Tag: al-qaida

  • Turkije doet oproep om rebellengroep HTC van terrorismelijst te schrappen

    Turkije doet oproep om rebellengroep HTC van terrorismelijst te schrappen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ghana: rechtbank geeft groen licht voor strenge anti-LHBTI-wet

    » Tunesië: twintig doden bij ongeluk met een migrantenboot

    De groep zou afstand hebben gedaan van radicale elementen

    Op woensdag riep Ankara de internationale gemeenschap op om de islamistische groepering Hayat Tahrir al-Cham (HTC), de drijvende kracht achter de val van het regime van Bashar al-Assad, van de lijst van terroristische organisaties te schrappen. In een interview met Al-Jazeera zei het hoofd van de Turkse diplomatie, Hakan Fidan, dat de groep ‘enorme vooruitgang heeft geboekt door afstand te nemen van Al-Qaida, Daesh en andere gerelateerde radicale elementen’.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Fidan verwierp ook de recente verklaring van de Amerikaanse president Donald Trump dat de overwinning van de rebellen in Syrië een ‘onvriendelijke machtsovername’ door Ankara was. ‘Het is de wil van het Syrische volk die vandaag de macht overneemt,’ zei de minister. ‘Met de omverwerping van Bashar al-Assad en de fragmentatie van Syrië oefent Turkije nu een belangrijke invloed uit op de toekomst van de regio,’ merkte de Qatarese zender niettemin op.

  • Burkina Faso: minstens 51 soldaten gedood bij terreuraanval

    Burkina Faso: minstens 51 soldaten gedood bij terreuraanval

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Doden en honderden gewonden na nieuwe aardbevingen in Turkije en Syrië

    » Bijna de helft van Franse volwassenen is te zwaar

    Burkina Faso gaat al lange tijd gebukt onder jihadistisch geweld

    In Burkina Faso zijn vrijdag eenenvijftig soldaten gedood die in een hinderlaag waren gereden van vermoedelijke jihadisten, verklaarde het Burkinese leger maandagavond. De aanval vond plaats in het noorden van het land. Daarbij zouden ook honderdzestig jihadisten zijn omgekomen, bericht L’Observateur Paalga.

    Kapitein Ibrahim Traoré, de overgangspresident die op 30 september 2022 met een staatsgreep aan de macht kwam, heeft zich ten doel gesteld de ongeveer veertig procent van het grondgebied dat in handen is van gewapende groepen die banden hebben met Al-Qaida en Islamitische Staat, te ‘heroveren’. Maar sinds Traoré aan de macht is, zijn de aanslagen die aan deze groepen worden toegeschreven alleen maar toegenomen.

    ‘Het leger is nog geen onoverwinnelijke armada geworden’

    ‘De tragedie van afgelopen vrijdag heeft een einde gemaakt aan het idee dat de gewapende terreurgroepen voortaan de burgerbevolking zouden aanvallen in plaats van onze troepen. Weliswaar doet het leger al enige tijd stevige aankopen (gevechtshelikopters, drones, et cetera), maar het is nog geen onoverwinnelijke armada geworden’, merkt L’Observateur Paalga op.

    ‘Men had zeker niet zo naïef moeten zijn om te verwachten dat IB [Ibrahim Traoré] het onkruid zou rooien dat jaren de tijd heeft gehad om wortel te schieten’, besluit het Burkinese dagblad.

    Lees ook:

  • Burkina Faso: 11 doden, tientallen vermisten na jihadistische aanval op konvooi

    Burkina Faso: 11 doden, tientallen vermisten na jihadistische aanval op konvooi

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Geweld neemt toe op Westelijke Jordaanoever

    » Nord Stream: Moskou opent onderzoek naar ‘daad van internationaal terrorisme

    Opnieuw jihadistisch geweld in Burkina Faso

    In Burkina Faso kwamen maandag ten minste elf soldaten om bij een jihadistische aanval op een konvooi onder militaire begeleiding met levensmiddelen bij Gaskindé in de noordelijke Sahel. De tol kan nog hoger uitvallen aangezien er ongeveer vijftig burgers als vermist zijn opgegeven, bericht Al Jazeera. Een bron vertelde het persbureau AFP dat het dodental kan oplopen tot zestig doden. ‘Vrijwel het hele konvooi is verbrand.’

    De regering verklaarde dat de aanval werd uitgevoerd door een gewapende groep die banden heeft met Al-Qaida en IS. Sinds luitenant-kolonel Paul-Henri Sandaogo Damiba in januari via een staatsgreep de macht greep in Burkina Faso, de gekozen leider van het West-Afrikaanse land omver wierp en beloofde de gewapende groepen in toom te houden, woedt er geweld. Net als in de buurlanden hebben strijders die gelieerd zijn aan Al-Qaida en IS de onrust aangewakkerd, zelfs nadat Damiba eerder deze maand zijn minister van Defensie had ontslagen en die rol zelf had overgenomen.

    Lees ook:

  • Somalië: ten minste 21 burgerdoden bij belegering hotel door Al-Shabaab

    Somalië: ten minste 21 burgerdoden bij belegering hotel door Al-Shabaab

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Opnieuw Russische militaire locaties getroffen door explosies en brand

    » Algerije: 26 doden bij bosbranden

    Terreurgroep hield hotel meer dan 30 uur in handen

    Bij de aanval op het Hayat Hotel in Mogadishu door de islamitische terreurgroep Al-Shabaab afgelopen weekend zijn ten minste eenentwintig burgers gedood, zo meldt Al Jazeera op basis van cijfers van ziekenhuizen. Volgens de politie werden drie aanvallers tijdens de operatie van zaterdagavond door Somalische troepen gedood om een eind te maken aan de belegering. Een vierde werd op zondagmorgen doodgeschoten, ‘toen hij in de menigte probeerde op te gaan’.

    De aan Al-Qaida gelieerde terroristen vielen het hotel vrijdag aan met bommen, schoten vervolgens op de menigte en bezetten het gebouw meer dan dertig uur lang. Volgens de ziekenhuiscijfers zijn er 117 gewonden gevallen.

    Lees ook:

  • VS doden Al-Qaida-leider in droneaanval

    VS doden Al-Qaida-leider in droneaanval

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Lange rijen aan grens dreigen ‘nieuwe normaal’ te worden voor Britse vakantiegangers

    » VN-chef Guterres: De wereld is ‘één misverstand verwijderd van nucleaire vernietiging’

    Al-Zawahiri was een van de mannen achter 9/11

    Al-Qaida-leider Ayman al-Zawahiri zondag gedood ‘in de grootste klap voor de groep sinds de dood van zijn stichter Osama bin Laden in 2011’, bericht Al Jazeera. Hij werd uitgeschakeld door een droneaanval van de CIA in de Afghaanse hoofdstad Kaboel, zo verklaarde de Amerikaanse president Joe Biden gisteren in een speciale televisietoespraak. ‘Gerechtigheid is geschied en deze terroristenleider is niet meer’, aldus Biden.

    Al- Zawahiri hielp bij de coördinatie van de aanslagen van 11 september 2001

    De inlichtingendienst had eerder dit jaar de familie van al-Zawahiri in Kaboel gelokaliseerd, zei Biden, die eraan toevoegde dat er geen leden van de familie of burgers bij de aanslag waren gedood. Al-Zawahiri, een Egyptische chirurg met een beloning van 25 miljoen dollar op zijn hoofd, hielp bij de coördinatie van de aanslagen van 11 september 2001 op de VS, waarbij bijna drieduizend mensen omkwamen.

    ‘Het is een grote klap’, vertelde Colin Clarke, onderzoeksdirecteur bij de Soufan Group, een wereldwijd beveiligingsbedrijf, aan Al Jazeera. Hij voegde eraan toe dat zijn aanwezigheid in Kabul ook interessant was vanwege wat het suggereerde over al-Zawahiri’s relatie met de taliban.

    ‘Het vertelt ons dat hij zich veel meer op zijn gemak heeft gevoeld in het afgelopen jaar sinds de taliban de macht hebben overgenomen’, aldus Clarke.

    Lees ook:

  • Nieuwe aanval van Al-Shabaab in Somalië

    Nieuwe aanval van Al-Shabaab in Somalië

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Hoop op vrijstelling patent Covid-vaccins na akkoord binnen Wereldhandelsorganisatie

    » Haast om noodanticonceptie in Oekraïne te krijgen na toename meldingen verkrachting

    Terreurgroep valt militaire basis van Afrikaanse Unie aan

    De terreurgroep Al-Shabaab, die banden heeft met Al-Qaida, heeft in Somalië een militaire basis aangevallen die door de Afrikaanse Unie was gestuurd om de vrede te bewaren, meldt CNN. De basis, die 160 kilometer ten noorden van de hoofdstad Mogadishu ligt, wordt bezet door Burundese troepen. Een zelfmoordterrorist drong afgelopen dinsdag bij zonsopgang de basis binnen en maakte de weg vrij voor andere strijders. Al-Shabaab beweert 59 soldaten gedood te hebben en de controle over de plaats overgenomen te hebben. De beweringen zijn niet bevestigd door de autoriteiten.

    Het is de tweede keer dit jaar dat de terreurgroep de basis heeft aangevallen, aldus CNN. De aanval vond plaats op 14 april, de dag waarop Somalië een nieuw parlement beëdigd heeft. Later dit jaar zullen naar verwachting presidentsverkiezingen gehouden worden, na meer dan een jaar uitstel als gevolg van de politieke crisis.

    Al-Shabaab is een Somalische groepering die door de Verenigde Staten in maart 2008 als buitenlandse terroristische organisatie is aangemerkt. De terreurgroep strijdt al jaren voor de omverwerping van de centrale regering en voor invoering van een bewind gebaseerd op de strikte interpretatie van de sharia, de islamitische wetgeving.

    Lees ook:

  • 4. Hacker vervangt Rosa Klebb

    4. Hacker vervangt Rosa Klebb

    Russische spionnen – bruut, kil, verleidelijk en gewetenloos – zijn geliefde personages in westerse speelfilms. Maar ze worden in snel tempo vervangen door technologie.

    Tot de impertinenties die Russen al generaties lang moeten dulden, behoort het beeld dat in de westerse popcultuur van hen wordt geschetst. Als stiefmoeder van alle kwaad geldt nog altijd de ongekend lompe Rosa Klebb, die de Britse held James Bond wilde doden met een giftig mes in de punt van haar schoen. Ook de Black Widow uit de vroege Marvel Comics, een met hightechwapens uitgeruste femme fatale, is een Russische agente. Russinnen en Russen waren meestal bruut, kil en gewetenloos, en als ze eens een keer aardig waren, zoals de hulpvaardige kosmonaut Lev Andropov in Armageddon, dan hadden ze een bontmuts met oorkleppen op en waren ze dronken.

    Momenteel komt de herinnering aan Rosa Klebb weer tot leven, en dat komt niet zozeer door de film als wel door de werkelijkheid. De van oorsprong Russische en later Britse agent Sergej Skripal is onlangs in Engeland het slachtoffer geworden van een gifaanslag, uitgevoerd met een in de Sovjet-Unie ontwikkelde chemische stof. Dat misdrijf zou net zo goed uit de Koude Oorlog kunnen dateren als het verhaal van de Vietnamees Trinh Xuan Thanh, die kort geleden midden in Berlijn werd ontvoerd – op bevel van de Socialistische Republiek Vietnam, zijn geboorteland. Communistische of autoritaire diensten, waartoe ook de Russische behoren, hebben even weinig genade met hun slachtoffers als respect voor rechtsstaten. Het Westen bekruipt dan ook een gevoel van onbehagen.

    De ontmaskerde spionne Anna Chapman begon een succesvolle tweede carrière als televisiepresentatrice

    Lange tijd waren Russische agenten verdwenen uit het bewustzijn van Europeanen en Amerikanen. Dat kwam door het einde van de Koude Oorlog en door het islamistische terrorisme. De personificatie van het kwaad was niet meer een bejaarde leider van het politbureau met zijn hand op de atoomknop, maar een prediker met opgestoken wijsvinger in een Afghaanse tent. De islamisten hadden beter dan de communisten door welke kracht er uitging van beelden: nooit eerder heeft de werkelijkheid de film zo overtroffen als op 11 september 2001, toen Al-Qaida de massamoord live op televisie bracht. De geheime diensten van Amerika bestreden het nieuwe gevaar met methoden waarvan het Westen eerder de Sovjet-Unie zou hebben verdacht – met ontvoeringen, martelingen en gevangenissen die boven recht en grondwet waren verheven.

    De post-Sovjet-Russen waren ondertussen weliswaar niet gestopt met het bespioneren van het Westen, maar wekten geen al te groot onbehagen meer op. In 2010 werd bijvoorbeeld een spionagenet in de VS opgerold – tien Russinnen en Russen hadden zich jarenlang voorgedaan als brave burgers, maar in het geheim informatie doorgespeeld aan Moskou. Als ze in code met elkaar spraken, zeiden ze grappige dingen als: ‘Het is geweldig om een kerstman in mei te zijn.’ De Amerikanen reageerden eerder verbluft en geamuseerd dan gealarmeerd, en de ontmaskerde spionne Anna Chapman begon – ook dat paste goed bij die tijd – een succesvolle tweede carrière als televisiepresentatrice.

    Scenarioschrijver Joseph Weisberg maakte van deze ware gebeurtenis een televisieserie over spionnen ‘onder ons’, over Philip en Elizabeth die aan de rand van Washington twee kinderen opvoeden en daarnaast – of beter gezegd als hoofdtaak – voor Moskou werken. Ze verleiden, folteren en moorden; op een keer snijden ze het lijk van een vrouw in stukken, zodat het in een koffer past. Weisberg ondervond maar één probleem met dit thema: de griezelfactor ontbrak, want niemand was meer bang voor de Russen. De schrijver loste dit op door vooral de spanningen binnen het agentengezin te belichten en de handeling terug te verplaatsen naar de jaren tachtig, toen de Amerikaanse president Ronald Reagan de Sovjet-Unie het ‘Rijk van het Kwaad’ noemde.

    Als Weisberg zijn serie The Americans vandaag de dag had geschreven, dan zou hij de handeling met een gerust hart weer in het heden kunnen laten plaatsvinden, waarin dan misschien geen Koude Oorlog heerst, maar op zijn minst wel Koude Vrede. De Russische president Vladimir Poetin ziet zijn land belegerd door het Westen, vooral door de uitbreidingen van de NAVO. Zijn onmiskenbare doel dat Rusland weer serieus wordt genomen of misschien zelfs wordt gevreesd, heeft hij inmiddels bereikt. Sinds de annexatie van de Krim en zijn breed uitgemeten bondgenootschap met de Syrische vatbommenwerper Bashar al-Assad acht het Westen Poetin tot nagenoeg alles in staat. De Britse regering uit zelfs de verdenking dat hij persoonlijk verantwoordelijk is voor de moord op Skripal. Bewijzen ontbreken, maar de Britse pers mag er graag op wijzen dat Poetin ooit KGB-agent is geweest, wat verdere bewijsvoering kennelijk overbodig maakt. Poetin voltooit het beeld door verraders ‘een slechte afloop’ te voorspellen of door te dreigen terroristen in de wc te verdrinken.

    Maar zijn de geheime diensten van de landen die ten oosten van het IJzeren Gordijn lagen echt gewetenlozer dan de westerse? Het verleden biedt in elk geval tal van filmrijpe aanwijzingen daarvoor. In 1959 stierf de Oekraïense anticommunist Stephan Bandera in München nadat een agent met een speciaal pistool blauwzuur in zijn gezicht had geschoten. In 1978 brachten de KGB en de Bulgaarse geheime dienst de dissident Georgi Markov om het leven: op een brug in Londen stak iemand de punt van een paraplu in zijn huid, waarmee het dodelijke ricine werd toegediend. In 1981 probeerde de Stasi Wolfgang Welsch, die mensen de DDR uit smokkelde, uit de weg te ruimen door zijn gehaktballen met thallium te prepareren.

    Ook veel andere geheime diensten grijpen echter naar het uiterste. De Israëlische Mossad heeft duizenden echte en vermeende terroristen gedood; in 2010 vermoordden vermoedelijk Israëlische agenten Hamas-leider Mahmud al-Mabhuh in een hotel in Dubai. Ze deden dat zo handig dat het aanvankelijk leek alsof Al-Mabhuh een natuurlijke dood in bed was gestorven. In de leerboeken zal ook een plaatsje ingeruimd blijven voor de commandoactie waarbij Amerikaanse agenten Al-Qaida-leider Osama bin Laden in Pakistan om het leven brachten; later werd hiervan de film Zero Dark Thirty gemaakt. Werkelijkheid en fictie zijn in een eeuwige wedloop met elkaar verwikkeld. Dat de werkelijkheid vaak wint, ligt beslist niet alleen aan de Russen.

    Meer echter dan in het Westen worden in het Oosten diensten ook tegen dissidenten en critici ingezet. Na de ervaring met het stalinisme zag de Sovjetleiding erop toe dat een individu niet meer willekeurig agenten kon inzetten: partij en politbureau oefenden controle uit over de leiding van de geheime dienst. Onder Poetin daarentegen heerst opnieuw een man uit de diensten met de diensten en is er geen enkele politieke kracht te bekennen die toezicht op hem houdt.

    Tien Russische spionnen die werden gearresteerd vanwege werkzaamheden in de VS. Linksboven Anna Chapman, die een tweede carrière kreeg als tv-presentator. – © HH
    Tien Russische spionnen die werden gearresteerd vanwege werkzaamheden in de VS. Linksboven Anna Chapman, die een tweede carrière kreeg als tv-presentator. – © HH

    Maar ook in de VS waren het niet zozeer rechtsstatelijke principes die de methoden van de geheime dienst dicteerden als wel de toestand in de wereld en het heersende dreigingsgevoel. In de jaren vijftig smeedde de CIA groteske plannen om de Cubaanse revolutionair Fidel Castro om het leven te brengen. Later distantieerde de organisatie zich van dergelijke methoden, tot met de terreur van 2001 alle scrupules weer verdwenen. De Amerikaanse president Barack Obama breidde zijn dronesoorlog aanvankelijk uit, maar stelde er later ook nieuwe grenzen aan door gericht doden te beperken tot gevallen waarin terroristen een ‘direct’ gevaar betekenden. In beide gevallen hadden de burgers nauwelijks mogelijkheden om de staat te controleren.

    Een bijzonder bewijs voor de meedogenloosheid van autoritaire veiligheidsapparaten zien experts in ‘honingvallen’: agentes of agenten die buitenlandse tegenhangers verleiden of seksuele omgang met hen hebben. Ook westerse diensten hebben deze truc gehanteerd, maar de Sovjet-Unie was daarin onverslaanbaar, wat uit westerse optiek verband hield met hun meedogenloosheid. Frederick Hitz, een voormalige inspecteur-generaal van de CIA, duidt dat als volgt: ‘Maar weinig westerse diensten konden hun burgers opleggen dat hun lichaam aan de staat toebehoorde.’

    Dat hierover net een film draait in de bioscoop is zeker geen toeval. Red Sparrow, een film over een Russische agente die andere spionnen moet verleiden, zou in 2010 nauwelijks kijkers hebben getrokken. Nu voegt hij zich bij een lange lijst westerse films waarin Russen beestachtig te werk gaan en bereid zijn tot geweld. Red Sparrow is een film die zó in 1988 had kunnen draaien (als je even buiten beschouwing laat dat de Amerikaanse hoofdrolspeelster Jennifer Lawrence, die de Russische agente speelt, toen nog helemaal niet was geboren).

    Maar moet je nog met de vijand naar bed om hem uit te horen? Voor geheime diensten hebben de grootste veranderingen tegenwoordig meer van doen met technologie dan met ideologie. Waarom zou je iemand in bed geheimen ontlokken als je diens telefoon kunt uitlezen? Waarom zou je het leven van een agent riskeren als je de vijand ook met een drone kunt doden?

    Over de spionagefilm werd altijd gezegd dat het een onverwoestbaar genre was: regimes en ideologieën mogen komen en gaan, de strijder die zich in zijn eentje en voor een hoger doel blootstelt aan de grootste gevaren zal er altijd zijn. Maar voor twee centrale taken van de geheime dienst zijn mensen steeds minder nodig. Als het zo doorgaat met de bots en drones, dan zou de spionagefilm wel eens spoedig zijn belangrijkste acteur kunnen kwijtraken: de agent zelf.

    Zo beschouwd maakten juist de VS de voorbije jaren de indruk van een schurkenstaat. Ten eerste vanwege Obama’s drones, ten tweede vanwege de verzamelwoede van de National Security Agency, die in het wilde weg telefoongegevens opsloeg. Dat het veiligheidsapparaat van de aardige meneer Obama uitgerekend de mobiele telefoon van de Bondskanselier liet afluisteren, stond voor de Duitsers praktisch gelijk aan verraad. Sinds de annexatie van de Krim begin 2014 is het weer Moskou dat onder een vergrootglas ligt. Sindsdien doen de VS hun beklag over Russische hackeraanvallen en het doelbewust lekken van e-mails van de Democraten om de presidentsverkiezingen van 2016 te beïnvloeden. Speciaal aanklager Robert Mueller heeft gereconstrueerd hoe Russische agenten de VS bespioneerden en vervolgens vanuit Sint-Petersburg met geautomatiseerde socialmedia-accounts probeerden kiezers te beïnvloeden en het vertrouwen in de staat te ondermijnen. Is dat hoe de nieuwe oorlogsvoering eruitziet? Ophitsing, destabilisering, verwarring – zo geraffineerd uitgevoerd dat Moskou het steeds plausibel kan bestrijden? De voormalige FBI-man Clint Watts heeft ooit in het Amerikaanse congres gezegd: ‘Rusland hoopt de tweede Koude Oorlog met de macht van de politiek te winnen, niet meer met de politiek van de macht.’ De ironie wil dat de Amerikanen als uitvinders van Facebook en Twitter de Russen zelf van de noodzakelijke instrumenten hebben voorzien. Aan de andere kant: is de situatie zo dramatisch als politici en diensten in het westen schetsen? Tenslotte is politiek in de VS al sinds lange tijd toxisch, en dat de Amerikanen hun staat wantrouwen blijkt al uit hun grondwet. Wat hebben de Russen daar eigenlijk precies aan veranderd?

    In Duitsland is het niet anders: voor de Bondsdagverkiezingen verzamelden de Duitse geheime diensten bewijzen voor mogelijke beïnvloeding door Moskou – maar geen enkel schrikbeeld is bewaarheid. De stroom van slechte berichten over Moskous destructieve rol droogt desondanks niet op. De Amerikaanse regering stelde onlangs over bewijzen te beschikken dat Russische hackers westerse krachtcentrales kunnen binnendringen. Verschillende autoritaire diensten zouden zich er wel eens heimelijk over kunnen verkneukelen met welke lowbudgettrucs ze het Westen van zijn stuk kunnen brengen.

    Poetin lijkt de beschuldigingen uit het Westen niet erg serieus te nemen, alsof hij ervan geniet dat Europeanen en Amerikanen zich onzeker voelen. De New Yorkse professor Nina Khrushcheva heeft eens de theorie geponeerd dat Poetin nauwkeurig heeft bekeken hoe Russen in Hollywoodfilms overkomen. En dat hij toen heeft besloten zich precies zo te gedragen om het Westen angst in te boezemen.

    Auteurs: Georg Mascolo en Nicolas Richter
    Vertaler: Pieter Streutker

    Openingsbeeld: Still uit Hitchcocks The 39 Steps (1935).

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland, dagblad, oplage 358.000

    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

  • Hebben we een jihadist in huis gehaald?

    Hebben we een jihadist in huis gehaald?

    Een Zweeds gezin neemt een Syrische vluchteling in huis – uit medeleven, om een kind te helpen dat zegt te zijn ontsnapt uit een IS-gevangenis. Maar gaandeweg raakt de jongen verstrikt in leugens over zijn huiveringwekkende verleden, en realiseren ze zich dat ze geen idee meer hebben wie er onder hun dak woont. 

    Keuze uit het archief

    Sinds de eerste Oekraïense vluchtelingen in Nederland arriveerden en opgevangen werden bij mensen thuis, kwamen er verhalen naar buiten van situaties waarin wrijving ontstond tussen gastgezin en gasten. Dit artikel uit 2017, tijdens de vorige grote vluchtelingenstroom, laat zien hoe ingewikkeld het kan zijn – ondanks alle goede bedoelingen – om vluchtelingen in eigen huis op te vangen.

    Achter in de boot zingt een van de jongens boven het ronken van de motor uit, misschien uit blijdschap, misschien uit verveling, misschien wel uit angst – al lijkt zijn gevoeligheid voor dreiging, die sowieso al nooit zo groot was, volledig afgestompt na vier jaar oorlog in Syrië. De anderen bidden. O zee, wees genadig! zingt de jongen. ‘Hou je mond!’ zeggen de anderen. Tegen het einde van oversteek, wanneer ze Turkije ver achter zich hebben gelaten, begeeft de motor het. De jongen laat zich over de rand van de rubberboot zakken en spartelt in de richting van de Griekse kust, die een paar honderd meter ver is. Ook dit is een blijk van zijn roekeloze natuur, want het water is koud en de zee is ruw. De anderen blijven in de boot.

    Een reddingswerker zwemt naar de jongen toe en trekt hem mee naar het strand van het eiland Lesbos. Een verpleegster brengt hem naar een tent. ‘Oké, vertel,’ zegt ze. ‘Wat wilt u weten?’ vraagt de jongen. Hij zit nu op een warme, droge plek, maar hij weet niet goed wie deze vrouw is.

    ‘Alles. Ik wil alles weten,’ antwoordt de verpleegster. De jongen zegt dat hij Paul heet en zestien jaar is. Hij is breedgebouwd en ziet er gezond uit, heeft stevige armen en benen, grote handen, een diepe, peinzende rimpel in zijn voorhoofd en donkere, diepliggende ogen. Hij heeft iets afstandelijks en ondoorgrondelijks, maar ook iets heel innemends, haast iets sluw. Hij praat een beetje houterig, alsof hij bepaalde feiten net uit zijn hoofd heeft geleerd, maar de verpleegster vindt zijn verhaal in grote lijnen geloofwaardig. Als christen in het door oorlog verscheurde Syrië, vertelt hij, is hij geregeld gevangengezet door jihadisten. Hij werpt een blik op de hidjab van de verpleegster. ‘Misschien bent u wel een van hen?’ zegt hij. Het is grappend bedoeld. De jongen heeft nooit kunnen vermoeden dat zijn eerste contact in Europa met een moslima zou zijn die Syrisch Arabisch spreekt, en hij is argwanend. ‘Ben je gek,’ zegt ze.

    De vrouw is een Syrische Zweedse, uit Stockholm, die is gekomen om de honderdduizenden vluchtelingen en migranten te helpen die dat jaar op Lesbos aankomen. Ze gaat binnenkort weer terug naar huis en ze biedt aan om Paul te helpen daar een nieuw leven op te bouwen. Tien dagen later, op 9 oktober 2015, zit hij in Stockholm. Hij is nog heel jong en voor hem is het voornamelijk een avontuur om naar Europa te gaan, hij heeft geen echt doel voor ogen. Wel heeft hij gehoord dat Zweden bekendstaat om het ruimhartige vluchtelingenbeleid.

    Niet angstaanjagend

    Lina, een van de vriendinnen van de verpleegster, is arts. Zij mag de jongen graag en nodigt hem geregeld uit bij haar thuis, waar ze met haar man Otto en hun drie tienerdochters woont. (De namen van Lina, Otto en de jongen zelf zijn gefingeerd.) Ze vindt Paul ‘op de een of andere manier heel kwetsbaar en innemend,’ zegt Lina. ‘Hij wist – hoe zal ik het zeggen – precies de juiste snaar te raken, meteen al vanaf het eerste moment. Hij raakt je.’

    Anderen vinden hem onhandelbaar. 
De verpleegster heeft weten te regelen dat Paul onderdak krijgt bij een andere vriendin, maar die vraagt hem na enige tijd om weer te vertrekken. Zijn slaappatroon is grillig, net als zijn stemmingen. Maatschappelijk werk plaatst hem bij een wat oudere vrouw, maar daar neemt hij al na een paar dagen de benen. In een klein opvangcentrum voor minderjarige vluchtelingen weigert Paul alles wat hem wordt aangeboden, behalve snoep en sigaretten. Hij slaat tegen de muren en gaat met anderen op de vuist. Later breekt hij de kop van een beveiligd scheermes open en snijdt zijn pols door.

    Lina is in het verleden psychiatrisch verpleegkundige geweest. Zij vindt Pauls aanvallen niet angstaanjagend – ze vindt het eerder pijnlijk om van een afstand te moeten aanzien. Zij en Otto hebben het erover de jongen in huis te nemen. Niet alleen raken ze meer en meer op hem gesteld en vinden ze dat ze iets moeten doen voor de vluchtelingen die naar hun land komen, maar ook gaat het al een paar jaar niet zo lekker in hun huwelijk 
en ze vragen zich af of een dergelijk project – dat naar hun gevoel iets heel zuivers heeft, gewoon doen wat er gedaan moet worden – een springplank zou kunnen zijn voor een nieuw begin, zoals Otto het formuleert. Begin december zijn de vereiste papieren rond en neemt Paul zijn intrek bij het gezin.

    Ze weten vrijwel niets over zijn verleden. Zijn Zweeds is te slecht om er gedetailleerd over te vertellen. Lina en hij ontwikkelen al snel de gewoonte om na het eten een wandeling te maken, soms lopen ze uren en uren in het licht van de straatlantaarns. Gaandeweg begint ze zich in grote lijnen een beeld te vormen van zijn leven. Paul is afkomstig uit Shadadi, een kleine plaats in de oostelijke woestijn die bijna drie jaar bezet is geweest door jihadisten. Hij was de jongste van tien broers, die allemaal – samen met zijn ouders en drie zussen – in Syrië zijn gebleven. Hij is gevangengenomen, zo lijkt het, door zowel IS als Al-Qaida, die tegen elkaar streden om de controle over het oosten van Syrië.

    Paul heeft vrijwel geen bezittingen wanneer hij in Zweden arriveert. Wel heeft hij een papiertje, dat hij heel zorgvuldig heeft bewaard. Hij heeft het meegenomen uit Syrië – een paar keer dubbelgevouwen en goed weggestopt. Na een tijdje, als hij zich op zijn gemak voelt met Lina, laat hij haar het briefje zien. Hij kijkt er beschaamd en berouwvol bij, herinnert Lina zich. Hij heeft het briefje vele maanden eerder gekregen, in de gevangenis, maar hij heeft het nog aan niemand laten zien en nu is hij bang dat de schrijver van het briefje, een Amerikaanse journalist, dood is. Het briefje begint:

    ‘Gaat goed maar heb dringend hulp nodig. Iemand moet mijn regering duidelijk maken dat het van het grootste belang is dat ze snel handelen. Ik 
ga niet op de details in maar één ding is duidelijk. Ze kunnen nu onderhandelen over een oplossing of ze kunnen wachten, het bewust rekken. Als ze voor dat laatste kiezen zal ik er niet meer zijn om over te onderhandelen. Het is hier domweg te gevaarlijk. De mannen die mij gevangen houden zijn te grillig. Ze moeten vandaag nog in actie komen, nu meteen, en ze mogen niet opgeven tot de klus is geklaard. Oké?’

    De ochtend nadat ze met hem Syrië zijn binnengegaan komt een van de mannen op hem af en geeft hem, zomaar uit het niets, een dreun in 
zijn gezicht

    Theo Padnos arriveert in 2012 aan de Syrische grens. Padnos, die op dat moment 44 is, wil verslag doen van 
de oorlog en van wat volgens hem de culturele en psychologische drijfveren achter de oorlog zijn. Hij deelt een kamer in een huis in de heuvels van een Turkse grensplaats en gaat vaak de bergrug op om uit te kijken over Syrië, slechts enkele kilometers verderop. Al snel leert hij drie jonge mannen kennen die beweren samen te werken met een Syrische oppositiegroep. Zij bieden aan hem mee te nemen. De ochtend nadat ze met hem Syrië zijn binnengegaan komt een van de mannen op hem af en geeft hem, zomaar uit het niets, een dreun in 
zijn gezicht.

    Twee jaar lang verdwijnt de wereld uit beeld. Padnos wordt vastgehouden door Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van Al-Qaida. Het is lastig om enige logica te bespeuren in de manieren waarop hij wordt gemarteld – met staalkabels, met vuisten, met mededelingen dat hij binnen afzienbare tijd zal worden vermoord. Een van de mannen zegt dat het geweld is bedoeld om zijn ziel te harden. Padnos is een man met een jongensachtige nieuwsgierigheid, en zelfs onder deze omstandigheden blijft zijn onderzoekende geest intact. Hij probeert de mannen geregeld te verleiden tot een praatje, informeert naar hun privéleven, hun overtuigingen. De meeste vragen worden afgewimpeld. Waar ze vooral niet op willen ingaan, is de vraag waaróm ze hun jihad voeren. Dan komen ze aanzetten met de gebruikelijke clichés over de islam 
die wordt bedreigd, de islam die zijn onderdrukkers zal afschudden en verpletteren.

    Het klinkt Padnos allemaal bekend in de oren. Hij heeft een tijd in Damascus gewoond en ook, op het hoogtepunt van de Irakoorlog, in Jemen, waar hij Arabisch heeft gestudeerd en zich in de islam heeft verdiept. In 2011 heeft hij een boek geschreven over zijn verblijf aldaar, waarin hij het ook heeft over de westerse toeristen die zijn ontvoerd en vermoord. ‘De meeste mensen daar begrijpen wel dat de strijders toeristen vermoorden,’ schrijft hij, ‘omdat zij – de buitenstaanders – te ver zijn gegaan, zich te diep hebben gewaagd in een gebied dat ze niet begrijpen, een gebied dat in de greep is van een rigide, zeer serieus geloof.’ Zelf is hij niet zo naïef. ‘Mijn hele identiteit als schrijver, als mens, stoelde erop dat ik het gebied begreep,’ zegt hij tegen me. ‘Ik had me niet “te ver” gewaagd. Bovendien was ik geen vijand, was ik geen toerist.’

    Syrië is in zekere zin een vorm van verraad. Hij was ervan uitgegaan dat hij, ongeacht de omstandigheden, mensen zou weten te overtuigen van zijn zuivere bedoelingen, en dat die bedoelingen ertoe zouden doen.

    In juni 2014 wordt hij overgebracht naar een cel met vloerbedekking, waar een aantal mannen en een jongen 
van een jaar of veertien worden vastgehouden. Het zijn strijders van Jabhat al-Nusra, wordt hem verteld, maar ze worden er – ten onrechte, zeggen ze – van beschuldigd te willen overlopen naar IS. Zoals gewoonlijk vraagt Padnos de mannen naar hun privéleven, en zoals gewoonlijk proberen ze zijn vragen af te wimpelen. De mannen mopperen dat hij niet zo moet ouwehoeren, maar bij de jongen vindt hij een gewillig oor. Op zeker moment vraagt Padnos aan de jongen wat voor hem het doel is van de jihad waaraan hij deelneemt. ‘De wereldoverheersing,’ antwoordt de jongen achteloos. Padnos moet hem ongelovig hebben aangekeken, want de jongen vervolgt glimlachend: ‘Dat lijkt jou zeker niet haalbaar?’ Voor Padnos is dit moment van menselijkheid haast een wonder. ‘Het was voor het eerst in twee jaar dat iemand erkende dat het misschien “niet haalbaar” was,’ zegt hij. De jongen houdt zich niet aan het script, valt uit zijn rol. Ik had echt iets van: ‘Goddank – eindelijk!’

    Na slechts een paar dagen krijgt de jongen te horen dat hij zal worden vrijgelaten. Padnos schrijft haastig een briefje, voor een vriend buiten Syrië, waarin hij om hulp smeekt. De jongen stopt het briefje weg wanneer hij vertrekt, en belooft dat hij hem zal helpen.

    Chatten op Facebook

    In december 2015 krijgt Padnos bericht van een Zweedse vrouw, die zegt dat een jongen die hij uit Syrië kent nu onder haar hoede is. De Amerikaan is vele maanden eerder vrijgekomen, kort nadat hij zijn briefje heeft geschreven – al is het niet dankzij dat briefje. Zijn vrijlating is te danken aan de regering van Qatar, die heeft bemiddeld bij de gesprekken met Jabhat al-Nusra. (Naar verluidt heeft de groepering een paar miljoen dollar aan losgeld ontvangen, al is dit nooit officieel erkend.) ‘Als ik het goed begrijp hebt u een van mijn oude celgenoten gevonden?’ schrijft 
hij terug. ‘Fijn dat u contact met me opneemt!’

    Padnos had zijn briefje ondertekend; Lina kwam er op internet achter dat hij is vrijgelaten en weet hem te vinden op Facebook. Ze stuurt foto’s van het briefje en van de jongen – die in Stockholm groente staat te snijden, die aan het voetballen is. Padnos herkent ogenblikkelijk de tiener met wie hij gevangen heeft gezeten. De jongen was toen echter geen christen, hij heette geen Paul en Padnos was ervan overtuigd dat hij een jihadist was.

    Hij zegt tegen de FBI dat er volgens hem in Zweden een lid van Jabhat al-Nusra woont, een jongen die zich 
voordoet als vluchteling. Hij deelt zijn ongerustheid niet met Lina. Hij hinkt op twee gedachten. Hij is ervan overtuigd dat de jongen in staat is tot geweld; in Syrië waren zulke kinderen meedogenloos tegen hem geweest. Maar ergens gelooft hij ook dat een jonge Syrische moordenaar, ver van zijn thuisland en de jihad, ver van de normvervaging die elke oorlog met zich meebrengt, tot op zekere hoogte onschuldig kan zijn. Het geweld in Syrië staat in dienst van iets veel sterkers, heeft hij het idee, een soort oerkracht die als een orkaan is aangezwollen en nu over het hele gebied raast en de bewoners in zijn greep houdt. ‘Het land is behekst,’ zegt Padnos. Dat geldt niet voor Zweden.

    Het ruimhartige vluchtelingenbeleid in Zweden is gebaseerd op een vergelijkbaar beeld van oorlog als een alternatieve werkelijkheid, op een bereidheid om de deelnemers te vrijwaren van veel van de morele oordelen die in vredestijd gehanteerd worden. Tijdens de Europese vluchtelingencrisis van 2015 neemt Zweden 163.000 asielzoekers op. In dat jaar worden er slechts 461 doorgestuurd naar de veiligheidsdienst, die in 29 gevallen uitzetting adviseert. Zelfs mensen van wie is vastgesteld dat ze een bedreiging vormen voor de veiligheid mogen in Zweden blijven als men van oordeel is dat in het land van herkomst hun mensenrechten in het gedrang komen.

    Deze vastberaden goedhartigheid wordt soms, vooral buiten Zweden, als dwaze goedgelovigheid beschouwd. (Eerder dit jaar heeft de regering-Trump een inreisverbod voor onbepaalde tijd ingesteld voor Syrische vluchtelingen.) Maar tot nog toe heeft dit tot weinig politiek geweld geleid. Zweden heeft slechts twee aanslagen door jihadisten meegemaakt; een in april van dit jaar, toen een Oezbeekse man die geen asiel had gekregen, met een vrachtwagen vijf mensen doodreed in het centrum van Stockholm, en een in 2010, waarbij alleen de van oorsprong Irakese aanslagpleger om het leven kwam.

    Paul is ‘een jonge man met ernstige trauma’s,’ schrijft Lina aan Padnos. ‘Ik ben heel blij dat hij zich bij ons veilig voelt, maar er hoeft maar iets te gebeuren of hij schiet in de stress.’ Ze vraagt Padnos geen contact met hem op te nemen zonder haar goedkeuring. Maar Padnos weet de jongen te vinden op Facebook en de twee beginnen te chatten. Ze zijn allebei blij dat de ander nog leeft, al zijn ze ook een beetje gespannen. De echte naam van de jongen is Ammar. ‘Wat onze vriend Paul betreft,’ schrijft Padnos aan Lina, ‘het is inderdaad een lieverd. Ik kan me hem nog goed herinneren.’

    Verhalenverteller

    Ammar mag graag verhalen vertellen, en hij heeft een loepzuiver gevoel voor tragikomische spanning – vermoedelijk het resultaat van een jeugd in oorlogsgebied. Zijn favoriete onderwerp is het absurde. Wanneer hij me vertelt wat hij heeft meegemaakt, lijkt hij geregeld te worden meegevoerd door zijn eigen verhaal, al lijken de vele zijpaden ook bedoeld om elke schijn van betrokkenheid bij Al-Qaida weg te nemen. Op een avond, nadat hij lange tijd heeft zitten peinzen, richt hij zich tot mij en vraagt, zo op het oog met een mengeling van woede en teleurstelling: ‘Denk jij dat ik een moedjahedien was?’ Ik zeg dat mij is verteld dat hij dat inderdaad was, maar ook dat hij dat in Zweden niet langer lijkt te zijn. ‘Als ik lieg,’ antwoordt hij cryptisch, ‘is dat niet om iemand te kwetsen, maar om mensen te beschermen.’

    Hij speelde spelletjes bij een computerclub, vertelt hij, toen de strijd in het voorjaar van 2011 Shadadi bereikte, 
de stad waar hij woonde. De militaire politie opende het vuur op een antiregeringsdemonstratie, en hij rende naar huis. Hij was elf.

    ‘Aan het begin van de revolutie stond 
ik aan de kant van het regime,’ zegt hij. ‘Want ik wist niet wat de revolutie inhield. Ik keek alleen maar tv-programma’s van het regime.’ Zijn vader werkte in de olie-industrie en had dus goede betrekkingen met de regering van Bashar al-Assad; Ammar werd dan ook met een zeker respect bejegend. 
Bij de bakker werd hij naar de voorkant van de rij geduwd wanneer hij het brood voor het gezin kwam halen. Ooit had dat hem vervuld van trots. Later, toen het regime begon te wankelen, verloor het gezin zowel hun huis als hun aanzien, en het werd Ammar 
duidelijk dat de buren nu anders naar 
hen keken. ‘Kijk nou wat hun is overkomen,’ zeiden ze, met een mengeling van leedvermaak en afgrijzen.

    Begin 2013 bezet Jabhat al-Nusra het gebied rond Shadadi, en elke dag komen er weer nieuwe geruchten dat de jihadisten spoedig zullen oprukken om de stad te ‘bevrijden’ uit de greep van Assad, zegt Ammar. Op de ochtend dat ze binnenvallen ligt hij te slapen in het huis van een broer. Hij schrikt wakker door de dreun van een zelfmoordaanslag met een vrachtwagen, en het daaropvolgende glasgerinkel. Hij rent naar buiten en wanneer hij langs de kapotgebombardeerde restanten komt van wat ooit een huis was, hoort hij een man kermen van de pijn. ‘Ik ben gaan kijken,’ vertelt hij. ‘Ik was nergens bang voor.’ Binnen treft hij een soldaat van het regeringsleger aan, die in zijn borst is geschoten. De man vraagt de jongen hem te helpen weg te komen, maar de jongen zegt dat het te gevaarlijk is om de straat op te gaan in een uniform van het regeringsleger. Dus pikt hij wat vrouwenkleren uit een ander verlaten huis, aldus zijn verhaal, en geeft die aan de gewonde man, die ze eerst weigert aan te trekken maar zich uiteindelijk toch laat overhalen. ‘Een gekke en treurige situatie,’ licht Ammar toe. Hij moet er een beetje om lachen dat hij zoiets durfde te bedenken.

    Of Ammar dit verhaal nu heeft aangedikt of niet, het is waar dat Jabhat al-Nusra begin 2013 Shadadi binnentrekt. Assads troepen hebben weinig gedaan om de bevolking voor zich te winnen, en die is er dan ook niet rouwig om dat ze vertrekken. ‘De jihadisten stelen niet,’ zegt Ammar. ‘De mensen zijn gelukkig.’ De strijders laten de lichamen van hun gesneuvelde vijanden gewoon op straat liggen, vertelt hij. Het is voor een jonge man weliswaar mogelijk om te overleven zonder zich aan te sluiten bij de jihadisten, maar een lidmaatschap heeft in ieder geval als voordeel dat je gevrijwaard blijft van hun gewelddadige optreden.

    Dat najaar krijgt IS een groot deel van Syrië in handen, en tegen het einde van het jaar heeft het Shadadi bevrijd uit handen van Jabhat al-Nusra. De twee legers hebben aangrenzende gebieden veroverd. Het is gevaarlijk om over de grenzen van deze bezette zones te reizen – om handel te drijven in nabijgelegen steden, bijvoorbeeld, of om familie te bezoeken. Beide groeperingen zijn beducht op spionnen. ‘Als je je in een gebied bevindt dat door Daesh wordt gecontroleerd,’ zegt Ammar, die de denigrerende naam voor IS gebruikt, ‘en je gaat naar gebied dat in handen is van al-Nusra, word je voor een spion aangezien.’ In een nabijgelegen plaats die in handen is van Jabhat al-Nusra, wordt een van zijn broers opgepakt op beschuldiging van samenwerking met IS. Ammar gaat naar hem op zoek. Dan wordt hij ook opgepakt.

    Hij belandt bij Padnos in de cel. De Amerikaan is broodmager en heeft een verwilderde bos haar, een stevige baard en een klein snorretje – de gangbare combinatie binnen het salafisme. De bewakers behandelen hem wreed. ‘Ik dacht dat hij IS was,’ zegt Ammar. Padnos begint er steeds maar over ‘dat Syrië zo mooi is’, zegt Ammar. Hij probeert de andere gevangenen te verleiden tot een praatje. De jongen vindt hem maar vermoeiend. ‘In het begin vond ik hem vervelend,’ zegt hij. ‘Maar na een tijdje zei ik tegen mezelf: “Wallah, geef hem een kans. Hij is hiernaartoe gekomen als journalist, om 
de gebeurtenissen te verslaan, en 
vervolgens is hij gemarteld.”’

    Na zijn vrijlating wordt Ammar naar Jabhat al-Nusra’s emir voor oostelijk Syrië gebracht, een Irakees die bekendstaat als Abu Mariyah al-Qahtani. De man vraagt hem om vergiffenis voor het feit dat hij gevangen is gezet en geeft hem een stapeltje Syrische ponden; de jongen zegt tegen de emir dat hij, in dat geval, met alle plezier nog een tijdje blijft. Hij herinnert zich dat Abu Mariyah in de lach schoot.

    Ze vraagt niet om nadere uitleg wanneer de jongen opbiecht dat hij geen Paul heet. Ze geloofde zijn verhaal van begin af aan niet helemaal

    Met Kerstmis is het bitterkoud in Stockholm, maar de sfeer is feestelijk. Lina koopt een mooie jas voor de jongen en laat hem de stad zien – de etalages van grote warenhuizen, de ijsbaantjes. Hij kijkt zijn ogen uit en Lina voelt zich weer een jonge moeder, die haar peuter laat kennismaken met de bescheiden wonderen van de wereld. Met Oudjaar krijgen ze ruzie over het vuurwerk. Hij wil het afsteken zoals 
hij dat in Syrië gewend was, zo uit de hand. ‘In Zweden doen we dat anders,’ zegt ze, geduldig maar vastberaden. 
Ze laat hem de vuurpijlen in de grond steken. Hij is razend, maar daar trekt Lina zich niets van aan. Zij kan ook koppig zijn, en ze schreeuwt gewoon terug. Hij gedraagt zich alsof hij dat volkomen begrijpt en het alleen maar fijn vindt: haar geschreeuw is, net als haar vergevingsgezindheid, een blijk van haar liefde.

    Lina is een lange, sterke vrouw met blauwe ogen, vlasblond haar en een scherpe neus, die iets omhoog krult. Haar gelaatstrekken verlenen haar een krachtige, beheerste uitdrukking. Ze steekt graag tijd en energie in dingen, ze is opmerkelijk geduldig, maar ze houdt niet van dralen. In het Engels eindigt ze de meeste opmerkingen met een vriendelijk doch beslist ‘Yah?’

    Ze vraagt niet om nadere uitleg wanneer de jongen opbiecht dat hij geen Paul heet. Ze geloofde zijn verhaal van begin af aan niet helemaal, vertelt ze me. De leugen lijkt haar niet echt te storen, of in ieder geval besluit ze er niet al te lang bij stil te staan. Hij heet Ammar; hij is moslim. Lina zet hem geen varkensvlees meer voor.

    Ze schrijft hem in voor kungfules en regelt een baantje voor hem in de keuken van een plaatselijke kerk, waar hij onder meer koffie serveert aan de Zweedse gepensioneerden die daar komen lunchen. Ze snijdt onderwerpen aan als de sociaal-democratie en gendergelijkheid – waar hij meteen voor openstaat – en het homohuwelijk, waar hij wat meer tijd voor nodig heeft. In Stockholm loopt hij een keer per ongeluk tegen een agent op. Tot zijn vreugde en verbijstering draait de agent zich om en zegt: ‘O, sorry!’ In Syrië ging het er heel anders aan toe.

    Hij zit soms bij Lina op schoot en dan krabt ze zijn rug, zoals zijn moeder vroeger had gedaan. De twee lopen geregeld arm in arm en omdat ze ongeveer even lang zijn, zouden ze 
net zo goed vrienden kunnen zijn als moeder en zoon. Stiekem roken ze samen sigaretjes. Lina’s dochters kussen hun moeder op de mond wanneer ze weggaan of thuiskomen. Als Ammar die gewoonte begint over te nemen schrikt ze er even van, maar niet op een vervelende manier.

    Alle minderjarige asielzoekers hebben het recht om in Zweden onderwijs te volgen. Ammar gaat in februari voor het eerst naar school. Er zitten veertien kinderen in zijn klas, voornamelijk Afghanen, alleen maar jongens, allemaal gekleed als de Europese voetballers die ze zo bewonderen: skinny jeans en gel in hun haar. Zweedse kinderen noemen de docenten bij de voornaam, maar de jongens vinden dat ongemakkelijk en staan erop hun docenten lärare te noemen, leraar. Ammar is druk en zit vaak te giechelen, maar hij heeft duidelijk taalgevoel. Na korte tijd spreekt hij vloeiend Zweeds.

    Maar soms zit hij ook stilletjes te mokken. Een docent herinnert zich de keer dat hij onbedaarlijk begint te huilen en de klas moet verlaten. Sommige leraren denken dat hij depressief is. Gezien zijn impulsieve gedrag en zijn heftige stemmingswisselingen, denkt Lina dat hij misschien aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt. Hij heeft geregeld nachtmerries. Als hij niet kan slapen, daalt zij de trap af naar zijn slaapkamer, onder de dakrand, en kruipt bij hem in bed.

    Hij verzuimt geregeld zijn huiswerk te maken, spijbelt van school, blijft weg van zijn werk in de kerk en van de kungfulessen. Lina wijt dit voor een groot deel aan zijn ‘grootheidswaan’: zodra hij een beetje Zweeds kan, of een paar kungfugrepen onder de knie heeft, ziet hij er niet langer het nut van in om nog meer lessen te volgen. Het kost hem moeite Zweedse vrienden te maken; hij beschuldigt ze soms van racisme, al zegt hij dat meestal met een grijns, alsof hij Lina vol trots duidelijk wil maken dat hij zich de stokpaardjes van links Zweden heeft eigengemaakt.

    Zijn lastigste buien worden meestal in gang gezet door nieuws uit Syrië. Dan vlamt er plotseling een heftig schuldgevoel bij hem op, zowel om het feit dat hij is gevlucht, lijkt het, als om het feit dat hij nog leeft. Hij spreekt slechts zelden met zijn ouders. Lina heeft Ammars moeder een lange brief geschreven waarin ze belooft voor hem te zorgen alsof hij haar eigen zoon is. Er komt geen reactie. Misschien is deze ogenschijnlijke onverschilligheid terug te voeren op bepaalde Syrische omgangsvormen, of misschien schamen Ammars ouders zich, bedenkt Lina. Maar dan hoort ze dat een van Ammars vrienden, die ook uit Syrië komt, dagelijks met zijn vader belt. Op zeker moment laat ze zich dat ontvallen, zonder er verder bij na te denken. Ammar lijkt gekwetst.

    Hij is bijzonder gevoelig voor Lina’s opmerkingen, die hij als kritiek ervaart. Woedend verwijt hij haar, keer op keer, dat ze hem minder liefde geeft dan haar dochters. Vervolgens sluit hij zich op in zijn kamer, of hij weigert te praten, soms dagen achter elkaar. Ondertussen hebben Lina’s dochters het gevoel dat deze nieuwe zoon hen verdringt uit hun moeders hart, om nog maar te zwijgen van het leven van alledag. Om ruimte te maken voor Ammar is het bed van de veertienjarige dochter verplaatst naar een gemeenschappelijke ruimte.

    Lina heeft schoenen voor hem gekocht, kleren, een telefoon, een laptop. Toch werpt hij haar voor de voeten dat ze hem behandelt alsof hij niet meer is dan een gast. Aan de andere kant lijkt hij zich vaak opgelaten te voelen wanneer hij dingen van haar aanneemt. Hij slaat maaltijden over, om haar niet op kosten te jagen. Hij heeft het erover om terug te gaan naar Syrië. Soms lijkt hij haar alleen op stang te willen jagen, maar op andere moment lijkt hij het echt te menen. ‘Het lukt hem maar niet om hier te aarden, in Zweden, bij mij,’ schrijft Lina me een keer vertwijfeld. ‘Het is hartverscheurend.’ Hij is min of meer door toeval in Zweden beland, en zijn leven daar komt hem soms onwerkelijk voor, nieuw en opwindend als een computerspel, maar ook leeg. Hij heeft nooit nagedacht over een toekomst in Europa, zelfs 
niet op het moment dat hij ernaartoe vluchtte. ‘Onmogelijk,’ zegt hij. ‘Een kans van 1 op 14.000. Onmogelijk.’

    Vreselijk jaar

    De laptop – waarop Ammar Counter-Strike en Clash of Clans kan spelen – leidt in het voorjaar tot een crisis. Lina, die niets heeft te klagen maar bij wie het geld ook niet op de rug groeit, heeft een tweedehandexemplaar gevonden, voor een fractie van de oorspronkelijke prijs. Ammar komt uit een rijke familie en is geen tweedehandsspullen gewend. Hij ervaart Lina’s cadeau als een klap in zijn gezicht en stormt het huis uit.

    Hij hoopt duidelijk dat ze hem achterna komt. Niet veel later stuurt hij Lina foto’s van een scheermesje en zijn opnieuw bebloede pols. Ze weet hem 
te vinden, niet ver van huis, en neemt hem mee terug. Maar niet veel later staat hij op de balkonreling, op de vijfde verdieping, en dreigt naar beneden te springen. Otto trekt hem naar binnen. Lina zit meer dan een uur zwijgend naast Ammar op zijn bed. Hij lijkt tot bedaren te komen en ze laat hem alleen.

    Als ze wat later weer naar zijn kamer gaat, blijkt hij uit het raam te zijn geklommen, het dak op. Ze praat op hem in, smekend, maar kijkt op een goed moment van hem weg. Ze wil niet achterblijven met het beeld van een lege kamer en zijn lichaam dat naar beneden valt. Ze begint te huilen. ‘O,’ zegt Ammar. ‘Nu weet ik dat je van me houdt.’

    Ammars vrijlating uit de gevangenis is het onheilspellende begin van een vreselijk jaar. Wanneer hij terugkeert na gevangen te zijn gehouden door Jahbat al-Nusra, wordt hij opgepakt door IS, ook nu weer op beschuldiging van spionage voor het andere kamp. Hij wordt een aantal keer vrijgelaten, om vervolgens telkens weer gevangen te worden gezet. (Ook, zo beweert Ammar, stuurt hij berichten naar de man voor wie ook het briefje van Padnos bestemd was. De man zegt nooit dergelijke berichten te hebben ontvangen.) Op zeker moment wordt Ammar ervan beschuldigd te hebben gestolen van een inlichtingenofficier van IS. Hij wordt drie maanden vastgehouden en wordt uren achtereen geslagen, totdat hij zichzelf volkomen stil heeft geschreeuwd. Een andere keer, zo beweert Ammar, is hij opgepakt omdat hij iemand had aangevallen die de belasting kwam innen.

    Hij was toen high, legt hij uit. Ammar slikt meer en meer pillen – Zolam, een alternatief voor Xanax, en Baltan, een opiaat – vanwege Noor. Noor was zijn vriendin. Voor de oorlog uitbrak zaten ze een aantal jaar bij elkaar in de klas. ‘Toen werd ik een man,’ zegt Ammar. ‘Ik wist hoe ik moest beminnen en bemind moest worden.’ Noor is een aleviet, een lid van de sekte waartoe ook de familie van Assad behoort – een afvallige, in de ogen van IS. Ammar heeft een aantal foto’s op zijn computer van een meisje van wie hij zegt dat het Noor is. Ze is knap, met donkere ogen en lange, dikke wimpers. Veel foto’s zijn selfies, van bovenaf genomen om de welvingen te benadrukken van haar borsten onder een strak topje. Ze heeft haar lippen een klein beetje getuit. Puberale ijdelheid, ordinair en innemend tegelijk.

    Op een dag stuit Ammar ergens op straat in Shadadi, bij een soek en een taxistandplaats, op een groepje mensen, die toekijken hoe Noor wordt onthoofd. De beul spietst het afgehakte hoofd op zijn zwaard en steekt het in de lucht, aldus Ammar. Hij valt flauw. ‘Er zijn dingen die je nooit zult begrijpen omdat je ze niet hebt meegemaakt,’ zegt hij tegen me in een café in Stockholm. Hij schuift zijn plak chocoladecake aan de kant en legt zijn hoofd op tafel. ‘Wat doe ik hier?’ snikt hij. Er ligt een laagje donker glazuur op zijn lippen.

    Begin 2015 wordt hij voor het laatst opgepakt. In het noordwesten van Irak heeft IS duizenden vrouwen en meisjes ontvoerd van de yezidi-stam, een etno-religieuze minderheid, die door IS als seksslavinnen worden verkocht aan de strijders. Ammar wordt ervan beschuldigd dat hij yezidi’s heeft gekocht en weer heeft doorverkocht aan hun eigen familie – en naar eigen zeggen heeft hij dat ook echt gedaan, al bekent hij dat niet aan IS. Hij heeft negen yezidi’s gekocht en weer verkocht, zegt hij, onder wie een meisje dat 11.000 dollar opbracht. Hij kan weinig zeggen over zijn drijfveren om dit te doen, en hij kan geen enkel bewijs overleggen, maar hij zegt dat hij na Noors dood woedend was, en voor niets en niemand bang.

    IS neemt hem mee naar de Iraakse stad Mosul, waar hij greppels graaft en containers voor bommen soldeert, zegt hij. De strijders voetballen met hem. Er wordt voortdurend op hem ingepraat dat hij zich bij IS moet aansluiten. Hij overweegt het, maar heeft moeite met de gewelddadigheid van de groepering. ‘Ik vind het leuk om rotzooi te trappen, dat geef ik zonder meer toe, maar ik wil niemand echt kwaad doen,’ zegt hij.

    Hij wordt weer overgebracht naar Syrië, naar Raqqa, de hoofdstad van IS. Vrijwel iedere dag nemen de bewakers iemand mee naar de binnenplaats – een soldaat van het regeringsleger, een Hezbollah-strijder, een Koerd – om hem voor het oog van zijn medegevangenen te executeren. ‘Dat was niet leuk,’ zegt Ammar. Meestal gaat het om een onthoofding, met een mes of met een zwaard, maar soms worden de mannen verdronken, doodgeschoten, opgehangen of overgoten met zuur.

    Hij wordt nogmaals overgeplaatst, dit keer terug naar Shadadi. Daar wordt hij veelvuldig geslagen – men wil hem dwingen op te biechten dat hij de yezidi’s heeft verkocht. (Hij is ervan overtuigd dat hij vermoord zal worden zodra hij dat heeft bekend.) Op een dag wordt hij opgehangen aan het plafond en giet een van de beulen benzine over zijn voeten, waarna hij ze in brand steekt. Ammars plastic sandalen schroeien in zijn huid, die voor altijd ernstige littekens vertoont. ‘De pijn van vlammen is erger dan welke pijn ook,’ zegt hij.

    De mannen die met hem in de cel zitten, worden als uitzonderlijk gevaarlijk beschouwd, dus wordt Ammar uitverkoren om te koken. Zo zal hij weten te ontsnappen. Hij zit alleen in een kleine cel die aan de keuken grenst wanneer een van de bewakers hem, op fluistertoon, laat weten dat hij ter dood is veroordeeld. De bewaker spoort hem aan de benen te nemen. Aanvankelijk vertrouwt Ammar het niet, maar later op de dag keert de man terug. ‘Toen hij me zijn mes gaf, geloofde ik hem,’ zegt Ammar.

    Die avond zijn er twee bewakers. De eerste houdt de wacht terwijl de andere bidt. Ammar is in de keuken bezig soep te koken, en vraagt of de eerste bewaker even wil komen proeven. De man buigt zich over de pan. ‘Ik wilde hem steken met het mes, maar ik was bang om hem te vermoorden, dus sloeg ik hem met het keukengerei dat ik in mijn hand had,’ zegt Ammar.

    Hij rent naar de kamer waar de andere bewaker, een jongen van zijn eigen leeftijd, zit te bidden. Hij pakt zijn wapen. Er worden tweehonderd mannen bevrijd, misschien wel 280, 
en misschien ook wel enkele vrouwelijke gevangenen. Het hangt er een beetje van af of Ammar in een spraakzame bui is. De ontsnapte gevangenen lopen een dag, of misschien wel twee dagen, door de woestijn, tot ze bij het Koerdische front komen.

    De Koerden zorgen dat een groep ontsnapte gevangenen in een konvooi naar het westen kan reizen, naar Aleppo. Van daaruit gaan ze op weg naar de Turkse grens, die ze heimelijk oversteken, in het holst van de nacht, te voet. In Turkije kruipen ze in een afgedekte vrachtwagen. Ze zijn met 
25 man en twee schapen, zegt Ammar. Het is augustus 2015. Weldra zal Ammar op weg zijn naar Europa. Hij draagt een jasje dat zijn familie hem heeft gestuurd toen hij in de gevangenis zat; in de zak voelt hij ineens het briefje van Padnos, nooit afgegeven 
en volkomen vergeten.

    Overleden zonen

    Jaren en jaren voordat Ammar naar Zweden kwam, kregen Lina en Otto een zoon. Hij overleed op de dag van zijn geboorte. Lina kreeg niet veel later nog een kind, ook een jongen. Dit nieuwe kind had een misvormd middenrif, waardoor zijn longen niet konden uitzetten. Na twee maanden namen ze hem mee naar huis en leek zijn toestand iets te stabiliseren. Maar die vooruitgang hield geen stand. Hij overleed toen hij een halfjaar oud was. ‘Tja, ach,’ zegt Lina, ‘die dingen gebeuren, en je moet…’ Haar stem wordt zachter. ‘Maar twee keer achter elkaar!’ Otto, die destijds net als arts was begonnen, zwoer nooit met kinderen te gaan werken, in die verschrikkelijke vleugel van het ziekenhuis waar ouders hun ogen sluiten en, precies zoals hij had gedaan, bidden dat de alarmbellen die gaan rinkelen de dood verkondigen van het zoontje of dochtertje van een ander.

    Het besluit om Ammar in huis te nemen is in zekere zin een sprong terug in de tijd. De jongen zou een zoon voor hen kunnen zijn. Otto hoopt ook dat de komst van Ammar Lina en hem zal terugvoeren naar een eerdere, gelukkigere periode van hun huwelijk. Maar hij heeft het idee dat Lina al haar energie en aandacht in de jongen steekt. ‘In zekere zin heeft hij mijn plaats ingenomen,’ zegt Otto. Lina en hij zijn uit elkaar gegroeid en gaan scheiden. ‘Het komt niet door Ammar,’ zegt hij, ‘maar door hem is alles wel heel scherp aan het licht gekomen.’

    Ammar krijgt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Hij zal bij Lina blijven. Ze heeft hem al heel vroeg verteld over haar twee zoontjes en haar verdriet, om hem in moeilijke tijden een hart onder de riem te steken. Je kunt het ontzettend moeilijk hebben, is de boodschap, maar uiteindelijk toch een mooi en gelukkig leven leiden.

    De jongens zijn begraven in een schaduwrijk hoekje van een kerkhof in de buurt, en soms gaat Lina met Ammar naar het graf. Op een middag ligt het kerkhof bezaaid met witte bloemblaadjes, ragfijne confetti uit de oude bomen. Ammar zit een sigaretje te roken op een roze grafsteen en de as waait naar het graf van Lina’s zoontjes. Zonder erbij na te denken spuugt hij op de grond. ‘Dat is oneerbiedig,’ zegt Lina en Ammar staat op. Tot zijn verbijstering legt Lina uit dat haar zoontjes zijn gecremeerd. Als mensen worden gecremeerd, zie je ze dan branden? vraagt hij. Lina legt uit dat dat niet het geval is.

    Ze lopen over de begraafplaats naar een uitkijkpunt op de top van een heuvel, vanwaar je tot aan het open water kunt kijken, met de pastelkleurige gevels van de oude stad van Stockholm. Ook in de winter is Lina met Ammar naar deze plek gegaan, tijdens hun eerste wandelingen, en hij had het uitzicht betoverend gevonden. Weet je nog 
hoe mooi je dit vond? vraagt ze? ‘No is beautiful!’ zegt hij plagerig, in gebroken Engels. Ze lopen naar beneden, naar de stad. Lina blijft op de stoep wachten terwijl Ammar de stenen treden beklimt van het koninklijk paleis, waar een enkele soldaat de wacht houdt. Het is een jonge, bleke man, met een blonde snor – twee keurige driehoekjes boven zijn lip – een baret en een geweer met bajonet over zijn schouder. ‘Is de koning thuis?’ vraagt Ammar. ‘Nee, de koning is er niet,’ antwoordt de schildwacht lachend.

    Ammar daalt weer af naar de stoep. Hij blijft staan bij een bloembak, trekt er een madelief uit en knakt afwezig de knop van de steel. ‘Sweden is nice,’ zegt hij in het Engels, ook weer half grappend, maar volkomen raak.

    ‘Begrijp me goed, die jongen heeft een pact gesloten met de duivel. De jihad stroomt door zijn aderen’

    Voorjaar 2016 neemt Padnos het vliegtuig naar Stockholm. Hij heeft met Ammar afgesproken voor een moskee. De jongen loopt een lommerrijk paadje omhoog en staat ineens in het felle zonlicht op een open plek. ‘Habibi!’ roept Padnos. Hij schiet aarzelend op hem af, glimlachend maar gereserveerd, probeert de jongen te peilen. Ammar blijft staan, stralend, en spreidt zijn armen. Hij kust Padnos op zijn wangen, drukt zijn voorhoofd tegen dat van de Amerikaan en zegt, lachend, dat hij ervan uit was gegaan dat Padnos dood was. Hij draait een krul van de Amerikaan om zijn vingers en glimlacht: In Syrië was zijn haar veel langer, en veel viezer!

    Ammar pakt Padnos’ onderarm en trekt hem mee naar de straat. Onder een rij schaduwbomen staat een jong stelletje te zoenen. Ammar kijkt zijn oude celgenoot aan: ‘Waar is Abu Mariyah?’ grapt hij hardop – Abu Mariyah al-Qahtani, de man die hen gevangen had gehouden, zou dat zoenen maar niks hebben gevonden. Ammar omhelst Padnos, lijkt geen moeite te hebben met de lichamelijkheid. Hij draagt een strakke spijkerbroek, heel modieus boven zijn Nikes, en zijn donkere haar is omhoog gekamd in een Pompadour-kapsel. Af en toe neemt hij een trekje van een Marlboro Light. Padnos lacht en doet mee aan het toneelstukje dat de jongen opvoert – ingetogen, met een treurig soort vertrouwdheid.

    Padnos is benieuwd hoe het een jonge strijder vergaat in vredestijd, te midden van alle verlokkingen van een volkomen ander leven. Hij informeert naar Ammars broer, die ook gelijk met Padnos vastzat. ‘Hij zit nu bij Daesh,’ fluistert Ammar.

    Ammar neemt Padnos mee naar zijn favoriete kebabrestaurant. Hij stelt hem voor aan de mannen achter de toonbank, een Irakees en drie Syriërs, allemaal in het rode T-shirt van het bedrijf, en hij zegt dat Padnos een ‘jassus Amriki’ is – een Amerikaanse spion. De mannen vinden het hilarisch en Ammar vertelt dat de Amerikaan heeft vastgezeten in Syrië. ‘We haten het regime!’ roepen de mannen. Padnos zegt dat hij is vastgehouden door de oppositie. ‘We haten de oppositie!’ stellen ze hun mening bij. Hij lacht braaf. Er wordt gesproken over het losgeld waaraan hij duidelijk zijn leven heeft te danken en er worden grappen gemaakt over de prijs van elke afzonderlijke haar op zijn hoofd. Padnos bestelt een falafelschotel en gaat ermee aan een zonnig tafeltje op de stoep zitten.

    Hij vraagt of Ammar nog iets heeft gehoord van Abu Hamza al-Homsi, 
een officier van Jabhat al-Nusra. Abu Hamza heeft Padnos altijd goed behandeld, heeft hem papier gegeven om te schrijven en heeft zelfs aangeboden te bemiddelen bij zijn vrijlating. Padnos wil hem bedanken. Abu Hamza is dood, zegt Ammar, gesneuveld tijdens een gevecht bij de grens met Irak. Het is niet duidelijk hoe Ammar dat weet; Padnos denkt dat hij wellicht onder Abu Hamza’s bevel stond. De jongen beweert de namen en rangen te kennen van vele prominente jihadi’s, zegt te weten hoe het hen is vergaan, en zegt over nog veel meer verontrustende informatie te beschikken. Ammar leunt over tafel, laat zijn stem dalen en zegt dat hij heeft gehoord dat IS plannen heeft voor een aanslag in Zweden, een aanslag gericht op ‘homoseksuelen’, gepleegd door ‘blonde’ strijders. Ook pocht hij dat hij de beste van zijn klas is, en dat zonder ooit huiswerk te maken. Hij pakt wat falafel van Padnos bord en smeert het vol humus. Dan staat hij op om zichzelf bij te schenken uit een pot zwarte thee die binnen staat. Hij komt terug met een handvol suikerklontjes, die hij een voor een in zijn thee laat vallen, met de verveelde blik van een kind. Uiteindelijk zegt hij dat de thee te zoet is om nog te drinken.

    Hij neemt Padnos mee naar het rustige binnenplaatsje onder Lina’s appartement. Op de kleine patio staan een houten tafel en stoelen, en boven hun hoofd speelt een warm briesje door de bladeren. Maar nog voor ze gaan zitten zegt Padnos ineens dat hij echt moet gaan, en hij laat Ammar achter, in de war en teleurgesteld. Padnos lijkt de moed te hebben opgegeven dat hij ooit een vriend voor de jongen zal kunnen zijn.

    ‘Jabhat al-Nusra heeft hem gemangeld,’ zegt Padnos tegen me. Ammar kan een leven opbouwen in Zweden, denkt hij, en die kans verdient hij ook. Op andere momenten is die grootmoedigheid vervlogen. ‘Begrijp me goed, die jongen heeft een pact gesloten met de duivel,’ zegt hij. ‘De jihad stroomt door zijn aderen.’

    Toen hij destijds echt ten einde raad was geweest, had hij zijn lot in handen gelegd van Ammar, in de hoop dat hij nog over zo veel medemenselijkheid zou beschikken – hoezeer zijn gevoel ook was afgestompt of verdrongen – dat hij het bericht zou doorspelen. Dat was niet het geval. ‘Het raakte hem wel,’ zegt Padnos verbitterd. ‘Maar niet genoeg om in actie te komen.’

    Niet lang nadat Padnos Stockholm achter zich heeft gelaten, schrijft Lina hem – op enigszins verwijtende toon – en vraagt of hij denkt dat Ammar lid is geweest van Jabhat al-Nusra. Het zal geen verbazing wekken dat Padnos dat inderdaad denkt, en hoewel hij Ammar heel innemend vond toen hij in Zweden was, heeft de tijd die ze samen hebben doorgebracht hem toch niet van het tegendeel weten te overtuigen.

    Het is ‘mooi, om niet te zeggen ontroerend’ dat Lina de jongen zo’n warm hart toedraagt, schrijft Padnos, maar ze laat zich ook een rad voor ogen draaien. Het lijkt hem kwaad te maken, alsof het getuigt van een zekere naïviteit, waarvoor hij ook bij zichzelf bang is. ‘Misschien realiseer je je niet hoeveel van de mensen die we in Lesbos hebben gezien in de Syrische burgeroorlog hebben gevochten, aan welke kant dan ook,’ schrijft hij. ‘Natuurlijk, iedereen zegt dat hij in principe een onschuldig burger was, en voor velen gold dat duidelijk ook. Maar voor veel anderen niet. Waarschijnlijk zit er bij hen allemaal een steekje los – door Bashar [al-Assad], door de sjeiks, door de bommen, door de vele jaren van oorlog. Wat kun je eraan doen?’

    Over Ammar schrijft hij: ‘In principe denk ik dat iemand pas na jaren en jaren van psychisch geweld strijder wordt voor een beweging als Jabhat 
al-Nusra. Hij is waarschijnlijk zwaar onder druk gezet door zijn broers en zijn vader en God mag weten wie nog meer, zelfs toen Jabhat al-Nusra nog niet eens bestond. Zodra hij zich had aangesloten, hebben ze hem waarschijnlijk bepaalde dingen laten doen om zijn betrokkenheid te vergroten. Hun hele psychologie is erop gebaseerd dat ze je totaal onder controle krijgen, zodat je nauwelijks meer een mens bent. Je bent iets anders en je enige vrienden zijn precies zoals jij. Geweld, bidden en geen contact met de buitenwereld. Dat is Jabhat al-Nusra. Dat Ammar uiteindelijk zijn bedenkingen kreeg, zegt iets over zijn karakter. Het pleit voor hem, vind ik. Dat hij in Zweden liefdevol is opgevangen is ook fantastisch. Misschien dat hij een deel van dit verleden achter zich kan laten? Ik hoop het heel erg.’

    In het meest gunstige geval werpen we, als een astronoom, een blik op het heelal van Ammars ervaringen en emoties, zien we de felste objecten, die scherp zijn uitgetekend, en kunnen we ons misschien enigszins een beeld vormen van de donkerste uithoeken. Padnos ontwaart daar een dreiging die Lina niet ziet. Ze weigert met de ogen van Padnos naar Ammar te kijken, of naar zichzelf. ‘Ik heb uren en uren met hem gepraat,’ zegt ze over Ammar. ‘Ik heb er veel over nagedacht. En waar ik op uit ben gekomen – nee, dit is niet mijn verhaal over hem. Ik ken de waarheid niet. Maar dit is waar ik op uit ben gekomen. Ik heb ervoor gekozen hem te vertrouwen.’

    ‘Zweedse houding jegens vluchtelingen wordt norser’

    Volgens de jongste cijfers telde Zweden in 2016 zo’n 150.000 vluchtelingen uit Syrië. Dat was na het ‘rampjaar’ 2015, waarin Europa in volle omvang werd geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog in dat land en de terreur van IS in Syrië en Irak. Het Zweedse parlement had al in september 2013, als eerste in de EU, ingestemd met het toekennen van een permanente verblijfsvergunning aan de groep vluchtelingen uit Syrië. Zo kreeg in 2015 zo’n 77 procent van alle vluchtelingen die zich in Zweden meldden een verblijfsvergunning, maar voor de groep vluchtelingen uit Syrië was dat 100 procent.

    Kort na zijn aantreden als president van de VS zei Donald Trump in een toespraak in Florida: ‘Kijk wat er gisteravond gebeurd is in Zweden. Zweden! Wie had dat nou kunnen denken? Zweden! Ze hebben grote aantallen vluchtelingen opgenomen. En nu hebben ze problemen die ze nooit voor mogelijk hadden gehouden.’

    Er was die ‘gisteravond’ echter niets gebeurd in Zweden, en de voormalige Zweedse premier Carl Bildt vroeg zich hardop af ‘wat Trump die avond gerookt zou kunnen hebben’. Maar in april reed een afgewezen Oezbeekse asielzoeker in Stockholm met een vrachtwagen in op het winkelend publiek, waarbij vijf doden vielen. Volgens het Oezbeekse ministerie van Buitenlandse Zaken was de man gerekruteerd door IS. Hij moet eind november in Stockholm terechtstaan.

    De meeste vluchtelingen in Zweden verblijven rond Stockholm, Göteborg en Malmö. De Amerikaanse radiozender 
PRI constateerde onlangs in een reportage vanuit Zweden dat de stemming daar een lichte omslag vertoont. ‘Het is waar dat de houding ten opzichte van vluchtelingen en immigranten de afgelopen jaren norser is geworden,’ 
zei Daniel Hedlund van de Universiteit van Stockholm. ‘Maar ik moet zeggen dat de meerderheid van de Zweden nog altijd positief staat tegenover, 
bijvoorbeeld, het toekennen van gelijke sociale rechten aan vreemdelingen.’

  • Meer brand- dan vredestichter

    Meer brand- dan vredestichter

    De nieuwe kroonprins van Saoedi-Arabië, Mohammed bin Salman, staat bekend als een onvoorspelbare man die denkt dat geld alle problemen oplost. Een profiel.

    Zoals verwacht heeft koning Salman zijn jonge zoon Mohammed (31) tot kroonprins benoemd nadat hij de vorige kroonprins, Mohammed bin Nayef, de laan uit had gestuurd. Volgens officiële bronnen had deze laatste om ‘privéredenen’ verzocht van zijn kroonprinselijke taken te worden ontheven.

    De koning heeft ook de Saoedische basiswet van 1990 gewijzigd: de verticale troonopvolging van vader op zoon komt in de plaats van de horizontale opvolging van broer op broer die door de stichter van het koninkrijk, Abdulaziz bin Saud, in 1933 was ingesteld.

    De nieuwe troonpretendent Mohammed bin Salman denkt dat geld alle problemen oplost, hoewel hij er geen overwinningen mee heeft kunnen afdwingen in de oorlogen en conflicten die hij is begonnen.

    Tot nog toe is het onduidelijk waarom de koning niet ook een plaatsvervangende kroonprins heeft benoemd, zoals de gewoonte is. Evenmin is er vooralsnog antwoord op de kernvraag: zal de zieke koning spoedig afstand van de troon doen en zijn zoon het hoogste ambt gunnen terwijl hij zelf nog in leven is? Dat zou een primeur zijn, want nog nooit is een Saoedische vorst vrijwillig afgetreden. De tweede koning, Saud bin Abdulaziz, werd in 1964 afgezet na een belegering van het paleis, waarop hij een vrijgeleide kreeg naar Griekenland.

    Mohammed bin Salman zal alle dissidente stemmen het zwijgen opleggen en tegelijkertijd beperkte persoonlijke vrijheden toestaan

    De nieuwe aanstelling kwam vlotjes tot stand. In een vloek en een zucht ‘stemden’ 31 van de 34 koninklijke leden van het Comité van Trouw, een soort koninklijk adviesorgaan, voor de nieuwe functie van Mohammed bin Salman. Het Saoedische nieuwsagentschap gaf onmiddellijk beelden vrij waarop de jonge Mohammed zijn neef Bin Nayef bedankt dat deze zich zonder morren heeft teruggetrokken, een erkentelijkheid die hij nog eens benadrukt met een (beleefd afgeweerde) poging de voeten van de afgedankte kroonprins te kussen.

    Er was een pleister op de wonde: een gelijktijdige koninklijke benoeming betrof die van Abdulaziz bin Saud bin Nayef tot nieuwe minister van Binnenlandse Zaken. Deze Bin Nayef is de neef van de afgetreden kroonprins en kleinzoon van de overleden prins Nayef, minister van Binnenlandse Zaken van 1975 tot zijn overlijden in 2012. Met deze aanstelling wordt de controle van de Nayef-tak over het belangrijkste ministerie inzake binnenlandse veiligheid bestendigd.

    De benoeming van de nieuwe troonopvolger kan de toekomst van het koninkrijk op vele wijzen beïnvloeden. Maar in alle gevallen is die toekomst onzekerder geworden door het grillige karakter van de nieuwe kroonprins.

    In de eerste plaats wordt er een straf binnenlands bewind verankerd. Mohammed bin Salman zal alle dissidente stemmen het zwijgen opleggen en tegelijkertijd beperkte persoonlijke vrijheden toestaan. Zijn nieuwe ‘vermaakscommissie’ moet ervoor zorgen dat de Saoedi’s zich in de toekomst binnen redelijke grenzen mogen amuseren.
    Het is niet ongewoon dat dictators hun gemarginaliseerde onderdanen bepaalde vormen van gereglementeerd vermaak gunnen, om te voorkomen dat ze geestelijk imploderen. Vrouwen zullen uitgroeien tot symbolen van een nieuw, modern Saoedisch consumentisme. Wellicht krijgen ze spoedig het recht auto te rijden. Saoedi’s zullen een beetje plezier mogen hebben zonder dat de religieuze politie hun voortdurend op de huid zit.

    Mohammed bin Salman zal een overbodig, gemarginaliseerd en in ongenade gevallen wahabitisch religieus establishment blijven negeren. Maar de kroonprins kan er maar beter niet van uitgaan dat hij de wind er heel gemakkelijk onder houdt. Hij zal rekening moeten houden met landgenoten die zich bij de Islamitische Staat hebben aangesloten, van wie mogelijk een deel zal terugkeren uit Syrië.

    Mohammed bin Salman eerder dit jaar op een bijeenkomst van defensieministers uit de Golfregio in Saoedi-Arabië. – © Saudi Interior Ministry / HH
    Mohammed bin Salman eerder dit jaar op een bijeenkomst van defensieministers uit de Golfregio in Saoedi-Arabië. – © Saudi Interior Ministry / HH

    Toen Al-Qaeda na 2001 uit Afghanistan was verdreven, gingen veel Saoedische leden van deze beweging weer naar huis en richtten daar de hevigste terreurcrisis aan die het land heeft gekend. IS heeft sinds 2015 de verantwoordelijkheid opgeëist voor diverse aanslagen in Saoedi-Arabië, wat niet wegneemt dat het sektarische karakter van de beweging Mohammed bin Salman van pas kan komen in de huidige crisis met Iran.

    Daarnaast valt er nóg meer rammelend beleid tot economische liberalisering te verwachten, waaronder het afbouwen van de Saoedische afhankelijkheid van olie tegen 2020, een inkrimping van 
de verzorgingsstaat, privatisering en – heel belangrijk – de internationale verkoop van 5 procent van de Saoedische oliemaatschappij Aramco in september 2017.

    Dit betekent dat Mohammed bin Salman de ene dag zijn onderdanen zal voorhouden dat ze de broekriem moeten aanhalen, en hen de andere dag zal belonen voor hun volgzaamheid door ambtenarensalarissen vrij te geven en met extra vakantiedagen te strooien. Maar het zal een wonderbaarlijke prestatie vergen om een neoliberaal paradijs met minder werkdagen en productiviteit aan de praat te houden.

    Ten derde zal het Mohammed bin Salman grote moeite kosten om als regionale macht op te boksen tegen Turkije, Iran en Israël, stuk voor stuk landen die op dit moment hun spierballen tonen in hun streven de diverse conflicten in de Arabische wereld naar hun hand te zetten. Turkije en Iran heeft hij al van zich vervreemd – het eerstgenoemde land heeft in de jongste crisis de zijde van Qatar gekozen. De prins heeft ook beloofd de oorlog diep in Iran te planten, een uitspraak die neerkomt op een oorlogsverklaring.

    Voorbereiding en coördinatie

    Mohammed bin Salman lijkt het effect van zijn flamboyante uitspraken niet te beseffen. Maar hij en IS zouden, gezien de sektarische instelling die ze delen, goed kunnen samenwerken, met name als IS zijn doelwitten in Syrië en Irak kwijtraakt. IS kan worden geïnstrueerd om na het verlies van Mosoel en Raqqa zijn terreurcampagne naar Iran te verplaatsen.

    Mogelijk zal hij wel de betrekkingen verbeteren met Israël, dat nu schertsend de jongste soennitische staat wordt genoemd. Dit houdt verband met de pogingen van de kroonprins een pan-islamitische alliantie te vormen tegen én Qatar én Iran. Israël beschouwt dat laatste land als zijn grootste bedreiging, dus maakt het impliciet deel uit van deze alliantie. Bin Salman zal heimelijk met Israël blijven samenwerken op 
militair en economisch gebied. Maar dat wil nog niet zeggen dat de Israëlische vlag spoedig in Riyad zal wapperen. Zoiets vergt de nodige voorbereiding en coördinatie. Bovendien staat er bij een dergelijke controversiële stap veel op het spel.

    Ten slotte zal Mohammed bin Salman de Amerikaanse president Donald Trump het hof blijven maken. Het draait daarbij om wapendeals en investeringsbeloften, in ruil voor aanhoudende steun – althans voor de bühne. Net als Mohammed bin Salman is Trump onvoorspelbaar. De twee mannen zouden om kleinigheden ruzie kunnen krijgen. Maar ze zullen wel een schijn van eensgezindheid blijven ophouden totdat zij hun doelen hebben bereikt, zowel in eigen land als daarbuiten.

    schermafbeelding 2017 07 12 om 2 47 54 pm

    De nieuwe kroonprins heeft op dit moment kennelijk geen tijd voor Europa. Dat werelddeel zal hij blijven zien als een vakantiebestemming voor zijn onlangs aangeschafte jacht (voor 500 miljoen euro), en als leverancier van wapens die hij niet elders kan aanschaffen. Dit betekent dat Europese wapenfabrikanten en de Britse en Franse regering om de aandacht van 
de jonge prins zullen wedijveren.

    Beide landen lijken wel hun favoriete Saoedische kandidaat te zijn kwijtgeraakt. Ex-kroonprins Mohammed bin Nayef had een goede verstandhouding met de westerse geheime diensten weten op te bouwen. Hij werd gezien als cruciaal in de strijd tegen het terrorisme. De Britse premier Theresa May zal ook de nieuwe kroonprins nodig hebben, en dan vooral om economische redenen, want voor Groot-Brittannië dreigt na de Brexit zowel een economische als een politieke neergang.

    Het moet gezegd dat het koninkrijk van Salman al een beetje vorm begint te krijgen, ondanks levensgrote nationale en regionale problemen. Andere prinsen of groepen in het land zullen de nieuwe benoeming waarschijnlijk niet aanvechten. Ook dan ziet de toekomst er echter bewolkt uit.

    Mohammed bin Salman is geen kundig bestrijder van regionale brandjes, noch is hij een groot strateeg. Hij denkt dat geld alle problemen oplost, hoewel hij er geen overwinningen mee heeft kunnen afdwingen in de oorlogen en conflicten die hij is begonnen. Hij zal eerder nog meer brandjes en branden in de regio stichten dan er nu al woeden.

    Auteur: Madawi Al-Rasheed

    Madawi Al-Rasheed is gasthoogleraar aan het Middle East Centre van de London School of Economics.

    Middle East Eye
    Verenigd-Koninkrijk | middleeasteye.net

    Gebeurtenissen in ‘Midwest-Azië’, o.l.v. David Hearst, afkomstig van The Guardian.

  • Tunesië worstelt met 3000 terugkerende jihadisten

    Tunesië worstelt met 3000 terugkerende jihadisten

    De Tunesische overheid is verplicht teruggekeerde militanten op te nemen en te vervolgen. Maar een deel van de bevolking wil ze liever verbannen.

    De terugkeer van Tunesische strijders uit conflictgebieden in Syrië, Irak en Libië verscheurt het moederland. De Tunesische overheid zit klem tussen de druk van de bevolking om terugkerende terroristen het staatsburgerschap te ontnemen enerzijds, en anderzijds de internationale verplichting dat het land onderdanen opneemt en berecht die van banden met jihadistische groepen worden verdacht.

    In zijn meest recente toespraak op oudejaarsdag verklaarde president Beji Caid Essebsi ferm dat Tunesië de wet zal toepassen op Tunesiërs die terugkeren van slagvelden in Syrië, Libië en Irak (‘We zullen ze niet met open armen ontvangen’). Maar begin december had Essebsi in een interview met Euronews juist gezegd dat jihadisten niet langer een bedreiging waren en dat velen van hen terug naar huis wilden (‘We stoppen ze niet allemaal in de gevangenis’).

    Op 30 december beloofde premier Youssef Chahed weer een strenge vervolging van terugkerende jihadisten. Dat waren geruststellend bedoelde woorden, maar toch rees er diepe verdeeldheid in het land over hoe om te gaan met deze strijders. Op 8 januari gingen veel burgers de straat op in Tunis, gehoor gevend aan de oproep van activisten en intellectuelen te protesteren tegen de terugkeer van terroristen uit conflictgebieden.

    Zwarte lijst

    ‘Als burger besef ik dat Tunesië nu in de ernstigste fase van zijn moderne geschiedenis zit,’ aldus een van de deelnemers aan het protest, historica en geschiedenisdocente Umeira al-Saghir. ‘Het land bereidt zich voor op de opvang van ten minste drieduizend mensen die een jihadistische ideologie aanhangen en getraind zijn in vechten, plunderen en verkrachten. Ze zijn verslagen en zitten vol wraakgevoelens. Veel Tunesiërs hebben video’s gezien waarin de terroristen dreigen hun landgenoten af te slachten.’

    Haar conclusie: ‘Het beste is om deze terroristen hun nationaliteit te ontnemen. Dat kan: de wet op het burgerschap uit 1963, die in 2010 is gewijzigd, maakt het mogelijk het staatsburgerschap in te trekken van Tunesiërs die misdaden hebben begaan, zich hebben aangesloten bij een buitenlands leger, betrokken zijn bij vijandelijkheden tegen een buurstaat en trouw hebben gezworen aan een buitenlandse entiteit. Op terugkerende terroristen is weliswaar de terrorismebestrijdingswet van kracht, maar veel burgers vinden dat de rechterlijke macht laks optreedt tegen terreurverdachten.’

    De Tunesische journalist en politiek analist Abdel Sattar Aydy wijst erop dat Tunesische strijders niet groepsgewijs of op een georganiseerde manier zullen terugkeren uit conflictgebieden. ‘Ze worden er min of meer toe gedwongen door de situatie aldaar. De nederlaag van met name Islamitische Staat in Libië, Syrië en Irak heeft een aantal van hen ertoe gedreven een toevluchtsoord te zoeken in andere gebieden. Ze weten dat ze op de Tunesische zwarte lijst van terroristen staan. Als ze het land in komen, wacht hen waarschijnlijk arrestatie. Als het aan hen ligt gaan ze dus liever naar andere slagvelden dan terug naar huis.’

    Hij merkt daarbij op dat de Tunesische overheid ook helemaal niet zit te wachten op deze terroristen en ze niet wil repatriëren. ‘Maar ze is verplicht samen te werken met de internationale gemeenschap. Diplomatieke betrekkingen dwingen ons land de terugkeer van in het buitenland gearresteerde terroristen te accepteren en de verantwoordelijkheid te dragen voor hun vervolging. De politieke en juridische consequenties zouden voor Tunesië anders zeer ernstig zijn.’

    Op 8 januari demonstreerden honderden mensen in Tunis tegen de terugkeer van jihadstrijders. – © Amine Landoulsi / HH
    Op 8 januari demonstreerden honderden mensen in Tunis tegen de terugkeer van jihadstrijders. – © Amine Landoulsi / HH

    Terwijl het debat voortwoedt, zijn de Tunesische autoriteiten begonnen militanten op te nemen die zijn beschuldigd van banden met jihadgroepen in het buitenland. Daar zit een aantal kopstukken bij. Zo heeft Soedan de Tunesische IS-leider Moaz al-Fazani overgedragen, aldus de Tunesische afdeling voor contraterrorisme. Al-Fanzani wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de aanslag op het Nationaal Museum Bardo in maart 2015, waarbij eenentwintig mensen omkwamen, en van poging tot een bomaanslag op een Tunesische kleuterschool in oktober 2013. In afwachting van zijn proces zit hij in de gevangenis.

    Daarnaast leverde Italië de terreurverdachte Nasreddin Bin Diab uit aan de Tunesische autoriteiten. Hij zou lid zou zijn geweest van een actieve cel in de buitenwijken van Milaan en operaties in Tunesië en andere landen hebben gepland. Ook hij wacht nu op zijn proces.

    Ten slotte meldde het Tunesische ministerie van Binnenlandse Zaken op Nieuwjaarsdag dat de ‘gevaarlijke terrorist’ Wanas al-Faqih, die was ontsnapt, door een gecoördineerde inspanning van inlichtingendiensten weer was opgepakt. Op Faqih, die banden zou hebben met leden van Al-Qaida in de Islamitische Maghreb (AQIM), rust de verdenking dat hij slapende cellen en terreurnetwerken heeft gemanipuleerd.

    Tunesische regering overweegt de bouw van een detentiecentrum, waar strijders die terugkeren uit conflictgebieden apart in kunnen worden ondergebracht

    In zijn oudejaarstoespraak had president Essebsi een aantal van 2926 Tunesiërs genoemd die waren aangesloten bij terreurgroepen in Syrië, Libië en Irak. ‘De autoriteiten weten alles over het aantal landgenoten dat vecht in conflictgebieden en in welke landen zij zich bevinden,’ bezwoer het staatshoofd. Een in juli 2015 gepubliceerd VN-rapport over de inzet van huurlingen repte van veel meer Tunesiërs in conflictgebieden: 4000 in Syrië, 1000 tot 1500 in Libië, 200 in Irak, 60 in Mali en 50 in Jemen.

    In een ander VN-rapport, van mei 2016, werd gemeld dat IS na zijn nederlagen buitenlandse strijders had aangemoedigd terug te keren naar hun geboorteplaatsen om daar aanslagen te plegen. Die waarschuwing kwam na de bekendmaking van het Tunesische ministerie van Binnenlandse Zaken, begin 2016, dat 600 jonge mannen die in Arabische conflictgebieden hadden gevochten waren teruggekeerd. Eerder had het ministerie bekendgemaakt dat 92 Tunesische jihadisten na hun terugkeer onder huisarrest waren geplaatst.

    Minister van Justitie Ghazi Jribi, ten slotte, onthulde tijdens een parlementaire zitting op 2 januari dat er in totaal 1648 individuen waren gearresteerd op verdenking van terrorisme. Genoeg voor een eigen gevangenis, en dat is wat de Tunesische regering dan ook overweegt: de bouw van een detentiecentrum waar strijders die terugkeren uit conflictgebieden apart in kunnen worden ondergebracht. De gewone, overvolle Tunesische gevangenissen staan bekend als broedplaatsen van jihadisme.

    Auteur: Ahmed Nadhif
    Vertaler: Carl Stellweg

    Al-Monitor
    Verenigde Staten | al-monitor.com

    Website die is opgericht door Jamal Daniel en zijn basis heeft in Washington DC. Nieuws en analyses uit het Midden-Oosten in zowel eigenhandige als vertaalde artikelen. Werkt samen met de grootste nieuwsorganisaties in het Midden-Oosten.

  • De taliban zijn terug,
 radicaler dan ooit

    De taliban zijn terug,
 radicaler dan ooit

    Vijftien jaar na de Amerikaanse inval in Afghanistan zijn de taliban weer aan de macht. Dat moet niet worden gezien als bewijs van een inherente vorm van Afghaanse wreedheid, schrijft de Indiase marxist Vijay Prashad. ‘Dit vertoont de vingerafdrukken van het Westen en de Saoedi’s.’

    Het is nu vijftien jaar geleden dat het Amerikaanse leger de aanval inzette op Afghanistan. Deze aanval was het openingssalvo van de wereldwijde strijd tegen terrorisme. De Amerikanen wisten met massale bombardementen de taliban en Al-Qaida te verjagen naar de bergen of naar de buurlanden – waaronder Pakistan. Een van de mensen die het strijdtoneel ontvluchtten was Osama bin Laden, die pas werd gedood in 2011 – tien jaar later. Wat Amerika met deze oorlog beoogde was eenvoudig: voorkomen dat Afghanistan Al-Qaida een veilig toevluchtsoord zou bieden, en de taliban verjagen zodat Afghanistan een democratie zou worden. Er werd ook gerept van meer vrijheid voor vrouwen en scholing voor de Afghaanse bevolking.

    Anderhalf decennium later is de taliban weer aan de macht. De beweging maakt de dienst uit in grote delen van het platteland, en dreigt ook weer de overhand te krijgen in belangrijke stedelijke gebieden. Kunduz, in het noorden, is afwisselend in handen van de taliban en van het Afghaanse Nationale Leger. In de provincie Helmand, in het zuiden, waar de Amerikaanse troepenmacht is gestationeerd, dreigt de taliban de hoofdstad Lashkar Gah in te nemen. De taliban heeft al zes van de veertien districten van Helmand in handen. Met andere woorden: een groot deel van zuidelijk Afghanistan zit in de tang van de taliban.

    Niet een van de Amerikaanse oorlogsdoelen is bereikt

    Niet alleen is de taliban terug in grote delen van Afghanistan, inmiddels hebben nóg radicalere groeperingen bovendien IS-Khorasan geformeerd. Vlak bij de Pakistaans-Afghaanse grens – in Nangarhar – kan IS vrijwel straffeloos zijn gang gaan. Op 4 oktober 2016 kwam een Amerikaanse soldaat om het leven, die te voet op patrouille was, door een bom van IS. Hij was de derde Amerikaanse soldaat die in 2016 om het leven kwam. Aanvankelijk werkte IS samen met groeperingen van de taliban, maar later werden de banden verbroken. Het is een van de vele plekken in het grensgebied van Pakistan en Afghanistan waar de zwarte vlag wappert. Mijn vriend en collega, wijlen Saleem Shahzad, schreef dat al in 2008 ‘de ideologie van Al-Qaida zich zo diep had genesteld in de hoofden van de bewoners van de bergstreken, dat hun strategie zo duidelijk in alle bergen en alle rotsen en alle stenen van het gebied was geëtst, dat de aanvoerders van de strijders zich niet al te veel zorgen maakten over de krachtmeting met de sterkste legers ter wereld’. Het doet er weinig toe of de plaatselijke groepering is gelinkt aan Al-Qaida, aan het Haqqani-netwerk of aan Islamitische Staat – ze hebben allemaal hetzelfde streven.

    Niet een van de Amerikaanse oorlogsdoelen is bereikt: Afghanistan is nog altijd een toevluchtsoord voor strijders en democratie lijkt een onhaalbaar ideaal in deze situatie. In Kaboel zijn zonder meer successen geboekt – de stad is gegroeid en de bevolking heeft toegang tot bepaalde diensten. Hier maakt Ashraf Ghani de dienst uit, de voormalig topman van de Wereldbank – hij bestudeert statistieken om een beleid te ontwikkelen dat niet verder rijkt dan de buitenwijken van de hoofdstad. Ghani weet dat veiligheid van het allergrootste belang is. Vlak nadat Ghani in 2014 aan de macht kwam zocht hij toenadering tot Pakistan – dat nog altijd steun biedt aan de taliban, zowel op militair terrein als op het gebied van de inlichtingendiensten. Hij wilde dat Pakistan een vredesovereenkomst zou sluiten met de taliban en andere militante groeperingen. De Afghaanse Quadrilaterale Coördinatie Groep – QCQ – die dit jaar in het leven is geroepen, bestaande uit Afghanistan, China, Pakistan en de Verenigde Staten, is bedoeld om druk uit te oefenen op de strijders teneinde hen aan de onderhandelingstafel te krijgen. Tot nog toe is daar weinig van gekomen. Ghani lijkt niet langer goede banden te onderhouden met Pakistan. Zijn troepen doen hun uiterste best maar ze spelen weinig meer klaar dan het eigen grondgebied behouden, of grondgebied terugveroveren dat de taliban had ingenomen. Niets wijst erop dat ze aan de winnende hand zouden zijn.

    Een Afghaanse soldaat houdt de wacht bij het vliegveld van Kunduz, dat vorig jaar werd belegerd door de taliban. – © Omar Sobhani / Reuters
    Een Afghaanse soldaat houdt de wacht bij het vliegveld van Kunduz, dat vorig jaar werd belegerd door de taliban. – © Omar Sobhani / Reuters

    Amerika mag dan zijn grondtroepen hebben teruggetrokken, het blijft de taliban en andere militante groeperingen bestoken vanuit de lucht. Bij deze aanvallen – voornamelijk met drones – worden weliswaar leiders gedood, maar ze brengen de taliban geen echte schade toe. Toen de taliban in 2015 erkende dat hun leider – moellah Omar – twee jaar eerder was omgekomen, werd er meteen bij gezegd dat moellah Akhtar Mansour de nieuwe leider was. Op 21 mei 2016 werd Akhtar Mansour gedood door een Amerikaanse droneaanval in de Pakistaanse provincie Beloetsjistan. Zijn dood leek de taliban nauwelijks te deren. Hij werd vrijwel ogenblikkelijk vervangen door de islamitische geleerde moellah Haibatullah Akhundzada. Akhundzada’s naaste medewerkers zijn de zoon van moellah Omar, moellah Yaqoob, en Sirajuddin Haqqani, die aan het hoofd staat van het Haqqani-netwerk. Deze taliban kan niet op de knieën worden gedwongen door de leiders uit te schakelen.

    Vredesbesprekingen met de taliban zitten er niet in. Militaire overwinningen in het hele land sterken hen in het idee dat ze nog veel grotere delen van het land kunnen innemen voordat ze aanschuiven bij de onderhandelingen. Ondertussen heeft president Ashraf Ghani een deal gesloten met een van de meest weerzinwekkende moedjahedienleiders – Gulbuddin Hekmatyar, die aan het hoofd staat van Hezb-e-Islami. Vele jaren geleden vertelde de Afghaanse communistenleider Anahita Ratebzad me dat Hekmatyar de gevaarlijkste is van alle moedjahedienleiders. Hij had naam gemaakt door zuur in het gezicht te gooien van studentes aan de universiteit van Kaboel. De Amerikanen roemden hem tijdens de jihad tegen de communistische regering, noemden hem een ‘strijder voor de vrijheid’. Het was destijds een stuitend schouwspel, en nu is het een bewijs van het totale mislukken van het Amerikaanse project en van Ghani’s op statistieken gebaseerde ‘good governance’. Hekmatyar is Pakistans handlanger in Kaboel.

    Linkse krachten

    Amerika heeft dit jaar alleen al zevenhonderd luchtaanvallen uitgevoerd – allemaal ter ondersteuning van het Afghaanse leger. Amerika heeft bijna driehonderd droneaanvallen uitgevoerd in Pakistan, gericht tegen de top van de taliban en Al-Qaida. De aanval waarbij moellah Mansour om het leven kwam was in Beloetsjistan, buiten de aanvalszone die in 2010 is overeengekomen tussen Amerika en Pakistan. Dit is niet de enige indicatie dat de betrekkingen tussen Amerika en Pakistan onder druk staan. Amerika heeft Pakistan onomwonden laten weten dat men niet moet rekenen op F-16’s of militaire steun zonder dat aan strikte voorwaarden is voldaan. In de National Defense Authorization Act van 2016 staat letterlijk dat Pakistan de taliban in Noord-Waziristan moet blijven bestoken, het Haqqani-netwerk moet ondermijnen en moet voorkomen dat Pakistaanse militanten Afghanistan binnendringen.

    Het is ijdele hoop dat een overeenkomst tussen Afghanistan en Pakistan afdoende is om dit probleem op te lossen. Tientallen jaren geleden heeft het Westen de handen ineengeslagen met mensen als Hekmatyar, teneinde de linkse groeperingen in Afghanistan te dwarsbomen. Vandaag de dag is er weinig meer over van die linkse groeperingen. Ze zijn van de kaart geveegd – verbannen of vermoord – en de herinnering eraan is volledig weggevaagd. De middelen waarover Afghanistan beschikt om een einde te maken aan de nachtmerrie van de laatste jaren zijn ernstig verminderd door een totale afwezigheid van linkse krachten. De sociale krachten die zijn losgemaakt door het Westen, Saoedi-Arabië en Pakistan hebben de Afghaanse samenleving verscheurd. Deze sociale omwenteling – met de moedjahedien als culminatie van het Afghaanse patriottisme – heeft niet alleen ongekende investeringen geëist, maar ook veel tijd. Momenteel is er geen beweging die tegengas kan geven. Er gloort misschien een heel kleine kans op vrede in Afghanistan, maar denk vooral niet dat er op lange termijn sprake kan zijn van stabiliteit en vooruitgang. Toen Links aan het bewind was, werd zeventig procent van de banen in het onderwijs vervuld door vrouwen, en bestond het ambtenarenapparaat voor vijftig procent uit vrouwen. Veel mensen zullen ervan opkijken dat destijds veertig procent van de artsen in Afghanistan vrouw was. Het Westen heeft deze positieve ontwikkeling eigenhandig gedwarsboomd. Dat het Westen Afghanistan heeft teruggezet in de tijd, onder het mom van vrouwenrechten, is ronduit stuitend. Dat Hekmatyar weer in Kaboel zit en dat de taliban overal in het land weer in opkomst is, moet niet worden gezien als bewijs van een of andere inherente vorm van Afghaanse wreedheid. De sociale morbiditeit van de Afghaanse samenleving vertoont de vingerafdrukken van het Westen en de Saoedi’s. Dat er geen eenvoudige oplossingen zijn is niet de schuld van Afghanistan. Iemand als Anahita Ratebzad, de Afghaanse communiste, had een visioen van hoe de samenleving eruit zou kunnen zien. Als zij nog had geleefd, zou ze opnieuw hebben gehuild van woede om haar land – na vijftien jaar van een wereldwijde strijd tegen het terrorisme.

    Auteur: Vijay Prashad
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Vijay Prashad is hoogleraar International Studies aan Trinity College in Hartford, Connecticut. Hij schreef achttien boeken, waaronder Arab Spring, Libyan Winter, The Poorer Nations: A Possible History of the Global South en The Death of a Nation and the Future of the Arab Revolution. Hij schrijft iedere woensdag een column op AlterNet.

    Alternet
    VS | www.alternet.org

    Voormalig Mother Jones- redacteur Don Hazen biedt alternatieve journalistiek. 
1,5 miljoen bezoekers klikken op artikelen en reprints.

  • Belmokhtar, tegen het Westen én IS

    Belmokhtar, tegen het Westen én IS

    Mokhtar Belmokhtar, het vermoedelijke brein achter de recente aanslagen in Bamako en Ouagadougou, blijft in alle opzichten ongrijpbaar.

    Mokhtar Belmokhtar werd in 1972 in het noorden van Algerije geboren en zou nu dus 43 [of 44] jaar zijn. Zoals meestal wanneer het gaat om wereldwijd gezochte terroristen, spreken ook de bronnen over Belmokhtar elkaar tegen. De afgelopen jaren is er al een aantal keren melding gemaakt van zijn dood, zowel door de Algerijnse regering als door westerse informatiebronnen.

    In zijn jeugd ontwikkelt Belmokhtar een fascinatie voor wapens en de dood, waarna hij zich aansluit bij de islamisten in Afghanistan die tegen de Sovjets vechten. Hij strijdt aan de zijde van 
Bin Laden en zweert hem trouw. (Een van zijn zoons zou hij later trouwens Osama noemen.) In deze zelfde tijd zou hij bij een ongelukje met explosieven een oog zijn kwijtgeraakt [vandaar zijn bijnaam ‘Eenoog’]. Niet altijd even 
handig, die doodsaanbidders…

    Mokhtar Belmokhtar op videobeeld. – © Reuters / Sahara Media
    Mokhtar Belmokhtar op videobeeld. – © Reuters / Sahara Media

    Vervolgens keert Belmokhtar in de jaren negentig terug naar Algerije om aan de zijde van de plaatselijke islamisten tegen de regering te vechten. Vanwege zijn terroristische activiteiten wordt hij door de Algerijnse justitie tweemaal ter dood veroordeeld. Nadat hij begin deze eeuw trouw zweert aan Al-Qaida, stapt hij in 2012 na een conflict met een lokale leider uit AQIM 
[Al-Qaida in de Islamitische Maghreb], waarvan hij op dat moment zelf een van de voormannen is. 
Momenteel is hij de leider van de terroristische organisatie Al-Mourabitoun, een filiaal van Al-Qaida in West-Afrika. En volgens een communiqué 
op satellietzender Al-Jazeera zou hij de aanval op het Radisson Blu-hotel in Bamako op 20 november jl. hebben uitgevoerd in samenwerking met AQIM.

    Achthonderd gijzelaars

    De laatste jaren heeft Belmokhtar twee grote aanvallen op touw gezet in Noord-Afrika en de Sahel: die op een gascomplex in [het Algerijnse] In Amenas in januari 2013, en de dubbele zelfmoordaanslag in een uraniummijn 
in Niger, een paar maanden later. Bij de aanval op het gascomplex in 2013 werden meer dan achthonderd mensen gegijzeld. De operatie was een 
antwoord op de Franse militaire interventie tegen de islamistische groepen in Mali. De aanval kostte het leven aan 39 gijzelaars, maar ook aan 29 strijders van Belmokhtar.

    Belmokhtar ziet meer in af en toe een grote aanslag dan in het regelmatig plegen van kleine aanslagen

    
Volgens Paul Melly, analist bij het Afrika-
programma van de Britse denktank Chatham House, heeft Belmokhtar altijd meer gezien in af en toe een grote aanslag met veel impact dan in het regelmatig plegen van kleine aanslagen. Zijn terroristische beweging is gekant tegen IS. De aanval op het Radisson Blu-hotel in Bamako [evenals de aanslagen van 15 januari jl. op het Splendid-hotel en café Cappuccino in Ouagadoudou, Burkina Faso, waarbij dertig doden vielen] zou trouwens ook 
onderdeel kunnen zijn van een soort gruwelijkheidscompetitie met IS. 
Dat Belmokhtar tegen IS is, valt te 
verklaren uit politieke en ideologische meningsverschillen. Hij heeft namelijk kritiek op de aanvallen die IS uitvoert op moslims in Syrië en keurt het af 
dat de terroristische organisatie verdeeldheid zaait onder de moedjahedien in het Midden-Oosten. Daarnaast is Al-Mourabitoun verwikkeld in een concurrentiestrijd met Boko Haram. Het noemt zichzelf overigens graag Al-Qaida in West-Afrika, als tegenhanger van de naam Islamitische Staat in West-Afrika, waarmee de gekken van Boko Haram zich graag tooien.

    In deze Champions League van gruwelijkheid verwacht je dat de scheidsrechter voor het einde van de wedstrijd fluit. Maar dan moet er wel een reglementaire speeltijd zijn…

    Auteur: Tarek S.W.

    Algérie-Focus
    Algerije | www.algerie-focus.com
    Onafhankelijk en geëngageerd, brengt sinds 2008 Algerijns nieuws en achtergronden met als motto ‘De plicht om te weten’.