op sociale media schrijft dat je huilt om de kinderen die op 7 oktober zijn gedood én om de kinderen in Gaza. Daar word je voor aan flarden gescheurd. Progressief links roept dan: Hoe kun je die twee gelijkstellen!’
U pleit voor medeleven met beide partijen.
‘Natuurlijk doe ik dat. Maar mijn benadering is ouderwets, tegenwoordig is alles doordrenkt van ideologie. Het is een misdaad tegen de menselijkheid om kinderen, ouderen, zieken en een negen maanden oude baby te ontvoeren en vervolgens het Rode Kruis de toegang tot hen te ontzeggen. En het is een misdaad tegen de menselijkheid om in een oorlog geen water naar burgers te brengen. Het gaat er niet om wie we meer haten, het gaat erom hoe we de problemen oplossen. Maar weet je wat een nog grotere misdaad is, en ik schrijf en zeg dit al twintig jaar hardop?’
Nee, wat?
‘De Palestijnen geen land geven waarin ze onafhankelijk kunnen leven. Op dit punt wordt altijd tegengeworpen dat de Palestijnen een eerder aanbod nooit hebben geaccepteerd. Maar wat ook waar is, is dat Israël al meer dan twintig jaar geen vinger uitsteekt om hen dichter bij dit doel te brengen. Netanyahu doet er alles aan om een Palestijnse staat te voorkomen. Aan de andere kant is Hamas een homofobe, vrouwenhatende, terroristische organisatie onder leiding van een man, Jahia Sinwar, die er prat op gaat eigenhandig twaalf mensen te hebben gedood, namelijk Palestijnen die hij verdacht van collaboratie. Ik veracht Netanyahu. Maar als ik naar een nieuwe flat moet verhuizen, heb ik liever hem als buurman dan Sinwar, gewoon omdat ik mijn lijk niet in een vuilnisbak gedeponeerd wil zien. Ik woon liever naast een liegende, bedriegende klootzak dan naast een moordenaar die, zelfs toen er demonstraties waren in Gaza, zijn eigen burgers liet doodschieten.’
Er worden veel onschuldige mensen gedood om Hamas te vernietigen. Vind je het juist dat Israël militaire actie onderneemt?
‘Ik ben geen strateeg. Het is al moeilijk genoeg om achter de feiten te komen. Ik ben een gewone man, een astmapatiënt die zijn hele leven heeft geprobeerd om confrontaties uit de weg te gaan, maar mijn intuïtie zegt mij: wat er op 7 oktober is gebeurd, is ongekend. Dat meer dan twaalfhonderd mensen op één dag zo bruut zijn afgeslacht, levend verbrand, zo veel … gewone burgers… Als zoiets gebeurt, heeft een land plichten: Israël moet de gegijzelden bevrijden. De daders moeten worden berecht. En Iran moet het signaal krijgen dat dit geen lokaal conflict is. Het zijn Iran en de VS die hier vechten, via plaatsvervangers. Het doel van de terroristische aanslag was om de toenadering tussen Israël en de Saoedi’s te dwarsbomen. Want wat heeft het de Palestijnen opgeleverd? Wat had het voor zin om zo’n militaire aanval uit te lokken? Maar als je me nu vraagt of het zin heeft dat er kinderen sterven, dat mensen zonder water komen te zitten, dan zeg ik nee. Hoe ingewikkeld de hele situatie is, blijkt wel uit de aanval op het ziekenhuis, die tegelijk ook een terroristische cel was. Als de ene partij alle oorlogsregels overtreedt, is het erg moeilijk om van de andere partij te verwachten dat die zich aan de regels houdt. En er is nog iets.’
Wat dan?
‘Ik kan me niet herinneren dat ik de wereldpers ooit zo slecht heb zien berichten. Zo bevooroordeeld, ongeacht om welke kant het gaat. Natuurlijk moet je Israël bekritiseren om zijn beleid. Dat doe ik al jaren, daar heb ik in Israël zelfs doodsbedreigingen voor ontvangen. Maar als het hoofd van de VN slechts twee weken na dit onbeschrijfelijke bloedbad zegt: Ja, maar het gebeurde niet in een vacuüm… Het hoofd van de VN, nota bene! Stel je het hypothetische geval voor dat iemand zijn familie afslacht. Zelfs als mensen geloven dat Guterres [het hoofd van de VN] niet echt een aardige vent is, zouden ze op zijn minst de eerste periode van rouw afwachten voordat ze zeggen: Nou, je familie is afgeslacht, maar kijk, jij bent ook niet echt een aardige vent. Tot op de dag van vandaag heeft hij niets gezegd over het feit dat onder de ontvoerden ook overlevenden van de holocaust waren, en kankerpatiënten. De VN heeft ook niets gezegd over het verschrikkelijke geweld tegen vrouwen op 7 oktober. Vrouwen werden systematisch verkracht en met hun naakte lijken werd geparadeerd. Geen enkele vrouwenorganisatie ter wereld heeft dit veroordeeld, niet één.’
‘Als iemand tegen me zegt dat hij pro-Israël of pro-Palestina is, word ik onmiddellijk depressief’
Hoe verklaart u dit?
‘Het past niet in het verhaal waar mensen zich comfortabel bij voelden. Weet je nog toen de Nord Stream-pijpleiding explodeerde? Even was het een groot probleem. Mensen waren koortsachtig aan het puzzelen over wie de daders waren. Het moesten de Russen geweest zijn. Uiteindelijk kwam er steeds meer bewijs dat Oekraïne er waarschijnlijk achter zat. Maar dat wilde men niet geloven. Het was een beetje pijnlijk en het paste niet in het leuke en simpele vriend-vijanddenken. We houden van Oekraïne en Poetin haten we. Ik bedoel, dan moeten we allemaal opeens een andere vlag op Facebook zetten. Nee, we negeren liever alle informatie die onze mening in twijfel trekt, die het totaalplaatje complexer en ingewikkelder maakt, ook al is dat wel de realiteit. Als iemand tegen me zegt dat hij pro-Israël of pro-Palestina is, word ik onmiddellijk depressief. Omdat die persoon eerlijk toegeeft dat niets wat ik zeg zijn of haar mening zal veranderen. En wat betekent dat, pro-Israël? Sorry dat ik zo veel praat.’
Ga alstublieft verder.
‘Betekent pro-Israël zijn ook “pro-kinderen-die-sterven-door-bommen-in-Gaza” zijn? Echt, het vermogen om enige vorm van complexiteit te bevatten is op dit moment angstaanjagend laag. Het is alsof een virus het intellect van de mensheid heeft geïnfecteerd. Wat overheerst, zijn emoties die niemand verder helpen: haat, frustratie, vervreemding. Als ik mijn Palestijnse, mijn Arabische vrienden bel en zeg: Hé, ze zijn gewoon gestoord, we komen er wel doorheen, dan heb ik de illusie dat ik iets doe. Wat doen de activisten van vandaag? Als ze niet “From the river to the sea” roepen, morsen ze tomatensoep op een Van Gogh en beweren ze dat ze tegen klimaatverandering zijn.’
U lacht.
‘Stel je voor dat buitenaardse wezens naar de aarde zouden komen. Als iemand zichzelf aan een boom vastbindt zodat die niet omgehakt kan worden, begrijpt de alien wat er bedoeld wordt. Maar toon me een alien die iemand aardappelpuree ziet smeren op een schilderij van Monet en de conclusie trekt: Ah, iemand vernielt kunst met bewerkt voedsel, duidelijk een protest tegen klimaatverandering! Of laten we de grote activist van onze tijd nemen, Greta Thunberg.’
Gaat uw gang.
‘Ik ben een linkse liberaal die campagne voert voor vrede. Mijn helden zijn Gandhi, Martin Luther King en Rosa Parks. Drie mensen die het moeilijk hadden in het leven en grote offers brachten voor hun overtuigingen. Daartegenover staat Greta Thunberg, en dan bedoel ik haar niet als persoon, maar als symbool: een bevoorrechte jonge vrouw uit een van de rijkste landen ter wereld. Ze heeft asperger, dus ze is niet bepaald gevoelig voor de wereld om haar heen. Mijn broer heeft ook asperger, dus sta me toe deze politiek incorrecte opmerking te maken. Haar asperger zorgt er dus voor dat ze heel direct heel grimmige dingen zegt, gericht aan mensen die haar over het algemeen niet serieus nemen. Oké. Maar meer doet ze niet. Ze zit op haar bank en houdt een stuk karton omhoog. Dat is alles. Ze reist niet naar Gaza, ze zamelt geen geld in voor voedsel, niets. Hashtag Stand with Gaza. Hoewel ze zit, ‘staat’ ze metaforisch voor Gaza, in haar gezellige Scandinavische flat. Het activisme van nu benoemt geen probleem om er vervolgens een oplossing voor te zoeken. Nee, het activisme van nu ziet een probleem en zegt: dit is verkeerd, en het is jouw schuld, jij walgelijk stuk stront. Ik wens je dood. De oude discussieformule – zo zie ik het, hoe zie jij het? – is niet langer van toepassing. Alles neemt onmiddellijk de vorm aan van een inquisitie: dit is hoe ik het zie, en ik vermoord je als je het niet op dezelfde manier ziet. We leven in donkere tijden.’
Wat zou volgens u de best mogelijke uitkomst van deze oorlog zijn?
‘In de afgelopen twintig jaar waren Netanyahu en Hamas de dominante krachten in de regio. In zekere zin vormden ze een coalitie. Netanyahu hielp Hamas met geld en Hamas hielp Netanyahu ook. Bijvoorbeeld om zijn eerste verkiezingen in 1996 te winnen. Shimon Peres lag lange tijd voor in de verkiezingscampagne. Toen begon Hamas zelfmoordaanslagen uit te voeren in Israëlische steden, waarbij mensen werden gedood in Jeruzalem en Tel Aviv. Netanyahu presenteerde zichzelf als Mr. Security – en won. Na de verkiezingen namen de aanvallen af. Beide krachten willen hetzelfde: geen vrede. Ze zijn wederzijds afhankelijk en hebben de hele regio in hun greep. Het enige positieve dat uit de verschrikkelijke ervaring van 7 oktober kan voortkomen, is dat beide partijen zo verstandig zijn om te zeggen: we willen deze twee machten niet langer in ons leven. We willen een nieuwe start.’
Hoe waarschijnlijk is dat?
‘Ik denk niet dat het mogelijk is dat Netanyahu premier blijft na deze oorlog. En Hamas zal er ook anders uitzien. Er is nog zo veel mogelijk. Natuurlijk ook ergere dingen. Misschien zal er een nog diabolischer organisatie opstaan. Het zou kunnen dat de extreemrechtse Israëlische minister Ben-Gvir Gaza opeist om er groenten te gaan verbouwen. Maar ik wil optimistisch zijn. Dan is er tenminste een kans op iets nieuws. En dan zullen alle progressieve linkse mensen in Europa iets anders moeten zien te vinden om zich over op te winden.’
Catalonië voert al jarenlang actie voor het Catalaans
In Catalonië is er een campagne gaande om het exclusieve gebruik van het Catalaans te promoten. De stichting Òmnium Cultural heeft op internet een handleiding gepubliceerd met argumenten die de Catalanen moeten overhalen alleen het Catalaans te gebruiken. De organisatie, die belast is met de bevordering en normalisering van de Catalaanse taal en cultuur, zou op deze manier van iedere Catalaan een taalactivist willen maken die het Spaans zo veel mogelijk links laat liggen en in iedere situatie het Catalaans gebruikt, aldus El Mundo.
De handleiding bevat argumenten zoals ‘Catalaans is de taal van de plaats waar je woont’, ‘het gebruik van het Catalaans bevordert maatschappelijke integratie en participatie’ en ‘het getuigt van aanpassingsvermogen als je de taal spreekt van je woonplaats’. ‘Je wilt immers niet gezien worden als iemand die de taal niet kent of zich niet aan wil passen’, schrijft Òmnium Cultural.
In Catalonië woedt al jarenlang een strijd om het Catalaans een voorrangsstatus te geven
Misschien wel de meest controversiële uitspraak van het document, aldus El Mundo, is dat je niet naar een andere taal hoeft te switchen wanneer de ander het Catalaans niet verstaat. ‘Als ik op een andere taal overga, ontzeg ik de ander de mogelijkheid om de taal [het Catalaans] te leren’, valt te lezen in het document.
Deze actie staat niet op zichzelf. In Catalonië woedt al jarenlang een strijd om het Catalaans een voorrangsstatus te geven ten koste van het Spaans. Vorige week nog bracht El Mundoeen verhaal naar buiten over een vragenlijst die docenten aan sommige Catalaanse onderwijsinstellingen moesten invullen. Ze werden onder andere ondervraagd over de taal die ze het meest gebruikten en waarin ze thuis, met vrienden en op hun mobiel communiceerden. De enquête stuitte op flinke kritiek. Ze werd gezien als een schending van de privacy van de docenten.
Voor het eerst in 25 jaar zit er geen vrouw in het Chinese politbureau. Maar jonge vrouwen komen in opstand. De arrestatie in 2015 van vijf feministisch activisten betekende een keerpunt in de relatie tussen politiek en gender.
De zaak rond Jingyao Liu betekende een keerpunt. Die vond weliswaar plaats in de Verenigde Staten, maar bracht een schok teweeg in China. De studente beschuldigde Richard Liu, een van de tweehonderd rijkste mensen ter wereld, in 2018 van verkrachting. Jingyao studeerde aan de Universiteit van Minnesota en werd uitgenodigd voor een diner waarbij de eigenaar van technologiebedrijf JD.com aanwezig was. Ze beweert dat ze onder druk werd gezet om te drinken en dat de miljardair haar daarna verkrachtte. Het proces zou de hele wereld overgaan, maar de twee partijen kwamen in oktober tot een schikking.
Het is het meest spraakmakende #MeTooInChina-voorval sinds de zaak van Zhou Xiaoxuan – die een Chinese tv-presentator beschuldigde bij wie zij stage liep – in 2021 werd geseponeerd. Maar het ontwaken van het Chinese feminisme – of althans de eerste tekenen daarvan – deed zich al eerder voor.
Haar arrestatie was een van de zeldzame momenten waarop het communistische China hard optrad tegen feministisch activisme
In de avond van 6 maart 2015 was het kil in Beijing. Li Maizi wist nog niet dat ze die nacht klappertandend zou doorbrengen in een kerker. Toen ze bij haar voordeur geklop en geschreeuw hoorde, begreep ze wat er stond te gebeuren, maar ze dacht er niet aan om nog een extra jas aan te trekken. Waarom nu, terwijl ze alleen maar had deel-genomen aan een campagne tegen intimidatie, voorafgaand aan Internationale Vrouwendag? Waarom niet drie jaar eerder, toen ze met twee vriendinnen verkleed als bloedende bruiden door een voetgangersgebied in de stad had gelopen? Het leek erop dat ze nu eindelijk de ophef veroorzaakten die ze hadden gezocht. Li glimlachte tevreden, pakte haar ukelele en begon met haar partner te zingen totdat de politie een slotenmaker had gevonden en de woning binnendrong. Aanvankelijk was Li niet al te bezorgd; ze dacht dat haar opsluiting maar 24 uur zou duren.
Li Maizi behoorde tot de Vijf Feministen, zoals de groep bekend zou worden. Haar arrestatie was een van de zeldzame momenten waarop het communistische China hard optrad tegen feministisch activisme. Het markeert dan ook een keerpunt in de relatie tussen politiek en gender in de geschiedenis van de CCP.
Suzhi, kwaliteitsburgers
In maart 1913 werd onder Yuan Shikai de Chinese feministische beweging voor vrouwenkiesrecht de kop ingedrukt. Het kiesrecht voor vrouwen kwam er pas in 1947 met de grondwet van de Volksrepubliek China, aan de vooravond van de opkomst van Mao Zedong. (De wet zou overigens pas in 1953 van kracht worden.) ‘Vrouwen houden de helft van de hemel omhoog,’ aldus Mao, die, hoewel hij de militante rol van vrouwen tijdens de Culturele Revolutie gelijkstelde aan die van mannen, de eisen van het feminisme als burgerlijk wegzette. Pas in 1980 introduceerde Deng Xiaoping tijdens zijn opendeurpolitiek het concept van de rechtsstaat (yifazhiguo) met een reeks basiswetten inzake gendergelijkheid. In 1995 vond in Beijing de Vierde Wereldvrouwenconferentie plaats en werden de rechten van vrouwen wettelijk vastgelegd als suzhi, kwaliteitsburgers.
Binnen de CCP bestaat de Federatie van Chinese Vrouwen, waarvan de steun-pilaren ooit werden gevormd door stedelijke feministen van de 4 Mei-generatie – een intellectuele revolutionaire beweging uit 1919 die confucianistische waarden wilde vervangen door progressieve waarden, zoals gelijkheid tussen mannen en vrouwen –, guerrillavrouwen op het platteland, intellectuelen en andere vrouwen die waren gevlucht voor een dreigend gearrangeerd huwelijk of een gewelddadige echtgenoot of schoonvader. De Federatie was in 1950 nog een voorvechter van het recht op echtscheiding, maar gleed af naar een omstreden instrument van de regering. Om bijvoorbeeld de geslachtsverhoudingen in de bevolking in evenwicht te brengen – in de leeftijdsgroep onder de dertig waren er 20 miljoen mannen meer dan vrouwen – organiseerde de groep twee omstreden campagnes.
De eerste, in 2003, was gericht op het Chinese platteland en heette Guan Ai Nü’er (‘Zorg voor meisjes’). Vrouwen werden neergezet als ‘liefhebbend en zachtaardig’, waarbij de confucianistische waarden Sancong Side – de ‘Drie Gehoorzaamheden’ dochter, echtgenote en moeder – werden benadrukt. In 2007 voerde de Federatie campagne om ongehuwde zevenentwintigjarige vrouwen aan te sporen te trouwen. Dat deed ze door deze jonge vrouwen weg te zetten als sheng nü, ofwel ‘de overblijfsels’.
In datzelfde jaar was Li Maizi bezig met haar tweede jaar aan de universiteit, en ze wist dat er na haar plan om de lesbische gemeenschap te ondersteunen nog vele zouden volgen.
Wei Tingting
Toen Wei Tingting datzelfde geklop op haar voordeur hoorde, had ze een filmscript in gedachten; bovendien was ze van plan om op 8 maart de metro vol te plakken met anti-intimidatiestickers. Door het succes van haar bewerking van De Vagina Monologen, die ze in 2012 in Wuhan had geproduceerd – het toneelstuk was in China geïntroduceerd door Ai Xiaoming, die voor haar activisme werd bekroond met de Simone de Beauvoir-prijs – wist ze dat ze zich voor de zaak moest blijven inzetten.
Wei was verbaasd dat ze destijds niet al was gearresteerd, vooral omdat genderdeskundige Rong Weiyi had gezegd dat haar stuk een nieuwe richting betekende voor het Chinese feminisme, wat bij de regering de alarmbellen zou kunnen doen rinkelen. Of dat ze die keer in Shanghai geen boete kreeg, toen ze stickers plakte tegen een overheidscampagne die grensoverschrijdend gedrag beoogde te ‘voorkomen’ door vrouwen te vertellen dat ze meer ‘zelfrespect’ moesten hebben bij hun kledingkeuze.
Vroeg of laat zou ze worden opgepakt, dat wist Wei zeker. Xi Jinping, die in 2012 aan de macht was gekomen – in de periode dat feministische activisten aan de universiteiten floreerden – had de als podiumkunst vermomde protesten al bestempeld als ‘lasterlijk’. Op dergelijke acties stond vijf jaar gevangenisstraf (en tien jaar als de acties meer dan een stad op z’n kop zetten). Net als haar collega’s was Wei klaar om het nieuwe Chinese feminisme een impuls te geven. Zelfs toen de overheid ingreep door hun feministische stemmen te onderdrukken op Weibo, het sociale netwerk dat hun levensader was, kon dat hen niet tegenhouden.
Het taboe op seks komt voort uit de confucianistische traditie die discussie over het onderwerp verbiedt
Wei wilde uiteindelijk in haar werk de seksuele vrijheid van vrouwen bepleiten, zoals in het matriarchale systeem van de Mosuo in Yunnan, het zuidwesten van China. De Mosuo hangen het Tibetaanse boeddhisme aan en alleenstaande moeders beoefenen er de vrije liefde. Maar ze moest bij de basis beginnen, en tot dan toe was seksuele voorlichting nog net zo beperkt als die van haarzelf was geweest: op school werden voortplanting en menstruatie besproken tijdens lessen die alleen voor meisjes bestemd waren.
Het taboe op seks komt voort uit de confucianistische traditie die gesprekken over het onderwerp verbiedt: de seksuele daad wordt beschouwd als uitsluitend een echtelijke aangelegenheid – met een ondergeschikte rol voor de vrouw –, die moet uitmonden in een bevalling. Het taoïsme daarentegen, dat bepaalde aspecten deelt met het Tibetaanse boeddhisme, stelt een reeks technieken voor om de seksuele energie te verhogen. Het benadrukt de rol van de vrouwen om in de baarmoeder – waar de energie in uitmondt – het idee van leegte te belichamen, en pleit zo voor ‘terugkeer naar de universele moeder’, legt filosoof Carla Rosso uit.
Wei Tingting, die zich ook Waiting noemt, moest een aantal jaar wachten op onderwijsveranderingen in haar land.
Die volgden in 2019. Omdat slechts 10 procent van de twintigduizend ondervraagde universiteitsstudenten aangaf seksuele voorlichting te hebben gehad (de rest vond die in bibliotheken of via porno, die in China illegaal is), lanceerde de regering het initiatief ‘Gezond China’. Dat bevatte een aantal door de Unesco onderschreven punten, zoals het verbod op discriminatie op grond van geslacht, intimidatie en ongewenste zwangerschap en het recht op veilige abortus en preventie van seksueel overdraagbare aandoeningen. In 2020 werd het initiatief opgenomen als onderdeel van het schoolcurriculum.
Wang Man
Op die koude avond in maart werd er nog een arrestatie verricht. Elders in Beijing woonde Wang Man, de oudste van de groep. Zij werd bekend door een actie waarbij ze samen met Li Maizi mannentoiletten bezette om meer vrouwentoiletten te eisen op de universiteit.
Er bestaan onafhankelijke centra voor vrouwenstudies in China. Het eerste werd in 1987 opgericht aan de Universiteit van Zhengzhou – tot woede van de regering; die had namelijk al in 1949 haar Vrouwenuniversiteit opgericht, die was aangesloten bij de Federatie van Chinese Vrouwen. Dertig jaar geleden vormden vrouwen 20 procent van het totale aantal studenten; nu is dat 60 procent, en dus hebben zij meer ruimte nodig op de campus. Wang nam het op zich om dat artistiek uit te dragen.
Het bezetten van de herentoiletten was een revolutionaire vorm van protest. Eerdere feministen namen de houding aan die het taoïsme wuwei noemt: ‘niet-doen’ of ‘passief zijn’, traditionele en zogenaamd ‘vrouwelijke’ eigenschappen die worden belichaamd in yin. Dat contrasteert met het activisme van de hedendaagse feministen die yang belichamen: het strijdbare, wat een zogenaamd ‘mannelijke’ eigenschap is. Maar in plaats van harmonie in de vereniging van yin en yang brachten deze studentes ongewild Xin Yidai voort: een ‘nieuwe generatie’.
Wu Rongrong
Ver weg van de Chinese hoofdstad, op 1300 kilometer afstand, verrichtte de politie nog een arrestatie: in de stad Hangzhou, beroemd om zijn Westelijke Meer, die dichters inspireerde en door Marco Polo werd geprezen als ‘de mooiste stad ter wereld’. Politieagenten stonden te schreeuwen buiten het huis van Wu Rongrong. De feministe had haar baan bij Alibaba opgezegd om vrijwilligerswerk te gaan doen bij een organisatie voor jonge vrouwen. Ze verwierf bekendheid met haar performance waarmee ze opkwam voor een vrouw die uit zelfverdediging een ambtenaar had gedood die haar had aangerand. Wu richtte ook het Weizhiming Vrouwencentrum op, dat opkomt voor de rechten van jonge vrouwen. Ze was de enige in de groep die getrouwd was en een kind had.
Wu en haar metgezellen behoorden tot de eenkindgeneratie. De eenkindpolitiek, opgelegd door de Communistische Partij, was van kracht tussen 1979 en 2015 en leidde tot een onevenwichtige verdeling van mannen en vrouwen. Amnesty International had scherpe kritiek op deze en andere wetten voor gezinsplanning, omdat die een schending betekenden van seksuele en reproductieve rechten. In die periode vonden naar schatting 30 miljoen abortussen en kindermoorden op meisjes plaats en werden 200 miljoen geboortes voorkomen. Daarbij zijn niet eens de baby’s meegeteld die in de steek werden gelaten of ter adoptie werden afgestaan. De prijs voor het overtreden van de wet was torenhoog, zowel economisch als moreel: gezinnen die uit elkaar vielen, spiraaltjes die zonder voorafgaande toestemming na de eerste geboorte werden geplaatst, en soms zelfs sterilisaties.
Steeds meer vrouwen kiezen ervoor om alleenstaand te zijn of geen moeder te worden, en komen daar ook publiekelijk voor uit
De eenkindpolitiek werd in 2015 afgeschaft – hetzelfde jaar ook waarin de arrestaties plaatsvonden. De bedoeling was om een tweede kind per koppel mogelijk te maken en zo het geboortecijfer te verhogen. Maar dat werkte niet, en toen China in 2021 het laagste geboortepercentage noteerde, stond de regering drie kinderen per gezin toe. Dat het op die twee momenten niet tot een demografische boom kwam, komt voornamelijk doordat de kosten die met de opvoeding gepaard gingen het lastig maakten om te concurreren op de arbeidsmarkt, maar ook door de opkomst van het feminisme. Steeds meer vrouwen kiezen ervoor om alleenstaand te zijn of geen moeder te worden, en komen daar ook publiekelijk voor uit. Dit jaar bood de CCP een financiële stimulans en bescherming voor moeders, op voorwaarde dat ze getrouwd zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat een ongehuwde vrouw juridisch machteloos is als zij wordt ontslagen omdat ze zwanger is.
Wu Rongrong vreesde dat ze door haar gevangenschap lang gescheiden zou zijn van haar jonge kind. Het is iets wat in de Chinese taal ligt besloten: het Chinese karakter 好 (hao) betekent ‘goed’ of ‘best’, en verenigt twee karakters in zich, namelijk een vrouw (女, nü), en haar kind (子, zi).
Zheng Churan
In Zuid-China was het die nacht van 6 maart 2015 veel warmer. In de stad Guangzhou bevond zich de laatste uit de groep jonge vrouwen die bekend zou worden als de Vijf Feministen: Zheng Churan. Zij woonde nog bij haar ouders toen ze haar kwamen halen. Tijdens de verhoren namen ze haar bril af en lieten haar in het donker achter. Ze bedreigden haar met repercussies voor haar ouders. Zheng leed aan stress, slapeloosheid en haaruitval. Toen het allemaal voorbij was, trok ze zich terug uit het activisme. Ook voelde ze zich extra bezwaard: ze vond dat ze schuld had aan de zevenendertig dagen opsluiting van haar metgezellen, omdat zij het was geweest die het plan had bedacht.
Maar zij was het ook die zorgde voor de hergroepering van een nieuwe generatie Chinese feministen.
De nieuwe generatie feministen noemde zichzelf nüquan zhuyizhe. Dit neologisme betekent letterlijk ‘vrouwen voor recht/vrouwenmacht’. Het karakter quan (权) betekent zowel ‘recht’ als ‘macht’; het dook vanaf 1900 op in Chinese vertalingen van buitenlandse – en vooral Japanse – feministische teksten. De term die daarvóór werd gebruikt was nüxing zhuyi, ‘leer van de vrouwelijk sekse’ – xing (性) betekent ‘natuurlijkheid’ of ‘seksualiteit’. Om verwarring te voorkomen gaf de Federatie van Chinese Vrouwen de voorkeur aan het gebruik van funü quanli – ‘vrouwenrechten’. Funü is in het confucianisme het begrip voor ‘vrouw’.
In de nacht dat de Vijf Feministen werden gearresteerd, gooide de politie ook andere vrouwen in de cel die bij soortgelijke initiatieven betrokken waren geweest. Maar die werden na 24 uur weer vrijgelaten, in tegenstelling tot het vijftal, dat ruim een maand vastzat. Elke ochtend herhaalde Li Maizi de mantra ‘volharding, moed, uithoudingsvermogen’ om het hoofd te kunnen bieden aan de ondervragingen door ambtenaren, die haar vernederden en haar – en de anderen – ervan beschuldigden spion te zijn. Op 13 april werden de Vijf Feministen vrijgelaten en zagen ze iets wat ze zich nooit hadden kunnen voorstellen.
Internationaal was de hashtag #FreeTheFive viraal gegaan op sociale media. Journaliste en feministe Leta Hong Fincher besloot de verhalen van deze meiden die ‘blij waren Big Brother te verraden’ te bundelen in haar boek Betraying Big Brother: the Feminist Awakening in China. Feministisch activiste Xiao Meili, die eerder met de groep had samengewerkt, gaf in 2018 de aanzet tot de campagne #MeTooInChina. Met meer dan 3 miljoen views op Weibo was het zeven dagen lang de meest-bezochte pagina, voordat deze werd verwijderd. Dat gebeurde ook met het account van Nüquan Zhi Sheng (‘Feministische Stemmen’), de meest invloedrijke organisatie. In 2020 werden tien feministische fora op het sociale netwerk Douban gesloten en werd het verboden de van oorsprong Zuid-Koreaanse feministische beweging 6B4T bij naam te noemen. Die beweging bepleit dat vrouwen niet zouden moeten trouwen of kinderen moeten krijgen.
Er is nu een nieuwe feministische generatie die nog steeds wordt vervolgd. De pandemie en het restrictieve beleid van Xi Jinping zijn weinig meer dan een excuus om de greep op vrouwen te versterken. Maar het ontwaken van het feminisme in China is niet meer te stoppen.
Zogeheten groene knelpunten, zoals snelle prijsstijgingen en grondstoftekorten, zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk in de praktijk wordt gebracht. Ze kunnen alleen worden overkomen als overheden zich ‘activistisch’ opstellen, zonder er een tweede nationale agenda op na te houden.
Terwijl de wereldeconomie aantrekt, hebben tekorten en snelle prijsstijgingen een alomvattende invloed: van de levering van Taiwanese chips tot de kosten van een Frans ontbijtje. Eén knelpunt verdient echter speciale aandacht: problemen aan de aanbodzijde, zoals schaarste aan metalen en beperkende regels voor grondgebruik die de hausse op het gebied van groene energie dreigen te vertragen.
Deze knelpunten zijn geenszins tijdelijk. Ze zouden de komende jaren een terugkerend probleem kunnen vormen in de wereldeconomie, doordat de overgang naar een schoner energiestelsel nog in de kinderschoenen staat. Aan overheden de taak om op deze signalen van de markt te reageren en de komende tien jaar een forse investeringsstijging in de particuliere sector mogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan blijft capaciteitsvergroting uit en kunnen beloften van ‘nulemissies’ waarschijnlijk niet worden nagekomen.
Gekanteld
Wetenschappers en activisten maken zich al tientallen jaren zorgen over klimaatverandering. Sinds kort lijkt de boodschap bij politici te zijn aangekomen: landen die goed zijn voor meer dan 70 procent van het mondiale bbp én verantwoordelijk voor een even hoog percentage aan uitstoot van broeikasgassen, hebben nu doelstellingen voor nulemissies geformuleerd. De meeste moeten rond 2050 zijn gerealiseerd.
De houding van het bedrijfsleven is daarmee gekanteld. Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, aangespoord door de nieuwe realiteit dat schone technologieën goedkoper zijn. De reuzen van het fossiele-brandstoftijdperk, zoals Volkswagen en Exxonmobil, moeten hun investeringsplannen aanpassen, terwijl de pioniers op het gebied van schone energie hun kapitaaluitgaven snel opdrijven. Orsted, leider op het gebied van windmolenparken, voorziet dit jaar een stijging van 30 procent; Tesla, fabrikant van elektrische auto’s, maakt een sprong van 62 procent. Ondertussen stroomde in het eerste kwartaal van 2021 niet minder dan 178 miljard dollar naar inmiddels groene investeringsfondsen.
Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, ook omdat schone technologieën goedkoper zijn
Deze plotselinge verschuiving veroorzaakt de nodige spanningen, aangezien de vraag naar grondstoffen stijgt en er om de weinige wettelijk goedgekeurde projecten wordt gestreden. Uit berekeningen blijkt dat een samenstel van vijf mineralen voor gebruik in elektrische auto’s en elektriciteitsnetten het afgelopen jaar met 139 procent in prijs is gestegen. Houtmaffia’s stropen de Ecuadoraanse bossen af, op zoek naar balsahout voor verwerking in windturbinebladen. In februari bracht een Britse veiling van zeebodemrechten voor offshore windparken 12 miljard dollar op, omdat energiebedrijven gespitst zijn op exposure, ongeacht de kosten.
Ook tekenen zich financieringstekorten af: terwijl een handvol bedrijven op het gebied van hernieuwbare energie onder geld wordt bedolven, beginnen de waardebepalingen behoorlijk te zwabberen. Hoewel de hernieuwbare energiesector, getuige de indexcijfers van de consumptieprijzen, nog steeds weinig gewicht in de schaal legt, vrezen sommige financiers dat tekorten aan de aanbodzijde op den duur tot hogere inflatie kunnen leiden.
Tien keer zo hoog
Opvallend aan deze tekenen van overbelasting is dat er nu al sprake van is, terwijl de energietransitie nog voor geen 10 procent is voltooid (gemeten naar het aandeel reeds gepleegde cumulatieve energie-investeringen dat in 2050 nodig is). Weliswaar zijn sommige noodzakelijke technologieën nog nauwelijks gerealiseerd, zodat er niet in kan worden geïnvesteerd. Ook daarom zijn onderzoek en ontwikkeling bittere noodzaak. En op andere gebieden is het hersenwerk grotendeels gedaan, zodat dit decennium spijkers met koppen moet worden geslagen en veel kapitaal uitgegeven, waardoor gevestigde technologieën een hoge vlucht kunnen nemen.
Cijfermatig blijkt hoe ontzaglijk de opgave de komende tien jaar is. Om op koers te blijven voor een netto uitstoot van nul, moet in 2030 de jaarlijkse productie van elektrische voertuigen tien keer zo hoog zijn als vorig jaar en moeten er eenendertig keer meer laadstations langs de weg staan dan nu het geval is. Duurzame energieopwekking moet verdrievoudigen en internationale mijnbouwbedrijven dienen de jaarlijkse productie van essentiële mineralen met 500 procent te verhogen. En misschien zal het nodig zijn om twee procent van het Amerikaanse grondgebied met turbines en zonnepanelen te bedekken.
Energiebedrijven zijn gespitst op exposure, ongeacht de kosten
Dit alles vergt het komende decennium zo’n 35 biljoen dollar, ofwel een derde van de activa waarover de vermogensbeheersector op dit moment wereldwijd beschikt. Het beste systeem om dit te realiseren is via het netwerk van grensoverschrijdende toeleveringsketens en kapitaalmarkten dat sinds de jaren negentig een wereldwijde revolutie teweeg heeft gebracht. Maar zelfs dit systeem schiet tekort. De energie-investeringen liggen op ongeveer de helft van het vereiste niveau, en vertonen een scheefgroei: ze komen grotendeels voor rekening van een aantal rijke landen en China. Ondanks de stijgende metaalprijzen, bijvoorbeeld, zijn mijnbouwbedrijven huiverig voor een verruiming van het aanbod.
De voornaamste reden voor het investeringstekort is dat het te lang duurt om projecten goedgekeurd te krijgen, en dat het verwachte risico en rendement ondoorzichtig zijn. Overheden maken het er niet beter op door klimaatbeleid te gebruiken als vehikel voor andere politieke doeleinden. De Europese Unie streeft naar strategische autonomie op het gebied van batterijen, en met haar groene agenda sluist ze een deel van haar begroting naar achtergestelde gebieden. China overweegt binnenlandse prijsplafonds voor grondstoffen in zijn volgende vijfjarenplan op te nemen. Evenzo geeft het klimaatplan in wording van president Joe Biden prioriteit aan vakbondsbanen en lokale industrieën. Deze mix van vage doelen en protectionisme ‘light’ belemmert noodzakelijke investeringen.
Snelheid van handelen
Overheden moeten meer standvastigheid aan de dag leggen. Er is een cruciale rol weggelegd voor een activistische staat die helpt om essentiële infrastructuur zoals transmissielijnen te realiseren, en om onderzoek en ontwikkeling te stimuleren. Het aanjagen van particuliere investeringen heeft echter de allerhoogste prioriteit.
Dat moet op twee manieren gebeuren. In de eerste plaats door de regels voor planning te versoepelen. Wereldwijd kost het gemiddeld zestien jaar om een mijnbouwproject goedgekeurd te krijgen; bij een doorsnee windenergieproject in de VS zijn leaseovereenkomsten en vergunningen na ruim tien jaar rond – een van de redenen dat de offshorewindcapaciteit er nog geen honderdste van de Europese bedraagt. Snelheid van handelen vereist gecentraliseerde besluitvorming, waarbij lokale natuurbeschermers en bewakers van de eigen achtertuin het nakijken zullen hebben.
In de tweede plaats kunnen overheden bedrijven en investeerders helpen om risico’s te beheersen. Bijvoorbeeld door bepaalde zekerheden te bieden, zoals gegarandeerde minimumprijzen voor elektriciteitsopwekking. Westerse regeringen hebben ook de plicht om goedkope financiering te verlenen waarmee ze investeringen in armere landen stimuleren.
Het allerbelangrijkste is echter dat er koolstofprijzen worden ingevoerd die marktsignalen verankeren in miljoenen dagelijkse zakelijke beslissingen, en dat ondernemers en investeerders een breder perspectief op de lange termijn krijgen. Vandaag de dag wordt slechts 22 procent van de uitstoot van broeikasgassen in de wereld gedekt door tariefregelingen, en die zijn niet geharmoniseerd. Groene knelpunten zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk van theorie naar praktijk verschuift. Een krachtige stoot voorwaarts is nu nodig om de revolutie werkelijk tot stand te brengen.
Bijna iedereen is het erover eens: ons voedselsysteem moet op de schop. Maar hoe zorgen we ervoor dat we én gezonder eten, én beter omgaan met de planeet, én betere arbeidsomstandigheden creëren in de voedselindustrie? Deze activisten doen een poging.
Een altaar is een heilige plek, maar je kunt er overal een inrichten, met wat je maar wil of toevallig voorhanden is. Zo kwam vorig jaar op 5 december een groepje mensen bijeen op een plein in het centrum van Springdale in Arkansas om daar op de betonnen treden van een trap een wake te houden met chrysanten en kaarsen van Onze Lieve Vrouw van Guadalupe, en handgeschreven witte kaarten met de namen van werknemers in pluimveeslachterijen die waren overleden aan corona. Onder elke naam stond ‘¡Presente!’ (Aanwezig!), wat zowel op de doden als de levenden kan slaan: in Latijns-Amerika wordt ermee gewezen op de aanwezigheid van de doden, met name slachtoffers van onderdrukking. Er lagen witte veiligheidshelmen bij, en aan de leuning hingen blauwe schorten: onderdelen van het bedrijfstenue dat deze werknemers droegen toen de coronapandemie al volop woedde en zij nog steeds schouder aan schouder 175 kippen of kalkoenen per minuut stonden te slachten – in deze stad die leeft van de pluimveeslachterijen en door Arkansas dan ook is uitgeroepen tot pluimveehoofdstad van de wereld.
De arbeidersorganisatie Venceremos (Wij Zullen Zegevieren), die deze wake organiseerde, had maandenlang geijverd voor beschermingsmiddelen en gespreide diensten om het risico op coronabesmetting te verkleinen. (Volgens de Centers for Disease Control and Prevention waren eind mei in het hele land al meer dan 16.000 werknemers in de vleesverwerkende industrie besmet geraakt.) ‘Je zat in de orkaan en probeerde te overleven,’ zegt de voorzitter van Venceremos, de van oorsprong Mexicaanse Magaly Licolli (38). ‘En ineens begin je de doden te tellen.’ De mensen die ze daar herdachten, waren gestorven doordat ze werkzaam waren in de ‘vitale beroepen’, zoals de overheid dat nu noemt. Vitaal en dus waardevol, zou je denken, maar in plaats van waardering en een hogere beloning, bracht die kwalificering slechts dwang met zich mee.
Toch heeft de term ‘vitale beroepen’, met die ondertoon van heroïek, sommige Amerikanen voor het eerst de ogen geopend voor de lang genegeerde levens van de boeren, de werknemers in slachterijen en de vakkenvullers zonder wie wij geen eten op tafel zouden krijgen. ‘Corona heeft een breder publiek erop attent gemaakt dat we een voedselsysteem hébben,’ zegt Navina Khanna (40), de directeur van de HEAL Food Alliance, die in Oakland woont. (HEAL staat voor Health, Environment, Agriculture and Labor.)
Dat komt mede doordat het bedrijfsleven in de begindagen van de coronacrisis inspeelde op de angst voor lege schappen en waarschuwde dat een lockdown de voedselvoorziening in gevaar zou brengen. (In de brute optelsom van de kapitalistische productie zijn arbeiders minder waard dan de kippen die ze slachten.) Tyson Foods in Springdale, de grootste vleesverwerker van de VS (met in 2020 een omzet van 43,2 miljard dollar, 800 miljoen meer dan in het coronavrije jaar ervoor) plaatste in april een paginagrote advertentie in de grote kranten. ‘Het is onze verantwoordelijkheid om het land van voedsel te voorzien,’ schreef bestuursvoorzitter John Tyson daarin. ‘Dat is van even vitaal belang als medische zorg.’
Gericht op winst
Op zichzelf was dat voor zo’n industriegigant een radicale omslag. Sociale hervormers wijzen al jaren op de gevaren van een voedselsysteem dat louter gericht is op winst. Als je voedsel alleen maar ziet als handelswaar en niet als basisbehoefte, accepteer je in feite dat er altijd mensen zullen zijn die er geen geld voor hebben en dus honger moeten lijden. Volgens Feeding America, een landelijk netwerk van voedselbanken dat opereert vanuit Chicago, waren er het afgelopen jaar zo’n vijftig miljoen burgers, ofwel één op de zes Amerikanen, die gebrek aan voedsel hadden. Kijk maar naar de met 60 procent gestegen afname van producten bij voedselbanken in het hele land, waar soms kilometerslange rijen staan, en de scherpe stijging in het aantal winkeldiefstallen van zulke basisbenodigdheden als brood.
Maar ook vóór de pandemie waren er al 35 miljoen mensen die niet genoeg eten konden kopen, en toen waren er maar weinig bedrijven die vonden dat ze het volk moesten voeden. En het was ook niet vanwege lege supermarkten dat mensen in 2020 bij de voedselbank aanklopten. Toen de president in april gelastte dat de vleesverwerkende industrie moest blijven draaien, zogenaamd om ‘de Amerikaanse burger van voldoende eiwit te blijven voorzien’, bleek de productie zo hoog dat de grote bedrijven voor honderdduizenden tonnen (en miljarden dollars) aan vlees naar het buitenland konden exporteren.
Het is geen toeval dat naarmate Amerikaanse consumenten steeds verder vervreemd zijn geraakt van de herkomst van hun voedsel en de grotendeels onzichtbare arbeid die nodig is voor de productie ervan, datzelfde voedsel ook is uitgegroeid tot een soort nationale obsessie, zoals die tot uiting komt in alle kookprogramma’s op tv, de verafgoding van topkoks en #foodporn op Instagram. Het is makkelijk om dit af te doen als het hedonisme van een beschaving in zijn nadagen, waarvan de decadentie des te meer opvalt doordat de lockdowns een kloof hebben geschapen tussen mensen die zich niet kunnen afzonderen omdat ze tomaten moeten plukken of vakken vullen, en zij die zich de luxe kunnen veroorloven om thuis te blijven en al hun boodschappen te laten bezorgen.
De obsessie met eten is een teken van een verlangen om weer in contact te komen met onze oorsprong
Maar die obsessie met eten is ook een teken van angst en van een verlangen – al is het nog zo confuus – om weer in contact te komen met onze oorsprong. Dat biedt kansen aan voorvechters van verandering in de wereld van de voedselproductie, zoals Licolli en Khanna: zij kunnen zich richten tot een publiek dat nu ook (zij het aan de late kant) oog begint te krijgen voor de grote problemen van onze tijd: de kloof tussen arm en rijk, raciale ongelijkheid en de afbraak van het milieu. Problemen die ons al vóór corona parten speelden en waar we zonder systeemverandering ook nog wel mee zullen kampen als de pandemie alweer verleden tijd is.
De gebreken van ons moderne voedselsysteem dateren al van de eerste suikerplantages op het Portugese eiland Madeira in de vijftiende eeuw, en de eerste mondiale ondernemingen die voortkwamen uit de zeventiende-eeuwse specerijenhandel. Europeanen konden zich toen verrijken dankzij de inzet van goedkope en vaak gedwongen arbeid uit andere landen: een bedrijfsmodel dat voor velen te winstgevend was om te weerstaan, ondanks de humanitaire tol die het eiste.
Aan het eind van de achttiende eeuw hekelden Britse tegenstanders van de slavernij het leed dat in elk kopje thee en elk lepeltje suiker school, geproduceerd als die waren door Afrikaanse slaven in wat toen West-Indië heette. De boekhandelaar William Fox publiceerde in 1791 het pamflet ‘Een Pleidooi aan het Volk van Groot-Brittannië, over waarom het van Fatsoen getuigt om geen Suiker en Rum uit West-Indië te nuttigen’, waarvan aan weerszijden van de Atlantische Oceaan meer dan honderdduizend exemplaren in omloop waren: het was het meestverkochte pamflet van zijn tijd. ‘Met elk pond suiker consumeren wij in feite ook één ons mensenvlees,’ schreef Fox.
Fair Trade
De Engelse quaker Sophia Sturge ging in Birmingham van deur tot deur om mensen over te halen suiker uit West-Indië te boycotten, en sommige winkeliers gingen er prat op geen uit slavernij voortkomende producten te verkopen. Dat groeide uit tot een heuse beweging onder de noemer ‘Free Produce’, ‘slaafvrije producten’, die ook in Amerika voet aan de grond kreeg. Veel quakers hadden daar suikerriet al in de ban gedaan ten faveure van ahornsiroop en wilden geen katoen dat afkomstig was van de plantages in de Zuidelijke staten. (Het hedendaagse equivalent van Free Produce is het in de jaren tachtig ingevoerde Fair Trade-keurmerk, gestoeld op de gedachte dat het ethisch is om zo veel voor een product te betalen dat kleine boeren en producenten er iets aan kunnen verdienen – al blijft er discussie over de vraag wie daarop moet toezien en wie er werkelijk beter van wordt.)
Tegenwoordig zijn alle onderdelen van de voedselvoorzieningsketen mikpunt van activisme: hoe voedsel wordt geproduceerd (milieuvervuilende landbouwpraktijken, onveilige arbeidsomstandigheden, de uitbuiting van illegalen en dwangarbeid van gedetineerden, dierenmishandeling), wie het kan produceren en hoe het wordt verkocht (raciale ongelijkheid bij het krijgen van leningen en investeringen, het schaalvoordeel van grote bedrijven, de verdringing van minderheidsculturen of de verspreiding van valse stereotypen daarover) en bij wie het belandt (armoede en honger, buurten waar geen vers en gezond voedsel te krijgen is, moralistische praatjes over de besteding van voedselbonnen).
Sommige van die problemen worden wel opgepakt door topkoks, die in onze obsessieve eetcultuur enig respect afdwingen, maar hun pleidooi is vaak eerder juichend dan kritisch van aard (zoals in hun aansporing om vooral te eten wat het seizoen te bieden heeft en wat vers van de boer komt) en resulteert doorgaans niet in aanbevelingen voor nieuw beleid. Al zou dit onder invloed van de pandemie kunnen veranderen: de uit Spanje afkomstige José Andrés, die restaurants bezit in Las Vegas, Miami en Washington en die in het verleden voedselhulp heeft georganiseerd voor miljoenen slachtoffers van orkanen en ziekte, haalde onlangs uit naar de Amerikaanse overheid omdat het zou ontbreken aan de ‘politieke wil’ om een eind te maken aan de honger.
‘En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’
Maar ook buiten de schijnwerpers wordt veel belangrijk werk verricht met buurtactivisme, zoals de moestuinen die Karen Washington (66) aanlegt in de Bronx. Ze begon in 1988 met één braakliggend, met vuilnis bezaaid perceel tegenover haar huis. Ze had geen grootse plannen, ze was al blij dat ze dat onooglijke lapje grond wist om te toveren tot de oase die ze de Garden of Happiness noemde, en dat ze haar buren op verse groente kon trakteren. Maar al snel sloeg ze de handen ineen met andere stadstuiniers om zich te verweren tegen de pogingen van de gemeente om hun tuintjes weg te halen en gebouwen neer te zetten op deze voorheen verwaarloosde stukjes grond, die inmiddels groeiden en bloeiden. (Natuurbeschermingsorganisaties schoten uiteindelijk te hulp door een aantal van die percelen op te kopen.) Ze heeft mettertijd al veel tuinen helpen opzetten en beleidsvoorstellen voor ambtenaren geschreven, maar de kern van haar werk is nog steeds wat ze in en voor haar eigen buurt doet. Tijdens de pandemie ging ze de huizen af om te kijken of ouderen wel genoeg te eten hadden, en een groot deel van de oogst uit haar moestuin gaat naar voedselbanken en gaarkeukens. ‘Als we koken, maken we altijd wat extra,’ zegt ze.
Maar ze weet ook dat dit alleen maar een lapmiddel is. ‘We zijn al zo lang afhankelijk van de bedeling,’ zegt ze. ‘Er wordt voedsel uitgedeeld en we gaan in de rij staan. En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’
Voedselactivisme bestrijkt zo veel terreinen dat het een versnipperd geheel is, een bonte lappendeken van uiteenlopende achterbannen, van geïmmigreerde bessenplukkers in de staat Washington die in de zomer stikken in de rook van de bosbranden, tot zwarte stadsboeren in Atlanta die kampen met de erfenis van racistische grondonteigening en New Yorkse ondernemers met kraampjes voor taco’s of halal hapjes die aan het begin van de pandemie hun omzet met 80 procent zagen dalen, maar niet voor overheidssteun in aanmerking kwamen omdat ze in de marges van de officiële economie werken, met veel contante betalingen en een minimum aan papierwerk. Na jarenlang soms wel veertien uur per dag te hebben gewerkt, zaten veel van deze ondernemers ineens aan de grond en waren ze aangewezen op de voedselbank. Carina Kaufman-Gutierrez (30), adjunct-directeur van het Street Vendor Project van het Urban Justice Center in Manhattan, dat met een team van zes medewerkers opkomt voor de belangen van zo’n twintigduizend straatverkopers, vindt het beschamend ‘dat de mensen die nu in de rij staan om eten te krijgen, de mensen zijn die al hun leven lang anderen van voedsel voorzien’.
‘We hadden al die tijd ook kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld’
Maar al sinds de jaren tachtig bestookt de voedselbeweging het grote publiek niet zozeer met oproepen om in opstand te komen, als wel met het vagelijk jubelende mantra om gezonder te eten door inkopen te doen op de boerenmarkt en biologisch en onbewerkt voedsel te kopen dat niet in massa geproduceerd is. En dat is ook wel goed voor het milieu en voor kleinere bedrijven, maar het lijkt soms alsof dat alleen maar mooi meegenomen is en het per saldo vooral gaat om het individueel welzijn. Alsof je mensen alleen zover kunt krijgen dat ze in het belang van arbeiders of de planeet ‘met hun vork stemmen’ door een beroep te doen op hun eigenbelang. De neiging om het gedrag van individuele consumenten te beïnvloeden in de hoop zo tot geleidelijke verandering te komen, staat in feite op gespannen voet met de noodzaak van directe politieke actie. ‘Dat geloof dat je de boel via de individuele keuzes van mensen kunt veranderen, is een manier om de markt zelf niet ter discussie te stellen,’ zegt de agro-ecoloog Eric Holt-Giménez (67), voormalig directeur van de in Oakland gevestigde denktank Food First. ‘We hebben de neiging vooral te kijken naar de romantische kant, de kleine boer die biologische groenten verbouwt, terwijl we al die tijd ook hadden kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld.’
De moeilijkste opgave voor elke activist is misschien wel hoe je mensen tot inzicht kunt brengen. De uit Nigeria afkomstige schrijver en kok Tunde Wey (37) uit New Orleans heeft daar zijn missie van gemaakt. Hij verbindt zich niet aan een restaurant, maar vergast de wereld op bijzondere pop-ups: bijvoorbeeld een kraampje waar witte klanten dertig dollar betalen voor een gerecht dat zwarte klanten maar twaalf dollar kost, als een afspiegeling van het gemiddelde inkomensverschil tussen zwarte en witte inwoners van New Orleans. Of een diner in een kerk waar het menu in het teken staat van de gentrificatie en je voor een halve kip 50.000 dollar betaalt – wederom als je wit bent, want zwarte gasten eten er gratis. Het is niet alleen maar provocatie en ook geen surrealistische grap, het zijn eerder gedachte-experimenten over de reële gevolgen van ongelijkheid. Zijn projecten ‘blijven achter bij de omvang van het probleem, dat kan niet anders’, zegt Wey. Hij wantrouwt mensen die zijn werk klakkeloos omarmen, want hij weet ‘hoe moeilijk het is om te veranderen’. Het echte werk ‘moet vanbinnen gebeuren’, zegt hij. ‘Ook bij mijzelf.’
Land- en tuinbouw-cao
‘Het vraagt meer van je om voor anderen te zorgen,’ zegt de directeur van Community to Community Development in de westelijke staat Washington, Rosalinda Guillén (69). Als dochter van een geïmmigreerde landarbeider werkte ze als kind in de jaren zestig zelf ook in de aardbeienpluk. Dertig jaar later probeerde ze een vakbond op te zetten onder de werknemers van Chateau Ste. Michelle, de grootste wijnmaker in de staat. Ze organiseerde demonstraties, liet van zich horen op aandeelhoudersvergaderingen (speciaal met dat doel hadden de activisten aandelen in het bedrijf gekocht), en wat misschien nog wel het belangrijkste was: ze trok de aandacht van de buitenwereld. De countryzanger Willie Nelson zegde uit solidariteit een voorgenomen concert bij het wijnhuis af, dokwerkers in Europa weigerden de wijn uit te laden en stewardessen wilden die niet meer aan passagiers serveren. Guillén heeft jarenlang bij het bedrijf actie moeten voeren, ze werd bedreigd door beveiligers, haar banden werden lek gestoken en er werd suiker in haar tank gegooid. Maar uiteindelijk kregen de arbeiders hun cao, de eerste voor land- en tuinbouwwerknemers in de staat Washington.
Raj Patel, een 48-jarige docent op het gebied van voedselsystemen aan de Universiteit van Texas in Austin, wijst erop dat internationale activisten de afgelopen decennia een bredere kijk hebben omarmd op wat ze voedselsoevereiniteit noemen. Dat begrip is gemunt door La Via Campesina, een internationale organisatie van boeren en landarbeiders die ontstaan is tijdens een conferentie in België in 1993. Voedselsoevereiniteit omvat meer dan alleen een betrouwbare voedselvoorziening voor iedereen en gaat ook over het erkennen van het belang van de culturele context, rentmeesterschap en het grondrecht op zelfbeschikking. ‘Eet je een biologische banaan omdat je vindt dat je lichaam een tempel is, of omdat landarbeiders degenen zijn die het meest onder pesticiden te lijden hebben?’ vraagt Patel.
(Er is ook een akelige historische link tussen de beweging voor biologisch eten en blank etnisch nationalisme: beide putten uit een vergelijkbaar jargon van zuiverheid en wazige en geïdealiseerde denkbeelden over een bloedband met de aarde die niet mag worden bezoedeld met industriële bestrijdingsmiddelen of ‘Fremdstoffe’ – zoals de naziwetenschapper Werner Kollath het noemde, die in de Tweede Wereldoorlog niet alleen voorstander was van de slogan Lasst unsere Nahrung so natürlich wie möglich (‘laat onze voeding zo natuurlijk mogelijk zijn’), maar ook van gedwongen sterilisatie en eugenetica. Een van de extreemrechtse opstandelingen die begin januari na de rellen bij het Capitool in Washington werden opgepakt, schijnt in de gevangenis biologisch voedsel te hebben geëist omdat hij vreesde anders ziek te worden.)
Armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen
Tijdens de Amerikaanse Gilded Age, de economische bloeitijd na de Burgeroorlog, leidde de snelle industrialisatie en de ophoping van rijkdom in de handen van een kleine groep tot de opkomst van een nieuwe arbeidersklasse in de VS. Die arbeiders waren veelal verse immigranten die onder aan de pikorde stonden en daarom geen kans maakten op goedbetaald werk. Zij zagen zich dus genoodzaakt de allerlaagste baantjes te accepteren, hoe vies en gevaarlijk de werkomstandigheden ook waren. Toen Upton Sinclair in zijn baanbrekende roman The Jungle (1906) het werk in slachthuizen en vleesverwerkingsfabrieken beschreef, was dat een sensatie – zij het om de verkeerde redenen, zo besefte hij al snel: de lezers gruwden eerder van de gedachte dat ze besmet vlees op hun bord konden krijgen dan van het harde arbeidersbestaan. ‘Ik mikte op het hart van het publiek, en raakte het bij toeval in de maag,’ schreef hij daar later over.
Maar misschien dat de groeiende onzekerheid op de banenmarkt in alle sectoren, voor zowel arbeiders als kantoorpersoneel, en de miljoenen mensen die ten gevolge van corona nu zonder werk zitten, dit debat toch weer leven kunnen inblazen. ‘De gedachte dat men zich een uitweg uit de problemen kan kopen zit diep verankerd in het individualistische, kapitalistische denken,’ zegt Khanna, ‘in tegenstelling tot het besef dat we allemaal genaaid worden.’
Critici van links tot rechts beschuldigen de voedselbeweging wel van elitarisme. Het vergt een zekere mate van betrekkelijke maatschappelijke voorsprong en welvaart om te kunnen eten op een manier die doorgaans als gezond wordt beschouwd. Etiketten zoals ‘biologisch’ dreigen daardoor alleen maar symbolen van status en deugdzaamheid te worden, terwijl mensen die op voedselbonnen zijn aangewezen geregeld wordt verweten dat ze met overheidsgeld ‘verkeerd’ voedsel kopen. De in voedsel gespecialiseerde schrijver en universitair docent S. Margot Finn uit Michigan stelde in 2019 in een artikel dat onder invloed van overwegend rijke en witte activisten de prioriteiten van de voedselbeweging te veel zijn doorgeslagen naar buurtmoestuinen, stadsboeren, groenteabonnementen en de beschikbaarheid van vers voedsel, in plaats van zich bijvoorbeeld te beijveren voor betaalbare gezondheidszorg voor iedereen of een hoger minimumloon. Het getuigt volgens haar van ‘een schrale morele verbeelding van wat de moeite waard is als het om eten gaat’. (Je kunt natuurlijk ook voor al deze zaken tegelijk strijden.)
De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet
Maar voor de welgestelden mag gezond eten dan misschien vooral een kwestie van levensstijl zijn, armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen. En de beschikbaarheid van gezond voedsel speelt vandaag de dag nog steeds een grote rol in het activisme van mensen van kleur. In 1969 begon de Black Panther Party met de verstrekking van een gratis ontbijt aan schoolkinderen, eerst in Oakland en daarna in het hele land: minstens twee keer per week kregen ze worst, spek of eieren met toast of maispap, melk, jus of warme chocolademelk en vers fruit. De Black Panthers beschouwden voedselonzekerheid als een vorm van onderdrukking en waren van mening dat gebrek aan goede voeding geen incidenteel probleem was, maar onderdeel van een systeem waarmee men zwarte mensen onder de duim hield. Het gratis ontbijt werd nooit als een oplossing voor de rassenongelijkheid beschouwd: het was een van de overlevingsprogramma’s van de Panthers (‘survival pending revolution’ was hun leus: overleven tot de revolutie). Zo wilden ze de zwarte burgers op de been houden tot ze in de positie verkeerden ‘om zich aan de laars van hun onderdrukker te ontworstelen’, zoals Huey P. Newton, een van de oprichters van de Panthers, in 1972 schreef.
De federale overheid had in 1966 ook al een kleine pilot opgezet van haar eigen gratis ontbijtprogramma, maar dat werd pas landelijk uitgerold in 1975, toen de Panthers door de FBI praktisch waren ontmanteld en hun maatschappelijke hulpprogramma’s waren verdwenen. De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet. In veel steden waar de scholen dichtgingen, bleven de schoolkantines open en werden daar maaltijden bereid en uitgedeeld voor ’s ochtends, ’s middags en soms ook ’s avonds, niet alleen voor kinderen maar ook voor andere mensen in nood. De toenmalige minister van landbouw Sonny Perdue versoepelde de federale wetgeving die sommige scholen in staat stelt gratis maaltijden te verstrekken zonder naar een inkomensbewijs te vragen. ‘Kinderen kunnen zich niet op de les concentreren als ze honger hebben,’ zei Perdue, waarmee hij een gedachte verwoordde die meer dan een halve eeuw geleden ook al in de partijkrant van de Black Panthers had gestaan: ‘Hoe kunnen onze kinderen iets leren als hun maag meestentijds leeg is?’ Vanuit diezelfde gedachte hebben veel vrijwilligersorganisaties tijdens de Black Lives Matter-betogingen van vorig jaar maaltijden verstrekt aan demonstranten. Dat was behalve voedselhulp ook een statement: wij staan achter jullie.
Gezond voedsel
Je mensen te eten geven als die niet altijd zeker zijn van voldoende voedsel, kan ook een daad van verzet zijn – de erkenning dat het ook een vorm van geweld is om mensen zulke basisbenodigdheden te onthouden. Dara Cooper (43) woont in Atlanta en is directeur van de National Black Food and Justice Alliance (NBFJA). Toen ze in de jaren tachtig opgroeide in de South Side van Chicago, zag ze dat haar moeder keihard werkte en toch maar met moeite genoeg eten op tafel kreeg. De groente in hun supermarkt zag er altijd oud, verlept en gehavend uit, heel anders dan de fleurige groente- en fruitafdelingen vol verse waren in de winkels van de rijkere en wittere buurten van de stad.
Buurten waar niet of nauwelijks winkels met vers en gezond voedsel voorhanden waren, werden vroeger wel een voedselwoestijn genoemd: bijna alsof het een willekeurig en natuurlijk verschijnsel was, in plaats van het gevolg van bewust beleid. Buurten die als ‘risicovolle’ investering werden beschouwd, zoals bijna alle buurten waar vooral minderheden woonden, moesten het immers vaak zonder essentiële diensten stellen en kwamen niet in aanmerking voor leningen van de in de jaren dertig opgerichte hypotheekverstrekker van de overheid, de Home Owners’ Loan Corporation. Door de Fair Housing Act van 1968 is deze discriminatie nu weliswaar officieel verboden, maar de ongelijkheid blijft hardnekkig. Activisten spreken tegenwoordig van voedselapartheid, een term die opgeld deed toen de lokale bewonersorganisatie Community Coalition of South Los Angeles campagne voerde om de wildgroei van fastfoodzaken in wijken met lage inkomens af te remmen.
Dara Cooper hielp in 2011 een afgedankte stadsbus om te bouwen tot een rijdende groentewinkel, Fresh Moves, waarmee verse groenten worden verkocht in wijken met te weinig goede winkels. Zo willen ze tegelijkertijd aandacht vragen voor het probleem en meteen ook demonstreren hoe je het kunt oplossen. Het probleem is niet alleen de afwezigheid van winkels met een goed assortiment, maar ook wie er in zo’n winkel de leiding heeft. Als grootwinkelbedrijven een filiaal in een zwarte wijk openen, zie je bij het management vaak nog vooroordelen die tot wrijving met klanten leiden, en weinig bereidheid om personeel uit de buurt te werven. Net als de moestuinen van Karen Washington in de Bronx was Fresh Moves bedoeld als een zaak van en voor de buurt, en het liep meteen storm. ‘We stonden naast een ijscowagen, en bij ons stond een langere rij,’ zegt Cooper.
Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin
Sommige zwarte activisten vinden het vooral aantrekkelijk om hun eigen groente te verbouwen – zowel om in hun eigen behoeften te kunnen voorzien, als om zich af te zetten tegen een verleden waarin zwarte mensen op het platteland geen eigen grond mochten hebben, maar tot slavernij werden gedwongen. Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin. Soul Fire Farm, een non-profitorganisatie buiten New York, organiseert workshops waarin praktijklessen in traditionele Afrikaanse landbouwmethoden gecombineerd worden met een kritische beschouwing van het voedselsysteem door de bril van ras en klasse. En wat betreft de groenteabonnementen van gemeenschapslandbouw, waarbij je als consument aandelen koopt in de jaaroogst van een boerderij en je dividend krijgt uitbetaald in de vorm van een aantal dozen verse groente per jaar: wie dat wegzet als een speeltje van linkse witte mensen, gaat voorbij aan het baanbrekende werk van Booker T. Whatley, een landbouwdocent aan de Tuskegee University in Alabama, die de lezers van zijn Handbook on How to Make $100,000 Farming 25 Acres in 1987 al adviseerde om zich van vaste inkomsten te verzekeren door een club op te zetten waarbij de leden vooruitbetalen voor een jaar lang groente.
Jamila Norman (41), een milieukundig ingenieur die zich op de stadslandbouw heeft toegelegd wegens het gebrek aan winkels met gezond voedsel in haar eigen wijk in Atlanta, vindt het belangrijk om de grond waarop ze gewassen verbouwt in eigendom te hebben en rendabel te maken, ‘om een landbouwbedrijf neer te zetten als een levensvatbaar bedrijfsmodel voor mensen van kleur, zodat ze zien dat die weg voor hen vrij ligt’. Volgens cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw is het totale aantal boerderijen de afgelopen eeuw met 68 procent gedaald van bijna 6,5 miljoen in 1920 tot iets meer dan 2 miljoen in 2017. Maar het aantal boerderijen van zwarte boeren is gedaald van ongeveer 925.000 naar 35.000, een veel scherpere daling van wel 96 procent. Dat komt neer op de onteigening van miljoenen hectares, deels door discriminatie bij het verstrekken van leningen door zowel banken als de overheid. (In 1998 erkende het ministerie in een rapport dat er sprake was van ‘langdurige vooroordelen tegen en discriminatie van boeren uit etnische minderheden’.) Met de Patchwork City Farms, door Norman oorspronkelijk begonnen op een stuk grond dat ze pachtte van een openbare school, maar inmiddels gevestigd op een eigen perceel niet ver van haar huis, wil ze het ‘verhaal’ van de zwarte boer ‘heroveren’. Het doel is een toekomst waarin, zo zegt ze, ‘ik helemaal niet bijzonder meer ben omdat iedereen dan aan landbouw doet’.
Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’
De pandemie heeft veel voedselactivisten genoodzaakt om van belangenbehartiging over te stappen op noodhulp (de ‘overlevingsprogramma’s’ van Huey P. Newton) teneinde te kunnen voorzien in de eerste behoeften van mensen: voedsel voor wie honger lijdt, financiële steun voor kleine bedrijven op de rand van het faillissement, en bescherming van de levens van werknemers in ‘vitale’ beroepen. Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’. Maar ‘ons normaal is dodelijk’, zegt Guillén. En ook Holt-Giménez ziet het somber in: ‘Miljardairs, grote bedrijven en grote ketens komen beter uit de pandemie,’ zegt hij. ‘Het levert kansen op – en kijk wie die kansen benutten.’ Tegen het probleem van het schaalvoordeel valt praktisch niet op te boksen, zoals Wey ook laat zien. Norman wil haar kinderen van rond de twintig niet als knecht op haar boerderij inzetten. ‘Ik moet dit werk zelf kunnen doen,’ zegt ze, ‘dit rendabel houden zonder mensen uit te buiten.’ Maar grote landbouwbedrijven kunnen makkelijk lagere prijzen vragen door arbeidskrachten te behandelen als wegwerpartikelen en ze ‘in tijden van crisis zelfs op te offeren’, zegt Guillén. ‘De gedachte blijft toch: hoe dicht kun je de wettelijke grens van slavernij naderen?’
Maar de huidige crisis zal niet meteen verdwenen zijn met het virus, die zoönotische infectie die van dier op mens is overgesprongen en dus duidelijk een nevenproduct is van onze inbreuken op de habitat van dieren en het existentiële gevaar van onze niet-aflatende belasting van het milieu. Met het stijgende tempo waarin de klimaatverandering om zich heen grijpt, en de schijnbare onuitroeibaarheid van raciale onrechtvaardigheid en de eeuwenoude verdeling van rijkdom en macht, zowel in Amerika als op mondiaal niveau (om nog maar te zwijgen over de bunkermentaliteit van diegenen die al zo lang aan de knoppen zitten dat ze het delen van macht meteen ervaren als de totale ondergang), is voedsel zowel een symbool als de letterlijke belichaming geworden van alle problemen om ons heen. Activisme kan de vorm aannemen van een betoging, van een boycot, van een campagne om een miljoen deuren af te gaan, of zelfs van een handvol zaad: een stukje toekomst dat je in de aarde steekt. Het kan bestaan uit een koor van stemmen en een groeiend bewustzijn dat wat wij eten niet alleen een afspiegeling is van onze (vaak laaghartige) keuzes als samenleving, maar die keuzes ook vormt; en dat het in onze macht ligt om iets aan die keuzes, en aan de manier waarop we leven, te veranderen.
#Hashtagactivisme heeft grote aantallen mensen in beweging gebracht, ook op het Afrikaanse continent. Nog belangrijker is dat regeringen gedwongen worden om aandacht te besteden aan de socialemediacampagnes. Met ook offline effect, schrijft de gelauwerde journaliste Chika Oduah.
Dossier De straat op
Overal ter wereld gaan gefrustreerde burgers de straat op om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten, of om zich uit te spreken tegen de coronamaatregelen. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl de jongere generatie met moeite het hoofd boven het water kan houden. De coronapandemie heeft deze tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.
Op 1 mei 2014 twitterde Chris Brown een foto in sepiatinten van een treurig kijkend zwart meisje, met de hashtag #BringBackOurGirls. De boodschap was bedoeld om de aandacht te vestigen op de 276 vrouwelijke leerlingen die in april in Nigeria waren ontvoerd door de islamitische terreurorganisatie Boko Haram. De BBC en andere gebruikers van sociale media verspreidden het beeld.
Het probleem was dat de jonge vrouw op de foto geen Nigeriaanse was; ze kwam uit Guinee-Bissau. Ze was nooit ontvoerd en had ook niets met #BringBackOurGirls te maken. Maar de foto werd duizenden keren gedeeld en dat leidde tot de beschuldiging van ‘slactivisme’: het op grote schaal uiten van woede op sociale media zonder de tijd te nemen om achter de feiten te komen.
Access to education is a basic right & an unconscionable reason to target innocent girls. We must stand up to terrorism. #BringBackOurGirls
Ondanks de nadelen is hashtagactivisme de afgelopen zes jaar in Afrika met veel succes aangewend. Alleen al in 2020 zijn er hashtagcampagnes gevoerd in Namibië, Zimbabwe, Kameroen, de Democratische Republiek Congo en opnieuw Nigeria, die bewegingen de gelegenheid gaven hun boodschap op sociale media, op straat en op de radar van ongekende aantallen mensen over de hele wereld te krijgen. En, het allerbelangrijkst, deze hashtags hebben regeringen gedwongen om aandacht aan die bewegingen te besteden.
In Namibië arresteerden veiligheidsagenten 25 vreedzame antifemicide-activisten, maar de aanklachten tegen hen werden ingetrokken toen een overheidsfunctionaris na een brede campagne die werd versterkt door de sociale media, weigerde hen te vervolgen: een klinkende overwinning voor de vrijheid van meningsuiting. Na de EndSARS-demonstraties in Nigeria tegen het gewelddadig optreden van de Special Anti-Robbery Squad, een elite-eenheid van de politie, hebben de bestuurders van 28 van de 36 staten van dat land juridische commissies ingesteld om de getuigenissen te horen van mensen die te maken hebben gekregen met politiegeweld.
In Kameroen is de nationale overheid onderhandelingen begonnen met separatisten over een staakt-het-vuren in het al vier jaar slepende conflict dat online bekend is geworden als de #EndAnglophoneCrisis.
Aandacht
In de meeste gevallen zijn het millennials en Gen-Z’ers die zulke campagnes voeren. Zij willen de aandacht van de wereld, maar ze vragen het Westen niet om hun problemen te komen oplossen. Talloze jonge mensen in Afrika willen revolutionaire verandering in hun land en zij zien sociale media als een stap in de richting van die verandering: de nieuwe revolutie zal worden gehashtagd.
Op 17 oktober werd mijn aandacht op Twitter gevangen door een foto van een jonge vrouw met Fulani-vlechten die een poster ophield met de verschrikkelijke boodschap: ‘Er zijn geen woorden om te beschrijven hoe doodsbang ik ben omdat ik vrouw ben in Namibië.’
Ik keek onder de foto en zag de hashtag #ShutItAllDownNamibia. Ik googelde ‘femicide Namibië’, ‘seksegebaseerd geweld in Namibië’, ‘seksuele intimidatie in Namibië’ en kwam terecht in een eindeloos doolhof dat me van het ene verhaal naar het andere voerde; stuk voor stuk schokten ze me diep, zoals ze daar op het vijftien inch-scherm van mijn laptop voorbijkwamen.
Neem de 27-jarige Gwashiti Ndahambelela Tomas: haar vriend sneed haar de keel door toen ze probeerde hun relatie te beëindigen. Of de 30-jarige Monika Florin: haar man sneed haar lichaam aan stukken, braadde enkele daarvan in een oven, kookte andere in een pan en spoelde de rest door het riool. Een paar maanden geleden werd boekhoudstudente Rejoice Shovaleka door een man in haar hals gestoken terwijl ze onderweg naar huis was van een feest. En begin vorig jaar schoot Eliakim Matthews tijdens een ruzie zijn vrouw Ndinelelo Haidula dood, voor de ogen van hun kinderen.
Tussen 2016 en 2019 werden bij de Namibische politie meer dan 3000 verkrachtingen gemeld en 209 moorden door huiselijk geweld. De meeste slachtoffers waren kinderen, tussen januari en september 2019 werden 37 vrouwen vermoord. In 2016 en 2018 zijn er nationale actieplannen in het leven geroepen om iets tegen de geweldsepidemie te doen, maar volgens de autoriteiten in het land wordt de situatie alleen maar slechter.
Stabiele democratie
Namibië, aan de zuidwestkust van Afrika, wordt geprezen om zijn stabiele democratie en staat al jaren te boek als een van de minst corrupte landen van het continent. Maar nu halen de schokkende cijfers over geweld tegen vrouwen de internationale kranten, gedeeltelijk dankzij #ShutItAllDown, dat is gelanceerd door jonge Namibiërs zoals fotograaf en digitalecontentmaker Lebbeus Hashikutuva en student en activist Bertha Tobias. Zij waren woedend na de vondst van het lichaam van een jonge vrouw, Shannon Wasserfall, dat was begraven in de zandduinen bij de havenstad Walvis Bay. ‘Het lijkt wel of Namibië oorlog voert tegen vrouwen,’ zegt Tobias.
Binnen een paar uur werd de eerste openbare demonstratie georganiseerd, die Namibiërs opriep om het verhaal van Wasserfall te horen en ‘#SayHerName’. Na afloop werd #ShutItAllDownNamibia groter dan Tobias ooit had durven dromen. De campagne verenigde straatprotesten in het hele land en genereerde op sociale media ongekende aandacht voor femicide in Namibië. De premier zelf beloofde dat de eisen van de campagnevoerders hoog op de agenda van de regering kwamen te staan.
Opvallend van deze protestbewegingen is dat ze geen leiders lijken te hebben
De campagne gaat door; activisten eisen dat de Namibische regering de noodtoestand uitroept om femicide en verkrachting aan te pakken. Ze eisen het aftreden van de minister voor seksegelijkheid en de instelling van een openbaar register van zedendelinquenten. Tot nu toe is geen van deze eisen ingewilligd, al onderzoeken parlementariërs wel het voorstel voor zo’n register.
Ook elders op het continent gebruiken jonge, politiek bewuste mensen hashtags om diepgaande sociale problemen aan te kaarten. In de Democratische Republiek Congo vestigde de campagne #CongoIsBleeding de aandacht op de onrust die het land al zo lang teistert, en met name op het wijdverbreide seksuele geweld tegen vrouwen en de uitbuiting van kinderen als gevolg van de dodelijke strijd tussen gewapende groeperingen om toegang tot lucratieve mineralen in de oostelijke delen van het land.
#ZimbabweanLivesMatter
Zo’n 1600 kilometer ten zuidoosten van de DRC, in Zimbabwe, kwamen in juli vorig jaar campagnevoerders onder de hashtag #ZimbabweanLivesMatter bijeen om de vrijlating te eisen van journalist Hopewell Chin’ono. Hij was gearresteerd nadat hij onderzoek had gedaan naar corruptie bij de overheid. De hashtag, die in de week van 5 augustus 2020 viraal ging, begon te circuleren nadat veiligheidstroepen met geweld mensen van de straten hadden geveegd die wilden protesteren tegen censuur van de media, slechte economische planning en mensenrechtenschendingen.
In Kameroen werd #EndAnglophoneCrisis gebruikt om aandacht te vragen voor een vergeten conflict. De Engelssprekende burgers van het land, die 20 procent van de bevolking uitmaken, worden al lange tijd gemarginaliseerd en gediscrimineerd door de overwegendFranstalige federale regering van president Paul Biya.
In Nigeria doen sociale media meer dan alleen het bewustzijn verhogen. De #EndSARS-protesten voltrokken zich live voor mobiele telefooncamera’s en waren vervolgens te zien op You-Tubekanalen en Facebook- en Instagrampagina’s. Deze foto’s en video’s hebben ertoe bijgedragen dat leugens van de autoriteiten werden ontkracht en een bloedbad naar buiten kwam dat anders verborgen zou zijn gebleven.
Politiegeweld in Nigeria tijdens een vreedzame demonstratie.
Niemand weet precies hoeveel mensen er op 20 oktober 2020 in Lagos zijn gedood. Amnesty International meldde minstens twaalf doden toen Nigeriaanse militairen het vuur openden op een groep demonstranten; volgens sommige van de actievoerders die het bloedbad overleefden, lag het aantal dichter bij de dertig. Maar de Nigeriaanse federale overheid beweerde dat er geen enkele dode was gevallen, de gouverneur van de staat Lagos had het over twee doden en het leger ontkende aanvankelijk zelfs dat er militairen op de plek van de demonstratie waren geweest.
Dankzij de ruwe en onthullende beelden die rechtstreeks op sociale media werden gestreamd, werd het voor de autoriteiten lastig om deze verzinsels vol te houden. Het leger veranderde zijn verhaal en zei dat er wel soldaten aanwezig waren geweest, maar dat die niet hadden geschoten. Later gaf een brigadier-generaal van de militaire inlichtingendienst tegenover een juridische commissie toe dat soldaten wel het vuur hadden geopend, maar alleen met losse flodders. Op 21 november 2020 erkende diezelfde commandant dat die militairen zowel scherpe munitie als losse flodders hadden gehad.
Geen leiders
Een van de opvallendste kenmerken van deze nieuwe protestbewegingen is dat ze geen leiders lijken te hebben. In het verleden hadden Afrika’s vrijheidsoorlogen en sociaal-politieke opstanden bijna altijd een duidelijke leider. Vrouwen als Wangari Maathai speelden een belangrijke rol, maar de gezichten die in de media verschenen waren meestal mannelijk: Jomo Kenyatta, Tom Mboya, Steve Biko, Patrice Lumumba, Kwame Nkrumah, Nelson Mandela, Ken Saro-Wiwa.
De machthebbers vervolgden die leiders meedogenloos; velen werden vermoord of gevangengezet. Daarom doen de huidige activisten op het continent het nu anders, geïnspireerd door #BlackLivesMatter.
Onder de hashtags #ZimbabweanLivesMatter, #ShutItAllDown, #EndSARS, #CongoIsBleeding en #EndAnglopho-neCrisis verenigen zich gedecentraliseerde bewegingen zonder één duidelijk boegbeeld. Iedereen die eraan meedoet is een leider. Er is niet één persoon die stiekem meegenomen kan worden voor achterkamertjesonderhandelingen of in de gevangenis gegooid om de beweging te onthoofden.
De dynamiek van verbondenheid via sociale media heeft een sfeer van Pan-Afrikaanse eenheid voortgebracht
Binnen deze structuur hebben campagnevoerders steeds slimmere manieren bedacht om elkaar financieel te steunen en acties te organiseren. Het werven van fondsen is gedemocratiseerd doordat crowdfundinginitiatieven verdeeld zijn over verschillende organisaties die de acties ondersteunen. Zo wendde de Nigeriaanse actiegroep Feminist Coalition zich tot Bitcoin nadat ze was geblokkeerd door andere betaalsystemen en traditionele banken. De beweging haalde meer dan 74 miljoen naira (zo’n 165.000 euro) op om #EndSARS-demonstranten en slachtoffers van politiegeweld te steunen.
De Namibische activisten tegen seksegeweld organiseerden zich via Twitter en door onbeperkte toegang te geven tot een Google Doc waarin de achtergrond en doelen van hun campagne uit de doeken worden gedaan. Het document, mét de namen van de gebruikers die het bewerken, is een voorbeeld van een gedigitaliseerde, uiterst transparante en collectieve manier om lokale bewegingen te organiseren.
De gedecentraliseerde structuur is voor sommige regeringen een probleem. Toen de Namibische autoriteiten na de protesten naar een leider vroegen die ze konden ‘consulteren’, weigerden de actievoerders iemand te noemen.
De dynamiek van verbondenheid via sociale media heeft een sfeer van Pan-Afrikaanse eenheid voortgebracht, een wijdverbreid gevoel van ‘samen staan we sterker’. Activisten en influencers uit verschillende landen betonen elkaar hun solidariteit en delen elkaars campagnehashtags.
Ook Afrikanen buiten het continent laten hun stem horen. Studenten van de African Law Association aan Harvard University hebben een verklaring uitgegeven waarin ze hun steun uitspreken voor #CongoIsBleeding, #EndSARS, en #ShutItAllDown. Ik ben benieuwd waar deze nieuwe internationale, sociaal-politieke samenwerkingen tussen jonge Afrikanen in de toekomst toe zullen leiden. Misschien zullen ze het gat opvullen dat African Union (AU) laat vallen; deze unie wordt geacht een stem te zijn voor het continent, maar lijkt geen voeling te hebben met de gewone Afrikaanse jeugd. Bij veel conflicten en mensenrechtenschendingen heeft de AU gezwegen en de soevereiniteit van Afrikaanse staatshoofden gerespecteerd in plaats van die rechtstreeks te veroordelen. De AU heeft zich ook volkomen afzijdig gehouden van deze recente door jongeren gevoerde campagnes en dat lijkt me een gemiste kans.
Deze bewegingen hebben al een offline-effect gehad. De rechtbank in Zimbabwe heeft Hopewell Chin’ono op borgtocht vrijgelaten. Op 13 oktober kwam de Namibische regering tegemoet aan alle eisen van #ShutItAllDownNamibia en een paar dagen later hadden enkele actievoerders, onder wie Bertha Tobias een ontmoeting met president Hage Geingob. In Nigeria is al een SWAT-team opgericht ter vervanging van SARS en de leden daarvan worden beter opgeleid; volgens het hoofd van de politie wordt er gewerkt aan psychologische beoordelingen van de agenten, zoals activisten hebben geëist.
Verandering
Als eerste stap naar decentralisatie, waardoor leden van de Engelstalige minderheid ook een vertegenwoordiging in het parlement kunnen krijgen, heeft Kameroen op 6 december vorig jaar, voor het eerst in zijn geschiedenis, regionale verkiezingen gehouden.
Voor anderen is het lastig geweest om veranderingen te bewerkstelligen. De autoriteiten in Zimbabwe en de Democratische Republiek Congo hebben geen echte pogingen gedaan om een eind te maken aan mensenrechtenschendingen.
Kan de regering het internet afsluiten? Voor een deel wel, ja
Sociale media bieden activisten dan wel de mogelijkheid om hun leiderschap te decentraliseren, dat beschermt hen nog steeds niet tegen intimidatie en andere vormen van geweld. Regeringen monitoren socialemedia-activiteiten om te bepalen wie ze in het vizier moeten nemen.
Omdat hun mobiele verkeer in de gaten wordt gehouden, moeten activisten VPN-telefoons gebruiken om te internetten en hun telefoons geregeld urenlang uitzetten. Kan de regering het internet afsluiten? Voor een deel wel, ja. De regering van Tsjaad heeft de toegang tot socialemediaplatforms als WhatsApp, Twitter en Instagram een jaar en vier maanden geblokkeerd. De Soedanese overheid heeft de afgelopen paar jaar minstens twee keer vergaande internetbeperkingen ingesteld.
Terwijl regeringstroepen in Soedan vorig jaar juni met harde hand sit-in-demonstraties voor democratie uiteensloegen, merkten de demonstranten dat internet geregeld uitviel. Eerder dit jaar verstoorde de Ethiopische regering twee weken lang toegang tot wifi en breedbandinternet, na de roep om gerechtigheid in de moord op zanger-activist Haacaaluu Hundeessaa. De Ethiopiërs hebben meer dan twaalf keer zo’n shutdown meegemaakt en de Zimbabwanen worden er onder president Emmerson Mnangagwa ook mee geconfronteerd.
Zulke extreme maatregelen laten zien dat autoritaire regimes en gewelddadige overheden niet weten wat ze met sociale media en de bewegingen die daaruit voorkomen aan moeten. In 2020 hebben veel jonge mensen over het hele continent intimidatie door de overheid aan de kaak gesteld. Hun gezamenlijke stemmen zullen veerkrachtiger worden naarmate hun roep om meer verantwoording en beter bestuur luider gaat klinken.
Argentijnse vrouwen zijn massaal op de breedste boulevard ter wereld gaan liggen, de Avenida 9 de Julio in Buenos Aires, uit protest tegen machismo en geweld.
Argentijnse vrouwen zijn massaal op de breedste boulevard ter wereld gaan liggen, de Avenida 9 de Julio in Buenos Aires, uit protest tegen machismo en geweld. De demonstranten zijn ontzet over het vonnis van de rechtbank in de moord op de 16-jarige Lucía Pérez. Zij werd in 2016 gedrogeerd, verkracht en om het leven gebracht door twee mannen, die ervanaf kwamen met een lichte straf omdat het volgens de rechtbank ging om ‘seks met wederzijdse toestemming’.
In Moldavië kan je tien maanden per jaar een speld horen vallen. Pas in de zomer keren duizenden Moldaviërs terug naar hun familie, die ze vaak noodgedwongen hebben achtergelaten om elders geld te verdienen. Tijd om de barricaden op te gaan. ‘Așa sună democrația!’, roept de aanzwellende massa in de straten van Chisinau. ‘ Zo klinkt democratie’.
_ Dit is een bijdrage van AWE, een Nederlands non-profitmediacollectief, opgericht voor en door jonge Europeanen._
De democratie in Moldavië wordt ernstig bedreigd. Het armste land van Europa, met de minste toeristen, gaat gebukt onder grootschalige corruptie, chronische werkloosheid en – het belangrijkst – massale emigratie.
Moldavië is het snelst krimpende land ter wereld. Naar verwachting zal de bevolking in 2100 zijn gehalveerd, waarmee de toekomst van het land op het spel komt te staan. Jongeren zouden daarom prioriteit moeten krijgen, maar de meeste hervormingen worden gedwarsboomd door chronische corruptie en een haperende economie. De EU en Rusland lonken vanwege de betere carrièrekansen. Dus nu staan jonge Moldaviërs voor de keuze: weggaan of blijven?
Hoewel velen hebben gekozen voor een toekomst in het buitenland, voelen zij zich momenteel genoodzaakt weer terug naar huis te gaan, omdat de democratie zo onder vuur is komen te liggen. Ze sluiten zich – al dan niet tijdelijk – aan bij de strijd voor democratie. Hoe slecht de economie er ook voor staat, ze hebben hun land nog niet opgegeven.
40%
van de jonge Moldaviërs had in 2014 geen regulier onderwijs, opleiding of werk.
80%
van de Moldaviërs zegt nauwelijks of geen vertrouwen te hebben in de overheid en het rechtssysteem. Vooral politici, rechters, openbaar aanklagers en de politie worden als corrupt gezien.
73%
van de Moldaviërs geeft aan dat hun inkomen niet of nauwelijks toereikend is om in de eerste levensbehoeften te voorzien.
6%
van de jongeren neemt deel aan demonstraties, waaruit blijkt hoe weinig maatschappelijke betrokkenheid er is onder de jonge Moldaviërs.
Gestolen Stemming
In juni 2018 werd Andrei Nastase democratisch gekozen als burgemeester van de Moldavische hoofdstad Chisinau. Nastase is leider van de grootste oppositiepartij, Waardigheid en Waarheid. Het nationaal hof verklaarde zijn overwinning nietig. Nastase postte op de verkiezingsdag een livefilmpje op Facebook om mensen op te roepen toch vooral te gaan stemmen – niet per se voor hem. Het hof bestempelde het filmpje als een vorm van campagnevoeren, wat niet is toegestaan op de dag van de verkiezingen.
Het besluit van het hof leidde tot diverse golven van protest tegen wat in Moldavië bekend is komen te staan als de ‘Gestolen Stemming’.
Occupy Guguta
Occupy Guguta is een permanente protestbeweging die deze zomer opkwam in reactie op de Gestolen Stemming. De jonge leden van de beweging willen dat Moldavië een echte democratie wordt, die waakt over mensenrechten en zich inzet voor de bevolking. Het is een open beweging, zonder hiërarchie of officieel vastgelegde structuur. De naam is afgeleid van een koffietentje, Guguta, in het Stefan cel Mare-park in Chisinau. In 2009 leidde de onwettige privatisering ervan tot grote woede onder de bevolking, want het café was een geliefde plek voor veel inwoners van de stad. Guguta groeide uit tot een symbool van illegaal geprivatiseerde openbare plekken door het hele land. Tegenwoordig is het terras van Guguta de plek waar de beweging samenkomt.
Vitali, de pianist
Vitali (31) probeert vanuit Moskou, zijn thuisbasis, Moldavië nieuw leven in te blazen met behulp van alles wat hij in het buitenland heeft geleerd.
‘Moldavië is een klein land. De hele bevolking past op het Grote Nationale Assembleeplein [het centrale plein in Chisinau]. Als alle Moldaviërs daarnaartoe komen, zal de overheid wel moeten luisteren naar wat de bevolking heeft te zeggen’, aldus Vitali.
Als concertpianist zit Vitali geregeld in vliegtuigen en hotelkamers. Hij heeft net 1000 kilometer afgelegd van Moskou naar Chisinau om aanwezig te kunnen zijn bij een demonstratie, waar hij met duizenden anderen te hoop loopt tegen de Gestolen Stemming. Het is niet voor het eerst dat Vitali grote afstanden aflegt om zich sterk te maken voor veranderingen in zijn vaderland. Toen in juni dit jaar de lokale verkiezingen plaatsvonden, kwam hij helemaal terug vanuit Nieuw-Zeeland. ‘Ik ben het er niet mee eens dat één stem niets zou uitmaken. Ik wil dat mijn stem meetelt.’
We zitten in een gezellig restaurantje in het centrum van Chisinau. Het duurt niet lang of de piano in de hoek lokt Vitali. Hij neemt plaats op de kruk en legt zijn vingers op de toetsen. Even later klinkt er een melancholieke melodie.
In 2006 verliet Vitali zijn vaderland Moldavië om aan het conservatorium van Moskou te gaan studeren. Zijn enige kans om een pianist van wereldfaam te worden was om naar Moskou te gaan, vertelt hij. ‘Het is een van de beroemdste conservatoria ter wereld. Alle piano-opleidingen, ook die in Chisinau, hebben nauwe banden met de Russische opleidingen.’ Ook dat bevestigt dat er sterke culturele en economische banden zijn tussen Moldavië en ‘Moedertje Rusland’. In Vitali’s geval is het duidelijk een goede zet geweest om naar Moskou te verhuizen: sinds zijn afstuderen heeft hij opgetreden in uitverkochte concertzalen in vijftien verschillende landen.
‘Ik ben het er niet mee eens dat één stem niets zou uitmaken. Ik wil dat mijn stem meetelt’
Hoewel Vitali veel reist, keert hij geregeld terug naar het land waar hij is opgegroeid. Telkens wanneer hij in zijn vaderland komt, merkt hij dat de situatie is verslechterd. ‘Het onderwijs gaat in snel tempo achteruit’, zegt hij. ‘Om nog maar te zwijgen van het culturele leven.’ De grote armoede onder brede lagen van de bevolking betekent dat mensen geen kaartje kunnen kopen voor een klassiek concert. De andere kant van diezelfde medaille is dat musici geen fatsoenlijke boterham kunnen verdienen. Vitali is ervan overtuigd dat een gezonde economie en goed onderwijs van cruciaal belang zijn voor een bloeiende cultuur. Als zelfbenoemd lid van de gestaag groeiende diaspora van Moldaviërs die in het buitenland wonen en werken, levert Vitali een bijdrage aan het herstel van de culturele sector in zijn vaderland: ‘We doen ons best om iets terug te geven, om de Moldaviërs te laten delen in wat wij hebben geleerd, om betrokken te zijn.’
De Moldavische economie is voor een onthutsend groot deel afhankelijk van overboekingen uit het buitenland: elke maand maakt de diaspora 100 miljoen dollar over op rekeningen in Moldavië. In 2016 kwam dat neer op maar liefst een kwart van het Moldavische bnp. ‘Iedereen weet hoe groot de bijdrage is die wij leveren’, zegt Vitali. ‘Er komt jaarlijks een miljard uit de diaspora. Een gestolen miljard, feitelijk. En we blijven maar geld sturen, zelfs als we weten dat het geld vermoedelijk weer gestolen zal worden.’
Maar Vitali’s activisme gaat verder dan alleen het overmaken van geld. In 2011 hielp hij met de organisatie van een festival voor klassieke muziek, dat de symbolische naam Home had en bestond uit een performance gebaseerd op Prométhée ou le poème du feu, een radicaal meesterwerk van de Russische componist Alexander Skrjabin, begeleid door een volledig orkest bestaande uit buitenlandse musici die Vitali had uitgenodigd. En dit jaar gaf hij gratis pianolessen aan de Rachmaninov-muziekschool – de school waar hij zelf als kind op heeft gezeten. ‘Het was geweldig om er nu terug te keren als docent, om met de kinderen te werken en ze wat adviezen te kunnen geven’, zegt hij met een glimlach.
Op de vraag waarom hij zich achter dergelijke initiatieven schaart, geeft hij een simpel antwoord: ‘Uit liefde.’ Liefde voor zijn familie, maar ook voor zijn land. ‘Het feit dat ik ben teruggekomen voor de protesten, is geen politieke daad. Het gaat om maatschappelijke betrokkenheid. Ik wil een land dat functioneert’, zegt hij.
Ana, de activist
Ana (26) is onlangs teruggekeerd naar Moldavië en sindsdien uitgegroeid tot een gedreven activist. Nu staat ze voor de keuze: weggaan of blijven?
‘Mijn band met Moldavië is altijd sterk geweest’, zegt Ana, die haar vingers door haar korte, bruine pony haalt. Ze zit op een tweepersoonsbed in een kamer in het appartement van haar ouders in het centrum van Chisinau, met haar kinderdeken over haar benen. Na jaren in het buitenland te hebben gewoond, is ze teruggekeerd naar huis om te strijden voor de democratie in Moldavië. In ieder geval voorlopig. ‘Ik ben hier geboren, maar eind jaren negentig, net na de kleuterschool, ben ik met mijn ouders verhuisd naar Iasi, in het noorden van Roemenië.’ Ana ging elke week met haar ouders en haar jongere broer de grens over om haar grootouders in Moldavië op te zoeken.
Hoewel Ana is opgegroeid in Roemenië – dat nooit deel heeft uitgemaakt van de Sovjet-Unie – wordt haar identiteit nog altijd in sterke mate bepaald door de Russische cultuur, die in elke voormalige Sovjet-republiek nog zeer sterk voelbaar is. Haar ouders hebben het grootste deel van hun leven onder het Sovjetbewind geleefd, zoals de ouders van de meeste Moldaviërs van Ana’s generatie.
‘Het eerste wat mijn ouders deden toen ze in Roemenië waren, was de televisie aansluiten op de satelliet, zodat ze toegang hadden tot de Russische kanalen’, zegt Ana. Haar lach galmt door het appartement. Ze heeft haar hele puberteit naar Russische talkshows gekeken, over politiek en cultuur. Elk jaar zat het hele gezin met Oud en Nieuw voor de buis om naar Sovjetfilms te kijken. Zelfs het eten dat op tafel kwam, was doortrokken van politiek, want haar moeder maakte borsjtsj en boekweit – exotisch eten naar Roemeense maatstaven.
Toen de kinderen naar het buitenland emigreerden, keerden Ana’s ouders terug naar Moldavië. Haar vader woont momenteel in West-Oekraïne, de enige plek waar hij een baan kon vinden. Haar moeder heeft een baan bij het openbaarvervoerbedrijf, waar ze volgens Ana bitter weinig verdient.
Laten we onze aandacht richten op wat ons bindt, niet op wat ons verdeelt
Er zijn velen zoals Ana’s ouders: afgaande op cijfers van de Verenigde Naties leeft meer dan 14 procent van de Moldaviërs onder de armoedegrens (4,3 dollar per dag) en de werkloosheidscijfers zijn de afgelopen jaren de hoogte in geschoten, tot maar liefst 60 procent. Zodoende worden velen gedwongen hun heil in het buitenland te zoeken. ‘Toen ik op de middelbare school zat, zei mijn moeder altijd: “Wanneer vertrek je? Ga hier weg! Ga weg en maak iets van je leven”’, zegt Ana.
Uiteindelijk is dat precies wat Ana heeft gedaan. Op haar achttiende is ze van Roemenië naar Polen verhuisd om politieke wetenschappen te studeren, een mengeling van sociologie, filosofie en antropologie. Door te studeren ging ze meer van de wereld begrijpen en zo veranderde ook geleidelijk de manier waarop ze tegen haar eigen identiteit aankeek. ‘Als ik met mensen praatte, vroegen ze me altijd naar Moldavië. Ik wist nooit goed wat ik moest zeggen. Meestal zei ik maar gewoon dat de situatie zeer somber was en dat er maar weinig gebeurde’, zegt ze.
Langzaam maar zeker werd door de belangstelling van anderen haar eigen nieuwsgierigheid aangewakkerd. Ze begon het nieuws over Moldavië te volgen en ging geleidelijk inzien met hoeveel uiteenlopende problemen het land kampt. Wat was haar relatie met het land en hoe kon zij helpen?
Dit besef betekende een keerpunt. Langzamerhand groeide bij Ana het idee om terug te gaan naar haar vaderland. ‘Hoe meer ik me realiseerde hoe slecht het land eraan toe was’, zegt ze, ‘des te meer het me ging interesseren.’ Uiteindelijk deed ze zelfs een casestudy naar het maatschappelijk middenveld in Moldavië, als onderdeel van haar masterthesis.
Maar de passieve kant van onderzoek doen is niets voor haar. ‘Ik kan niet tegen onrechtvaardigheid.
Permanente protestbewegin
Als ik van mijn familie hoor hoe slecht het land eraan toe is, roept dat bij mij de vraag op: wat kunnen we daaraan doen?’ Nadat ze afgelopen juli haar master haalde, besloot Ana terug te keren naar haar familie, naar huis. Bij toeval raakte ze direct verzeild in de rumoerige politieke ontwikkelingen die de democratie van het land op haar grondvesten doen schudden. Nadat oppositieleider Andrei Nastase op 3 juni democratisch werd gekozen tot burgemeester van Chisinau, greep het nationale hof in en verklaarde het de uitslag nietig op grond van een onzinnige aanklacht.
In de daaropvolgende maanden ontstond een permanente protestbeweging, Occupy Guguta, die honderden mensen, onder wie Ana, verenigt in één doel: de roep om democratie. Als hartstochtelijk deelnemer aan de demonstraties en de maatschappelijke projecten van de beweging is Ana zeer met dit doel begaan: ‘Ik zie heel veel potentieel in deze beweging en de mensen die de beweging dragen, omdat er een nieuwe visie uit spreekt. In een stad als Chisinau kom je dat niet vaak tegen.’
Ana vindt dat Occupy Guguta een spilfunctie moet vervullen – een plek waar mensen hun problemen kunnen delen en oplossingen kunnen vinden. ‘Een sociale ambulance’, zegt ze. ‘We wonen tenslotte allemaal in Chisinau, we hebben dezelfde problemen. Het maakt niet uit of je Oekraïner of Bulgaar bent. De wegen zijn slecht, het onderwijssysteem stelt niets voor… Laten we onze aandacht richten op dat wat ons bindt, niet op dat wat ons verdeelt.’
Victor, de kunstenaar
Victor (38) is een in Chisinau woonachtige kunstenaar, die deel uitmaakt van Occupy Guguta.
In de herfst van 1987 krijgt een zevenjarige jongen op een lagere school in Macaresti, een pittoresk plaatsje in het oosten van Moldavië, een potlood van zijn tekenleraar. Een uur later heeft hij het Kremlin in Moskou getekend, versierd met ballonnen en vlaggen, en met het woord mir – ‘vrede’ in het Russisch – op de gevel.
Het is de eerste keer dat Victor een potlood op papier zet. Op dat moment wordt de kunstenaar tot wie hij zal uitgroeien geboren. Al vanaf zijn tiende smeekt Victor zijn ouders om hem naar de kunstacademie in de hoofdstad Chisinau te laten gaan. Zijn ouders stribbelen tegen, maar met behulp van zijn broers weet hij ze uiteindelijk over te halen.
Het brandende verlangen om te schilderen is niet de enige reden waarom Victor naar de stad wil: heimelijk hoopt hij ook te ontsnappen aan het leven van zware fysieke arbeid dat hem wacht op het platteland. ‘Ik zag mezelf niet tot in lengte van dagen op het land werken’, zegt hij.
Na zijn afstuderen aan de kunstacademie in Chisinau verhuist Victor naar Roemenië om zich verder te bekwamen in keramiek, schilderen en beeldhouwen. Eind jaren negentig keert hij terug naar zijn vaderland, voornamelijk gedreven door een verlangen zijn vrienden te zien. ‘Mijn besluit was niet echt ingegeven door vaderlandsliefde. Het was meer een kwestie van toeval’, zegt hij. ‘Ik denk dat ik me op de een of andere manier een vreemdeling voelde, en ik had het nodig me ergens thuis te voelen.’
‘Ondanks de protesten zal alles bij het oude blijven’
Maar thuis treft hij een land aan dat wordt geteisterd door corruptie, een land waar democratische waarden worden uitgehold. Wanneer hij hoort over de opkomst van Occupy Guguta hoeft hij niet lang na te denken en sluit hij zich aan. ‘Met veel van de mensen die bij de beweging zijn betrokken, was ik al bevriend. We deden veel dezelfde dingen en gingen naar dezelfde cafés. Op een bepaald moment voelden we dat het goed zou zijn om onze energie te bundelen. Door een paar dingen die gebeurden, was de maat vol. En toen was er ook nog de Gestolen Stemming. Dat was de druppel.’
De Gestolen Stemming was een keerpunt in het democratiseringsproces van Moldavië, sinds het land in 1991 onafhankelijk was geworden van de Sovjet-Unie. Het legde de corruptie en het quasi-autoritarisme bloot die het land sindsdien in de greep houden. ‘Dit land schreeuwt al langer om een beweging zoals die van ons’, zegt Victor.
VC: Hoe zou je de situatie in Moldavië omschrijven?
Victor: ‘Vernederend. Een onophoudelijke vernedering – de situatie wordt steeds nijpender.’
Wat verwacht je van de protesten?
‘Ik heb geen enkele verwachting. Ik geloof niet dat de protesten ook maar iets zullen veranderen.’
Waarom doe je het dan?
‘Het is belangrijk vanuit een langetermijnperspectief. Maar ondanks de protesten zal alles bij het oude blijven.’
Wat versta je onder een langetermijnperspectief?
‘Over drie of vier maanden, misschien na de volgende parlementsverkiezingen, zal er iets veranderen. Mogelijk verandert er ook niets tot aan de verkiezingen en zal de bevolking na de verkiezingen nog gefrustreerder zijn, nog teleurgestelder. Dan zullen de mensen het niet langer pikken en massaal de straat op gaan.’
En komt er weer een protestbeweging, bedoel je?
‘Na de verkiezingen, denk ik, en dan veel ingrijpender. Want onze beweging wordt nu nog ernstig beperkt door een gebrek aan middelen en invloed.’
Aliona, de patriot
Terwijl anderen het land verlieten, bleef Aliona (28) achter om zich in te zetten voor een betere toekomst.
‘Wat mij betreft is iedereen die het land verlaat een verrader’, zegt Aliona zachtjes. Ze veegt de vloer van een van de twee flexwerkruimtes die ze beheert in het centrum van Chisinau. Het licht dat door de ramen naar binnen valt, strijkt langs de afbladderende verf van de muren van het oude kantoorgebouw. Met een snelle beweging maakt ze de ruimte schoon. Haar stijlvolle outfit en haar retromoderne bobkapsel passen perfect in het sjofel-chique interieur. ‘Ik begrijp niet dat mensen vertrekken. Als je over bepaalde talenten beschikt, moet je die inzetten waar ze het hardst nodig zijn, vind ik.’
Voor Aliona is dat in Moldavië. Ze heeft zich nog nooit afgevraagd of ze er wel goed aan heeft gedaan om in haar vaderland te blijven. ‘Ik heb het naar mijn zin in Moldavië. Dit is de plek waar ik de meest waarachtige en authentieke versie van mezelf kan zijn, dit is de plek waar ik me begrepen voel’, zegt ze.
In tegenstelling tot andere mensen van haar leeftijd ziet Aliona Moldavië als een land van mogelijkheden – een land waar jonge mensen kunnen experimenteren zonder een al te hoge prijs te hoeven betalen voor hun vergissingen. Zij is daar het levende bewijs van: als medeoprichter en manager van twee flexwerkruimtes heeft zij haar droom van een eigen onderneming weten te verwezenlijken.
Maar haar vrienden hebben soms moeite te begrijpen waarom zij per se in het snelst krimpende land ter wereld wil blijven wonen. ‘“Waarom verdoe je je tijd?” vragen ze me. Maar voor mij dient het een hoger doel – om mijn ouders hier te kunnen zien’, zegt ze.
‘Als je over bepaalde talenten beschikt, moet je die inzetten waar ze het hardst nodig zijn’
Aliona is niet de prototypische patriot; op haar dertiende liep haar band met Moldavië een ernstige deuk op, toen haar beide ouders het land verlieten om elders te gaan werken. ‘Dat was een pijnlijk moment.’ Haar stem breekt. Destijds gingen Aliona’s ouders naar het buitenland om het geld terug te verdienen dat ze verschuldigd waren na een mislukte landbouwonderneming. ‘Mijn ouders hebben keihard gewerkt om hun zaak op te zetten. Ze zijn er niet rijk van geworden. Uiteindelijk moesten ze naar het buitenland om geld te verdienen voor schulden die ze niet op een andere manier konden aflossen’, zegt ze.
Aliona is niet het enige kind in Moldavië dat zonder ouders is opgegroeid. Meer dan 150.000 Moldavische kinderen leven alleen of worden opgevoed door oudere broers of zussen, of door hun grootouders. Sommige groeien op in eenoudergezinnen. De ouders in het buitenland zorgen voor hen door geld over te maken.
Dat Aliona zo toegewijd is aan Moldavië, wil niet zeggen dat ze haar ogen sluit voor de problemen van haar vaderland. Toen de uitslag van de lokale verkiezingen ongeldig werd verklaard, en daarmee dus ook de stem van de bevolking, had ze het gevoel dat ze geen lucht meer kreeg. ‘We konden alles verliezen’, zegt ze. ‘Hoop en democratie.’
Samen met een groot deel van haar vrienden sloot ze zich aan bij een protestbeweging, Occupy Guguta – vernoemd naar een populair café dat illegaal was geprivatiseerd.
Sindsdien heeft ze geholpen met het organiseren van bijeenkomsten, het schilderen van protestborden en het mobiliseren van de leden van de beweging op social media. ‘We willen de overheid laten weten dat we zien waar ze mee bezig is, dat we haar volgen en dat we haar niet zomaar haar gang laten gaan.’
Belofte
Onafhankelijkheidsdag
Nadat duizenden mensen in Chisinau hebben gedemonstreerd tegen hun corrupte regering, brengen Ana, Victor en Aliona de nacht door in de buurt van het standbeeld van Stefanus III de Grote, een middeleeuwse vorst die in Moldavië wordt vereerd als een nationale held. Samen met andere demonstranten van Occupy Guguta wachten ze op de dageraad van Onafhankelijkheidsdag – de dag waarop het land viert dat het in 1991 onafhankelijk werd van de Sovjet-Unie.
De dag breekt aan. Als de demonstranten weigeren het plein te verlaten, worden ze met geweld verwijderd door de oproerpolitie. Deze plaatst hekken om hen te scheiden van de Moldavische regeringsvertegenwoordigers die bloemen komen leggen bij het standbeeld. ‘Weg met de regering, weg met de maffia!’ scandeert de menigte. De stemmen worden langzaam overstemd door een naderend fanfarekorps van het leger. ‘Ineens werden we omringd door honderden agenten, drie rijen dik’, vertelt Victor later. ‘Alleen al het enorme aantal agenten was intimiderend.’
*Vermoorde onschuld *
Op hetzelfde moment ontruimen gewapende troepen het Occupy Guguta-bolwerk in het park, een paar honderd meter verderop, hoewel de beweging een demonstratievergunning heeft, geldig tot december. ‘Er werd gehuild, iedereen was woedend; het was heel intens’, zegt Aliona. Voor haar maakt het onwettige optreden van de politie duidelijk dat de strijd voor hervormingen nog lang niet voorbij is.
De overheid speelt de vermoorde onschuld. ‘Als mensen zich niet aan de wet houden, heeft de politie het recht om in te grijpen. Het optreden van de politie was legitiem’, zegt Andrian Candu, woordvoerder van het parlement.
Ondertussen laten oppositieleiders Maia Sandu en Andrei Nastase, die ook van het plein zijn verwijderd, weten dat ‘het verzet niet is gebroken’. ‘De vrijheid van Moldavië mag niet in handen liggen van dictators – die behoort toe aan de mensen die met hun bloed, zweet en tranen dit land hebben opgebouwd’, aldus Nastase.
Belofte
Zal die belofte ooit worden ingelost? De geschiedenis heeft keer op keer aangetoond dat wezenlijke democratische hervormingen tijd kosten en zelden van de ene op de andere dag worden bereikt. Hoewel de protesten van augustus in veel opzichten een succes waren, is Moldavië daarmee niet als bij toverslag van alle plagen verlost.
En terwijl jonge Moldaviërs nog steeds worstelen met de cruciale vraag of ze moeten blijven of vertrekken, maakt hun betrokkenheid duidelijk dat er nog altijd voldoende mensen zijn die bereid zijn hun stem te verheffen en te vechten voor verandering. Hun stem en strijd kunnen van doorslaggevend belang zijn bij de komende parlementsverkiezingen, in februari 2019.
Tekst : Victoria Colesnic
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Fotografie : Ramin Mazur
Are We Europe
Stichting Are We Europe (AWE) is opgericht als platform voor Europese storytelling. In Europa heerst toenemende onvrede en onzekerheid. Grenzen gaan dicht, en tegelijkertijd groeit er een generatie op die geen grenzen kent. AWE verzamelt en vertelt hun verhalen.
Het marmer van India’s beroemdste monument slaat als gevolg van vervuiling groen en geel uit. Milieuactivist M.C. Mehta pleit voor maatregelen.
Onlangs oordeelde het hooggerechtshof dat de Archaeological Survey of India (ASI) ‘aan de kant moet worden gezet’, als we de Taj Mahal nog willen redden. De dienst antwoordde het hof dat het internationale experts wilde gaan inschakelen om het zeventiende-eeuwse monument voor de ondergang te behoeden. Het hof had al eerder zijn zorgen geuit over de kleurverandering van de Taj. Het vroeg zich af hoe het had kunnen gebeuren dat het witte marmer eerst geel was geworden, en vervolgens bruin en groen begon uit te slaan. Het hof had een pleidooi aangehoord van M.C. Mehta, misschien wel India’s bekendste milieuactivist, die eiste dat de Taj Mahal tegen luchtvervuiling beschermd zou worden. Al in 1996 had het hof, in een vergelijkbare zaak van Mehta, een scala aan maatregelen bevolen, onder andere de sluiting van fabrieken in de omgeving, om het monument te beschermen. Nu, meer dan twintig jaar later, vertelt Mehta hoe opeenvolgende regionale en nationale regeringen, evenals de Archaeological Survey of India, na deze beslissing van het hof nalieten maatregelen te nemen. Daardoor konden de stervende rivier de Yamuna en de insecten die zich erin voortplanten de Taj langzaam vermoorden.
IE: Waardoor is het marmer van de Taj Mahal verkleurd?
M.C. Mehta: ‘De verkleuring is aan meerdere factoren te wijten. Ten eerste zorgen de vervuilende industrieën en uitlaatgassen in de Taj Trapezium Zone [een gebied rondom de Taj Mahal waar strenge milieuregels gelden] voor aanslag op het gebouw. Ten tweede is de rivier de Yamuna, die er direct achterlangs stroomt, extreem vervuild geraakt. Er is geen enkel leven meer in het water, wat leidt tot algengroei en een insectenplaag aan de oevers.’
Hoe vervuilen deze insecten de Taj?
‘De bron van het probleem is de uitgedroogde Yamuna, die geen gezonde ecologische doorstroming meer heeft. Zoals beschreven in het rapport van de Archaeological Survey of India vermenigvuldigen insecten zich in de vervuilde drek van de vroegere rivier, waarna ze ’s avonds de Taj Mahal aanvallen. Vroeger zwommen er vissen in de rivier, die de insecten en hun larven opaten, maar door de ernstige vervuiling van het water zijn er nu geen waterdieren meer over.’
En waar komen de vlekken op het marmer van de Taj dan precies vandaan?
‘Zoals vermeld in het rapport Insect Activities at Taj Mahal and Other Monuments van de ASI, worden de groene en zwarte vlekken veroorzaakt door een bepaald type insecten. Ze zitten vooral aan de noordkant van de Taj Mahal. Ook andere gebouwen langs de Yamuna, zoals de tombe van Itimad-ud-Daulah, de Mehtab Bagh en ook gedeeltes van het fort van Agra, hebben onder de insecten te lijden.’
‘Door de laksheid van landelijke en regionale overheden is Agra uitgegroeid tot de op zeven na meest vervuilde stad ter wereld, gemeten naar PM2,5-niveaus [fijnstofdeeltjes die kleiner zijn dan 2,5 micrometer]. Dat schrijft de Wereldgezondheidsorganisatie in een onlangs verschenen rapport. Het parlementair comité voor Wetenschap, Technologie, Milieu en Bossen concludeerde in 2015 dat de vervuiling niet alleen zorgwekkend is vanwege de gezondheidsschade die ze oplevert, maar ook vanwege de schade die ze toebrengt aan ons cultureel erfgoed. Dit alles wordt nog verergerd door ongebreidelde bebouwing en inperking van het areaal van deze monumenten.’
Het hooggerechtshof oordeelde dat de ASI ‘aan de kant moet worden gezet’, als we de Taj nog willen redden. Wat kunnen buitenlandse experts voor de Taj doen dat de ASI zelf niet zou kunnen bewerkstelligen?
‘Feit is dat de situatie er de laatste tijd niet beter op is geworden, maar zelfs slechter, en nu echt een kritiek punt heeft bereikt. Er moet een grondig onderzoek en een plan van aanpak komen, van erkende internationale experts en instellingen op het gebied van conservatie en erfgoedbehoud. De Taj Mahal staat op de Werelderfgoedlijst. Voor een breder perspectief en een gefundeerde visie is het noodzakelijk de mening van zowel Indiase als buitenlandse experts te horen.’
Hoe is de situatie nu, in vergelijking met het moment dat u de problemen met de Taj Mahal voor het eerst onder de aandacht bracht?
‘In 1984, toen er voor het eerst bij het Hooggerechtshof werd geëist dat de Taj Mahal beschermd zou worden, was de situatie veel beter dan nu. Het hof stelde een duidelijk plan van aanpak op en stelde maatregelen voor, zoals het uitroepen van de stad Agra tot nationaal erfgoed. Als de nationale en deelstaatregeringen die we sinds die tijd hebben gehad Agra inderdaad tot nationaal erfgoed hadden uitgeroepen, was de situatie nu misschien wel optimaal.’
Vandaag, 35 jaar nadat u het Hooggerechtshof inschakelde, lijkt het over precies dezelfde thema’s te gaan als toen. Wat is er misgegaan bij onze pogingen om deze monumenten te behouden?
‘In plaats van maatregelen te nemen, zoals het uitroepen van Agra tot Erfgoedstad, hebben de autoriteiten vervuilers alle ruimte gegeven en projecten laten doorgaan die haaks stonden op de doelstelling het milieu te beschermen en de gebouwen in de Taj Trapezium Zone te behouden.’
Auteur: Somya Lakhani
Vertaler: Valentijn van Dijk
Deze zelfbenoemde ‘enige krant van India’ is de grootste concurrent van The Times of India. Staat bekend om zijn strijdlust en journalistieke moed en duikt graag in politieke en financiële schandalen. De zondagseditie heeft extra aandacht voor cultuur.
Twee geliefden vertellen elkaar in de slaapkamer verhalen. Op basis van dit klassieke gegeven schreef de Egyptische auteur Ezzedine Chroukri Fishere een ophefmakende roman over de sluimerende Egyptische revolutie.
Sinds het verschijnen van The Yacoubian Building (2002) van Alaa al-Aswany heeft geen boek in Egypte tot zo veel ophef geleid als de zesde roman van Ezzedine Choukri Fishere – het dystopische Exit Door, waarin een lid van de Moslimbroederschap president wordt, om vervolgens door zijn minister van Defensie ten val te worden gebracht. Het boek verscheen in 2012, nog voor de verkiezing en de uiteindelijke val van president Mohamed Morsi, een Moslimbroeder.
Fishere had het vervolg – waarnaar reikhalzend werd uitgekeken, en dat een paar dagen geleden is verschenen bij Al-Karma – ‘Post-revolutionary bed-time stories from Egypt’ kunnen noemen, of ‘The most dangerous tales of Shahrazad’. Maar dat heeft hij niet gedaan, het boek heet Kol Hasa al-Haraa (‘Al die onzin’), en net als in het rauwe Exit Door spaart hij zichzelf noch de lezer. Het is een ambitieuze roman, een wilde verzameling van alle belangrijke revolutionaire gebeurtenissen die de afgelopen zes jaar in Egypte hebben plaatsgevonden, met thema’s zoals de buitenlandse financiering van activisten, seksueel geweld, politiegeweld, homoseksualiteit, corruptie en terrorisme. Alle protagonisten zijn betrokken bij gebeurtenissen als de revolutie van 25 januari, de rellen in Mohamed Mahmoud Street of de bloedbaden van Maspero, Port Said of Rabea al-Adaweya.
Ze leveren zich over aan een koortsachtige stroom van verhalen, slechts onderbroken door slaap, seks of eten
Zo’n aanpak kan al snel doorschieten, maar de vijftigjarige Fishere heeft met schijnbaar gemak een kleverig spinnenweb gesponnen dat de lezer al snel inkapselt. Al meteen vanaf de openingsscène – waarin Omar en Amal, die elkaar niet lijken te kennen, in hetzelfde bed ontwaken, kort nadat Amal is vrijgekomen uit de gevangenis – was deze lezer in ieder geval 324 pagina’s lang nauwelijks meer in staat het boek weg te leggen.
Amal is een negenentwintigjarige Egyptisch-Amerikaanse jurist die gevangen is gezet omdat ze werkte voor een organisatie die illegaal door het buitenland werd gefinancierd (er wordt een impliciete parallel getrokken met de ngo’s die in 2011 keihard werden aangepakt). Ze heeft afstand gedaan van haar Egyptische staatsburgerschap zodat ze maar één jaar de gevangenis in hoefde (een detail dat ontleend zou kunnen zijn aan het lot van de Al Jazeera English -producer Mohamed Fahmy) en moet nu binnen 48 uur het land verlaten. Omars situatie is volkomen anders: hij is tweeëntwintig, van arme komaf, en hij werkt als taxichauffeur. Hij gaat ermee akkoord om tot Amals vertrek bij haar te blijven, in haar appartement in Zamalek, en haar verhalen te vertellen om haar op die manier bij te praten over wat er allemaal is gebeurd in het jaar dat zij heeft vastgezeten. Ze leveren zich over aan een koortsachtige stroom van verhalen, slechts onderbroken door slaap, seks of eten.
De roman bestrijkt de 48 uur die ze in haar appartement doorbrengen en is opgedeeld in acht hoofdstukken. In zes van die hoofdstukken vertelt Omar verhalen over vrienden of familieleden, en de andere twee hoofdstukken zijn gewijd aan Amal en hem, die elkaar over zichzelf vertellen. Omars verhalen worden zo nu en dan onderbroken door Amal, met vragen of cynische opmerkingen, waarmee ze Omars sombere kijk op de wereld probeert te doorbreken. Haar Egyptische Arabisch is niet al te best, dus zij praat in het Engels, dat omwille van de lezer wordt omgezet in klassiek Arabisch, en niet in spreektalig Arabisch – behalve wanneer ze vloekt. Hun grappige gesprekken en Fishere zelf die af en toe als verteller tussenbeide komt met een ironische opmerking, bieden enig tegenwicht aan de zwaarte van Omars verhalen – de meeste van zijn vrienden zijn vermoord, gevangengezet of verbannen. In de vele dampende seksscènes tussen de twee verwijst Fishere naar geslachtsdelen als ‘lichaamsdelen waarvoor een rechter je gevangen kan zetten als je ze hardop benoemt’, alsof hij op die manier de zelfingenomen moraalridders onder zijn lezers – van de soort die Naji voor de rechter hebben gesleept – wil tarten.
‘Hoe is het mogelijk dat een taal die door driehonderd miljoen mensen wordt gesproken geen algemeen aanvaarde synoniemen kent voor de helft van de lichaamsdelen die ze herhaaldelijk en dagelijks aanraken, of voor de handelingen die ze verrichten?’ vraagt Omar zich af in het eerste hoofdstuk. ‘Alsof een of andere gezaghebber de Arabieren heeft veroordeeld tot een totaal stilzwijgen, waardoor ze al deze dingen doen, al deze lichaamsdelen aanraken en zien, zonder erbij te praten, zonder ook maar een woord te zeggen. Wat is dat voor vorm van onderdrukking?’
Ezzedine Choukri Fishere.
Soms zegt Amal spottend Mawlay (mijn heer) tegen Omar, een omkering van het Sheherazade-motief. Misschien vertelt Omar de verhalen domweg om in de buurt te kunnen zijn van Amal, op wie hij verliefd begint te worden. Maar anders dan in De vertellingen van Duizend-en-een-nacht, waarin Shererazade Sjahriaar het ene na het andere verhaal vertelt zodat de koning haar zal sparen, wijst Fishere er in het voorwoord op dat zowel hijzelf als zijn fictionele protagonisten door deze verhalen in de gevangenis kunnen belanden. Fishere dreigt spottend degenen die het op hem hebben voorzien in zijn volgende boek op te voeren en zo wraak te nemen.
Herdenken is natuurlijk ook een motief in dit werk. Misschien wil Fishere ons domweg herinneren aan iets wat de afgelopen drie jaar systematisch naar de achtergrond is gedrongen: de revolutie van 25 januari en alle gruwelijkheden die zijn begaan in de strijd tegen de revolutionairen. Het lijkt niet toevallig dat zijn boek is verschenen vlak na de zesde herdenkingsdag van de revolutie.
All That Rubbish is, net als Exit Door, een politieke roman waarin fictie en realiteit in elkaar overlopen. In het vierde hoofdstuk haalt Fishere een artikel aan van Mada Masr, uit 2014, over veiligheidstroepen die op gruwelijke wijze een activiste hebben verkracht. Fishere voert haar ten tonele als een van zijn gekwelde personages en laat zien wat voor effect de verkrachting op haar leven heeft. Door het in een literaire vorm te gieten helpt hij ons eraan herinneren welk lot leden van de oppositie kan treffen. Een goed boek kan eeuwig meegaan, terwijl nieuwsfeiten vaak gedoemd zijn om in de vergetelheid te raken – al helemaal wanneer niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de misdaden. Omdat Amal herhaaldelijk Omars geloofwaardigheid in twijfel trekt, en hem ervan beschuldigt het allemaal te verzinnen, worden we er juist aan herinnerd dat de misdaden maar al te reëel zijn, doordat zijn verhalen van geen wijken weten.
Niet alle verhalen zijn echter even sterk. In het derde hoofdstuk vertelt Omar over het lot van drie ‘ultra’s’ van Ahly Football Club, van wie er twee zijn omgekomen tijdens het bloedbad van Port Said in 2012. Maar hier romantiseert Fishere te zeer – de mannen worden enkel afgeschilderd als hardwerkende, heldhaftige en onschuldige jongens. Het is zelfs zo erg dat ik die stukken bijna heb overgeslagen. Het is duidelijk dat de verteller sympathie wil kweken, aangezien de ultra’s door de staatsmedia herhaaldelijk zijn weggezet als tuig en herrieschoppers, maar hier slaat Fishere door.
Het zette mij ertoe aan me een voorstelling te maken van zijn lezerspubliek. All That Rubbish is een roman die uitgesproken pro-revolutie is, een boek dat vermoedelijk zal worden gelezen door gelijkgestemden. Afhankelijk van de reacties die het oproept, zullen misschien meer mensen geneigd zijn in dit boek te duiken – een boek dat meerdere thema’s kent, zoals overspel, huwelijksproblemen en het groeiende zelfinzicht van twee jonge geliefden.
Er zijn ook hoofdstukken die een oorspronkelijke kijk bieden op de sociale mechanismen die onze perceptie vormgeven. Een voorbeeld daarvan is de pijnlijke coming out van een homostel, een ander voorbeeld is de tragische liefdesgeschiedenis van een sympathisante van de Broederschap en haar vriendje. Dit zijn momenten waarop Fishere met het vergrootglas van de schrijver inzoomt op de microvezels waaruit onze dagelijkse opvattingen en gedragingen bestaan.
Ander pad
All That Rubbish heeft alles in zich om een bestseller te worden, wat hopelijk weer andere schrijvers aanmoedigt om ook een ander pad in te slaan dan in de meeste romans die tot nog toe over de revolutie zijn verschenen, en die vooral dystopisch van aard zijn – van Basma Abdel Aziz’ The Queue tot Mohamed Rabies Otared — wellicht omdat er een soort consensus bestond dat het nog te vroeg was om onverbloemd te schrijven over iets wat nog altijd gaande was.
Uit Exit Door sprak een optimistische toekomstvisie, ondanks alle politieke onrust. All That Rubbish is veel soberder. De roman begint met een wijs gezegde: ‘Je kunt maar beter slapen op de ellendige dagen.’ Omar en Amal lijken te hebben besloten dat ze zich maar het beste gedeisd kunnen houden en domweg moeten proberen te overleven zonder al te zware persoonlijke verliezen. Zeven van de acht hoofdstukken beginnen ermee dat de een de ander vraagt of hij al wakker is, waarmee Fishere lijkt te willen zeggen dat we, om het einde te halen van deze winterslaap waaraan geen einde lijkt te komen, best af en toe even wakker mogen worden om te eten, te vrijen en verhalen te vertellen, zolang we maar niet vergeten. Maar Amal en Omar lijken geen moment in staat zich echt over te geven aan de slaap.
Een Egyptisch blog dat onder auspiciën staat van de journalisten van de Egypt Independent (de Engelse versie van Al Masry al-Youm). ‘Mada Masr’ betekent: over Egypte.
De Vietnamese regering vervolgt haar critici met harde hand, en aarzelt niet om dissidente journalisten op te sluiten. De Thaise website Khaosod sprak in Ho Chi Minhstad met twee activistische Vietnamese bloggers.
Het was halverwege de ochtend toen twintig politieagenten van de Veiligheidsdienst van de Volksrepubliek Vietnam een kleuterschool in het centrum van Saigon binnenvielen op zoek naar Pham Chi Dung. Voor de ogen van de geschrokken ouders, leraren en kinderen, onder wie zijn driejarige zoon, werd hij weggevoerd.
Dit was een van de drie keer in 2015 dat Dung, vijftig, zomaar werd gearresteerd door de politie in Ho Chi Minhstad. Hij werd in hechtenis genomen en onderworpen aan een urenlange ondervraging waarbij psychologische druk op hem werd uitgeoefend. Dit alles in de hoop dat hij toe zou geven of bewijs zou leveren dat hij een misdaad had gepleegd die in de meeste landen wordt beschouwd als een mensenrecht.
‘Ze deden alsof ik een terrorist was,’ zegt hij.
‘Op dit moment zitten er drie politieagenten in de coffeeshop naast mijn huis die mijn doen en laten in de gaten houden en me volgen’
Dung is een dissidente blogger die het aandurft om de staatscontrole op de media te tarten, en de draconische wetten inzake kritiek op de regering te trotseren. Hij en nog een activistische blogger gaven recentelijk, na een reeks acties tegen Vietnamese bloggers, een aantal interviews om hun strijd toe te lichten, de Vietnamese censuur te vergelijken met die van Thailand en de rol van de internationale gemeenschap in hun strijd voor een vrije pers uiteen te zetten.
Dung was dertig jaar lid van de Vietnamese Communistische Partij, maar viel uit de gratie wegens zijn onomwonden uitspraken. Maar hij liet zich niet het zwijgen opleggen. Toen hij werd vrijgelaten, bleef hij onregelmatigheden van de regering aan de kaak stellen. Hij hielp bij de oprichting van de Vietnamese Onafhankelijke Journalistenvereniging, waarvan hij nu voorzitter is en die tot doel heeft mensenrechtenschendingen van de Communistische Partij aan het licht te brengen.
De vereniging heeft opmerkelijke partijschandalen geopenbaard waarbij nepotisme, landtoe-eigening en corruptie een rol spelen. Hun website, de Vietnam Times, veroordeelde onlangs de aanhouding van twee activistische dissidente bloggers: Nguyen Ngoc Nhu Quynh, alias ‘Me Nam’, en Ho Van Hai. Zij werden in oktober gearresteerd en op 2 november aangeklaagd wegens propaganda tegen de staat onder Artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht. Daarvoor zouden ze een gevangenisstraf van twintig jaar kunnen krijgen.
‘Dat is normaal,’ zegt Dung, omdat er volgens hem tegen het eind van het jaar meer mensen werden gearresteerd. ‘De politie wil het jaar afsluiten met een “prestatie”, dus volgen er arrestaties.’
Toch heeft Dung het gevoel dat er verandering op komst is in het land. Volgens hem treden de autoriteiten ook zo streng op tegen critici omdat ze bang zijn voor een opstand. Maar strafexpedities tegen dissidenten, zegt hij, werken alleen maar averechts. ‘Het moedigt anderen aan tot acties. Het verlangen naar meer democratie is heel sterk. Het gaat slecht met de economie, er is veel corruptie en de mensen leven al heel lang in een dictatuur. De vijf procent aan de top gaan over de economie en mensen haten de regering, maar ze zwijgen. Ze kunnen zich niet uiten omdat ze bang zijn vervolgd te worden.’
Met die vervolging levert Dung dagelijks strijd. Voor de mensen die hem steunen zijn hij en zijn kameraden vrijheidsstrijders, maar de regering ziet hen als een bedreiging voor de stabiliteit van het land. ‘Op dit moment zitten er drie politieagenten in de coffeeshop naast mijn huis die mijn doen en laten in de gaten houden en me volgen,’ zegt Dung, die bijna klinkt alsof hij een leven waarin hij constant in de gaten wordt gehouden heeft geaccepteerd.
Dit soort situaties maken dat Vietnam slecht scoort op het gebied van transparantie, en dat het wordt beschouwd als een van de slechtste landen om journalist te zijn. ‘Ze willen de invloed van de Journalistenvereniging verminderen om te vermijden dat mensen geïnformeerd worden over wat er zich in werkelijkheid afspeelt in dit land,’ zegt Dung.
Blogger en activist Pham Chi Dung.
Dinh Cong Le (48) is een medestander van Dung in de strijd om de vrijheid van meningsuiting. Deze voormalige advocaat stelde al in 2003 mensenrechtenschendingen aan de kaak. Hij werd gearresteerd, en in 2009 werd zijn licentie als advocaat ingetrokken nadat hij en vier andere activisten beschuldigd werden van propaganda voeren tegen de staat. Een van hen kreeg een straf van zestien jaar en zit nog steeds in de gevangenis. ‘Ik kreeg vijf jaar, maar dankzij druk van de internationale gemeenschap werd ik een jaar eerder vrijgelaten. Wel kreeg ik nog drie jaar huisarrest opgelegd,’ vertelt Le.
Le is ook een vooraanstaande blogger die de persvrijheid verdedigt. Hij wordt veel gevolgd door internetgebruikers binnen en buiten Vietnam, en zijn kritische Facebook-posts krijgen binnen enkele uren duizenden likes.
Maar zo veel roem heeft een prijs. Le heeft te kampen met dezelfde problemen als Dung. ‘Ik word overal gevolgd. Als ik naar andere regio reis, zoals naar het noorden van Saigon, volgen ze me. Vandaag ben ik vrij, maar morgen kan ik weer in de gevangenis zitten.’
Een tijdje geleden was hij op weg naar de havenstad Vung Tau om een conferentie te bezoeken. ‘Plotseling verschenen meer dan honderd agenten om onze groep van dertig mensen te arresteren,’ vertel hij. Le en zijn mensen werden herhaaldelijk geslagen, gearresteerd en tien uur lang in hechtenis gehouden. Na te zijn onderworpen aan een slopend verhoor was hij de laatste die werd vrijgelaten. Het was na middernacht. ‘Ze lieten ons om één uur ’s nachts vrij midden op een donkere snelweg. Ik wist niet hoe ik terug moest komen naar Vung Tau omdat ze me mijn telefoon en bagage hadden afgenomen. Ik moest een halfuur over de donkere weg lopen voor ik een taxi vond.’
Internationale steun
Gevraagd om de censuur in Vietnam te vergelijken met die in de rest van Zuidoost-Azië, en in het bijzonder Thailand, zegt Dung dat Artikel 88 minder abstract is dan Thailands Artikel 112, waarin het beledigen van een lid van de koninklijke familie bestraft kan worden met maximaal vijftien jaar gevangenisstraf per vergrijp. Die wet op majesteitsschennis wordt in Thailand al ruimer toegepast, maar in Vietnam heeft hij betrekking op de hele regering. ‘Thailand heeft ten minste een geschiedenis van een meerpartijendemocratie. Hier mogen we geen kritiek hebben op de Communistische Partij. Kritiek op die partij in Vietnam staat gelijk aan kritiek op de koning in Thailand,’ zei Le. Volgens hem is het fundamentele verschil dat de ene wet toezicht uitoefent op het hele politieke systeem, terwijl de andere apolitiek is.
Le en zijn collega’s moeten vanuit huis opkomen voor hun zaak; de regering vindt hen namelijk bedreigend genoeg om ze te verbieden te reizen. ‘Afgelopen augustus was ik uitgenodigd voor een conferentie over de burgermaatschappij in Oost-Timor. Ik stond op het punt in het vliegtuig te stappen, toen ik te horen kreeg dat ik geen toestemming had om te vertrekken.’
Le meent dat er in zoverre vooruitgang is geboekt dat er nu druk op de regering wordt uitgeoefend om in elk geval naar andere opinies te luisteren. Hij vertelt over de onderdrukte woede van de Vietnamezen over schandalen die onbestraft zijn gebleven, zoals het dumpen van zwaar giftig afval, en beschrijft het politieke systeem als zwak en op het punt van instorten.
Le: ‘De regering is bang dat we onze stemmen blijven verheffen. Op 22 oktober waren er protesten tegen de Formosa Plastic Group [een bedrijf dat uiteindelijk 500 miljoen dollar schadevergoeding moest betalen wegens het veroorzaken van een milieuramp] die de regering niet onder controle kon krijgen. Ze willen niet dat dit nog verder escaleert. We zijn een blok aan hun been omdat we de kwestie niet laten rusten. Het fenomeen mag zich niet verspreiden naar andere regio’s of steden.’
Le zegt dat hij niet bang is voor een nieuwe arrestatie omdat hij al eens een gevangenisstraf heeft uitgezeten en niets te verliezen heeft. ‘Niemand wil gearresteerd worden. Maar als ik weer in hechtenis wordt genomen voor het verspreiden van mijn ideeën, dan bewijst dat dat de regering niet van plan is te veranderen. Ik ben bezorgd over mensen die nog nooit in de gevangenis hebben gezeten, want zij zijn wel bang. Ze kijken altijd om zich heen als ze iets willen zeggen.’
Ondanks het huidige klimaat zien beide bloggers redenen om optimistisch te zijn. Dung denkt dat zijn organisatie uiteindelijk erkend zal worden door de regering en openlijk te werk zal kunnen gaan. ‘Misschien in 2017,’ zei hij met een hoopvolle blik. ‘We willen een centrum zijn voor de strijd om vrijheid van meningsuiting als voorwaarde voor een burgermaatschappij in het toekomstige Vietnam.’
Le, overtuigd van het belang van zijn actiegroep voor een vrije pers, vertelt dat de bloggersgemeenschap telkens groter wordt en vergelijkt zijn inspanningen met het ontkiemen van een zaadje, dat hopelijk ooit tot bloei zal komen. ‘Op de dag dat onze ideeën zullen floreren, zal de Vietnamese maatschappij veranderen. Bloggers en activisten zoals ik hebben een wankele toekomst. We weten nooit wanneer we gearresteerd zullen worden. Maar onze ideeën zijn onwankelbaar. Ooit zullen ze werkelijkheid worden.’
Opgericht in 1991. ‘Vers nieuws’ is een nationale Thaise krant. Gematigd, liberaal. Breed georiënteerd en ‘upcountry-focused’.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.