Tag: Al Nusra

  • Hebben we een jihadist in huis gehaald?

    Hebben we een jihadist in huis gehaald?

    Een Zweeds gezin neemt een Syrische vluchteling in huis – uit medeleven, om een kind te helpen dat zegt te zijn ontsnapt uit een IS-gevangenis. Maar gaandeweg raakt de jongen verstrikt in leugens over zijn huiveringwekkende verleden, en realiseren ze zich dat ze geen idee meer hebben wie er onder hun dak woont. 

    Keuze uit het archief

    Sinds de eerste Oekraïense vluchtelingen in Nederland arriveerden en opgevangen werden bij mensen thuis, kwamen er verhalen naar buiten van situaties waarin wrijving ontstond tussen gastgezin en gasten. Dit artikel uit 2017, tijdens de vorige grote vluchtelingenstroom, laat zien hoe ingewikkeld het kan zijn – ondanks alle goede bedoelingen – om vluchtelingen in eigen huis op te vangen.

    Achter in de boot zingt een van de jongens boven het ronken van de motor uit, misschien uit blijdschap, misschien uit verveling, misschien wel uit angst – al lijkt zijn gevoeligheid voor dreiging, die sowieso al nooit zo groot was, volledig afgestompt na vier jaar oorlog in Syrië. De anderen bidden. O zee, wees genadig! zingt de jongen. ‘Hou je mond!’ zeggen de anderen. Tegen het einde van oversteek, wanneer ze Turkije ver achter zich hebben gelaten, begeeft de motor het. De jongen laat zich over de rand van de rubberboot zakken en spartelt in de richting van de Griekse kust, die een paar honderd meter ver is. Ook dit is een blijk van zijn roekeloze natuur, want het water is koud en de zee is ruw. De anderen blijven in de boot.

    Een reddingswerker zwemt naar de jongen toe en trekt hem mee naar het strand van het eiland Lesbos. Een verpleegster brengt hem naar een tent. ‘Oké, vertel,’ zegt ze. ‘Wat wilt u weten?’ vraagt de jongen. Hij zit nu op een warme, droge plek, maar hij weet niet goed wie deze vrouw is.

    ‘Alles. Ik wil alles weten,’ antwoordt de verpleegster. De jongen zegt dat hij Paul heet en zestien jaar is. Hij is breedgebouwd en ziet er gezond uit, heeft stevige armen en benen, grote handen, een diepe, peinzende rimpel in zijn voorhoofd en donkere, diepliggende ogen. Hij heeft iets afstandelijks en ondoorgrondelijks, maar ook iets heel innemends, haast iets sluw. Hij praat een beetje houterig, alsof hij bepaalde feiten net uit zijn hoofd heeft geleerd, maar de verpleegster vindt zijn verhaal in grote lijnen geloofwaardig. Als christen in het door oorlog verscheurde Syrië, vertelt hij, is hij geregeld gevangengezet door jihadisten. Hij werpt een blik op de hidjab van de verpleegster. ‘Misschien bent u wel een van hen?’ zegt hij. Het is grappend bedoeld. De jongen heeft nooit kunnen vermoeden dat zijn eerste contact in Europa met een moslima zou zijn die Syrisch Arabisch spreekt, en hij is argwanend. ‘Ben je gek,’ zegt ze.

    De vrouw is een Syrische Zweedse, uit Stockholm, die is gekomen om de honderdduizenden vluchtelingen en migranten te helpen die dat jaar op Lesbos aankomen. Ze gaat binnenkort weer terug naar huis en ze biedt aan om Paul te helpen daar een nieuw leven op te bouwen. Tien dagen later, op 9 oktober 2015, zit hij in Stockholm. Hij is nog heel jong en voor hem is het voornamelijk een avontuur om naar Europa te gaan, hij heeft geen echt doel voor ogen. Wel heeft hij gehoord dat Zweden bekendstaat om het ruimhartige vluchtelingenbeleid.

    Niet angstaanjagend

    Lina, een van de vriendinnen van de verpleegster, is arts. Zij mag de jongen graag en nodigt hem geregeld uit bij haar thuis, waar ze met haar man Otto en hun drie tienerdochters woont. (De namen van Lina, Otto en de jongen zelf zijn gefingeerd.) Ze vindt Paul ‘op de een of andere manier heel kwetsbaar en innemend,’ zegt Lina. ‘Hij wist – hoe zal ik het zeggen – precies de juiste snaar te raken, meteen al vanaf het eerste moment. Hij raakt je.’

    Anderen vinden hem onhandelbaar. 
De verpleegster heeft weten te regelen dat Paul onderdak krijgt bij een andere vriendin, maar die vraagt hem na enige tijd om weer te vertrekken. Zijn slaappatroon is grillig, net als zijn stemmingen. Maatschappelijk werk plaatst hem bij een wat oudere vrouw, maar daar neemt hij al na een paar dagen de benen. In een klein opvangcentrum voor minderjarige vluchtelingen weigert Paul alles wat hem wordt aangeboden, behalve snoep en sigaretten. Hij slaat tegen de muren en gaat met anderen op de vuist. Later breekt hij de kop van een beveiligd scheermes open en snijdt zijn pols door.

    Lina is in het verleden psychiatrisch verpleegkundige geweest. Zij vindt Pauls aanvallen niet angstaanjagend – ze vindt het eerder pijnlijk om van een afstand te moeten aanzien. Zij en Otto hebben het erover de jongen in huis te nemen. Niet alleen raken ze meer en meer op hem gesteld en vinden ze dat ze iets moeten doen voor de vluchtelingen die naar hun land komen, maar ook gaat het al een paar jaar niet zo lekker in hun huwelijk 
en ze vragen zich af of een dergelijk project – dat naar hun gevoel iets heel zuivers heeft, gewoon doen wat er gedaan moet worden – een springplank zou kunnen zijn voor een nieuw begin, zoals Otto het formuleert. Begin december zijn de vereiste papieren rond en neemt Paul zijn intrek bij het gezin.

    Ze weten vrijwel niets over zijn verleden. Zijn Zweeds is te slecht om er gedetailleerd over te vertellen. Lina en hij ontwikkelen al snel de gewoonte om na het eten een wandeling te maken, soms lopen ze uren en uren in het licht van de straatlantaarns. Gaandeweg begint ze zich in grote lijnen een beeld te vormen van zijn leven. Paul is afkomstig uit Shadadi, een kleine plaats in de oostelijke woestijn die bijna drie jaar bezet is geweest door jihadisten. Hij was de jongste van tien broers, die allemaal – samen met zijn ouders en drie zussen – in Syrië zijn gebleven. Hij is gevangengenomen, zo lijkt het, door zowel IS als Al-Qaida, die tegen elkaar streden om de controle over het oosten van Syrië.

    Paul heeft vrijwel geen bezittingen wanneer hij in Zweden arriveert. Wel heeft hij een papiertje, dat hij heel zorgvuldig heeft bewaard. Hij heeft het meegenomen uit Syrië – een paar keer dubbelgevouwen en goed weggestopt. Na een tijdje, als hij zich op zijn gemak voelt met Lina, laat hij haar het briefje zien. Hij kijkt er beschaamd en berouwvol bij, herinnert Lina zich. Hij heeft het briefje vele maanden eerder gekregen, in de gevangenis, maar hij heeft het nog aan niemand laten zien en nu is hij bang dat de schrijver van het briefje, een Amerikaanse journalist, dood is. Het briefje begint:

    ‘Gaat goed maar heb dringend hulp nodig. Iemand moet mijn regering duidelijk maken dat het van het grootste belang is dat ze snel handelen. Ik 
ga niet op de details in maar één ding is duidelijk. Ze kunnen nu onderhandelen over een oplossing of ze kunnen wachten, het bewust rekken. Als ze voor dat laatste kiezen zal ik er niet meer zijn om over te onderhandelen. Het is hier domweg te gevaarlijk. De mannen die mij gevangen houden zijn te grillig. Ze moeten vandaag nog in actie komen, nu meteen, en ze mogen niet opgeven tot de klus is geklaard. Oké?’

    De ochtend nadat ze met hem Syrië zijn binnengegaan komt een van de mannen op hem af en geeft hem, zomaar uit het niets, een dreun in 
zijn gezicht

    Theo Padnos arriveert in 2012 aan de Syrische grens. Padnos, die op dat moment 44 is, wil verslag doen van 
de oorlog en van wat volgens hem de culturele en psychologische drijfveren achter de oorlog zijn. Hij deelt een kamer in een huis in de heuvels van een Turkse grensplaats en gaat vaak de bergrug op om uit te kijken over Syrië, slechts enkele kilometers verderop. Al snel leert hij drie jonge mannen kennen die beweren samen te werken met een Syrische oppositiegroep. Zij bieden aan hem mee te nemen. De ochtend nadat ze met hem Syrië zijn binnengegaan komt een van de mannen op hem af en geeft hem, zomaar uit het niets, een dreun in 
zijn gezicht.

    Twee jaar lang verdwijnt de wereld uit beeld. Padnos wordt vastgehouden door Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van Al-Qaida. Het is lastig om enige logica te bespeuren in de manieren waarop hij wordt gemarteld – met staalkabels, met vuisten, met mededelingen dat hij binnen afzienbare tijd zal worden vermoord. Een van de mannen zegt dat het geweld is bedoeld om zijn ziel te harden. Padnos is een man met een jongensachtige nieuwsgierigheid, en zelfs onder deze omstandigheden blijft zijn onderzoekende geest intact. Hij probeert de mannen geregeld te verleiden tot een praatje, informeert naar hun privéleven, hun overtuigingen. De meeste vragen worden afgewimpeld. Waar ze vooral niet op willen ingaan, is de vraag waaróm ze hun jihad voeren. Dan komen ze aanzetten met de gebruikelijke clichés over de islam 
die wordt bedreigd, de islam die zijn onderdrukkers zal afschudden en verpletteren.

    Het klinkt Padnos allemaal bekend in de oren. Hij heeft een tijd in Damascus gewoond en ook, op het hoogtepunt van de Irakoorlog, in Jemen, waar hij Arabisch heeft gestudeerd en zich in de islam heeft verdiept. In 2011 heeft hij een boek geschreven over zijn verblijf aldaar, waarin hij het ook heeft over de westerse toeristen die zijn ontvoerd en vermoord. ‘De meeste mensen daar begrijpen wel dat de strijders toeristen vermoorden,’ schrijft hij, ‘omdat zij – de buitenstaanders – te ver zijn gegaan, zich te diep hebben gewaagd in een gebied dat ze niet begrijpen, een gebied dat in de greep is van een rigide, zeer serieus geloof.’ Zelf is hij niet zo naïef. ‘Mijn hele identiteit als schrijver, als mens, stoelde erop dat ik het gebied begreep,’ zegt hij tegen me. ‘Ik had me niet “te ver” gewaagd. Bovendien was ik geen vijand, was ik geen toerist.’

    Syrië is in zekere zin een vorm van verraad. Hij was ervan uitgegaan dat hij, ongeacht de omstandigheden, mensen zou weten te overtuigen van zijn zuivere bedoelingen, en dat die bedoelingen ertoe zouden doen.

    In juni 2014 wordt hij overgebracht naar een cel met vloerbedekking, waar een aantal mannen en een jongen 
van een jaar of veertien worden vastgehouden. Het zijn strijders van Jabhat al-Nusra, wordt hem verteld, maar ze worden er – ten onrechte, zeggen ze – van beschuldigd te willen overlopen naar IS. Zoals gewoonlijk vraagt Padnos de mannen naar hun privéleven, en zoals gewoonlijk proberen ze zijn vragen af te wimpelen. De mannen mopperen dat hij niet zo moet ouwehoeren, maar bij de jongen vindt hij een gewillig oor. Op zeker moment vraagt Padnos aan de jongen wat voor hem het doel is van de jihad waaraan hij deelneemt. ‘De wereldoverheersing,’ antwoordt de jongen achteloos. Padnos moet hem ongelovig hebben aangekeken, want de jongen vervolgt glimlachend: ‘Dat lijkt jou zeker niet haalbaar?’ Voor Padnos is dit moment van menselijkheid haast een wonder. ‘Het was voor het eerst in twee jaar dat iemand erkende dat het misschien “niet haalbaar” was,’ zegt hij. De jongen houdt zich niet aan het script, valt uit zijn rol. Ik had echt iets van: ‘Goddank – eindelijk!’

    Na slechts een paar dagen krijgt de jongen te horen dat hij zal worden vrijgelaten. Padnos schrijft haastig een briefje, voor een vriend buiten Syrië, waarin hij om hulp smeekt. De jongen stopt het briefje weg wanneer hij vertrekt, en belooft dat hij hem zal helpen.

    Chatten op Facebook

    In december 2015 krijgt Padnos bericht van een Zweedse vrouw, die zegt dat een jongen die hij uit Syrië kent nu onder haar hoede is. De Amerikaan is vele maanden eerder vrijgekomen, kort nadat hij zijn briefje heeft geschreven – al is het niet dankzij dat briefje. Zijn vrijlating is te danken aan de regering van Qatar, die heeft bemiddeld bij de gesprekken met Jabhat al-Nusra. (Naar verluidt heeft de groepering een paar miljoen dollar aan losgeld ontvangen, al is dit nooit officieel erkend.) ‘Als ik het goed begrijp hebt u een van mijn oude celgenoten gevonden?’ schrijft 
hij terug. ‘Fijn dat u contact met me opneemt!’

    Padnos had zijn briefje ondertekend; Lina kwam er op internet achter dat hij is vrijgelaten en weet hem te vinden op Facebook. Ze stuurt foto’s van het briefje en van de jongen – die in Stockholm groente staat te snijden, die aan het voetballen is. Padnos herkent ogenblikkelijk de tiener met wie hij gevangen heeft gezeten. De jongen was toen echter geen christen, hij heette geen Paul en Padnos was ervan overtuigd dat hij een jihadist was.

    Hij zegt tegen de FBI dat er volgens hem in Zweden een lid van Jabhat al-Nusra woont, een jongen die zich 
voordoet als vluchteling. Hij deelt zijn ongerustheid niet met Lina. Hij hinkt op twee gedachten. Hij is ervan overtuigd dat de jongen in staat is tot geweld; in Syrië waren zulke kinderen meedogenloos tegen hem geweest. Maar ergens gelooft hij ook dat een jonge Syrische moordenaar, ver van zijn thuisland en de jihad, ver van de normvervaging die elke oorlog met zich meebrengt, tot op zekere hoogte onschuldig kan zijn. Het geweld in Syrië staat in dienst van iets veel sterkers, heeft hij het idee, een soort oerkracht die als een orkaan is aangezwollen en nu over het hele gebied raast en de bewoners in zijn greep houdt. ‘Het land is behekst,’ zegt Padnos. Dat geldt niet voor Zweden.

    Het ruimhartige vluchtelingenbeleid in Zweden is gebaseerd op een vergelijkbaar beeld van oorlog als een alternatieve werkelijkheid, op een bereidheid om de deelnemers te vrijwaren van veel van de morele oordelen die in vredestijd gehanteerd worden. Tijdens de Europese vluchtelingencrisis van 2015 neemt Zweden 163.000 asielzoekers op. In dat jaar worden er slechts 461 doorgestuurd naar de veiligheidsdienst, die in 29 gevallen uitzetting adviseert. Zelfs mensen van wie is vastgesteld dat ze een bedreiging vormen voor de veiligheid mogen in Zweden blijven als men van oordeel is dat in het land van herkomst hun mensenrechten in het gedrang komen.

    Deze vastberaden goedhartigheid wordt soms, vooral buiten Zweden, als dwaze goedgelovigheid beschouwd. (Eerder dit jaar heeft de regering-Trump een inreisverbod voor onbepaalde tijd ingesteld voor Syrische vluchtelingen.) Maar tot nog toe heeft dit tot weinig politiek geweld geleid. Zweden heeft slechts twee aanslagen door jihadisten meegemaakt; een in april van dit jaar, toen een Oezbeekse man die geen asiel had gekregen, met een vrachtwagen vijf mensen doodreed in het centrum van Stockholm, en een in 2010, waarbij alleen de van oorsprong Irakese aanslagpleger om het leven kwam.

    Paul is ‘een jonge man met ernstige trauma’s,’ schrijft Lina aan Padnos. ‘Ik ben heel blij dat hij zich bij ons veilig voelt, maar er hoeft maar iets te gebeuren of hij schiet in de stress.’ Ze vraagt Padnos geen contact met hem op te nemen zonder haar goedkeuring. Maar Padnos weet de jongen te vinden op Facebook en de twee beginnen te chatten. Ze zijn allebei blij dat de ander nog leeft, al zijn ze ook een beetje gespannen. De echte naam van de jongen is Ammar. ‘Wat onze vriend Paul betreft,’ schrijft Padnos aan Lina, ‘het is inderdaad een lieverd. Ik kan me hem nog goed herinneren.’

    Verhalenverteller

    Ammar mag graag verhalen vertellen, en hij heeft een loepzuiver gevoel voor tragikomische spanning – vermoedelijk het resultaat van een jeugd in oorlogsgebied. Zijn favoriete onderwerp is het absurde. Wanneer hij me vertelt wat hij heeft meegemaakt, lijkt hij geregeld te worden meegevoerd door zijn eigen verhaal, al lijken de vele zijpaden ook bedoeld om elke schijn van betrokkenheid bij Al-Qaida weg te nemen. Op een avond, nadat hij lange tijd heeft zitten peinzen, richt hij zich tot mij en vraagt, zo op het oog met een mengeling van woede en teleurstelling: ‘Denk jij dat ik een moedjahedien was?’ Ik zeg dat mij is verteld dat hij dat inderdaad was, maar ook dat hij dat in Zweden niet langer lijkt te zijn. ‘Als ik lieg,’ antwoordt hij cryptisch, ‘is dat niet om iemand te kwetsen, maar om mensen te beschermen.’

    Hij speelde spelletjes bij een computerclub, vertelt hij, toen de strijd in het voorjaar van 2011 Shadadi bereikte, 
de stad waar hij woonde. De militaire politie opende het vuur op een antiregeringsdemonstratie, en hij rende naar huis. Hij was elf.

    ‘Aan het begin van de revolutie stond 
ik aan de kant van het regime,’ zegt hij. ‘Want ik wist niet wat de revolutie inhield. Ik keek alleen maar tv-programma’s van het regime.’ Zijn vader werkte in de olie-industrie en had dus goede betrekkingen met de regering van Bashar al-Assad; Ammar werd dan ook met een zeker respect bejegend. 
Bij de bakker werd hij naar de voorkant van de rij geduwd wanneer hij het brood voor het gezin kwam halen. Ooit had dat hem vervuld van trots. Later, toen het regime begon te wankelen, verloor het gezin zowel hun huis als hun aanzien, en het werd Ammar 
duidelijk dat de buren nu anders naar 
hen keken. ‘Kijk nou wat hun is overkomen,’ zeiden ze, met een mengeling van leedvermaak en afgrijzen.

    Begin 2013 bezet Jabhat al-Nusra het gebied rond Shadadi, en elke dag komen er weer nieuwe geruchten dat de jihadisten spoedig zullen oprukken om de stad te ‘bevrijden’ uit de greep van Assad, zegt Ammar. Op de ochtend dat ze binnenvallen ligt hij te slapen in het huis van een broer. Hij schrikt wakker door de dreun van een zelfmoordaanslag met een vrachtwagen, en het daaropvolgende glasgerinkel. Hij rent naar buiten en wanneer hij langs de kapotgebombardeerde restanten komt van wat ooit een huis was, hoort hij een man kermen van de pijn. ‘Ik ben gaan kijken,’ vertelt hij. ‘Ik was nergens bang voor.’ Binnen treft hij een soldaat van het regeringsleger aan, die in zijn borst is geschoten. De man vraagt de jongen hem te helpen weg te komen, maar de jongen zegt dat het te gevaarlijk is om de straat op te gaan in een uniform van het regeringsleger. Dus pikt hij wat vrouwenkleren uit een ander verlaten huis, aldus zijn verhaal, en geeft die aan de gewonde man, die ze eerst weigert aan te trekken maar zich uiteindelijk toch laat overhalen. ‘Een gekke en treurige situatie,’ licht Ammar toe. Hij moet er een beetje om lachen dat hij zoiets durfde te bedenken.

    Of Ammar dit verhaal nu heeft aangedikt of niet, het is waar dat Jabhat al-Nusra begin 2013 Shadadi binnentrekt. Assads troepen hebben weinig gedaan om de bevolking voor zich te winnen, en die is er dan ook niet rouwig om dat ze vertrekken. ‘De jihadisten stelen niet,’ zegt Ammar. ‘De mensen zijn gelukkig.’ De strijders laten de lichamen van hun gesneuvelde vijanden gewoon op straat liggen, vertelt hij. Het is voor een jonge man weliswaar mogelijk om te overleven zonder zich aan te sluiten bij de jihadisten, maar een lidmaatschap heeft in ieder geval als voordeel dat je gevrijwaard blijft van hun gewelddadige optreden.

    Dat najaar krijgt IS een groot deel van Syrië in handen, en tegen het einde van het jaar heeft het Shadadi bevrijd uit handen van Jabhat al-Nusra. De twee legers hebben aangrenzende gebieden veroverd. Het is gevaarlijk om over de grenzen van deze bezette zones te reizen – om handel te drijven in nabijgelegen steden, bijvoorbeeld, of om familie te bezoeken. Beide groeperingen zijn beducht op spionnen. ‘Als je je in een gebied bevindt dat door Daesh wordt gecontroleerd,’ zegt Ammar, die de denigrerende naam voor IS gebruikt, ‘en je gaat naar gebied dat in handen is van al-Nusra, word je voor een spion aangezien.’ In een nabijgelegen plaats die in handen is van Jabhat al-Nusra, wordt een van zijn broers opgepakt op beschuldiging van samenwerking met IS. Ammar gaat naar hem op zoek. Dan wordt hij ook opgepakt.

    Hij belandt bij Padnos in de cel. De Amerikaan is broodmager en heeft een verwilderde bos haar, een stevige baard en een klein snorretje – de gangbare combinatie binnen het salafisme. De bewakers behandelen hem wreed. ‘Ik dacht dat hij IS was,’ zegt Ammar. Padnos begint er steeds maar over ‘dat Syrië zo mooi is’, zegt Ammar. Hij probeert de andere gevangenen te verleiden tot een praatje. De jongen vindt hem maar vermoeiend. ‘In het begin vond ik hem vervelend,’ zegt hij. ‘Maar na een tijdje zei ik tegen mezelf: “Wallah, geef hem een kans. Hij is hiernaartoe gekomen als journalist, om 
de gebeurtenissen te verslaan, en 
vervolgens is hij gemarteld.”’

    Na zijn vrijlating wordt Ammar naar Jabhat al-Nusra’s emir voor oostelijk Syrië gebracht, een Irakees die bekendstaat als Abu Mariyah al-Qahtani. De man vraagt hem om vergiffenis voor het feit dat hij gevangen is gezet en geeft hem een stapeltje Syrische ponden; de jongen zegt tegen de emir dat hij, in dat geval, met alle plezier nog een tijdje blijft. Hij herinnert zich dat Abu Mariyah in de lach schoot.

    Ze vraagt niet om nadere uitleg wanneer de jongen opbiecht dat hij geen Paul heet. Ze geloofde zijn verhaal van begin af aan niet helemaal

    Met Kerstmis is het bitterkoud in Stockholm, maar de sfeer is feestelijk. Lina koopt een mooie jas voor de jongen en laat hem de stad zien – de etalages van grote warenhuizen, de ijsbaantjes. Hij kijkt zijn ogen uit en Lina voelt zich weer een jonge moeder, die haar peuter laat kennismaken met de bescheiden wonderen van de wereld. Met Oudjaar krijgen ze ruzie over het vuurwerk. Hij wil het afsteken zoals 
hij dat in Syrië gewend was, zo uit de hand. ‘In Zweden doen we dat anders,’ zegt ze, geduldig maar vastberaden. 
Ze laat hem de vuurpijlen in de grond steken. Hij is razend, maar daar trekt Lina zich niets van aan. Zij kan ook koppig zijn, en ze schreeuwt gewoon terug. Hij gedraagt zich alsof hij dat volkomen begrijpt en het alleen maar fijn vindt: haar geschreeuw is, net als haar vergevingsgezindheid, een blijk van haar liefde.

    Lina is een lange, sterke vrouw met blauwe ogen, vlasblond haar en een scherpe neus, die iets omhoog krult. Haar gelaatstrekken verlenen haar een krachtige, beheerste uitdrukking. Ze steekt graag tijd en energie in dingen, ze is opmerkelijk geduldig, maar ze houdt niet van dralen. In het Engels eindigt ze de meeste opmerkingen met een vriendelijk doch beslist ‘Yah?’

    Ze vraagt niet om nadere uitleg wanneer de jongen opbiecht dat hij geen Paul heet. Ze geloofde zijn verhaal van begin af aan niet helemaal, vertelt ze me. De leugen lijkt haar niet echt te storen, of in ieder geval besluit ze er niet al te lang bij stil te staan. Hij heet Ammar; hij is moslim. Lina zet hem geen varkensvlees meer voor.

    Ze schrijft hem in voor kungfules en regelt een baantje voor hem in de keuken van een plaatselijke kerk, waar hij onder meer koffie serveert aan de Zweedse gepensioneerden die daar komen lunchen. Ze snijdt onderwerpen aan als de sociaal-democratie en gendergelijkheid – waar hij meteen voor openstaat – en het homohuwelijk, waar hij wat meer tijd voor nodig heeft. In Stockholm loopt hij een keer per ongeluk tegen een agent op. Tot zijn vreugde en verbijstering draait de agent zich om en zegt: ‘O, sorry!’ In Syrië ging het er heel anders aan toe.

    Hij zit soms bij Lina op schoot en dan krabt ze zijn rug, zoals zijn moeder vroeger had gedaan. De twee lopen geregeld arm in arm en omdat ze ongeveer even lang zijn, zouden ze 
net zo goed vrienden kunnen zijn als moeder en zoon. Stiekem roken ze samen sigaretjes. Lina’s dochters kussen hun moeder op de mond wanneer ze weggaan of thuiskomen. Als Ammar die gewoonte begint over te nemen schrikt ze er even van, maar niet op een vervelende manier.

    Alle minderjarige asielzoekers hebben het recht om in Zweden onderwijs te volgen. Ammar gaat in februari voor het eerst naar school. Er zitten veertien kinderen in zijn klas, voornamelijk Afghanen, alleen maar jongens, allemaal gekleed als de Europese voetballers die ze zo bewonderen: skinny jeans en gel in hun haar. Zweedse kinderen noemen de docenten bij de voornaam, maar de jongens vinden dat ongemakkelijk en staan erop hun docenten lärare te noemen, leraar. Ammar is druk en zit vaak te giechelen, maar hij heeft duidelijk taalgevoel. Na korte tijd spreekt hij vloeiend Zweeds.

    Maar soms zit hij ook stilletjes te mokken. Een docent herinnert zich de keer dat hij onbedaarlijk begint te huilen en de klas moet verlaten. Sommige leraren denken dat hij depressief is. Gezien zijn impulsieve gedrag en zijn heftige stemmingswisselingen, denkt Lina dat hij misschien aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt. Hij heeft geregeld nachtmerries. Als hij niet kan slapen, daalt zij de trap af naar zijn slaapkamer, onder de dakrand, en kruipt bij hem in bed.

    Hij verzuimt geregeld zijn huiswerk te maken, spijbelt van school, blijft weg van zijn werk in de kerk en van de kungfulessen. Lina wijt dit voor een groot deel aan zijn ‘grootheidswaan’: zodra hij een beetje Zweeds kan, of een paar kungfugrepen onder de knie heeft, ziet hij er niet langer het nut van in om nog meer lessen te volgen. Het kost hem moeite Zweedse vrienden te maken; hij beschuldigt ze soms van racisme, al zegt hij dat meestal met een grijns, alsof hij Lina vol trots duidelijk wil maken dat hij zich de stokpaardjes van links Zweden heeft eigengemaakt.

    Zijn lastigste buien worden meestal in gang gezet door nieuws uit Syrië. Dan vlamt er plotseling een heftig schuldgevoel bij hem op, zowel om het feit dat hij is gevlucht, lijkt het, als om het feit dat hij nog leeft. Hij spreekt slechts zelden met zijn ouders. Lina heeft Ammars moeder een lange brief geschreven waarin ze belooft voor hem te zorgen alsof hij haar eigen zoon is. Er komt geen reactie. Misschien is deze ogenschijnlijke onverschilligheid terug te voeren op bepaalde Syrische omgangsvormen, of misschien schamen Ammars ouders zich, bedenkt Lina. Maar dan hoort ze dat een van Ammars vrienden, die ook uit Syrië komt, dagelijks met zijn vader belt. Op zeker moment laat ze zich dat ontvallen, zonder er verder bij na te denken. Ammar lijkt gekwetst.

    Hij is bijzonder gevoelig voor Lina’s opmerkingen, die hij als kritiek ervaart. Woedend verwijt hij haar, keer op keer, dat ze hem minder liefde geeft dan haar dochters. Vervolgens sluit hij zich op in zijn kamer, of hij weigert te praten, soms dagen achter elkaar. Ondertussen hebben Lina’s dochters het gevoel dat deze nieuwe zoon hen verdringt uit hun moeders hart, om nog maar te zwijgen van het leven van alledag. Om ruimte te maken voor Ammar is het bed van de veertienjarige dochter verplaatst naar een gemeenschappelijke ruimte.

    Lina heeft schoenen voor hem gekocht, kleren, een telefoon, een laptop. Toch werpt hij haar voor de voeten dat ze hem behandelt alsof hij niet meer is dan een gast. Aan de andere kant lijkt hij zich vaak opgelaten te voelen wanneer hij dingen van haar aanneemt. Hij slaat maaltijden over, om haar niet op kosten te jagen. Hij heeft het erover om terug te gaan naar Syrië. Soms lijkt hij haar alleen op stang te willen jagen, maar op andere moment lijkt hij het echt te menen. ‘Het lukt hem maar niet om hier te aarden, in Zweden, bij mij,’ schrijft Lina me een keer vertwijfeld. ‘Het is hartverscheurend.’ Hij is min of meer door toeval in Zweden beland, en zijn leven daar komt hem soms onwerkelijk voor, nieuw en opwindend als een computerspel, maar ook leeg. Hij heeft nooit nagedacht over een toekomst in Europa, zelfs 
niet op het moment dat hij ernaartoe vluchtte. ‘Onmogelijk,’ zegt hij. ‘Een kans van 1 op 14.000. Onmogelijk.’

    Vreselijk jaar

    De laptop – waarop Ammar Counter-Strike en Clash of Clans kan spelen – leidt in het voorjaar tot een crisis. Lina, die niets heeft te klagen maar bij wie het geld ook niet op de rug groeit, heeft een tweedehandexemplaar gevonden, voor een fractie van de oorspronkelijke prijs. Ammar komt uit een rijke familie en is geen tweedehandsspullen gewend. Hij ervaart Lina’s cadeau als een klap in zijn gezicht en stormt het huis uit.

    Hij hoopt duidelijk dat ze hem achterna komt. Niet veel later stuurt hij Lina foto’s van een scheermesje en zijn opnieuw bebloede pols. Ze weet hem 
te vinden, niet ver van huis, en neemt hem mee terug. Maar niet veel later staat hij op de balkonreling, op de vijfde verdieping, en dreigt naar beneden te springen. Otto trekt hem naar binnen. Lina zit meer dan een uur zwijgend naast Ammar op zijn bed. Hij lijkt tot bedaren te komen en ze laat hem alleen.

    Als ze wat later weer naar zijn kamer gaat, blijkt hij uit het raam te zijn geklommen, het dak op. Ze praat op hem in, smekend, maar kijkt op een goed moment van hem weg. Ze wil niet achterblijven met het beeld van een lege kamer en zijn lichaam dat naar beneden valt. Ze begint te huilen. ‘O,’ zegt Ammar. ‘Nu weet ik dat je van me houdt.’

    Ammars vrijlating uit de gevangenis is het onheilspellende begin van een vreselijk jaar. Wanneer hij terugkeert na gevangen te zijn gehouden door Jahbat al-Nusra, wordt hij opgepakt door IS, ook nu weer op beschuldiging van spionage voor het andere kamp. Hij wordt een aantal keer vrijgelaten, om vervolgens telkens weer gevangen te worden gezet. (Ook, zo beweert Ammar, stuurt hij berichten naar de man voor wie ook het briefje van Padnos bestemd was. De man zegt nooit dergelijke berichten te hebben ontvangen.) Op zeker moment wordt Ammar ervan beschuldigd te hebben gestolen van een inlichtingenofficier van IS. Hij wordt drie maanden vastgehouden en wordt uren achtereen geslagen, totdat hij zichzelf volkomen stil heeft geschreeuwd. Een andere keer, zo beweert Ammar, is hij opgepakt omdat hij iemand had aangevallen die de belasting kwam innen.

    Hij was toen high, legt hij uit. Ammar slikt meer en meer pillen – Zolam, een alternatief voor Xanax, en Baltan, een opiaat – vanwege Noor. Noor was zijn vriendin. Voor de oorlog uitbrak zaten ze een aantal jaar bij elkaar in de klas. ‘Toen werd ik een man,’ zegt Ammar. ‘Ik wist hoe ik moest beminnen en bemind moest worden.’ Noor is een aleviet, een lid van de sekte waartoe ook de familie van Assad behoort – een afvallige, in de ogen van IS. Ammar heeft een aantal foto’s op zijn computer van een meisje van wie hij zegt dat het Noor is. Ze is knap, met donkere ogen en lange, dikke wimpers. Veel foto’s zijn selfies, van bovenaf genomen om de welvingen te benadrukken van haar borsten onder een strak topje. Ze heeft haar lippen een klein beetje getuit. Puberale ijdelheid, ordinair en innemend tegelijk.

    Op een dag stuit Ammar ergens op straat in Shadadi, bij een soek en een taxistandplaats, op een groepje mensen, die toekijken hoe Noor wordt onthoofd. De beul spietst het afgehakte hoofd op zijn zwaard en steekt het in de lucht, aldus Ammar. Hij valt flauw. ‘Er zijn dingen die je nooit zult begrijpen omdat je ze niet hebt meegemaakt,’ zegt hij tegen me in een café in Stockholm. Hij schuift zijn plak chocoladecake aan de kant en legt zijn hoofd op tafel. ‘Wat doe ik hier?’ snikt hij. Er ligt een laagje donker glazuur op zijn lippen.

    Begin 2015 wordt hij voor het laatst opgepakt. In het noordwesten van Irak heeft IS duizenden vrouwen en meisjes ontvoerd van de yezidi-stam, een etno-religieuze minderheid, die door IS als seksslavinnen worden verkocht aan de strijders. Ammar wordt ervan beschuldigd dat hij yezidi’s heeft gekocht en weer heeft doorverkocht aan hun eigen familie – en naar eigen zeggen heeft hij dat ook echt gedaan, al bekent hij dat niet aan IS. Hij heeft negen yezidi’s gekocht en weer verkocht, zegt hij, onder wie een meisje dat 11.000 dollar opbracht. Hij kan weinig zeggen over zijn drijfveren om dit te doen, en hij kan geen enkel bewijs overleggen, maar hij zegt dat hij na Noors dood woedend was, en voor niets en niemand bang.

    IS neemt hem mee naar de Iraakse stad Mosul, waar hij greppels graaft en containers voor bommen soldeert, zegt hij. De strijders voetballen met hem. Er wordt voortdurend op hem ingepraat dat hij zich bij IS moet aansluiten. Hij overweegt het, maar heeft moeite met de gewelddadigheid van de groepering. ‘Ik vind het leuk om rotzooi te trappen, dat geef ik zonder meer toe, maar ik wil niemand echt kwaad doen,’ zegt hij.

    Hij wordt weer overgebracht naar Syrië, naar Raqqa, de hoofdstad van IS. Vrijwel iedere dag nemen de bewakers iemand mee naar de binnenplaats – een soldaat van het regeringsleger, een Hezbollah-strijder, een Koerd – om hem voor het oog van zijn medegevangenen te executeren. ‘Dat was niet leuk,’ zegt Ammar. Meestal gaat het om een onthoofding, met een mes of met een zwaard, maar soms worden de mannen verdronken, doodgeschoten, opgehangen of overgoten met zuur.

    Hij wordt nogmaals overgeplaatst, dit keer terug naar Shadadi. Daar wordt hij veelvuldig geslagen – men wil hem dwingen op te biechten dat hij de yezidi’s heeft verkocht. (Hij is ervan overtuigd dat hij vermoord zal worden zodra hij dat heeft bekend.) Op een dag wordt hij opgehangen aan het plafond en giet een van de beulen benzine over zijn voeten, waarna hij ze in brand steekt. Ammars plastic sandalen schroeien in zijn huid, die voor altijd ernstige littekens vertoont. ‘De pijn van vlammen is erger dan welke pijn ook,’ zegt hij.

    De mannen die met hem in de cel zitten, worden als uitzonderlijk gevaarlijk beschouwd, dus wordt Ammar uitverkoren om te koken. Zo zal hij weten te ontsnappen. Hij zit alleen in een kleine cel die aan de keuken grenst wanneer een van de bewakers hem, op fluistertoon, laat weten dat hij ter dood is veroordeeld. De bewaker spoort hem aan de benen te nemen. Aanvankelijk vertrouwt Ammar het niet, maar later op de dag keert de man terug. ‘Toen hij me zijn mes gaf, geloofde ik hem,’ zegt Ammar.

    Die avond zijn er twee bewakers. De eerste houdt de wacht terwijl de andere bidt. Ammar is in de keuken bezig soep te koken, en vraagt of de eerste bewaker even wil komen proeven. De man buigt zich over de pan. ‘Ik wilde hem steken met het mes, maar ik was bang om hem te vermoorden, dus sloeg ik hem met het keukengerei dat ik in mijn hand had,’ zegt Ammar.

    Hij rent naar de kamer waar de andere bewaker, een jongen van zijn eigen leeftijd, zit te bidden. Hij pakt zijn wapen. Er worden tweehonderd mannen bevrijd, misschien wel 280, 
en misschien ook wel enkele vrouwelijke gevangenen. Het hangt er een beetje van af of Ammar in een spraakzame bui is. De ontsnapte gevangenen lopen een dag, of misschien wel twee dagen, door de woestijn, tot ze bij het Koerdische front komen.

    De Koerden zorgen dat een groep ontsnapte gevangenen in een konvooi naar het westen kan reizen, naar Aleppo. Van daaruit gaan ze op weg naar de Turkse grens, die ze heimelijk oversteken, in het holst van de nacht, te voet. In Turkije kruipen ze in een afgedekte vrachtwagen. Ze zijn met 
25 man en twee schapen, zegt Ammar. Het is augustus 2015. Weldra zal Ammar op weg zijn naar Europa. Hij draagt een jasje dat zijn familie hem heeft gestuurd toen hij in de gevangenis zat; in de zak voelt hij ineens het briefje van Padnos, nooit afgegeven 
en volkomen vergeten.

    Overleden zonen

    Jaren en jaren voordat Ammar naar Zweden kwam, kregen Lina en Otto een zoon. Hij overleed op de dag van zijn geboorte. Lina kreeg niet veel later nog een kind, ook een jongen. Dit nieuwe kind had een misvormd middenrif, waardoor zijn longen niet konden uitzetten. Na twee maanden namen ze hem mee naar huis en leek zijn toestand iets te stabiliseren. Maar die vooruitgang hield geen stand. Hij overleed toen hij een halfjaar oud was. ‘Tja, ach,’ zegt Lina, ‘die dingen gebeuren, en je moet…’ Haar stem wordt zachter. ‘Maar twee keer achter elkaar!’ Otto, die destijds net als arts was begonnen, zwoer nooit met kinderen te gaan werken, in die verschrikkelijke vleugel van het ziekenhuis waar ouders hun ogen sluiten en, precies zoals hij had gedaan, bidden dat de alarmbellen die gaan rinkelen de dood verkondigen van het zoontje of dochtertje van een ander.

    Het besluit om Ammar in huis te nemen is in zekere zin een sprong terug in de tijd. De jongen zou een zoon voor hen kunnen zijn. Otto hoopt ook dat de komst van Ammar Lina en hem zal terugvoeren naar een eerdere, gelukkigere periode van hun huwelijk. Maar hij heeft het idee dat Lina al haar energie en aandacht in de jongen steekt. ‘In zekere zin heeft hij mijn plaats ingenomen,’ zegt Otto. Lina en hij zijn uit elkaar gegroeid en gaan scheiden. ‘Het komt niet door Ammar,’ zegt hij, ‘maar door hem is alles wel heel scherp aan het licht gekomen.’

    Ammar krijgt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Hij zal bij Lina blijven. Ze heeft hem al heel vroeg verteld over haar twee zoontjes en haar verdriet, om hem in moeilijke tijden een hart onder de riem te steken. Je kunt het ontzettend moeilijk hebben, is de boodschap, maar uiteindelijk toch een mooi en gelukkig leven leiden.

    De jongens zijn begraven in een schaduwrijk hoekje van een kerkhof in de buurt, en soms gaat Lina met Ammar naar het graf. Op een middag ligt het kerkhof bezaaid met witte bloemblaadjes, ragfijne confetti uit de oude bomen. Ammar zit een sigaretje te roken op een roze grafsteen en de as waait naar het graf van Lina’s zoontjes. Zonder erbij na te denken spuugt hij op de grond. ‘Dat is oneerbiedig,’ zegt Lina en Ammar staat op. Tot zijn verbijstering legt Lina uit dat haar zoontjes zijn gecremeerd. Als mensen worden gecremeerd, zie je ze dan branden? vraagt hij. Lina legt uit dat dat niet het geval is.

    Ze lopen over de begraafplaats naar een uitkijkpunt op de top van een heuvel, vanwaar je tot aan het open water kunt kijken, met de pastelkleurige gevels van de oude stad van Stockholm. Ook in de winter is Lina met Ammar naar deze plek gegaan, tijdens hun eerste wandelingen, en hij had het uitzicht betoverend gevonden. Weet je nog 
hoe mooi je dit vond? vraagt ze? ‘No is beautiful!’ zegt hij plagerig, in gebroken Engels. Ze lopen naar beneden, naar de stad. Lina blijft op de stoep wachten terwijl Ammar de stenen treden beklimt van het koninklijk paleis, waar een enkele soldaat de wacht houdt. Het is een jonge, bleke man, met een blonde snor – twee keurige driehoekjes boven zijn lip – een baret en een geweer met bajonet over zijn schouder. ‘Is de koning thuis?’ vraagt Ammar. ‘Nee, de koning is er niet,’ antwoordt de schildwacht lachend.

    Ammar daalt weer af naar de stoep. Hij blijft staan bij een bloembak, trekt er een madelief uit en knakt afwezig de knop van de steel. ‘Sweden is nice,’ zegt hij in het Engels, ook weer half grappend, maar volkomen raak.

    ‘Begrijp me goed, die jongen heeft een pact gesloten met de duivel. De jihad stroomt door zijn aderen’

    Voorjaar 2016 neemt Padnos het vliegtuig naar Stockholm. Hij heeft met Ammar afgesproken voor een moskee. De jongen loopt een lommerrijk paadje omhoog en staat ineens in het felle zonlicht op een open plek. ‘Habibi!’ roept Padnos. Hij schiet aarzelend op hem af, glimlachend maar gereserveerd, probeert de jongen te peilen. Ammar blijft staan, stralend, en spreidt zijn armen. Hij kust Padnos op zijn wangen, drukt zijn voorhoofd tegen dat van de Amerikaan en zegt, lachend, dat hij ervan uit was gegaan dat Padnos dood was. Hij draait een krul van de Amerikaan om zijn vingers en glimlacht: In Syrië was zijn haar veel langer, en veel viezer!

    Ammar pakt Padnos’ onderarm en trekt hem mee naar de straat. Onder een rij schaduwbomen staat een jong stelletje te zoenen. Ammar kijkt zijn oude celgenoot aan: ‘Waar is Abu Mariyah?’ grapt hij hardop – Abu Mariyah al-Qahtani, de man die hen gevangen had gehouden, zou dat zoenen maar niks hebben gevonden. Ammar omhelst Padnos, lijkt geen moeite te hebben met de lichamelijkheid. Hij draagt een strakke spijkerbroek, heel modieus boven zijn Nikes, en zijn donkere haar is omhoog gekamd in een Pompadour-kapsel. Af en toe neemt hij een trekje van een Marlboro Light. Padnos lacht en doet mee aan het toneelstukje dat de jongen opvoert – ingetogen, met een treurig soort vertrouwdheid.

    Padnos is benieuwd hoe het een jonge strijder vergaat in vredestijd, te midden van alle verlokkingen van een volkomen ander leven. Hij informeert naar Ammars broer, die ook gelijk met Padnos vastzat. ‘Hij zit nu bij Daesh,’ fluistert Ammar.

    Ammar neemt Padnos mee naar zijn favoriete kebabrestaurant. Hij stelt hem voor aan de mannen achter de toonbank, een Irakees en drie Syriërs, allemaal in het rode T-shirt van het bedrijf, en hij zegt dat Padnos een ‘jassus Amriki’ is – een Amerikaanse spion. De mannen vinden het hilarisch en Ammar vertelt dat de Amerikaan heeft vastgezeten in Syrië. ‘We haten het regime!’ roepen de mannen. Padnos zegt dat hij is vastgehouden door de oppositie. ‘We haten de oppositie!’ stellen ze hun mening bij. Hij lacht braaf. Er wordt gesproken over het losgeld waaraan hij duidelijk zijn leven heeft te danken en er worden grappen gemaakt over de prijs van elke afzonderlijke haar op zijn hoofd. Padnos bestelt een falafelschotel en gaat ermee aan een zonnig tafeltje op de stoep zitten.

    Hij vraagt of Ammar nog iets heeft gehoord van Abu Hamza al-Homsi, 
een officier van Jabhat al-Nusra. Abu Hamza heeft Padnos altijd goed behandeld, heeft hem papier gegeven om te schrijven en heeft zelfs aangeboden te bemiddelen bij zijn vrijlating. Padnos wil hem bedanken. Abu Hamza is dood, zegt Ammar, gesneuveld tijdens een gevecht bij de grens met Irak. Het is niet duidelijk hoe Ammar dat weet; Padnos denkt dat hij wellicht onder Abu Hamza’s bevel stond. De jongen beweert de namen en rangen te kennen van vele prominente jihadi’s, zegt te weten hoe het hen is vergaan, en zegt over nog veel meer verontrustende informatie te beschikken. Ammar leunt over tafel, laat zijn stem dalen en zegt dat hij heeft gehoord dat IS plannen heeft voor een aanslag in Zweden, een aanslag gericht op ‘homoseksuelen’, gepleegd door ‘blonde’ strijders. Ook pocht hij dat hij de beste van zijn klas is, en dat zonder ooit huiswerk te maken. Hij pakt wat falafel van Padnos bord en smeert het vol humus. Dan staat hij op om zichzelf bij te schenken uit een pot zwarte thee die binnen staat. Hij komt terug met een handvol suikerklontjes, die hij een voor een in zijn thee laat vallen, met de verveelde blik van een kind. Uiteindelijk zegt hij dat de thee te zoet is om nog te drinken.

    Hij neemt Padnos mee naar het rustige binnenplaatsje onder Lina’s appartement. Op de kleine patio staan een houten tafel en stoelen, en boven hun hoofd speelt een warm briesje door de bladeren. Maar nog voor ze gaan zitten zegt Padnos ineens dat hij echt moet gaan, en hij laat Ammar achter, in de war en teleurgesteld. Padnos lijkt de moed te hebben opgegeven dat hij ooit een vriend voor de jongen zal kunnen zijn.

    ‘Jabhat al-Nusra heeft hem gemangeld,’ zegt Padnos tegen me. Ammar kan een leven opbouwen in Zweden, denkt hij, en die kans verdient hij ook. Op andere momenten is die grootmoedigheid vervlogen. ‘Begrijp me goed, die jongen heeft een pact gesloten met de duivel,’ zegt hij. ‘De jihad stroomt door zijn aderen.’

    Toen hij destijds echt ten einde raad was geweest, had hij zijn lot in handen gelegd van Ammar, in de hoop dat hij nog over zo veel medemenselijkheid zou beschikken – hoezeer zijn gevoel ook was afgestompt of verdrongen – dat hij het bericht zou doorspelen. Dat was niet het geval. ‘Het raakte hem wel,’ zegt Padnos verbitterd. ‘Maar niet genoeg om in actie te komen.’

    Niet lang nadat Padnos Stockholm achter zich heeft gelaten, schrijft Lina hem – op enigszins verwijtende toon – en vraagt of hij denkt dat Ammar lid is geweest van Jabhat al-Nusra. Het zal geen verbazing wekken dat Padnos dat inderdaad denkt, en hoewel hij Ammar heel innemend vond toen hij in Zweden was, heeft de tijd die ze samen hebben doorgebracht hem toch niet van het tegendeel weten te overtuigen.

    Het is ‘mooi, om niet te zeggen ontroerend’ dat Lina de jongen zo’n warm hart toedraagt, schrijft Padnos, maar ze laat zich ook een rad voor ogen draaien. Het lijkt hem kwaad te maken, alsof het getuigt van een zekere naïviteit, waarvoor hij ook bij zichzelf bang is. ‘Misschien realiseer je je niet hoeveel van de mensen die we in Lesbos hebben gezien in de Syrische burgeroorlog hebben gevochten, aan welke kant dan ook,’ schrijft hij. ‘Natuurlijk, iedereen zegt dat hij in principe een onschuldig burger was, en voor velen gold dat duidelijk ook. Maar voor veel anderen niet. Waarschijnlijk zit er bij hen allemaal een steekje los – door Bashar [al-Assad], door de sjeiks, door de bommen, door de vele jaren van oorlog. Wat kun je eraan doen?’

    Over Ammar schrijft hij: ‘In principe denk ik dat iemand pas na jaren en jaren van psychisch geweld strijder wordt voor een beweging als Jabhat 
al-Nusra. Hij is waarschijnlijk zwaar onder druk gezet door zijn broers en zijn vader en God mag weten wie nog meer, zelfs toen Jabhat al-Nusra nog niet eens bestond. Zodra hij zich had aangesloten, hebben ze hem waarschijnlijk bepaalde dingen laten doen om zijn betrokkenheid te vergroten. Hun hele psychologie is erop gebaseerd dat ze je totaal onder controle krijgen, zodat je nauwelijks meer een mens bent. Je bent iets anders en je enige vrienden zijn precies zoals jij. Geweld, bidden en geen contact met de buitenwereld. Dat is Jabhat al-Nusra. Dat Ammar uiteindelijk zijn bedenkingen kreeg, zegt iets over zijn karakter. Het pleit voor hem, vind ik. Dat hij in Zweden liefdevol is opgevangen is ook fantastisch. Misschien dat hij een deel van dit verleden achter zich kan laten? Ik hoop het heel erg.’

    In het meest gunstige geval werpen we, als een astronoom, een blik op het heelal van Ammars ervaringen en emoties, zien we de felste objecten, die scherp zijn uitgetekend, en kunnen we ons misschien enigszins een beeld vormen van de donkerste uithoeken. Padnos ontwaart daar een dreiging die Lina niet ziet. Ze weigert met de ogen van Padnos naar Ammar te kijken, of naar zichzelf. ‘Ik heb uren en uren met hem gepraat,’ zegt ze over Ammar. ‘Ik heb er veel over nagedacht. En waar ik op uit ben gekomen – nee, dit is niet mijn verhaal over hem. Ik ken de waarheid niet. Maar dit is waar ik op uit ben gekomen. Ik heb ervoor gekozen hem te vertrouwen.’

    ‘Zweedse houding jegens vluchtelingen wordt norser’

    Volgens de jongste cijfers telde Zweden in 2016 zo’n 150.000 vluchtelingen uit Syrië. Dat was na het ‘rampjaar’ 2015, waarin Europa in volle omvang werd geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog in dat land en de terreur van IS in Syrië en Irak. Het Zweedse parlement had al in september 2013, als eerste in de EU, ingestemd met het toekennen van een permanente verblijfsvergunning aan de groep vluchtelingen uit Syrië. Zo kreeg in 2015 zo’n 77 procent van alle vluchtelingen die zich in Zweden meldden een verblijfsvergunning, maar voor de groep vluchtelingen uit Syrië was dat 100 procent.

    Kort na zijn aantreden als president van de VS zei Donald Trump in een toespraak in Florida: ‘Kijk wat er gisteravond gebeurd is in Zweden. Zweden! Wie had dat nou kunnen denken? Zweden! Ze hebben grote aantallen vluchtelingen opgenomen. En nu hebben ze problemen die ze nooit voor mogelijk hadden gehouden.’

    Er was die ‘gisteravond’ echter niets gebeurd in Zweden, en de voormalige Zweedse premier Carl Bildt vroeg zich hardop af ‘wat Trump die avond gerookt zou kunnen hebben’. Maar in april reed een afgewezen Oezbeekse asielzoeker in Stockholm met een vrachtwagen in op het winkelend publiek, waarbij vijf doden vielen. Volgens het Oezbeekse ministerie van Buitenlandse Zaken was de man gerekruteerd door IS. Hij moet eind november in Stockholm terechtstaan.

    De meeste vluchtelingen in Zweden verblijven rond Stockholm, Göteborg en Malmö. De Amerikaanse radiozender 
PRI constateerde onlangs in een reportage vanuit Zweden dat de stemming daar een lichte omslag vertoont. ‘Het is waar dat de houding ten opzichte van vluchtelingen en immigranten de afgelopen jaren norser is geworden,’ 
zei Daniel Hedlund van de Universiteit van Stockholm. ‘Maar ik moet zeggen dat de meerderheid van de Zweden nog altijd positief staat tegenover, 
bijvoorbeeld, het toekennen van gelijke sociale rechten aan vreemdelingen.’

  • De hel, dat zijn de anderen

    De hel, dat zijn de anderen

    Theo Padnos is een oude bekende van 360. Hij werd meer dan twee jaar gegijzeld door het aan Al-Qaida gelieerde Al-Nusrafront, en zijn indrukwekkende relaas was een van onze meest gewaardeerde verhalen van 2014. Daarin noemt hij zijlings de mislukte bekering van medegevangene Matthew Schrier en diens geslaagde ontsnapping. Maar niet hoe zij temidden van het geweld en de voortdurende angst om te worden vermoord, elkaar ook nog eens naar het leven stonden. Die Zeit krijgt de twee zo ver voor één keer over hun incompatibilité te praten. Op één voorwaarde: ze willen onder geen beding samen in een ruimte worden geïnterviewd. 

    Theo Padnos is Amerikaan, doctor in de literatuurwetenschap, journalist. Een slanke man van 46 jaar met halflang, grijzend haar. Op een warme zomerdag zit hij op een achterplaats in het 11e arrondissement van Parijs. Padnos draagt een korte broek en teenslippers, zijn racefiets heeft hij klaargezet om te gaan trainen. Wielrennen, zijn passie, heeft hem na een gijzeling van 22 maanden in Syrië weer fit gemaakt. Padnos praat zacht, kiest zijn woorden zorgvuldig, meestal in het Engels, maar soms schakelt hij moeiteloos over op het Frans, Duits of Arabisch.

    Theo Padnos:
    In oktober 2012 was ik in Syrië om research te doen voor mijn journalistieke werk. Een paar jonge Syriërs die ik in Turkije had ontmoet, zeiden dat ze me wel de grens over wilden brengen. We waren de grens nog maar net over, of ik kreeg een paar meppen en werd in de boeien geslagen. Niet veel later werd ik overgedragen aan de terroristen van het Al-Nusrafront, de Syrische tak van Al-Qaida. De Al-Nusrastrijders sloten me op in een kelder van zeven bij 
vier meter, met een houten deur en een klein raampje net onder het plafond. Voor het raampje lagen zandzakken, die nauwelijks licht doorlieten. De eerste weken sloegen ze me met dikke kabels. Ze riepen: ‘Wie heeft je naar Syrië gestuurd?’ Ik zei: ‘De CIA, de CIA,’ hoewel dat niet klopte. Maar dat was wat ze wilden horen.

    Ook de 37-jarige Matthew Schrier is Amerikaan, opgegroeid in een arme buurt buiten New York. Hij droomt ervan geld te verdienen met fotograferen en vertrekt in december 2012 naar Syrië.

    Op de schoorsteenmantel ligt een beige-blauwe wollen muts: een aandenken uit de hel. De muts bood warmte in de Syrische winter, maar werd later door de terroristen over zijn gezicht getrokken als blinddoek. Schrier, kaal en net zo’n pezig lichaam als Padnos, zit in het open raam te roken. Hij vertelt zijn verhaal met luide stem, anekdotisch, doorspekt met scheldwoorden. Zijn zinnen gaan vergezeld van rapgebaren.

    Ik kwam uitgerekend bij zo’n fokking nerd als Theo terecht Matthew Schrier

    Matthew Schrier:
    Drie dagen en nachten was ik met het Vrije Syrische Leger aan het front in Aleppo. Gevechten van huis tot huis. Dichterbij kon niet. Ik stond stijf van de adrenaline.

    Ik ben niet de beste fotograaf. Maar ik heb wel ballen. Om de voorpagina van The New York Times te halen, moest ik naar een plek waar verder niemand heen durfde. Dus ging ik naar dat vervloekte Aleppo. Na drie weken oorlog zat ik in een taxi terug naar Turkije. Alleen. Het was de laatste dag van 2012. Bij een controlepost in het noorden van Aleppo keerde de taxi om. Ik verstond niets, mijn chauffeur sprak geen Engels. Vijf minuten later drukte een jeep ons van de weg. Drie mannen, hun gezichten bedekt, stuk voor stuk bewapend, een van hen greep me bij mijn arm. Ik verzette me niet. Ze duwden me op de achterbank van de jeep en trokken mijn muts over mijn gezicht.

    In een kelder trok een van de mannen de muts weer van mijn hoofd en glimlachte. Hij droeg een vest met kneedspringstof en draadjes eraan, alsof hij een zelfmoordaanslag wilde gaan plegen. Hij was ongeveer begin dertig en stelde zich voor als Mohammed. ‘Gaan jullie me vermoorden?’ vroeg ik. Hij zei: ‘Jee [geen ja en geen nee].’ Oké, een terrorist met humor, dacht ik. Dus riep ik: ‘Happy new year!’ Ik wilde laten zien dat ik niet bang was. Mohammed lachte. Ik ben een kind van de straat. Een paar van mijn vrienden zitten in de gevangenis. Eentje vanwege moord. Ik wist hoe ik met Mohammed moest praten. Geen paniek, dacht ik. Een paar klotedagen en dan weten ze dat je geen spion bent, maar fotograaf. Ik hoorde geschreeuw. Ik had geen idee dat Theo een paar deuren verderop zat.

    Matthew Schier: ‘Ik ben niet de beste fotograaf. 
Maar ik heb wel ballen.’ – © Matt Roth / The New York Times
    Matthew Schier: ‘Ik ben niet de beste fotograaf. 
Maar ik heb wel ballen.’ – © Matt Roth / The New York Times

    Theo Padnos:
    Toen ik voor de eerste keer in de autoband moest, was ik ervan overtuigd dat ze me zouden vermoorden. Geblinddoekt moest ik op mijn hurken gaan zitten. Ze schoven een autoband over mijn knieën 
en staken een stok onder mijn knieholten door. 
Vervolgens draaiden ze me om. Ik lag met mijn gezicht op het koude cement, mijn blote voetzolen wezen naar boven. Ze sloegen op mijn voeten. Ze goten water over me heen, ik dacht dat het bloed was. Toen zeiden ze: ‘Morgen wordt het nog erger.’

    Theo Padnos – © Klaas Fopma / HH
    Theo Padnos – © Klaas Fopma / HH

    Matthew Schrier:
    Mohammed – de terrorist met humor – mocht me. Hij gaf me goed eten, warme aardappels met ui, en ook een pisfles en een kaars. Maar ik werd ziek van verveling. Na drie weken nam Mohammed me mee de gang op en maakte een andere cel open. Binnen, in het donker, schrok iemand op. Mohammed zei: ‘Amriki. Amriki.’ Een Amerikaan. Ik kon het niet geloven. Daar zat een man met een warrige baard. Hij stonk en was angstig. Hij moest hier al een tijdje hebben gezeten. Toen wist ik dat ze me niet zouden laten gaan.

    Mijn eerste gedachte was: Nu heb ik een vriend Theo Padnos

    Theo Padnos:
    Mijn eerste gedachte was: nu heb ik een vriend. Drie maanden lang had ik met niemand gesproken, behalve met mijn beulen. Ik was gelukkig. De eerste nacht hebben we alleen maar gepraat. Gepraat, gepraat, gepraat.

    Vanaf dat moment hebben Matthew Schrier en Theo Padnos niet meer alleen hun bewakers om zich op te richten. Ze hebben nu elkaar. Een vage hoop: misschien kunnen ze samen vluchten? Maar in elk geval naar elkaar luisteren, van elkaar leren, moed verzamelen, hoop geven. Wanneer Schrier en Padnos die eerste nacht elkaar hun verhaal vertellen, wordt duidelijk: eenvoudig zal het niet worden.

    Matthew Schrier:
    Ik probeerde een relatie met Theo op te bouwen, hem aan het lachen te krijgen. Maar dat lukte niet. Iedereen zegt altijd dat ik grappig ben. Ik kreeg zelfs Mohammed aan het lachen, de man die Theo martelde. Ik vertelde Theo bijvoorbeeld een verhaal over school, hoe mijn beste vriend en ik het schrift verstopten waarin de leraar onze cijfers bijhield. Hoe hij uit z’n dak ging en ons uitmaakte voor klootzakken. Toen ik op het punt kwam waar verder iedereen moet lachen om hoe de leraar van woede een biljartkeu op zijn fokking hoofd in tweeën breekt, zei Theo: ‘Ik heb te doen met die leraar.’ Waarop ik zei: ‘Nee gek, die leraar is de klootzak, begrijp je dat nou niet?’

    Theo vertelde dat hij naar Syrië was gekomen om over Austin Tice te schrijven, een andere Amerikaanse journalist die was gekidnapt. In mijn beleving wilde Theo geld verdienen aan het lot van een collega; een collega die in dezelfde situatie zat als wij. Op dat moment begon ik vraagtekens te zetten bij zijn karakter.

    Theo Padnos:
    Ja, ik wilde ook een artikel over Tice schrijven. Zoiets heeft de belangstelling van de Amerikaanse kranten. Maar ik was het meest geïnteresseerd in de religieuze spanningen tussen soennieten en alawieten. Van Amerikaanse journalisten hoor je alleen als er iets de lucht in vliegt of als er een Amerikaan wordt ontvoerd. Ze hebben geen tijd om zich te verdiepen in de duizendjarige geschiedenis van de Syrische bevolkingsgroepen. Ik wel, ik weet er veel van, ik spreek Arabisch.

    Matthew Schrier:
    Alle andere gijzelaars, Austin Tice, James Foley, John Cantlie, waren echte diehards. Met hen had ik het zeker kunnen vinden. Maar ik kwam uitgerekend bij zo’n fokking nerd als Theo terecht.

    Theo Padnos:
    Algauw hadden we onze eerste ruzie. Matt sliep, en ik kauwde mijn tanden schoon met zonnebloempitten, zoals de Arabieren dat doen. Ik deed dat heel zachtjes. Serieus, buiten vielen bommen, op de gang schreeuwden de strijders, maar dat zachte getik werkte op z’n zenuwen. Ik zei: ‘Als je wilt slapen, prima, dan doe ik het later wel, maar je kunt niet zo tegen me tekeergaan.’

    Matthew Schrier:
    Twee keer heb ik hem vriendelijk gevraagd ermee 
op te houden. De derde keer ben ik naar hem toe gelopen en heb ik geschreeuwd dat het lastig zou worden om zijn tanden schoon te kauwen als hij die niet meer heeft. Met gebalde vuist heb ik gedreigd hem op zijn bek te slaan.

    Hij liet zijn dominantie gelden als een hond Theo Padnos

    Theo Padnos:
    Hij draaide compleet door en stond tegen me te brullen. De volgende 24 uur hebben we niet met elkaar gesproken. Maar omdat ik het Arabisch beheers, was Matt op mij aangewezen. Ook daarover hadden we continu ruzie. Hij wantrouwde mijn vertalingen. Ik deed mijn best, maar ik verstond gewoon niet alles. Sommige strijders hadden een accent, anderen praatten heel snel of in een soort straattaal. Wanneer ik vijf Arabische zinnen met één Engelse vertaalde, schreeuwde Matt tegen me: ‘Vertaal verdomme nou eens letterlijk!’ Ik heb hem duidelijk gemaakt dat letterlijke vertalingen zinloos zijn. Dat weet iedereen die meer dan één taal spreekt. Alleen hij niet.

    Matthew Schrier:
    Omdat hij Arabisch kan, deed hij alsof hij een of andere goeroe was. Bovendien had ik – zonder Arabisch – een betere relatie met de bewakers dan hij. Toen ik Theo ontmoette, kende hij niet een van de bewakers bij naam. Na drie maanden! Binnen een week heb ik ervoor gezorgd dat hij zich mocht wassen.

    Theo Padnos:
    Matt heeft me ook wel eens geslagen. Van kleinigheden kon hij helemaal over de rooie gaan. Luizen bijvoorbeeld. Hij had een speciale Matthew Schrier-manier om ze dood te maken.

    Matthew Schrier:
    Ik haalde het etiket van de drinkfles en vouwde het dubbel. Daarna deed ik de luizen ertussen en drukte ze fijn. Dat was een schone manier. Theo plette ze 
op de vloer met zijn vinger. Vervolgens liep hij die viezigheid de hele cel door. Ik heb het hem wel twee, drie keer gezegd. Daarna ben ik naar hem toe gelopen en heb hem in z’n gezicht geslagen.

    Theo Padnos:
    Hij liet zijn dominantie gelden als een hond. Hij gromde en als je je dan niet onderdanig opstelde, beet hij. Psychologen hebben onderzocht hoe mensen reageren op traumatische situaties. Of ze worden creatief, zo ging dat bij mij. Toen ik pen en papier kreeg in mijn cel ben ik begonnen een roman te schrijven. Of ze doen wat hun wordt aangedaan met anderen, zwakkeren. Zo was Matt. Hij heeft mij hetzelfde aangedaan als wat de terroristen hem aandeden.

    ‘We zien dat vaak in gevangenissen, dat de eigen vernedering wordt doorgegeven. Zij worden mishandeld, dus mishandelen ze anderen. Dan voelen ze zich sterker,’ zegt Mechthild Wenk-Ansohn van het Berlijnse behandelcentrum voor slachtoffers van marteling. ‘Maar,’ zegt ze, ‘we kennen dit gedrag vooral uit 
“normale” gevangenissen, Duitse of Amerikaanse.’ Wenk-Ansohn heeft in de afgelopen eenentwintig jaar duizenden slachtoffers van marteling en oorlogsgetraumatiseerden behandeld, de laatste tijd heel veel mensen uit Syrië die ook in de kerkers van Al-Nusra of Islamitische Staat (IS) hebben gezeten. ‘In dergelijke extreme situaties zijn gevangenen geneigd elkaar bij te staan, zelfs over ideologische grenzen heen. Koerden helpen Turken en soennieten helpen sjiieten,’ zegt de arts. Een dynamiek als die tussen Schrier en Padnos is ze nog niet eerder tegengekomen.

    Theo Padnos:
    Matt heeft in de VS in de gevangenis gezeten.

    Matthew Schrier:
    Toen ik zestien was heb ik vanwege een inbraak bijna twee maanden in een extra beveiligde gevangenis gezeten. Daar heb ik geleerd: als je je niet verweert, ga je ten onder. En wat het geweld tegenover Theo betreft: hij provoceerde me telkens weer.

    Theo Padnos:
    Hij zocht naar mijn zwakke plekken en vergrootte die uit tot in het extreme. In zijn ogen was ik het verwende, rijke kind, goede school, goede universiteit, en hij de harde jongen van de straat. Ik was vies, ongeschoren en als vermeende CIA-spion in een gevangenis van Al-Qaida ten dode opgeschreven – en hij was jaloers op me!

    In maart kregen we een Marokkaan in onze cel, een dikke kerel, 120 kilo schat ik, een jihadist die op eigen houtje naar Syrië was gereisd en het wantrouwen van de Al-Nusrastrijders had gewekt. Met een niet verzorgde schotwond van een maand oud in zijn been. Hij had in de VS gewoond, sprak goed Engels. Zo iemand van wie je als je in het vliegtuig naast hem komt te zitten binnen drie minuten weet dat hij problemen gaat veroorzaken. Maar Matt was blij dat hij iemand anders dan mij had met wie hij kon praten.

    Matthew Schrier:
    Die Marokkaan had humor. Hij heeft zich gek gelachen om dat schoolverhaal van mij. We deelden zelfs een bed.

    Theo Padnos:
    Ze hadden het over films en zaten veel te lachen. Ik zag er de lol niet van in. Dus bleef ik aan mijn kant van de cel en probeerde me eraan te onttrekken.

    Matthew Schrier:
    Theo zit gewoon anders in elkaar. Ik wilde een spelletje filmcitaten met hem doen. ‘Say hello to my little friend.’ Iedere Amerikaan kent dat zinnetje, uit Scarface. Alleen Theo niet. Ik vroeg: ‘Wat heb je in godsnaam gedaan als kind?’ – ‘We hadden geen televisie.’ – ‘Wat heb je dan gedaan?’ – ‘Gelezen.’ Sjongejonge. Met zo’n klootzak zat ik opgesloten, precies het tegenovergestelde van mezelf. Dag en nacht. Ik moest zelfs smeken of hij Twintig vragen met me wilde spelen, dat spel waarbij je een persoon in je hoofd neemt en de ander er in twintig vragen achter moet zien te komen wie het is.

    Theo Padnos:
    Op een keer sloeg hij me omdat ik niet verder wilde spelen. We hadden zo’n beetje 24 uur achter elkaar Twintig vragen gespeeld, ik kon niet meer. Hij koos rappers en televisiesterren die ik niet kende. Weet 
ik veel hoe de vrouw van Bart Simpson heet. Ik heb Lethal Weapon 3 nog nooit gezien, Matt daarentegen negen keer. Ik koos mensen die hij kende en niet een of andere renaissancekunstenaar.

    Theo Padnos in De Balie in Amsterdam waar hij op uit-nodiging van 360 met Eelco Bosch van Rosenthal sprak 
over zijn gevangenschap. – © Klaas Fopma / HH
    Theo Padnos in De Balie in Amsterdam waar hij op uit-nodiging van 360 met Eelco Bosch van Rosenthal sprak 
over zijn gevangenschap. – © Klaas Fopma / HH

    Matthew Schrier:
    Eén ding moet ik Theo nageven: hij kwam erachter waar we gevangenzaten. Hij vond een papiertje op 
de grond waarop stond: kinderziekenhuis Aleppo. 
In de cel was het steenkoud. Meestal lagen we onder de dekens om te proberen warm te blijven.

    Theo Padnos:
    Het duurde niet lang of de Marokkaan kreeg ruzie met Matt, waarna ik het beter met hem kon vinden. We spraken Arabisch met elkaar, soms ook Frans. Matt kon er niet tegen buitengesloten te zijn.

    Matthew Schrier:
    Theo ging de Marokkaan masseren, vanwege die oude wond. Hij knielde en begon zijn been te kneden. Hij was zeer behulpzaam, maar hij zag niet wat hij daarmee ook aanrichtte.

    Theo Padnos:
    De Marokkaan was prikkelbaar en de massages maakten hem rustig. Als wielrenner ben ik vroeger vaak gemasseerd, ik weet hoe dat moet. In de gevangenis moet iedereen zijn capaciteiten aanwenden. Hij was net als Matt een alfadier. Zo iemand is alleen tevreden als je je onderdanig opstelt. Ik had er niets op tegen om bèta te zijn. Dan ben ik maar de zwakke broeder.

    Matthew Schrier:
    Vanaf het begin wilde ik me bekeren. Dat was tactisch slim. Ik vroeg om een koran in het Engels. Ik wilde niet simpelweg zeggen: Nu ben ik moslim. 
Ik wilde in de koran lezen en hun het gevoel geven dat het me ernst was. Maar ik kreeg geen koran. 
Theo was fel tegen bekeren.

    Theo Padnos:
    Ik was bang dat ze zouden zeggen: jullie bedriegen ons, jullie spelen met ons geloof. Misschien hadden ze ons dan doodgeschoten.

    Ja, we haatten elkaar, maar hij is toch een Amerikaan Matthew Schrier

    Matthew Schrier:
    Op 29 maart, de Marokkaan was twee weken bij ons, heb ik de sjahada uitgesproken, de geloofsbelijdenis. Toen de bewaker kwam, zei de Marokkaan: ‘Matt is nu een moslim.’ Drie dagen later kwam er iemand met zwarte gezichtsbedekking die me een prachtige koran gaf, tweeduizend bladzijden, de koning-van-Saoedi-Arabië-vertaling. Eindelijk hadden we iets te lezen.

    Theo Padnos:
    Vanaf dat moment kreeg ik van Matt en de Marokkaan te horen: ‘Waarom bekeer jij je niet, idioot?’ Ze scholden me uit voor ongelovige en lieten me niet in de koran lezen. Ik had zes maanden niets meer gelezen.

    Matthew Schrier:
    Op 9 juni werd ik 35 jaar. De Marokkaan feliciteerde me, Theo niet. Het was de ergste verjaardag van mijn leven.

    Theo Padnos:
    In juli hebben ze ons naar een andere gevangenis overgeplaatst. Nu weten we dat we in Aleppo zaten, in een oud bureau voor de afgifte van rijbewijzen.

    Matthew Schrier:
    De nieuwe cel bevond zich ook in een kelder. Vlak onder het plafond zaten twee kapotte ramen, op ongeveer twee meter hoog. Ze keken uit op de achterplaats. Er zat een traliewerk voor, maar de muur was aan het afbrokkelen en de tralies zelf, maar half zo dik als een potlood, zaten een beetje los. Ik wist dat de Marokkaan er niet doorheen zou passen, dus ik heb er eerst over gezwegen. Maar op 16 juli haalden ze hem weg. Geen idee wat ze met hem hebben gedaan. Toen hij weg was, vroeg ik aan Theo: ‘Denk je dat we daar doorheen kunnen?’ Hij zei: ‘Ja.’ Vanaf dat moment waren we bondgenoten.

    Theo Padnos:
    Het raam zat zo hoog dat Matt op mijn rug moest gaan staan om de tralies los te maken. Drie dagen lang zat ik op handen en voeten. We knoopten T-shirts aan elkaar zodat we een soort laddertje 
kregen, met lussen waar je in kon stappen.

    Matthew Schrier:
    Het was ramadan, ze brachten het eten ’s morgens vroeg wanneer het nog donker was, en vervolgens lieten ze zich tot aan de avond niet meer zien. Door het raam kon je op een achterplaats kijken. Rondom het gebouw stond een muur, onderbroken door een inrit. Bewakers waren er niet te zien. Vlak voor de beslissende dag kregen we ruzie.

    Theo Padnos:
    Het ging erom hoe we het beste te werk konden gaan. Ik wilde zo min mogelijk risico nemen, Matt wilde er gewoon uit.

    Matthew Schrier:
    Opeens mocht ik niet meer op Theo’s rug staan. Dus pakte ik een emmer die ze ons hadden gegeven om de was te doen. Ik wilde erop gaan staan. Hij zei: ‘Als je op die emmer gaat staan, bons ik op de deur om de bewakers te laten komen.’ Ik: ‘Fuck you.’ Hij liep naar de deur en bonsde erop. Ik verstijfde. Ik kon niet geloven dat hij het echt had gedaan.

    Theo Padnos:
    Ja, ik heb gedreigd om te bonzen. Waarschijnlijk heb ik het ook gedaan. Hij provoceerde me. Maar het was geen ramp. Als ze waren gekomen, dan hadden we gezegd: ‘Hé, wat is er aan de hand?’ Maar ze kwamen niet. Voor Matt was altijd alles onvergeeflijk. Je hebt me aan die terroristen overgeleverd! – Nee, dat heb ik niet!

    Matthew Schrier:
    Een paar dagen later, op 29 juli, net voor zonsopgang, haalde ik het raam eruit en dacht: Fuck, nu is er geen weg terug meer.

    Theo Padnos:
    Ik heb hem voor laten gaan omdat ik aardig wilde zijn.

    Matthew Schrier:
    Hij heeft me alleen maar voor laten gaan omdat we buiten steeds schoten hoorden. Hij kneep ’m.

    Theo Padnos:
    Ik vormde met mijn handen een opstapje, tilde Matt omhoog en begon vervolgens te duwen. Hij moest zich enorm inspannen. Maar de combinatie van mijn duwen en zijn wringen had succes: hij kwam eruit.

    Matthew Schrier:
    In het donker ging ik naast het raam op mijn hurken zitten. Pal boven mij zag ik nog een raam, dat openstond. Het licht was aan. Daar moesten de terroristen zitten.

    Theo Padnos:
    Ik heb zijn sneakers, een T-shirt en zijn muts aangereikt, ben in de T-shirtladder geklommen en heb een hand uitgestoken zodat hij me eruit kon trekken.

    Matthew Schrier:
    Ik fluisterde: ‘Nee, je moet er met twee gestrekte armen door.’ Hij wilde niet luisteren.

    Theo Padnos:
    Ik bleef met mijn borstbeen in de vensteropening steken. Ik voel die plek nog altijd, dagenlang heb ik pijn gehad. Mijn hoofd, mijn schouders en een arm waren al buiten. Matt was op dezelfde plek blijven steken. Ik heb hem er toen doorheen geduwd. De truc is: ontspannen, diep inademen, wringen, wringen, wringen, en zoals ik vanaf binnen heb geduwd, had hij vanaf buiten moeten trekken. Het zou maar een paar minuten hebben geduurd, maar daar had hij geen geduld voor.

    De beschrijvingen van de gebeurtenissen in de daaropvolgende minuten zijn de enige in de versies van Padnos en Schrier die duidelijk met elkaar in tegenspraak zijn. Dat hoeft niet te betekenen dat een van 
de twee liegt. Misschien betekent het gewoon dat ze de situatie anders hebben beleefd. Voor beide hoofdpersonen echter zijn de punten waarop hun herinnering van elkaar afwijkt van essentieel belang. 
Voor hen gaat het om de vraag of Matthew Schrier alles heeft gedaan wat in zijn macht lag of dat hij 
Theo Padnos in de steek heeft gelaten.

    Matthew Schrier:
    Ik hurkte bij dat kloteraam en probeerde hem er aan één arm uit te trekken. Het moet een minuut hebben geduurd, misschien ook langer, voordat die idioot eindelijk doorhad dat het zo niet ging. Hij liet zich weer zakken, trok zijn shirt uit en kwam toen met beide armen gestrekt naar buiten, wat ik al eerder had gezegd. Hij was al overal aan het bloeden. Ik zette een been tegen de muur en begon te trekken. Moeilijk te zeggen hoe lang ik toen nog geprobeerd heb om hem eruit te krijgen. Misschien al met al drie, vier minuten. Op een gegeven moment zei ik dat ik hulp zou gaan halen. Toen zei hij: ‘Oké.’ Eerder had ik niet weg kunnen gaan. Voordat hij oké zei, was ik als het ware verlamd.

    Theo Padnos:
    Om iemand eruit te trekken, heb je kracht nodig. Matt had zijn voeten tegen de muur moeten zetten. Dat heeft hij niet gedaan. Hij zei: ‘Het gaat je niet lukken, man.’ Toen hij vervolgens zei dat hij hulp ging halen, heb ik maar oké gezegd, waarna hij wegging. Het heeft allemaal minder dan een minuut geduurd. Ik neem het hem niet eens kwalijk. Wat 
ik hem kwalijk neem, zijn de zeven maanden marteling, pijn en leed die hij me heeft bezorgd. Mij bevrijden zou inspanning en risico hebben betekend, voor mij en voor hem. Dat wilde hij niet.

    Matthew Schrier:
    Ruim een halfuur liep ik door de ochtendschemer, er waren nauwelijks mensen op straat. Omwonenden hebben me naar het Vrije Syrische Leger gebracht. Ik vertelde hun waar ik vandaan kwam en dat Theo daar nog zat. Of zij hem konden bevrijden. Geen denken aan. Het was een wonder dat ik had kunnen vluchten. Niemand ontsnapt aan Al-Nusra, zeiden ze. De volgende dag brachten ze me naar de Turkse grens. In Turkije belde ik de Amerikaanse ambassade. Met een gepantserde wagen werd ik opgehaald. Tien uur lang werd ik ondervraagd door de FBI. Een paar dagen later was ik in New York.

    Het Al-Nusrafront raakte met Matthew Schrier een gevangene kwijt – en liep mogelijk een paar miljoen euro mis. Volgens onderzoek van The New York Times hebben Al-Qaidagroepen in de Arabische wereld sinds 2008 meer dan honderd miljoen euro aan losgeld ontvangen. Ook naar IS, dat tijdens de gevangenschap van Theo Padnos een verbitterde vijand van het concurrerende Al-Nusrafront was geworden, zijn miljoenen euro’s gevloeid: minstens vijftien gevangenen werden in ruil voor losgeld vrijgelaten door IS. Volgens informatie van Die Zeit perste IS alleen al in 2014 minstens 25 miljoen euro af; geld dat waarschijnlijk ook door of namens westerse regeringen is betaald. De VS en Groot-Brittannië betalen uit principe niet.

    Theo Padnos:
    De dag na Matts vlucht moest ik naspelen wat er was gebeurd. Ik liet de terroristen zien: Matt was daar naar buiten aan het klimmen, terwijl ik hier op de deur stond te bonzen, maar jullie kwamen niet. Een paar dagen kreeg ik niets te eten, vervolgens was alles weer bij het oude. Het was een grote opluchting dat Matt weg was. Eindelijk had ik rust, en ik hoopte dat Obama misschien de CIA zou sturen om me te redden. Ik ging ervan uit dat Matt verteld had waar ik precies zat. Twee weken later had Matt kennelijk een aangenaam onderhoud met de journalist Chris Chivers van The New York Times, die niets beters te doen had dan in een artikel te schrijven dat Matt bij zijn uitbraak was geholpen door Theo. De terroristen pikten dat op, want het was ook op CNN. Toen wisten ze dat ik had gelogen. Ze brachten me naar de woestijn, in de buurt van Deir ez-Zor, en sloten me op in een piepkleine ruimte. Het was ongelooflijk warm, augustus in de Syrische woestijn. Ik heb daar zes weken gezeten. Telkens weer smeekte ik: ‘Doe de deur open, een klein kiertje maar! Mafi oxygen! Ik heb lucht nodig!’

    Matthew Schrier:
    Ik heb Chivers het verhaal van mijn vlucht verteld en gedacht: die heeft een Pulitzerprijs, die zal wel weten hoe hij met informatie moet omgaan. Via Chivers heb ik trouwens voor het eerst over IS gehoord. Hij vertelde me dat Al-Nusra en IS met elkaar overhoop lagen en toen kreeg ik een vermoeden wat dat voor gevechten waren geweest die ik vanuit onze cel had gehoord.

    Theo Padnos:
    Weken verstreken en werden maanden. IS werd 
sterker en Al-Nusra moest vluchten uit Deir ez-Zor. Mij namen ze mee.

    Matthew Schrier:
    In oktober 2013 kwam ik achter de Skype-naam van een van de terroristen, die zich Kawa noemde. Hij was net als Mohammed een van de Al-Nusraleiders in onze gevangenis geweest. Ik speelde de informatie door aan de FBI, met de tip dat ze de regering van Qatar zouden kunnen vragen contact op te nemen met Kawa om over de vrijlating van Theo te onderhandelen. Ik wist dat Kawa contacten onderhield met Qatar, en de Qatari’s zijn tenslotte onze bondgenoten. Ik wist dat Theo zo een reële kans had om vrij te komen.

    Theo Padnos:
    Op den duur werd ik een sajin mahtar, een gerespecteerde gevangene. Soms mocht ik me vrij bewegen. Ik vulde patroongordels en stapelde munitiekisten, wat ze me maar opdroegen. Op een keer zei een bewaker: ‘Ze zullen je binnenkort wel laten gaan, we hebben het geld nodig.’ In augustus 2014, na 22 maanden gevangenschap, lieten ze me vrij bij de grens met Israël. De Qatarese regering had me vrijgekocht, begreep ik later. Ik ben niet kwaad op 
de terroristen. Als je weet wat wij Amerikanen in Irak hebben aangericht, kun je zelfs een beetje begrip voor hen opbrengen. Maar er is iemand die ik onder geen beding ooit terug wil zien: Matthew Schrier. Ik ben 22 maanden lang gevangene van Al-Qaida geweest, maar de zeven maanden met hem waren met afstand de ergste.

    Matthew Schrier:
    Ik heb er alles aan gedaan om Theo eruit te halen. 
Ik heb geprobeerd om het Vrije Syrische Leger over te halen hem te bevrijden. Ik heb de FBI op het spoor van Qatar gezet. Ja, we haatten elkaar, maar hij is toch een Amerikaan. Ik heb hem e-mails geschreven toen hij vrijkwam. Ik wilde met hem praten, maar hij negeerde me.

    Theo Padnos werkt aan een documentaire over zijn gevangenschap. De roman die hij in de gevangenis schreef nadat Matthew Schrier was gevlucht, wil hij publiceren. Schrier werkt ook aan een boek. Hij is gestopt met fotograferen. Tegenover Die Zeit hebben ze zich voor het eerst tegelijk uitgelaten over hun tijd in gevangenschap – natuurlijk vonden de gesprekken op verschillende locaties plaats. De strijd die ze in de cel zijn begonnen, zetten ze met andere middelen voort. Het gaat niet meer om overleven, maar om 
het laatste woord. Of de onderhandelingen van de Qatarese regering vereenvoudigd werden doordat Schrier de Skype-naam van de terrorist Kawa aan de FBI gaf, is niet bekend. De FBI geeft daar geen informatie over. Het is ook niet bekend of de Amerikaanse regering de losgeldbetaling via haar bondgenoot heeft goedgekeurd – of er zelfs maar van geweten heeft. De familie van Padnos had Qatar eveneens 
om hulp gevraagd, samen met de families van vier andere ontvoerde Amerikanen, James Foley, Steven Sotloff, Kayla Mueller en Peter Kassig. Alleen Padnos kwam vrij. Foley, Sotloff en Kassig werden om het leven gebracht door IS. Kayla Mueller stierf bij een bombardement.