Brussel richt pijlen op sociale mediagigant vanwege zogenaamde ‘rabbitholes’
De Europese Commissie heeft zojuist een tweede onderzoek geopend naar Meta en beschuldigt het bedrijf van het mogelijk ‘stimuleren van verslavend gedrag bij kinderen’ door middel van zogenaamde rabbitholes. Dat meldt Politico. Dat wil zeggen dat de website van het bedrijf linkjes bevat waarmee je naar een andere pagina van de website kunt doorklikken. Facebook en Instagram, beide eigendom van Meta, zouden ook onvoldoende effectieve tools hebben om de leeftijd van gebruikers te verifiëren.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘We willen dat jonge mensen een veilige en bij hun leeftijd passende online ervaring hebben’, zegt een woordvoerder van de groep, eraan toevoegend dat er al zo’n vijftig instrumenten en beleidsregels zijn ontwikkeld.
Politico wijst erop dat de onderzoeken van de commissie kunnen leiden tot boetes die oplopen tot 6 procent van de jaarlijkse inkomsten van Meta.
Steeds meer koffiebars hebben dezelfde inrichting en hetzelfde menu, zonder dat ze het bij elkaar afgekeken hebben. Hoe het algoritme mensen met dezelfde voorkeuren bij elkaar brengt en ervoor zorgt dat alle koffiebars op elkaar lijken.
Het grootste deel van de jaren 2010 was ik een fervent gebruiker van Yelp, een app om restaurants en andere lokale ondernemingen te vinden en te recenseren. De rood-witte interface werd een betrouwbare bron van aanbevelingen, niet alleen in New York maar ook in het buitenland. Als ik in Berlijn, Kyoto of Reykjavik naar een koffiebar wilde, scrolde ik al snel door de lijst van Yelp, die was gefilterd op grond van het aantal sterren – sterren die aangaven hoe leuk andere gebruikers van de app een bepaalde plek hadden gevonden.
Ik tikte meestal alleen ‘hipster koffietent’ in de zoekbalk, omdat het zoekalgoritme van Yelp inmiddels precies wist wat ik daarmee bedoelde. Het was het soort koffiebar waar iemand zoals ik – een westerling van (destijds) ergens in de twintig, een met internet vergroeide millennial die precies weet wat hij wil – graag komt. Ik kon dan ook al snel uit de zoekresultaten precies die koffiebar filteren die over de verlangde eigenschappen beschikte: veel daglicht dat door grote ramen naar binnen valt; grote houten tafels met ruime zitplaatsen; een licht interieur met witte muren of met van die kleine metrotegeltjes; wifi om te kunnen werken of het werk juist voor je uit te kunnen schuiven.
Natuurlijk, het ging ook om de koffie, en in dit soort tentjes kon je ervan op aan dat je een cappuccino kreeg van licht geroosterde bonen, zoals de trend voorschreef, met een ruime keuze aan melk, en met kunstzinnig bewerkt melkschuim. Koffiebars die voor een tien gingen, serveerden een flat white (een cappuccino-variant die oorspronkelijk uit Australië en Nieuw-Zeeland afkomstig is) met avocado toast, een geroosterd broodje met geprakte avocado, dat ook van Australische origine blijkt – een combinatie die in de loop van de jaren 2010 synoniem is geworden aan wat de consumerende millennial wil.
‘Authentieke plek’
Deze koffiebars hadden allemaal dezelfde inrichting en hetzelfde menu, zonder daartoe te zijn gedwongen door een moedermaatschappij zoals Starbucks, dat vestigingen heeft die allemaal een replica zijn van het oorspronkelijke concept. Nee, in dit geval waren de koffiebars, ondanks de immense geografische spreiding en de volledige onafhankelijkheid, geheel op eigen initiatief uitgekomen bij hetzelfde eindpunt. Die ongekende, wijdverbreide eenvormigheid was te choquerend en te nieuw om saai te zijn.
Natuurlijk zijn er in de gedocumenteerde geschiedenis van de beschaving meer voorbeelden van een dergelijke globalisatie. Maar de eenvormige koffiebars van de eenentwintigste eeuw zijn opmerkelijk, niet alleen vanwege hun zeer specifieke overeenkomsten maar ook omdat ze stuk voor stuk de indruk wekken op organische wijze uit hun lokale omgeving te zijn voortgesproten. Het zijn trotse, lokale ondernemingen die vaak worden omschreven als ‘authentiek’, een bijvoeglijk naamwoord dat ik zelf ook maar al te vaak heb gebruikt. Als ik op reis was, ging ik altijd op zoek naar een ‘authentieke’ plek om wat te eten of te drinken.
Maar als die plekken allemaal zo op elkaar leken, hoezo waren ze dan authentiek?
Maar als die plekken allemaal zo op elkaar leken, hoezo waren ze dan authentiek? Ik kwam tot de conclusie dat ze allemaal op een authentieke manier waren verbonden met het nieuwe, digitale geografische netwerk, dat in real time bijeen wordt gehouden door social media. Ze waren authentiek voor het internet, met name voor het internet van de algoritmische feeds uit de jaren 2010.
In 2016 schreef ik een essay getiteld ‘Welcome to AirSpace’, over mijn eerste impressies van dit fenomeen van eenvormigheid. Mijn theorie was dat alle fysieke plekken die via apps met elkaar waren verbonden, op de een of andere manier op elkaar leken. In het geval van koffiebars bood de groei van Instagram eigenaren en barista’s van over de hele wereld de gelegenheid om elkaar in real time te volgen, waarbij ze geleidelijk, via algoritmische aanbevelingen, dezelfde soorten content tot zich namen. Zo kon de persoonlijke smaak van de ene eigenaar steeds meer in de richting gaan van wat de anderen ook leuk vonden, om daar uiteindelijk mee samen te vallen. Aan de kant van de consument dreven Yelp, Foursquare en Google Maps mensen zoals ik – mensen die de populaire koffiebarvormgeving op Instagram konden volgen – naar de bars die voldeden aan het gewenste plaatje, door ze bovenaan de lijst te zetten of weer te geven op de kaart.
Zakelijke beslissing
Om de grote groep klanten binnen te halen die al door het internet waren klaargestoomd, namen steeds meer koffiebars de vormgeving over die overheersend aanwezig was op de platforms. Aanpassen aan de norm was dus niet alleen een kwestie van de trends volgen; het kwam neer op een zakelijke beslissing, waarvoor je door de klanten werd beloond. Als een koffiebar er aantrekkelijk genoeg uitzag, zetten de klanten deze op hun eigen Instagram om te laten zien hoe cool zij waren, wat neerkwam op gratis socialmediareclame en nieuwe klanten genereerde. Zo hield de cyclus van esthetische optimalisering en homogenisering zichzelf in stand.
Maar met het verstrijken der jaren kwam het besef dat er niet zozeer sprake was van een specifieke stijl, als wel van een soort zijnstoestand die verder ging dan een esthetische trend. Zoals met alle modeverschijnselen het geval is, raakte ook de visuele stijl van halverwege de jaren 2010 op zijn retour. De kleine, witte metrotegels die ooit cool waren geweest, verwerden tot een cliché en maakten plaats voor felgekleurde tegels, of tegels met meer structuur. De enigszins ruige, houthakkershemdenstijl uit het Brooklyn van de financiële crisis, met zijn gerenoveerde industriële meubilair, maakte plaats voor een subtiel, Scandinavisch aandoend jarenvijftigmodernisme, met rankpotige stoelen en fijn houtwerk.
Eind jaren 2010 werd de overheersende stijl killer en minimalistischer, met aanrechtbladen van cement en strenge, geometrische dozen in plaats van stoelen. Accessoires zoals lampen van roestige leidingen maakten plaats voor kamerplanten (met name vetplanten) en kunstwerken met textiel, wat eerder het beeld opriep van het kunstenaarswereldje aan de westkust dan van het harde leven in New York. De associatie met Brooklyn doofde langzaam uit – na de pandemie werd Brooklyn als minder aantrekkelijk gezien dan downtown Manhattan – en de eenvormige stijl werd eerder in verband gebracht met digitale platforms zoals Instagram en het opkomende TikTok dan met een bepaalde plek.
Homogeniteit
De stijlelementen bleken minder belangrijk dan de fundamentele homogeniteit, die steeds steviger werd verankerd. In de loop der jaren veranderden stap voor stap de uiterlijke kenmerken, maar de eenvormigheid bleef. Het was die eenvormigheid die ging tegenstaan, meer dan de specifieke stijlkenmerken. Homogeniteit in een diverse wereld heeft iets griezeligs. Het kan teleurstellend zijn om op de zoveelste plek dezelfde vormgeving aan te treffen, en het feit dat de invloed van digitale platforms merkbaar is op plekken waar dat voorheen nog niet het geval was, kan ook een gevoel van beklemming oproepen.
Sarita Pillay Gonzalez, een Zuid-Afrikaanse wetenschapper, merkte eind jaren 2010 dit fenomeen op in Kaapstad, toen ze daar werkte voor een organisatie die onderzoek doet naar urbanisatie. Gonzalez beschouwde het als een vorm van gentrificatie, of zelfs als een echo van het kolonialisme in een postkoloniaal land. In Kloof Street, in Kaapstad, schoten de eenvormige, minimalistische koffiebars als paddenstoelen uit de grond. Toen wij elkaar spraken, typeerde Gonzalez die tentjes als volgt: ‘lange, houten tafels, smeedijzeren afwerking, peertjes aan het plafond, hangplanten’. Die vormgeving spreidde zich uit naar andere gelegenheden: bierhallen, gastropubs, galeries, Airbnb’s. Gonzalez had een vergelijkbare transformatie waargenomen in het noordoosten van Minneapolis toen ze daar in 2016 woonde: pakhuizen die werden omgebouwd tot koffiebars, microbrouwerijen of flexwerkplekken – stuk voor stuk bedrijven die erop wijzen dat er in een buurt sprake is van gentrificatie.
De homogeniteit stond in schril contrast met de hipsterfilosofie die in de jaren 2010 opgang deed
Volgens Gonzalez staat deze stijl voor een ‘mondiaal toegankelijke ruimte. Je kunt van Bangkok naar New York, Londen, Zuid-Afrika of Mumbai vliegen en overal dezelfde sfeer aantreffen. Plekken die een bepaalde rust geven omdat ze zo vertrouwd zijn.’ De homogeniteit stond in schril contrast met de hipsterfilosofie die in de jaren 2010 opgang deed: door bepaalde producten en culturele artefacten te gebruiken kon je laten zien dat je uniek was en je op die manier onderscheiden van de massa – in dit geval ging het dan om een bepaalde koffiebar in plaats van een onbekende band of een kledingmerk. ‘De ironie is dat al deze plekken individualiteit zouden moeten benadrukken, terwijl ze ongekend homogeen zijn,’ aldus Gonzalez.
En niet alleen de plekken waren eenvormig, hetzelfde gold voor de klanten, merkte Gonzalez op: ‘Als je naar die koffiebars gaat, is het publiek overwegend wit. Maar [Kloof Street] is van oudsher een buurt waar mensen van kleur wonen.’ Alleen een bepaald soort mensen werd verleid om zich hier op zijn gemak te voelen, en anderen werden actief buitengesloten. Je hebt geld en een zeker savoir-faire nodig om je prettig te voelen bij de karakteristieke handeling van het uitklappen van je laptop op zo’n brede tafel en daar vervolgens uren te blijven zitten. In zekere zin is het net zoiets als je de onuitgesproken etiquette eigen maken in de cocktailbar van een duur hotel. Dit soort koffiebars ‘hebben iets beklemmends, in de zin dat ze duur en exclusief zijn’, aldus Gonzalez. Als witheid en welvaart als de norm worden gesteld, ontstaat er een soort esthetisch en ideologisch krachtveld dat iedereen weert die niet in het plaatje past.
Plat
Ik ben groot geworden met het idee dat de aarde plat was. Aan het begin van deze eeuw was er in Amerika in brede kring een groeiend bewustzijn van globalisatie, van het idee dat de wereld meer verbonden was dan ooit, en daarmee kleiner aanvoelde. De voornaamste aanjager van deze opvatting was Thomas Friedman, een columnist van The New York Times, bekend van zijn boek uit 2005, De aarde is plat. Zijn betoog appelleerde aan het gezond verstand: plat betekent dat mensen, goederen en ideeën sneller en makkelijker door de fysieke ruimte reizen dan ooit.
Globalisering heeft ook geleid tot een meer alledaagse en alomtegenwoordige vervlakking van individuele ervaringen. Ik maak in Amerika gebruik van dezelfde apparaten, heb toegang tot veel van dezelfde sociale netwerken en maak verbinding met dezelfde streamingdiensten als een internetgebruiker in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Friedmans voorspelling van een toegenomen internationale concurrentie heeft over de hele linie geresulteerd in slechts enkele winnaars, die ongebreideld profiteren van hun monopolisering van de geïnternationaliseerde digitale ruimte.
‘Globalisering voltrekt zich alleen in kapitaal en data’
‘Globalisering voltrekt zich alleen in kapitaal en data’, schreef literair theoreticus Gayatri Chakravorty Spivak. ‘Al het overige zijn pogingen de schade in te perken.’ We hebben het over de globalisering van politiek, cultuur en toerisme, maar op een fundamenteler niveau heeft Spivak gelijk. Wat er in werkelijkheid over de planeet vloeit, zijn verschillende geld- en informatiestromen: investeringen, bedrijven, infrastructuren, server farms en alle data van digitale platforms, die onzichtbaar als wind- of oceaanstromen heen en weer gaan tussen verschillende landen. Wij als gebruikers pompen uit eigen vrije wil onze informatie in dit systeem, waarmee we ook onszelf tot onderdeel van de goederenstroom maken.
Die homogenisering is niet alleen een verschijnsel van deze tijd; die is het gevolg van veranderingen die zich hebben voltrokken lang voor de komst van social media en algoritmische feeds, en zal naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst alleen nog maar toenemen. Het is tenslotte wel gebleken dat de wereld, telkens wanneer er melding wordt gemaakt van een grote vervlakking, een manier weet te vinden om nog verder af te vlakken.
Begin jaren 2010 diende er zich een nieuw fenomeen aan, de ‘Instagram wall’. Dat was deels een voortvloeisel uit de streetartbeweging van de jaren ’00, een gentrificatie van graffiti waarbij stadsmuren werden overgenomen door frisse, officieel toegestane muurschilderingen, vooral in buurten met veel vervallen warenhuizen. Streetart werd een soort toeristische trekpleister, bijna een galerie in de openlucht.
Waar streetart van oorsprong een guerrilla-activiteit was, waren Instagram walls plekken die speciaal waren bedacht om te zorgen dat mensen zouden blijven staan om een foto te nemen tegen de achtergrond van die muur, om die vervolgens op Instagram te posten. Die Instagram walls werden ook wel Instagram traps genoemd – valstrikken. Sommige bestonden uit niet meer dan felgekleurde grafische patronen die een perfecte achtergrond vormden voor een foto.
Instagram walls
Het hoogtepunt – of dieptepunt – van dit fenomeen was misschien wel een brunchrestaurant met de naam Carthage Must Be Destroyed. Het restaurant opende zijn deuren in 2017 in Bushwick, een wijk in Brooklyn, in een blok vol pakhuizen. Aan het interieur was weinig gedaan – kale bakstenen wanden en zichtbare leidingen, grote tafels waar iedereen moest aanschuiven – maar er was sprake van één opmerkelijke, opzichtige stijlkeuze: alles was lichtroze geverfd. De deur was roze, de toonbank had roze tegeltjes, het espressoapparaat had een roze behuizing en de borden waren van roze aardewerk. De menukaart bood weinig bijzonders en de inrichting was dan ook de voornaamste attractie. De publiciteitsfoto’s waren nog maar nauwelijks in omloop gebracht of iedereen wilde naar ‘dat roze restaurant’.
De ruimte was geoptimaliseerd om te worden gebruikt als digitaal beeld. In die tijd zag je dankzij het internet ineens overal ‘millennial roze’, een beetje de kleur van donkere rouge. Het werd ook wel ‘Tumblr pink’ genoemd, naar het bekende sociale netwerk waardoor het in zwang raakte. Je zag deze kleur op Nike-sneakers, Glossier-makeup en Away-koffers. De rosé gouden modellen die Apple in 2015 op de markt bracht, maakten deel uit van die trend. Carthage Must Be Destroyed had ook de Millennial Pink Experience kunnen heten, een immense Instagram wall. De bezoekers waren zo lang bezig met het maken van foto’s dat het restaurant uiteindelijk een regel invoerde om het maken van snapshots van de ruimte tegen te gaan: alleen foto’s van je eigen eten waren toegestaan.
Er kwamen zogeheten ‘Instagram museums’, waar het eigenlijk alleen ging om het maken van de foto’s
Tegen het einde van het decennium zag je tot vervelens toe dit soort installaties. Er kwamen zogeheten ‘Instagram museums’, waar het eigenlijk alleen ging om het maken van de foto’s. The Museum of Ice Cream, dat in 2017 zijn deuren opende in San Francisco, voorzag in installaties die waren gebaseerd op zoetigheden waar je je volledig in kon verliezen. The Color Factory, ook uit 2017, bood surrealistische monochrome kamers voor portretten met een dramatisch effect. In geen van de gevallen was sprake van overtuigende beeldende kunst, aangezien de werken slechts bestonden bij de gratie van een foto en van degene die op de foto stond – zonder de digitale platforms waren de werken niet compleet; het enige waar het om ging was het creëren van content.
Instagram walls of experiences trokken bezoekers naar een bepaalde plek en hielden hen daar bezig door ze iets te doen te geven met hun mobieltje, vergelijkbaar met restaurants die kleurplaten hebben voor kleuters. Het was een concessie aan onze nieuwe verslavingen – je kunt niet meer gewoon ergens naartoe gaan; je moet die ervaring ook documenteren. En doordat de bezoekers die de foto’s online zetten het bedrijf of de locatie taggen, groeien de foto’s uit tot een soort gedecentraliseerd onlinebillboard, een vorm van gratis zendtijd en digitale mond-op-mondreclame. De Instagram walls houden zichzelf in stand. Hoe meer posts, hoe meer reclame-algoritmen de plek registreren en suggereren aan nog meer potentiële klanten. De walls zijn een duidelijk voorbeeld van het onontkoombare gegeven dat zelfs fysieke bedrijven niet alleen aanwezig moeten zijn in de realiteit, maar ook op internet.
De walls zijn inmiddels verworden tot een cliché, maar de manier waarop ze functioneren is doorgesijpeld naar allerlei bedrijven en plekken, met als gevolg dat nu volop wordt ingezet op zogeheten instagrammability. Zo kan een restaurant bijvoorbeeld een wand met planten maken, waar in neonletters de naam van de zaak tussen hangt, goed zichtbaar vanaf alle tafeltjes en daarmee ideaal om te fotograferen en te delen. Een bepaald gerecht kan zo kunstig zijn opgemaakt dat het eerder fungeert als beeld dan als voedsel.
In het afgelopen decennium is Instagram de lens geworden waardoor we naar de mondiale wereld van de specialty-koffiebars kijken,’ zegt Trevor Walsh, marketing manager van Pilot Coffee Roasters, een keten van minimalistische koffiebars in Toronto. ‘We willen ontwerpkeuzes maken die het goed doen op de foto, we willen een omgeving bieden waarin je momenten beleeft die je wilt delen.’ Het posten van foto’s en reviews op Pilots Instagramaccount was voor het bedrijf aanvankelijk een manier om in contact te komen met andere koffiebars en met collega’s uit de koffiebranche in andere steden, maar als gebruiker van het platform voel je ook de constante druk om het account te onderhouden. ‘Je moet aan de lopende band content creëren. We hebben continu het gevoel dat we in de telefoons en laptops van mensen moeten zitten,’ zegt Walsh.
Gewoon een koffiebar zijn is niet meer voldoende; de branche moet een parallel bestaan cultiveren op internet
Gewoon een koffiebar zijn is niet meer voldoende; de branche moet een parallel bestaan cultiveren op internet, wat een vak apart is. ‘Het is alsof je, om succesvol en zichtbaar te zijn, veel verstand moet hebben van social media, alsof je heel goed thuis moet zijn in iets wat wel gerelateerd is aan je vakgebied maar er niet echt onderdeel van uitmaakt,’ vervolgt Walsh.
Verstand hebben van social media betekent je bewust zijn van de algoritmen van de afzonderlijke platforms. Het viel Walsh op dat sommige bedrijven misschien wel een geweldig verhaal hebben, maar ‘zich niet leken te verdiepen in de algoritmen die hen in staat stellen hun zichtbaarheid te vergroten’. Misschien posten ze niet vaak genoeg of houden ze de veranderingen niet bij, zoals de ontwikkeling dat Instagram ineens meer aandacht had voor filmpjes dan voor foto’s – een ingrijpende verandering die zich voltrok in 2022, toen het platform TikTok probeerde te imiteren. Het is niet makkelijk om in de peiling te houden wat het algoritme precies wil, en zelfs mensen die met verstand van zaken een gok wagen, schieten niet altijd raak. Zoals Walsh zegt: ‘We hebben er veel tijd en moeite in gestoken om mooie content te creëren. Maar door dat algoritme hebben we minder voltreffers dan we volgens ons hadden kunnen of hadden moeten krijgen. Dat kan soms wat ontmoedigend zijn.’
‘Ik haat het algoritme. Iedereen haat het algoritme’
‘Ik haat het algoritme. Iedereen haat het algoritme,’ zegt Anca Ungureanu, eigenaar en oprichter van Beans & Dots, een koffie-vestiging in Boekarest, Roemenië. In eerste instantie was de zaak gevestigd in een voormalige drukkerij. Haar streven was ‘om iets neer te zetten dat er nog niet was in Boekarest’ – een plek die, in ieder geval in artistieke zin, niet typerend is voor Boekarest. De zaak trekt een internationaal publiek; wie op Google zoekt naar specialty-koffie in Boekarest, krijgt meteen Beans & Dots voorgeschoteld. Ungureanu heeft een Instagramaccount gemaakt vol cappuccino-foto’s, met meer dan zevenduizend volgers, maar ze raakte gefrustreerd toen ze het gevoel kreeg dat het platform haar de mogelijkheid ontnam om via haar feed haar publiek te bereiken.
Toen ze ook koffie online ging verkopen, leken Facebook en Instagram haar bereik af te knijpen – tenzij ze reclameruimte zou kopen en zo de kas van de socialmediabedrijven zou spekken. Het voelde als algoritmechantage: als je niet betaalt, gaan wij je niet langer promoten. De middelen die Ungureanu in staat hadden gesteld te groeien en nieuwe klanten te trekken, keerden zich ineens tegen haar. Facebook en Instagram ‘staan niet toe dat je garen spint bij de gemeenschap die je zelf hebt gebouwd. Vanaf een bepaald moment spelen ze geen eerlijk spel meer,’ zegt Ungureanu.
Volgersinflatie
Andere eigenaren van koffiebars komen met dezelfde klacht. Jillian May is mede-oprichter van Hallesches Haus in Berlijn, een koffiebar annex boetiek die in 2014 de deuren heeft geopend. In de hoge, strakke ruimte met boogramen kunnen bezoekers niet alleen gieters, lampen en aardewerken bloempotten kopen, maar ook koffie en salades. Hallesches Haus heeft bijna dertigduizend volgers op Instagram. Maar ‘in verhouding tot het aantal klanten kregen we in de loop der tijd steeds minder likes,’ aldus May.
‘Een foto die vijf jaar geleden werd gepost kreeg duizend likes, en diezelfde foto krijgt tegenwoordig nog maar honderd tot tweehonderd likes.’ Ze heeft het gevoel dat de app ‘de gebruikers onder druk zet om te betalen voor het promoten van dit soort posts, en daar voelen we ons niet prettig bij’. Die discrepantie voelt als een verbroken belofte van een sociaal netwerk dat is gebouwd op gedemocratiseerde, door gebruikers gegenereerde content. Wij als gebruikers zorgen dat de social media functioneren, maar toch krijgen we niet de volledige controle over de relaties die wij op de platforms tot stand brengen, voornamelijk omdat de algoritmische aanbevelingen zo dominant zijn.’
Het effect dat May heeft waargenomen zou je ‘volgersinflatie’ kunnen noemen. Een groot aantal volgers komt niet langer overeen met de werkelijke betrokkenheid over een langere periode, aangezien de prioriteiten van het platform kunnen veranderen of omdat de aloude contenttrucjes hun uitwerking verliezen. Het is een gevoel dat iedereen zal herkennen die het afgelopen decennium op Instagram heeft gezeten. Het is misschien een klap voor je ego als je minder likes krijgt bij een selfie, maar voor een bedrijf dat op deze manier geld moet verdienen is het een serieus financieel probleem – of het nou gaat om een koffiebar die bezoekers wil trekken of om een influencer die gesponsorde content aan de man brengt.
Fysieke filters
Het nastreven van instagrammability is een valstrik: de snelle groei als je een herkenbaar format overneemt, ongeacht of het om een fysieke ruimte gaat of om zuiver digitale inhoud, maakt geleidelijk plaats voor een dagelijkse sleur waarin je dingen moet blijven posten en moet bijhouden hoe het algoritme nu weer werkt – welke hashtags, memes of formats je moet volgen.
Digitale platforms nemen ondernemers hun autonomie af, zetten hen onder druk om in de pas te lopen in plaats van hun eigen creatieve ingevingen te volgen. Te dicht op een trend zitten brengt ook een risico met zich mee: als de glans eraf is, zal het algoritmische publiek het ook laten afweten. Daarom zullen de koffiebars van dertien in een dozijn voortdurend kleine aanpassingen aanbrengen in het interieur, net wat meer planten neerzetten of er juist een paar weghalen. In de algoritmische feed is timing van cruciaal belang.
In zekere zin zijn koffiebars ook fysieke algoritmische filters
De alternatieve strategie is je niet van de wijs te laten brengen, je geen zorgen te maken over trends en betrokkenheid en domweg vasthouden aan datgene waar je goed in bent; op een wezenlijk niveau trouw blijven aan je persoonlijke opvattingen of aan de identiteit van je merk. In zekere zin zijn koffiebars ook fysieke algoritmische filters: mensen worden gefilterd op basis van hun voorkeuren en door middel van de inrichting en wat er op de menukaart staat.
Zo wordt stilletjes een bepaald soort mensen aangetrokken en een ander soort mensen geweerd. Op de lange termijn is die manier om een gemeenschap te creëren misschien wel van grotere waarde dan kunstzinnig bewerkt melkschuim en grote aantallen volgers op Instagram. Uiteindelijk is dat ook wat Anca Ungureanu probeert te doen in Boekarest. ‘We zijn een koffiebar waar je gelijkgestemden kunt ontmoeten, mensen met dezelfde belangstelling,’ zegt ze. Door die opmerking realiseerde ik me dat een bepaalde mate van homogeniteit waarschijnlijk een onvermijdelijk gevolg is van algoritmische globalisering, eenvoudigweg omdat tegenwoordig zo veel gelijkgestemden zich, beïnvloed door dezelfde digitale platforms, door dezelfde fysieke ruimtes bewegen. De eenvormigheid heeft de neiging te accumuleren.
De plannen die Elon Musk heeft met Twitter zullen het platform niet verbeteren. Sterker nog, ze kunnen Twitter en de andere bedrijven die Musk bezit juist beschadigen. Dat schrijft Nilay Patel, hoofdredacteur van The Verge.
Twitter is een clownesk bedrijf dat succesvol is ondanks zichzelf, en er is geen enkele manier om gebruikers en inkomsten te laten groeien zonder gigantische compromissen te sluiten. Die zullen je uiteindelijk je reputatie kosten en brengen waarschijnlijk ook nog eens ernstige schade toe aan je andere bedrijven.
Ik zeg dit in het volste vertrouwen omdat de problemen met Twitter niet van technische maar van politieke aard zijn. Het bedrijf Twitter maakt weinig interessante technologie; de waarde zit niet in de tech-afdeling maar in het gebruikersbestand: hopeloos verslaafde politici, verslaggevers, beroemdheden en andere mensen die blijven posten tegen beter weten in. Jij, Elon Musk! Jij bent verslaafd aan Twitter. Jij bent de aanwinst, en je hebt jezelf net gekocht voor 44 miljard dollar.
En als mensen de waarde vertegenwoordigen, dan blijken mensen ineens intens ingewikkeld te zijn. Dat is het probleem. Proberen te regelen hoe mensen zich moeten gedragen, is historisch gezien een ellendige ervaring, vooral wanneer de autoriteit daartoe berust bij één enkel, machtig individu.
Wat ik bedoel is dat jij nu de Twitterkoning bent, en mensen denken dat jij nu persoonlijk verantwoordelijk bent voor alles wat er op Twitter gebeurt. En je weet dat absolute monarchen meestal worden vermoord als er stront aan de knikker is.
Het is domweg de realiteit is dat je nog steeds een hoop legale meningsuitingen zal zult moeten verbieden, als je geld wilt verdienen
Een paar voorbeelden: je kunt zoveel beleefde brieven aan adverteerders schrijven als je wilt, maar verwacht niet dat je substantiële reclame-inkomsten vergaart als je de adverteerders geen ‘merkzekerheid’ biedt. Dat betekent dus dat je racisme, seksisme, transfobie en allerlei andere uitingen – die in de Verenigde Staten volkomen legaal zijn, en die laten zien dat mensen volslagen klootzakken zijn – moet verbieden. Dus je kunt zoveel beloftes doen over ‘vrije meningsuiting’ als je maar wilt, maar het is domweg de realiteit dat je nog steeds een hoop legale meningsuitingen zult moeten verbieden, wil je geld verdienen. En als je dat doet, gaan je griezelige, nieuwe, rechtse fanboys zich boosaardig tegen je keren, net zoals ze zich tegen elk ander sociaal netwerk keren dat dezelfde fundamentele waarheid ontdekt.
Disney World
Eigenlijk is er nog een stap voordat je bij de advertentiegelden komt: de meeste mensen willen helemaal geen deel uitmaken, zo blijkt, van verschrikkelijke, moderatieloze plekken op internet die vol zitten met strontracisten en onbehouwen reaguurders. (Daarom is Twitter zo klein in vergelijking met zijn soortgenoten!) Wat de meeste mensen willen van sociale media is leuke dingen beleven en zich voortdurend gewaardeerd voelen. Ze willen leven in Disney World. Dus als je meer Twitterleden wilt die daadwerkelijk gaan tweeten, dan moet je de beleving honderd keer aangenamer maken. En dat betekent: agressiever modereren! Nogmaals, elk ‘alternatief’ sociaal netwerk heeft die les met schade en schande geleerd. Echt. Steeds opnieuw en opnieuw en opnieuw.
Iedereen die ‘vrijheid van meningsuiting’ brult, negeert daarbij gemakshalve dat de grootste bedreiging van vrije meningsuiting in Amerika de verdomde regering is, die helemaal klaar lijkt te zijn met het Eerste Amendement [dat vrijheid van meningsuiting garandeert]. Ze verbieden boeken, Elon! President Joe Biden en voormalig president Donald Trump hebben dezelfde standpunten over Sectie 230 [dat stipuleert dat – met enkele uitzonderingen – een ‘interactieve computerservice’ niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van derden op hun platform]: allebei pleiten ze voor intrekking ervan. Weet je waarom? Omdat het Eerste Amendement hen verbiedt om expliciete regels voor meningsuiting op te stellen, dus blijven ze ermee dreigen de wet in te trekken die sociale netwerken toestaat te bestaan, om zo indirecte druk uit te kunnen oefenen op het beleid ten aanzien van de inhoud. Zo subtiel is het allemaal niet!
De regering van sommige staten is nog minder subtiel: zowel Texas als Florida hebben voorschriften voor meningsuiting uitgevaardigd die sociale-mediabedrijven ronduit vertellen hoe ze moeten modereren. Dat is openlijk strijdig met het Eerste Amendement. Uitzoeken hoe je aan die wetten kunt voldoen, is geen technisch probleem (niet in het minst omdat naleving onmogelijk is). Het is een juridisch probleem. Die wetten zijn namelijk flagrant ongrondwettelijk, en de enige gepaste reactie erop is de regering te vertellen dat ze er haar mond over moet houden. (Een groot probleem hier is dat de rechtbanken behoorlijk achterlijk zijn wat het internet betreft!) Een aanvechting van deze wetten, gedeeltelijk gefinancierd door Twitter, is op weg naar het Hooggerechtshof, dat zo’n beetje het tegenovergestelde belichaamt van een voorspelbaar systeem: het is een stelletje onhippe mafkezen met levenslange benoeming die het Amerikaanse leven naar eigen inzicht radicaal kan veranderen.
Bij dit probleem kun je niet de hulp van AI inroepen: je moet het echte Eerste Amendement gaan verdedigen tegen de slechte wetten in Texas en Florida, staten waarvan jij de belastingen wel lekker vindt en waarvan je de gouverneurs wel lijkt te mogen. Ben je er klaar voor? Ben je bereid om voor het Congres te verschijnen en beleefd te weigeren om urenlang mee te doen aan hun content-capture-sessies? Ben je bereid om dat alles te doen zonder de hulp van ongelooflijk gerespecteerde beleidsdeskundigen wiens leider je eerst lastigviel en vervolgens ontsloeg? Dat is waar je voor getekend hebt. Het is veel saaier dan raketten en auto’s, of raketten met auto’s erop.
Ben je bereid om voor het Congres te verschijnen en beleefd te weigeren om urenlang mee te doen aan hun content capture-sessies?
Het wordt nog erger zodra je een voet buiten de Verenigde Staten zet! Duitsland is een enorme markt voor Tesla. Ga je de Duitse wetten voor meningsuiting aan je laars lappen? Ik durf te wedden van niet. En de Indiase regering, die in feite eist dat sociale-mediabedrijven potentiële gegijzelden leveren om in dat land te mogen opereren; daar ga je je niet uit redden. Bent je klaar voor de druk waarmee Twitter in het Midden-Oosten wordt geconfronteerd om accounts te blokkeren en te beperken? Ben je klaar voor het feit dat de Iraanse regering, verdomme, mensen godbetert vanwege hun sociale-mediaberichten? (Ben je klaar voor hoe Twitter op dit moment wordt gebruikt door Iraniërs die tegen die regering protesteren?) Ben je er klaar voor dat de Chinese regering manieren zal vinden om Tesla’s enorme belang in dat land te bedreigen vanwege content die op Twitter verschijnt? Reken maar dat dat gaat gebeuren.
Contentmoderatie
De fundamentele waarheid van elk sociaal netwerk is dat het product om contentmoderatie draait, en iedereen haat de mensen die besluiten hoe dat eruit moet zien. Contentmoderatie is wat Twitter vormt – het is wat de gebruikerservaring bepaalt. Het is wat YouTube vormt. Instagram. TikTok. Allemaal proberen ze om toffe dingen te stimuleren, slechte dingen te ontmoedigen en de echt slechte dingen te verwijderen. Weet je waarom alle YouTube-video’s acht tot tien minuten duren? Omdat ze met die lengte in aanmerking komen voor een tweede advertentieblok in het midden. Dat is contentmoderatie, baby – YouTube wilde een bepaald soort video en het bedacht prikkels om die te krijgen. Dat is de business waar je nu in zit. Hoe langer je je ertegen verzet of doet alsof je iets anders hebt te bieden, hoe meer Twitter je door de diepst mogelijke stront sleurt om onverdedigbare uitingen te verdedigen. En mocht je nu plots als een blad aan de boom omdraaien en aanvaarden dat groei agressieve contentmoderatie vereist en dat je overheidsvoorschriften inzake meningsuiting moet bevechten, hier en in de rest van de wereld, dan zal je nog wel eens zien hoe jouw fans daarop gaan reageren.
Hoe dan ook, welkom in de hel. Het was je eigen idee.
Polarisatie, haat, desinformatie: de formules die Facebook, TikTok en Instagram gebruiken om hun beelden, teksten en foto’s te sorteren zouden verantwoordelijk zijn voor grote veranderingen in de wereld. Was het maar zo simpel.
Vladimir Poetin, Donald Trump en dan komt het algoritme al. Naast mannen met te veel macht en te weinig moraal worden sociale media verantwoordelijk gehouden voor alles wat misgaat in de wereld. Facebook zou samenlevingen polariseren, YouTube gebruikers radicaliseren, TikTok tieners verleiden. De boosdoener is het algoritme dat wordt gebruikt om inhoud te sorteren die platforms aan mensen voorschotelen. Als een vorm van zwarte magie zou het in staat zijn het hoofd van mensen op hol te brengen en democratieën omver te werpen.
Dit is niet geheel onwaar, maar het is slechts een deel van de waarheid. Deze visie reduceert de realiteit tot een paar veronderstelde oorzakelijke verbanden. Rechtspopulisme en complottheorieën zouden ook zonder sociale media bestaan. Als alle platforms zich van hun algoritmes zouden ontdoen, zouden mensen niet vreedzamer zijn, de wereld niet harmonieuzer. Concerns zouden niet minder verantwoordelijkheid hebben. Algoritmes vormen niet het enige en niet het grootste probleem, maar ze zijn een probleem. Om hier verandering in te brengen zijn transparantie en regulering nodig. Platforms moeten zich openstellen voor onderzoekers en hun aanbevelingslogica kritisch laten bekijken. Aangezien ze zich tot nu toe verzetten, zijn er blijkbaar nieuwe wetten nodig. Bovendien moeten meer mensen begrijpen wat algoritmes zijn, waarom ze een bepaalde inhoud voorgeschoteld krijgen en hoe ze zelf invloed uit kunnen oefenen. Een verheldering in vijf hoofdstukken.
1. Een leven zonder algoritmes is onmogelijk
Algoritmes zijn overal, zelfs in een kookrecept: giet het water af als de pasta al dente is. Algoritmes geven machines of mensen duidelijke instructies over wat ze wanneer moeten doen. Als Amira een foto van Hakan met een ‘like’ beloont, laat Amira dan meer foto’s van Hakan zien. Om van beetgare pasta een maaltijd te bereiden zijn verdere stappen nodig: meng de pasta met pesto en Parmezaanse kaas. Om met Hakans foto’s een sociaal netwerk tot stand te brengen zijn vele miljoenen regels programmacode nodig. Er is niet één Instagram-algoritme, verschillende algoritmes nemen samen een belangrijke beslissing: wat ziet Amira als ze de app opent?
Facebook of Google lezen op veel websites en apps mee
In fracties van een seconde evalueren machines duizenden datapunten. Dit omvat het gedrag op het platform zelf, likes en commentaren, kliks en directe berichten. Maar de beheerders halen hun informatie bijna overal vandaan. Het web zit vol met verborgen bugs, Facebook of Google lezen op veel websites en apps mee. Techbedrijven creëren persoonlijkheidsprofielen op basis waarvan algoritmes voorspellen in welke inhoud gebruikers geïnteresseerd zijn.
Algoritmes geven niet alleen vorm aan tijdlijnen op sociale netwerken, maar aan de hele samenleving. Zij beslissen wie een lening krijgt, helpen ondernemers bij de selectie van vrouwelijke sollicitanten of doen voorspellingen over welke delinquenten zouden kunnen recidiveren. Hoe ingewikkelder de taken zijn die de algoritmische systemen moeten oplossen, hoe ingewikkelder hun code wordt. En hoe moeilijker het is ze onafhankelijk te verifiëren.
2. Algoritmes zijn machtig, maar niet magisch
Welke foto’s Amira ziet, lijkt van weinig invloed op de wereldgebeurtenissen. Veel algoritmische beslissingen werken niet op individueel niveau. Maar Meta, het moederconcern van Facebook en Instagram, verbindt drieënhalf miljard mensen met elkaar. De kleinste gedragsveranderingen hebben dan ook grote invloed. Als Facebook mensen aanmoedigt te gaan stemmen, kan dat een verkiezingsuitslag beïnvloeden. Als een Russische propagandavideo zich op TikTok viraal verspreidt, realiseert misschien een groot gedeelte van de gebruikers zich dat het om desinformatie gaat – maar niet iedereen.
Computers zijn niet slecht, maar ze hebben geen geweten
Veel algoritmes ontwikkelen zich zelfstandig verder. Ze worden gevoed met data en passen hun gedrag aan. Dit machinale leren kan helpen bij het opsporen van kanker en het eerlijker toewijzen van plaatsen in de kinderopvang, maar het kan ook structurele discriminatie en systematisch racisme versterken. Algoritmes internaliseren en reproduceren vooroordelen. Het web was lange tijd een World White Web, waarop zwarte mensen overwegend in een negatieve context opduiken. Ook vrouwen kunnen door algoritmische systemen benadeeld worden, doordat trainingsdata de machtsverdeling in de westerse wereld weergeven: wit en mannelijk.
Dit wordt pas gevaarlijk wanneer mensen uitsluitend vertrouwen op de veronderstelde intelligentie van machines. Computers zijn niet slecht, maar ze hebben geen geweten. Ze voeren bevelen uit, ze herkennen geen ongewenste bijwerkingen. Algoritmes zijn geen magie, maar technologie die door en voor mensen werd gemaakt – en door mensen kan worden veranderd, als ze dat willen.
3. Geen algoritme is ook geen oplossing
Mensen hebben weinig nodig om gelukkig te zijn: wereldvrede en een chronologische tijdlijn. Die indruk kun je krijgen wanneer je de opvattingen over het zogenaamd kwaadaardige algoritme bekijkt. Facebook heeft meermaals steekproefsgewijs getest wat er gebeurt als inhoud strikt wordt gesorteerd op het tijdstip van verzending in plaats van op andere, ondoorzichtiger criteria: gebruikers verborgen significant meer berichten. Volgens een intern document nam het aandeel niet-serieuze en ongewenste inhoud ‘explosief toe’. Hoewel de controlegroep minder tijd doorbracht op Facebook, verdiende het concern meer geld. Mensen moesten langer scrollen om bijdragen te vinden die hen interesseerden en zagen daardoor meer advertenties. Deze experimenten zijn enkele jaren oud, hun methodes voldoen niet aan wetenschappelijke normen en de uitkomsten roepen nieuwe vragen op, zoals: wat zou er gebeuren als Facebook de nieuwsfeed een langere periode chronologisch zou sorteren? Al dertien jaar lang sorteren algoritmes de inhoud, gebruikers zijn eraan gewend geraakt. Als Facebook hun de tijd en de juiste tools geeft, kunnen ze misschien leren hun eigen tijdlijn zelf samen te stellen.
Maar de experimenten leiden ook tot één heldere conclusie: het probleem ligt niet bij de algoritmes zelf, maar bij de metriek op grond waarvan de platforms hun systemen optimaliseren. Mensen moeten de apps regelmatig openen en hun smartphone het liefst helemaal constant in handen houden. Alleen dan zien ze de advertenties, waarop het businessmodel van de concerns is gebaseerd. Dit is niet het enige criterium, maar wel het belangrijkste. Mensen reageren het meest op inhoud die gevoelens oproept, zoals woede, angst en verontwaardiging. Met hun kliks en commentaren vragen ze de algoritmes om meer. En die leveren bereidwillig, zonder bij de gevolgen stil te staan.
4. Andere algoritmes zouden een oplossing kunnen zijn
Na de Amerikaanse verkiezingen van 2020 nam Facebook ongebruikelijke maatregelen. Trump probeerde met leugens twijfel te zaaien over het resultaat, het land werd bedreigd door onrust en geweld. Dus paste Facebook zijn algoritmes aan. Serieuze media kregen meer gewicht, dubieuze bronnen en desinformatie verloren bereik. Later vroegen ontwikkelaars of het mogelijk was om deze ‘genuanceerdere nieuwsfeed’ permanent te behouden. Dat kon niet, kort na de verkiezingen keerde Facebook terug naar de oude weging.
De afgelopen jaren hebben medewerkers van Facebook meerdere malen geprobeerd de aanbevelingslogica fundamenteel te hervormen. Ze vroegen zich af hoe polariserende inhoud, haatdragende commentaren en desinformatie kunnen worden beteugeld. Maar ze stuitten op interne weerstand: hun voorstellen vormden een bedreiging voor de groei, en groei is heilig voor Meta. ‘Misschien is het goed voor de wereld, maar niet voor ons’, schreef Zuckerberg in een intern bericht. Hiermee verwees hij weliswaar niet naar algoritmes, maar de zin onthult hoe hij denkt. Het belangrijkste voor Meta is Meta. Platforms als TikTok opereren op een soortgelijke manier.
5. Algoritmes dienen de mens
Het is niet mogelijk om alle risico’s en bijwerkingen van sociale media met één druk op de knop te doen verdwijnen. Algoritmische systemen zijn complexe ontwerpen, zelfs de ontwikkelaars kunnen niet precies voorspellen welke effecten veranderingen teweeg zullen brengen. Om te beginnen moeten concerns worden verplicht de wetenschap en het publiek inzicht te geven. Onafhankelijke onderzoekers proberen al jaren tevergeefs de algoritmes van platforms te onderzoeken. Media bouwen technische instrumenten en werken met vrijwillige testers om op zijn minst enig licht in de duisternis te werpen – maar krijgen geen enkele toegang. De noodzakelijke regulering moet zich richten op twee vragen: waarom wordt inhoud aanbevolen? Maar ook: welke inhoud wordt aanbevolen? De huidige voorstellen in de Europese Unie en de Verenigde Staten zijn gefocust op de eerste vraag. Ze zijn bedoeld om platforms te verplichten delen van hun algoritmes openbaar te maken. Algoritmische systemen bestaan echter niet alleen uit formules, maar ook uit input en output. Tot nu toe kan iedere gebruiker zien wat er in zijn tijdlijn verschijnt, maar het is bijna onmogelijk te achterhalen welke resultaten algoritmes bij anderen opleveren. Dit is echter essentieel om in een tweede stap suggesties te kunnen doen over hoe aanbevelingssystemen die het algemeen belang dienen eruit zouden kunnen zien.
Tot het zover is, zijn gebruikers van algoritmes niet hulpeloos overgeleverd aan algoritmes. De belangrijkste factor voor de output is de input, en die heeft men zelf in de hand. Wie minder slechte grappen van zijn voetbalmaatje wil zien, kan zich een like uit beleefdheid beter besparen. In plaats van te klikken op sensatiebeluste koppen en vervolgens boos te worden over het lage peil van de inhoud, kun je beter snel verder scrollen en daarmee je desinteresse overbrengen. Je kunt onbeschofte mensen blokkeren, saaie accounts ontvolgen en specifieke berichten verbergen.
Als dat allemaal niet helpt, dan kun je nog altijd cold turkey stoppen met algoritmes. Op Facebook en Twitter kan de inhoud ook strikt chronologisch gesorteerd worden. Instagram is onlangs begonnen met de invoering van deze mogelijkheid, die binnenkort voor alle gebruikers beschikbaar moet zijn. Een leven zonder algoritmes is onmogelijk – maar op sociale media kun je er tenminste nog omheen.
Ook vóór corona was het al duidelijk: als we natuur en steden willen sparen, moeten we onze manier van reizen gaan veranderen. Maar hoe?
In een niet al te verre toekomst zullen we net zo naar ons reisverleden kijken als nu naar Mad Men, de serie uit de jaren 60 waarin ongeremd gerookt en gedronken wordt en het plastic bestek na de picknick gewoon in de natuur achterblijft: ging dat toen echt zo?
Eerlijkheidshalve zouden we dan moeten toegeven: ja, dat ging toen zo en niemand die er zich druk over maakte. Mij zouden dan bijvoorbeeld mijn reizen in het jaar 2019 te binnen schieten: in maart bewonderde ik op de Lofoten het noorderlichttheater, in de zomer stroopte ik enkele eilanden van de Cycladen af en tot slot laste ik nog een weekendje weg naar Porto in, waar we onszelf warmdronken in de kilte van de vroege herfst. Tussen die vakanties door was ik achtmaal op dienstreis – met het vliegtuig. Met al dat gereis zou ik 2019 kwalificeren als een heel normaal jaar – het laatste voordat de wereld tot stilstand kwam.
Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen in 2019 1,5 miljard boekingen
In dat jaar brak het mondiale toerisme alle records. Nooit eerder werd er zo vaak bezichtigd, bereisd en verwelkomd. Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen 1,5 miljard boekingen, terwijl toerismeonderzoekers zelfs een verdere stijging naar 1,8 miljard voor mogelijk hielden. Elke anderhalve seconde steeg er wel ergens op onze planeet een vliegtuig op om nieuwsgierigen zoals ikzelf af te zetten in toeristische bestemmingen als New York, Barcelona of Praag – even gewoon als een busreisje en dankzij de prijsvechters niet eens veel duurder. De wereld van 2019 was een onbegrensd draaiende vliegcarrousel.
Tegelijkertijd was 2019 het jaar waarin we waarschuwingssignalen dat het zo niet verder kon nog maar moeilijk over het hoofd konden zien. Of het nu de door cruiseschippassagiers geplaagde binnenstad van Dubrovnik in Kroatië betrof of de verstopte toegangswegen naar de Walchensee in Beieren, toeristische hotspots herkenden we aan de fluitconcerten van geïrriteerde autochtonen, aan ‘tourist go home’-graffiti en aan de nare diagnose overtourism in de media. In Europa’s warmste jaar sinds de start van de weerregistraties werden wij, frequent travellers, om de oren geslagen met het begrip ‘vliegschaamte’; circa 80 procent van de reis-gerelateerde CO2-emissies wordt veroorzaakt door vliegreizen naar onze plekken van bestemming.
Toerismecarrousel
Toen kwam covid-19. De pandemie legde de toerismecarrousel die tot dan toe voor een soort van mensenrecht was doorgegaan, stil. Als was het een gigantische parkeerklem. Bij nader inzien was de pandemie echter geen rem maar een turbo. ‘Overtoerisme, milieubescherming, duurzaamheid – de coronacrisis werkt als vliegwiel voor ontwikkelingen die toch al vraagtekens plaatsen bij het massatoerisme,’ zegt Alexis Papathanissis, hoogleraar toerismemanagement aan de hogeschool van Bremerhaven. 180 jaar nadat de Engelsman Thomas Cook reizen begon te organiseren en het toerisme onze aarde begon te belasten, moeten we het radicaal heruitvinden.
Maar als onze oude manier van reizen niet langer functioneert, hoe zou een nieuwe er dan uit kunnen zien? Want helemaal niet meer reizen kan geen oplossing zijn. Reizen voorziet in een essentiële behoefte – waarvan je je net als bij de liefde pas goed bewust bent als het er ineens niet meer is. Juist nu is het verlangen heftig: nog maar net ingeënt trekken waarschijnlijk massa’s mensen binnenkort de wijde wereld in. De prijsvechters breiden hun vloot al uit.
Maar hoe zou het toerisme er na de gevreesde post-coronaparty dan wel moeten uitzien? Ik maak afspraken met een trendonderzoeker, een avonturier, een toerisme-expert en een klimaatdeskundige – mensen van wie ik antwoorden hoop te krijgen op vragen als: hoe zullen we over vijf of tien jaar op reis gaan? Mag dat eigenlijk nog wel? Hoe kunnen we onze wereld verkennen zonder een verschroeide aarde achter te laten?
Wie in de toekomst kijkt, moet eerst weten waar hij staat. Daarom vraag ik Nikolaj Koch: Welk effect heeft een jaar met veel reizen zoals dat van mij, op het klimaat? De 38-jarige Koch is klimaatexpert bij Arktik in Hamburg, een organisatie waar je je eigen CO2-uitstoot kunt berekenen en compenseren.
Koude douche
Kochs conclusie blijkt een nog koudere douche dan ik al vreesde. Met mijn CO2-voetafdruk heb ik veel weg van een bankier bij Lehman Brothers kort voor het begin van de financiële crisis – het type tot wie nog niet is doorgedrongen hoe megafailliet hij eigenlijk is. Tijdens de 5800 kilometer die ik in 2019 achter het stuur zat, stootte mijn Volvo volgens Kochs berekeningen ongeveer 1300 kilo broeikasgas uit. Hierbij vergeleken vielen mijn 2500 treinkilometers met 90 kilo aan broeikasgassen in het niet. Maar de elf vliegreizen deden het pas echt: het stedentripje naar Porto, mijn vakantietrips naar de Lofoten en Griekenland, samen met een paar businessvluchten binnen Duitsland, veroorzaakten – zo rekende Koch mij voor – bij elkaar een wolk van circa 6800 kilogram CO2. Al met al had ik dus in de loop van het jaar onze klimaatzieke planeet met ruim acht ton kooldioxide opgezadeld – alleen al door mijn mobiliteit. Vanuit klimaatoptiek bezien sta ik sindsdien diep in het rood. ‘Acht ton is meer dan dubbel zoveel als waar een aardbewoner jaarlijks recht op heeft,’ zegt klimaatexpert Koch. En wat nog veel erger is: de mede door mij geproduceerde kooldioxide zal nog in de atmosfeer aanwezig zijn als ik mij allang niet meer aan een of andere vertrekgate meld maar in plaats daarvan voor het avondeten in het verzorgingshuis. Toeristen mogen dan graag bagatelliseren dat het vliegverkeer verantwoordelijk is voor slechts 3 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot – als we eerlijk het staartje aan condensstrepen, zwavel- en stikstofoxiden en het effect daarvan meerekenen, valt de bijdrage van het vliegverkeer aan de opwarming van de aarde minimaal tweemaal zo hoog uit. Die 6 procent CO2-last weegt nog weer zwaarder als we ons realiseren dat maar ongeveer 5 à 10 procent van de wereldbevolking überhaupt vliegt.
Wij, de piepkleine minderheid van wereldwijde topverdieners, hebben dus een uiterst sterke hefboom in handen die in de toekomst voor de resterende 90 procent van de wereldbevolking een merkbaar verschil kan maken. ‘Onze huidige uitstoot van kooldioxide zal negatief uitwerken op de leefomstandigheden van honderden miljoenen mensen,’ zegt Volker Quaschning, hoogleraar hernieuwbare energiesystemen aan de Hogeschool voor Techniek en Economie in Berlijn. Hij onderzoekt hoe onze energiehuishouding eruit zou moeten zien, willen we het klimaat op aarde niet volkomen ruïneren. In het kort komt dat hierop neer: het moet radicaal anders. ‘Overstromingen, droogte, voedselgebrek, gezondheidsschade en andere gevolgen van onze klimaatverandering zullen generaties na ons nog treffen,’ waarschuwt professor Quaschning.
Electrofuels
Bieden de zogeheten electrofuels waarmee de luchtvaartindustrie op een dag klimaatneutraal hoopt te worden, dan misschien een oplossing? De expert in hernieuwbare energiebronnen heeft er weinig fiducie in. Weliswaar kunnen zulke synthetische vliegtuigbrandstoffen inderdaad via wind- of zonnestroom en daarmee CO2-neutraal geproduceerd worden, maar de productie ervan vergt helaas extreem veel energie – meer dan 80 procent daarvan gaat onderweg verloren – en is acht à negen keer zo duur als de productie van conventionele kerosine. Quaschning: ‘Er gaan nog heel wat jaren overheen voor electrofuels inzetbaar en betaalbaar zijn, als dat ooit al het geval zal zijn. Tot dat moment is en blijft het vliegtuig het schadelijkste transportmiddel voor het klimaat’.
En compenseren? Dat levert te weinig op. Dus besluit ik ter plekke tot een eigen aanpak. In plaats van voor stedentrips het vliegtuig te nemen, ga ik voortaan vaker met de trein en op de fiets; verplaats ik zakenafspraken van de ochtend naar de middag om niet met de ochtendvlucht maar met de trein te kunnen komen. En mijn volgende vakantie naar Italië maak ik met een van de nachttreinen die de Oostenrijkse spoorwegen net als vroeger door Europa laten rollen. In de toekomst moeten dat er duidelijk meer worden: met de Franse en Duitse collega’s werken de Oostenrijkers aan een netwerk van snelle treinverbindingen dat voor het eind van dit decennium een flink aantal Europese metropolen met elkaar moet verbinden.
Langzamer, milieuvriendelijker, minder – zou de komende jaren weleens mainstream kunnen worden
Langzamer, milieuvriendelijker, minder – al die oude reisadviezen zouden de komende jaren weleens mainstream kunnen worden. Want de nood groeit – en het bewustzijn ook: het hoeft niet noodzakelijkerwijs af te doen aan ons plezier wanneer we op onze weg door de wereld wat meer verantwoordelijkheid op ons zouden nemen. Het vereist alleen wat meer denkwerk. Maar dat leidt meteen tot de volgende ongemakkelijke vraag: wat leveren al die inspanningen op als we gewoon met te veel mensen zijn?
De toerist ‘vernietigt wat hij zoekt door het te vinden,’ stelde schrijver Hans Magnus Enzensberger droogjes vast. Geen wonder dat ze ons op veel plaatsen niet meer willen, in elk geval niet in de hoeveelheden die goedkope luchtvaartmaatschappijen, cruiseschepen en busondernemingen neerkiepen bij de poorten van de hotspots. Bewoners vluchten voor maandhuren die als gevolg van het toerisme onbetaalbaar zijn geworden, hun manier van leven bezwijkt onder de massa’s. Waar lokale toerismemanagers vroeger zoveel mogelijk betalende gasten naar hun bestemming probeerden te lokken, willen ze ons nu zo efficiënt mogelijk spreiden. De fraaie aansporing van de bestseller 1000 Places to See Before You Die heeft op termijn als neveneffect dat de ‘plaatsen die je gezien moet hebben’, langzaam sterven.
In Barcelona, waar het aantal van 1,7 miljoen bezoekers in 1990 explosief steeg naar dertig miljoen in 2019, worden al geruime tijd geen nieuwe hotels in de binnenstad meer toegestaan en aan de ooit wild voortwoekerende Airbnb-business worden boetes tot wel 30.000 euro opgelegd. Bergen beknot het aantal cruiseschepen dat deze Noorse havenstad mag aandoen, Venetië strijdt nog over een oplossing voor de plaag van drijvende SUV‘s. Amsterdam probeert de toeristische stortvloed van 18 miljoen bezoekers per jaar om te leiden naar minder belaste gebieden, bijvoorbeeld door het 30 kilometer verderop gelegen Zandvoort om te dopen tot Amsterdam Beach.
Met zulk soort maatregelen kan lokaal mogelijk de grootste stormloop het hoofd worden geboden. Maar wat wanneer de groeiende middenklasse in China, Rusland, India en Brazilië haar koffers pakt en op reis gaat – miljoenen mensen met net zoveel recht op het San Marcoplein, het noorderlicht en het strand van de Cycladen als wij? In China is slechts 10 procent van de bevolking in het bezit van een paspoort maar dit minieme aandeel correspondeert wel met zo’n honderd miljoen potentiële Venetië-gangers.
Om het groeiende concentratierisico van toeristen van zijn scherpe kantjes te ontdoen, is er duidelijk meer nodig dan wat onbeholpen inreisbeperkingen. Een man die aan zulk soort alternatieve ideeën knutselt, is Guido Sommer, hoogleraar toerismemarketing aan de Hogeschool van Kempten. En een oplossing heeft hij al in zijn zak zitten.
BayernCloud
Opgewekt blikt Sommer me op een ochtend via het Zoom-venster op mijn laptop tegemoet. ‘Ziet u dit hier?’ vraagt de 47-jarige wetenschapper terwijl iets uit zijn broekzak frommelt. ‘Het zou weleens een oplossing voor het probleem van het overtoerisme kunnen betekenen.’ Hij houdt zijn iPhone voor de camera. Onze smartphones, zo licht hij toe, wacht een grote carrière in het toerisme. Van een simpel communicatiemiddel waarmee we onderweg hotelprijzen, weersverwachting, alternatieve routes en openingstijden bijeen googelen ontwikkelt het mobieltje zich tot reisgids, reisbureau en risicomanager ineen. Dat wordt mogelijk dankzij een nieuw soort databanken waarin meteorologische diensten, hoteliers, skiliftexploitanten en andere ondernemers in de toeristenbranche voortaan in realtime hun data invoeren. Zo’n centraal informatiebureau is de BayernCloud die momenteel aan Sommers hogeschool wordt ontwikkeld. Al vanaf de zomer van 2022 moet het als een alwetende datawolk boven Beieren zweven. Soortgelijke datacentra ontstaan momenteel op allerlei plaatsen op aarde omdat ze immers een duidelijke meerwaarde te bieden hebben: alle voor toeristen relevante informatie in één enkele, uiterst actuele databron die afgetapt kan worden via één enkele app en een klein apparaatje dat ieder van ons gemiddeld 80 maal per dag ter hand neemt.
‘U vindt dat weinig spectaculair klinken?’ vraagt Sommer die mijn licht ontnuchterende blik kennelijk niet ontgaan is. ‘Het is wel degelijk revolutionair.’ Want met kunstmatige intelligentie gevoerde data-aggregators, zoals de BayernCloud, bieden reizigers twee niet te overtreffen voordelen: ze verklappen ons niet alleen de actuele omstandigheden op onze bestemming maar ook de situatie in de nabije toekomst. En nog fascinerender: ze kunnen die toekomst zelfs in positieve zin voor ons veranderen.
Met slimme reisbegeleiders zullen we intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn
‘Neem mij bijvoorbeeld,’ zegt Sommer. Hij vertelt over zo’n typische zaterdagochtend in de winter als hij vanuit zijn woonplaats Kempten in de auto stapt om te gaan skiën in de Allgäuer Alpen. Helaas doen op zonnig-koude zaterdagen met verse sneeuw veel Kemptenaren dat. Niet zelden staat Sommer daarom korte tijd later al in de file, geïrriteerd dat hij toch niet vroeger is vertrokken, en verdoet hij op de plaats van bestemming kostbare minuten met het zoeken van een parkeerplaats om tegen het middaguur op het Oberjoch of de Fellhorn zijn eerste bochtjes te draaien. Dan is hij al een typische toerist; zo eentje die opgefokt is van te veel mensen die hetzelfde willen als hij.
Maar volgend jaar winter zou dat heel anders kunnen zijn. Met zijn gedownloade BayernCloud kan Sommer al aan de ontbijttafel de voorziene drukte op de parkeerplekken en de rijen voor de skiliften zien – en wel op het moment dat hij denkt aan te komen. Als de sensoren onder de parkeerterreinen en bij de skiliften een cruciale belasting aangeven doet zijn app, nog voor hij in zijn auto is gestapt, al voorstellen voor minder volle alternatieven. ‘Smart assistents als deze zullen ons’ volgens Sommer ‘in de toekomst van onze eerste plannetjes tot aan de ervaring ter plekke op elke fase van onze reis begeleiden’.
Hoe meer de algoritmes hierbij leren over onze favoriete activiteiten en doelen, hoe preciezer ze een ons passend aanbod kunnen doen. Als de skipistes rond Oberstdorf naar verwachting overvol worden, kunnen ze multisporter Sommer een weinig geboekte skitocht voorstellen of een cursus deltavliegen in het nabije Sonthofen, vanwaar de meteorologische dienst op de app juist een fantastische thermiek en een paar vrije startplaatsen heeft gemeld. Het zou de redding zijn voor zijn zaterdag en ook voor het skigebied – dat zo een overvloed aan mensen bespaard blijft.
‘Natuurlijk hebben dergelijke services een prijs,’ zegt Sommer. ‘Voor dat alles betalen we met onze data’. Met slimme reisbegeleiders zullen we in de toekomst niet alleen intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn. Willen we dat echt? Tegenvraag: wie wil de voordelen ervan missen?
Transport naar behoefte
Want op pad met digitale helpers kunnen we niet alleen betere alternatieven ontdekken maar die zelfs zelf creëren. Verondersteld dat naast Guido Sommer ook andere Kemptenaren in datzelfde weekend belangstelling hebben voor hetzelfde skigebied, dan zou het algoritme van de app voor de betreffende dag een busdienst kunnen activeren die de skiërs één voor één ophaalt en afzet bij het dalstation. ‘Het achterhaalde principe van star streekvervoer met vaste routes kan vervangen worden door het principe van MOIA – individueel transport naar behoefte,’ zegt de toerisme-onderzoeker. Weekendskiërs hoeven dan niet meer naar een vrije parkeerplek te zoeken, ze hoeven helemaal niet meer te zoeken. En mocht de vraag naar een bepaald skigebied, wandelroute of bezienswaardigheid naar verwachting te groot worden, dan schakelt de app ogenblikkelijk over op de methode Galapagos: op die eilandengroep in de Grote Oceaan worden geen nieuwe toeristen meer toegelaten, zodra de aanvaardbare hoeveelheid bezoekers wordt overschreden. Zo zouden ook in Oberstdorf en elders nieuwe gasten vroegtijdig gewaarschuwd en met zachte hand omgeleid kunnen worden voordat ze de toegangswegen en ingangen versperren.
Op die manier kunnen digitalisering en datawolken een kernprobleem van het moderne toerisme – te veel mensen willen op hetzelfde moment hetzelfde – helpen ontwarren. Bezoekersstromen kunnen er zo mee worden gestuurd dat gedrang en reisfrustratie uitblijven.
Dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie kan ik me maar moeilijk voorstellen
Maar er is ook al een visie die nog verder gaat. De gerenommeerde Zwitserse econoom Bruno S. Frey komt met een noodoplossing die bepaald radicaal is. Zijn idee voorziet in een reeks origineelgetrouwe kopieën van publiektrekkers zoals Salzburg, Venetië of Vaticaanstad, een soort golfbrekers die een deel van de last van de hotspots kunnen opvangen. Op dat denkbeeld kwam Frey – niet onverwachts – tijdens een totaal verpeste vakantie in Venetië. Naar zijn mening zouden zulke kunstmatige tweelingen reizigers zelfs een intensere vakantie-ervaring kunnen bieden dan hun echte voorbeeld: ‘Bezoekers van een Venetië-kloon zou bijvoorbeeld een multimediapresentatie over kunstgeschiedenis aangeboden kunnen krijgen of een carnaval waarin ze echt kunnen participeren.’
Maar hoe goedbedoeld zulke afleidingsmanoeuvres ook zijn – dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie aan een kunstmatige Lofotenhemel, kan ik me maar moeilijk voorstellen. Ook voor een wandeling langs het strand van een Santorini-kloon schiet mijn fantasie tekort.
Dat leidt tot de volgende wezenlijke vraag: wat zijn mijn verwachtingen als ik ergens arriveer? En waar in hemelsnaam vind ik die? Die vraag stel ik aan een man die in de loop van zijn leven al een behoorlijk stuk van onze aardbol heeft verkend.
Alastair Humphreys fietste na een lichtvaardige aankondiging tegenover kroegvrienden in vier jaar en drie maanden 74.000 kilometer rond de wereld. Te voet doorkruiste hij de grootste zandwoestijn op aarde, hij was National Geographic Adventurer of the Year en één van de vier gekken die in 2012 in een piepklein roeibootje de Atlantische Oceaan overstaken.
Microavontuur
Maar zijn grootste prestatie volbracht Humphreys thuis achter zijn bureau. De Engelse vrijbuiter en schrijver wist het wijdverbreide idee over vrijheid en avontuur op zijn kop te zetten. Hij deed dat door ideeën over even onopzienbarende als verrassende ondernemingen in de nabije omgeving op papier te zetten, er een boek van te maken en dat alles van een duidelijke titel te voorzien: Microadventures.
‘Toen ik aan mijn microavonturen begon, heb ik telkens naar het waarom gevraagd: Waarom zou ik als dertiger in mijn voortuin gaan slapen? Moet ik als robuust avonturier geen robuuste dingen maken?’ vertelt Humphreys, die met zijn gezin in een dorp in het zuiden van Engeland woont. ‘Maar een klein avontuur is beter dan geen avontuur.’ Hymphreys definieert een microavontuur als een kleine vlucht in de naaste omgeving die iedereen ’s avonds of in het weekend kan ondernemen. Bijvoorbeeld door tussen twee heel gewone kantoordagen in een nacht in een slaapzak in het bos door te brengen. Door een wandeling van de verst gelegen tramhalte terug naar huis of door een uitstapje met een zelf getimmerd vlot op de rivier die je tot nog toe alleen vanuit het autoraampje kent. Dat alles volgens de formule: weinig voor nodig, minimale voorbereiding, intensieve ervaring.
Nu zou je daartegen in kunnen brengen dat een man die de halve wereld al over is getrokken gemakkelijk een loflied op eigen land kan zingen. Maar Humphreys was er helemaal niet op uit om een nieuw reisconcept te bedenken – als vader van twee kleine kinderen zocht hij simpelweg naar manieren om zijn drang naar verre landen en lust in avontuur af te kunnen stemmen op zijn gezinsverplichtingen.
En het werkt. Ik kan er zelf over meepraten. Na de dag dat ik Humpreys Microadventures in handen kreeg sliep ik verschillende nachten in een hangmat in het bos en bracht ik diverse dagen door met eigen miniwandeltochten. Enkele zomers geleden leende ik met vrienden waterdichte zakken en supboards en liet die te water in het mij tot dan toe volstrekt onbekende Feldberger Seenlandschaft. Vier dagen achtereen gleden we van het ene meer naar het andere en hoewel het hoogzomer was, peddelden we vrijwel ongestoord door het glinsterende water. Rond ons bossen van een soort die we eerder in New England of Finland zouden verwachten. ’s Avonds schoven we onze supboards door de rietkraag op de oever en fileerden we forellen die we onderweg hadden gekocht bij een visser. En inderdaad, op de Krüselinsee schoot vlak naast ons een visadelaar het water in om vervolgens met zijn spartelende buit weer op te stijgen.
‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid’
De Krüselinsee ligt op drie uur rijden van mijn stadsappartement in Hamburg, maar toen ik daar op de avond van de vierde dag nat van het zweet mijn supboard uitlaadde, leek het alsof ik terugkwam uit een andere wereld. In die vier dagen had ik meer meegemaakt en meer ervaren dan in alle voorgaande georganiseerde vakanties bij elkaar. Op het verlangen naar verre reizen hebben microavonturen hetzelfde effect als een proteïnerijk tussendoortje op stevige trek: ze zijn geen vervanging voor de gewone maaltijd maar ze vullen die aan door in korte tijd een intensieve ervaring te bieden. Tenslotte is het oneindig veel opwindender om voor jezelf een slaapplaats in het bos te zoeken dan dat je je in een hotel te ruste legt in een vers opgemaakt bed.
Van zo’n concept profiteren waarschijnlijk niet alleen wij reizigers, maar ook de vakantieregio’s in eigen land. Die kunnen zich zo op een gemakkelijke manier in de markt zetten – en zich laten ontdekken. En het beste is nog dat ze er geen bezoekerscentra voor hoeven in te richten, attractieparken aan te leggen of infrastructuur op te bouwen – alle benodigdheden voor een microavonturier zijn er immers al.
‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid want ze zorgden voor een dosis wildernis, stilte en fysieke inspanning in mijn leven,’ vertelt Alastair Humphreys. Zelf besefte ik na mijn trip naar het Feldberger Seenlandschaft dat ik voor onvergetelijke momenten geen vliegticket, verleend jaarlijks verlof of touroperators nodig heb. Vereist zijn eerder fantasie, wat durf en waterdicht schoeisel.
Resonantie
Als we Verena Muntschick mogen geloven, maak ik daarmee deel uit van een trend. De Frankfurter toekomstonderzoeker en haar team wijdden zich enige tijd terug aan de vraag hoe we in de toekomst gaan reizen en wat we in een vakantie zullen zoeken. De belangrijkste trend die Muntschick en haar collega’s bij het Frankfurter Zukunftsinstitut blootlegden, vatten zij samen in de term ‘resonantie’. Achter dit lastig te doorgronden begrip schuilt volgens Muntschick de ‘behoefte om op reis ervaringen op te doen die je bijblijven, die verdergaan dan het serviceaanbod, de bezienswaardigheden en de beloofde uren zonneschijn’. Met andere woorden: we reizen weer om het echte leven te ontdekken en daarbij ook meteen onszelf. Voortekenen van die trend zijn bijvoorbeeld de pelgrims naar Santiago de Compostella, de couchsurfers of de stellen die na jarenlang hotelvakanties nu een Volkswagenbusje kopen om op eigen houtje de wijde wereld in te trekken.
‘Natuurlijk zijn dat allemaal nog niches,’ geeft Muntschick toe, ‘maar die niches worden wel gestaag groter’. De Corendons en de all-in-concepten zullen altijd wel blijven bestaan en ook het massatoerisme zal niet verdwijnen omdat een paar mensen op een sup in eigen land vakantie houden in plaats van met een surfplank op Bali. Maar jongere reizigers zijn opgegroeid met een heel andere gevoeligheid voor de ecologische en sociale gevolgen van onze reisactiviteit. En daarmee stellen ze ook hogere eisen aan de toeristenbranche: ‘Mensen willen niet meer als economisch object behandeld worden maar als vriend van een gemeenschap.’
Liever een handvol echte ervaringen dan duizend overvolle places to see
De vraag is alleen: is dat echt de toekomst? Feldberg klinkt nu eenmaal minder aanlokkelijk dan Faro, Brandenburg saaier dan de Balearen. Zijn we echt verstandig en bereid genoeg om van dat alles af te zien?
Op den duur ligt de toekomst ook helemaal niet in de keuze tussen het een of het ander, maar in een eerlijke mix. Voor mij betekent dit dat ik naar de Cycladen of het noorderlicht zal kunnen blijven gaan, maar misschien niet meer zo vaak als vroeger en niet per vliegtuig maar met veerboot en trein. Wel zou ik, zelfs als je royaal tijd voor het inchecken meerekent, meer dan tweemaal zolang naar mijn bestemming onderweg zijn. Maar als er iets is wat vakantiegangers in de toekomst hebben, dan is het wel tijd.
Sinds het opkomen van de naoorlogse reisgolf in 1950 is onze levensverwachting met gemiddeld vijftien jaar gestegen. Dat zijn vijf uren per dag die wij meer ter beschikking hebben dan onze grootouders. Elke dag weer. Anders dan zij, die ook nog eens zes dagen per week zwaar werk verrichtten, hoeven wij onze reizen niet in een paar vakantiedagen te persen. De oude drieklank van het leven – school, werk, oude dag – kunnen we vervangen door een meer ontspannen soundtrack. De tijd speelt voor ons. We kunnen hem nemen. Altijd krijgen we te horen dat de toekomst ligt in levenslang leren. Ik zou dat willen aanvullen: ze ligt in levenslang reizen.
Dat is niet in het minst te danken aan een neveneffect van corona: door de pandemie is ook de laatste scepticus ervan overtuigd geraakt dat zeker kantoormedewerkers probleemloos vanaf diverse plekken met elkaar samen kunnen werken, vooropgesteld dat er WLAN en elektriciteit aanwezig is. En juist dat zullen veel van ons na de pandemie ook willen. Waarom niet vanuit een bergboerderij inloggen bij een Zoom-bijeenkomst? Waarom dat nieuwe idee niet uitwerken op een wandeltocht met collega’s?
Werkverblijf
‘Het concept van de “mooiste weken van het jaar” waarin we bij moeten komen van de met werk gevulde rest van het jaar, is momenteel zienderogen aan het verdwijnen,’ zegt Claudia Brözel, hoogleraar economie van het toerisme (afdeling duurzame ontwikkeling) aan de Hogeschool van Eberswalde. In de toekomst zou bijvoorbeeld een reeks microavonturen gecompleteerd kunnen worden met een maandenlang werkverblijf aan de Middellandse Zee, een tuinierproject in een naburig dorp met een lange sabbatical waarin we door half Afrika trekken. Onder het motto: liever een handvol echte ervaringen dan 1000 overvolle places to see. Niet langer ‘meer’, maar ‘indringender’. Beleven in plaats van bereizen.
Dit volslagen andere idee van wat een vakantie dient te zijn en wat hij ons moet brengen, zou weleens de sterkste veranderingskracht voor het toerisme kunnen blijken. Niet uitgesloten dus dat we ons op een dag het jaar 2019 herinneren als het jaar waarin we op een heel nieuwe manier begonnen te reizen.
We zullen veel in de natuur zijn omdat we het digitale ‘always on’ moe zijn
De visionair Bernd Neff, initiator van het Berlin Travel Festival en voormalig marketingmanager van Design Hotels, voorspelt een trend naar een luxe en groene vakantie. Historisch gezien werden pandemieën altijd gevolgd door fases van verhoogde levenslust en luxe. Nadat de pest was overwonnen gingen de mensen overal in Europa trouwen en zetten ze kinderen op de wereld; op de Spaanse griep volgden de roaring twenties. Wij zullen in de post-coronajaren een tijd van luxereizen meemaken. Maar het zal een nieuwe, minder materieel bepaalde vorm van luxe zijn. We zullen in kleinere groepen op vakantie gaan en veel in de natuur zijn omdat we het digitale always on moe zijn. Overal zullen nederzettingen met tiny houses ontstaan of zoals in Italië, albergi diffusi: goed voorziene hideaways in de buurt van steden. In Berlijn ontwikkelt een start-up onder de naam Raus momenteel zo’n mix van boutique-hotel, boshut en smart loft. Wilde tuinen, workshops en wellness maken deel uit van het concept. Wat verdwijnen gaat is dat zinledige snel-maar-ergens-heen-vliegen. Net als ecofashion en veganisme zal bewustzijn van de gevolgen van al ons reizen gemeengoed worden. We zullen weer waardering krijgen voor wat lokaal is, per slot van rekening was het nogal saai om van Tokio tot aan Quebec dezelfde restaurantketens en merken aan te treffen. Reizen zal inspirerender worden. ‘Nachttreinen in plaats van budgetvluchten, drie maanden in een work-away-hotel in plaats van een driedaags stedentripje. Voor mij is dat de echte luxe.’
De veelsporige Monisha Rajesh reisde ‘de wereld rond in tachtig treinen’ en schreef er een boek over. Die goeie ouwe trein heeft de toekomst, voorspelt de Britse schrijfster. ‘Als treinreiziger houd je steeds een gevoel voor ruimte en tijd – in tegenstelling tot bij een vliegreis. Je kunt met een kopje thee in bed liggen, samen eten, werken en de wereld aan jezelf voorbij zien trekken. Ik ben er vast van overtuigd dat het reizen per trein – ook vanwege de gunstige CO2- balans – een grote toekomst wacht. In Azië, Afrika en Latijns-Amerika is de trein ook nog eens een relatief goedkoop transportmiddel. De beste ter wereld zijn in mijn ogen de Japanse. Met de Shinkansen kun je binnen een paar uur bijna het halve land doorkruisen. Op het eindstation voltrekt zich een ‘zevenminutenwonder’: schoonmaakpersoneel bestormt de trein, draait de zittingen om, maakt tafeltjes en vloeren schoon, voert afval af en zeven minuten later springt het weer naar buiten en kunnen er nieuwe gasten instappen.
In Europa wordt reizen per trein lastig zodra we de grens overgaan. Elk land heeft zijn eigen spoorwegmaatschappij, er is geen centrale website of een aanbieder die alle verbindingen bestrijkt. Mocht er een Europese spoorminister komen en ik zou die baan krijgen, dan zijn mijn eerste maatregelen: invoering van extra nachttreinverbindingen, prijsdalingen van tickets en opbouw van een centraal boekingssysteem voor heel Europa.’
‘Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Een geweldig avontuur’
Anselm Pahnke fietste 414 dagen door vijftien landen in Afrika. Hij is filmmaker, schrijver (Von Anderswo und anderen Orten) en een van de oprichters van Terran e.V. voor reizen zonder vliegtuig. ‘Het is waar, zelf heb ik de wereld kunnen ontdekken en mijn reishonger uitvoerig kunnen stillen. Ik heb ook een vaag vermoeden van wat het succes van mijn film aan reizen naar Afrika heeft veroorzaakt. Daarom zou het absurd zijn om nu anderen moreel de les te lezen over vliegen. Maar voor mij moeten reisdoel en reistijd wel met elkaar in overeenstemming zijn. Drie weken naar Thailand staan in geen verhouding tot de kostbare reis. Steeds meer beroepen en bedrijven zullen in de toekomst een sabbatical kennen waarin mensen een deel van de wereld kunnen leren kennen zonder hectisch heen en weer terug te moeten vliegen. Althans dat hoop ik. Bij mij duurde het vijf maanden voor ik me in Afrika op mijn gemak begon te voelen.
Sinds ik weer in Freiburg woon, ben ik veel met de fiets, de trein en te voet op pad, Naar Denemarken of in de Alpen. Dat geeft absoluut niet de exotische kick die Afrika mij gaf, maar het voelde ook in geen enkel opzicht als minder. Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Na twintig uur kwamen we daar aan. Een geweldig avontuur. Om eerlijk te zijn: het is opwindender om onvoorbereid op een trein richting Oost-Europa te stappen dan voor een georganiseerde safari naar Kenia te vliegen.’
Technoloog Marta Kwiatkowski Schenk, wetenschappelijk onderzoeker aan het Gottlieb Duttweiler Institut in Rüschlikon (Zwitserland) vertrouwt de reisleiding al gauw toe aan digitale assistentie. ‘Reizen betekent kiezen. Huur ik een auto of beschikt mijn hotel over fietsen? Biedt het restaurant glutenvrije maaltijden en kan ik die wandeling ook met een slechte knie maken? Al die informatie moeten we moeizaam bijeengaren. En daarna moeten we beslissen. Reizen betekent daarom altijd ook stress. Dat zullen slimme assistenten ons binnen enkele jaren uit handen nemen. Zij zullen ons als privéreisbureau, navigator, reisgids en ticketshop vergezellen en helpen bij de besluitvorming. We zullen er ook geen extra apparaat voor aan te hoeven schaffen. De assistentietechnologieën zullen verwerkt zitten in onze polshorloges, koelkasten, auto’s en misschien zelfs wel in kledingvezels. Onopvallend op de achtergrond zullen zij hun werk verrichten. We noemen dat calm tech. Dankzij kunstmatige intelligentie zullen zij ons alleen voorstellen doen voor belevenissen die relevant voor ons zijn. Zij kennen ons immers omdat zij ons voortdurend begeleiden.
Het zal sommigen van ons doen denken aan de sciencefictionfilm Her en inderdaad vormde deze film van Spike Jonze een inspiratiebron voor ons onderzoek. Maar digitale assistentie is geen sciencefiction, het maakt al deel uit van onze werkelijkheid, zij het ook nog niet zo uitontwikkeld als het ooit zal zijn en alles op zijn kop zal zetten.’
Met algoritmes een roman produceren was geen kunst meer voor Ross Goodwin. Hij had zijn zinnen gezet op een alternatieve versie van Jack Kerouacs klassieker On the Road, geschreven door een auto. Goochelarij? Nee hoor. Deze openingszin was de uitkomst van een zelfstandig generatief proces gedicteerd door sensoren: ‘Het was zeventien over negen in de ochtend en het huis was zwaar.’ Best passend, voor een roadtrip.
Op 25 maart 2017 vertrok in Brooklyn een zwarte Cadillac voor een roadtrip naar New Orleans. Op de kofferbak was een wit camerakastje gemonteerd en op het dak een oude gps-eenheid. Binnen hing een microfoon aan het plafond en van alle drie die apparaten liepen draadjes naar de Razer Blade-laptop van Ross Goodwin, waarop ook nog een simpele kassabonprinter was aangesloten. Goodwin hoopte dat deze apparatuur de nieuwe Amerikaanse reisroman zou schrijven.
Goodwin, die als ghostwriter voor de regering-Obama heeft gewerkt, omschrijft zichzelf als ‘schrijver van schrijvers’. Met behulp van neurale netwerken heeft hij poëzie, filmscenario’s en nu ook een reisroman gegenereerd. Ik maakte voor het eerst kennis met zijn werk toen zijn algoritmes in 2014 een roman destilleerden uit het Senaatsrapport over de martelpraktijken van de CIA.
Voor Narrated Reality, zijn masterscriptie voor de New York University (NYU), maakte hij wandelingen door de stad met een rugzak vol apparaten (een kompas, een prikklok en een camera) waarvan de data werden ingevoerd in neurale netwerken. Het leverde bizarre associatieve poëzie op. Een voorbeeld: ‘De hele tijd wentelt de zon/uit een donkere heldere grond’.
Nu had een hardwarehacker in Biloxi wat apparatuur naar zijn wensen aangepast en wilde Goodwin zijn ontluikende artificiële brein op reis sturen. Die reis moest een literair experiment worden in de traditie van Jack Kerouac, Thomas Wolfe en Ken Kesey, met dat verschil dat nu de auto zelf het verhaal zou schrijven. Het gekozen traject, van New York naar New Orleans, was een knipoog naar een beroemde etappe in Kerouacs On the Road. Onder op de Axis M3007-camera schreef Goodwin: ‘Verder’.
‘We wilden een auto die gezag uitstraalt, en een Ford Crown Victoria konden we niet krijgen’
De vier sensoren – camera, gps, microfoon en de interne klok van de laptop – moesten onderweg data leveren aan een stelsel neurale netwerken die door Goodwin waren getraind met de input van honderden boeken en locatiedata van Foursquare [een Amerikaanse sociaalnetwerksite gebaseerd op je locatie]. De uitkomst zou dan als een serie reisbrieven uit de bonprinter rollen. Na vier dagen lag de vloer van de auto vol bonnetjes gevuld met proza geproduceerd door een kunstmatig brein. Die reisbrieven zijn verzameld in het boek 1 the Road, door Goodwins uitgever Jean Boîte Éditions aangeprezen als ‘de eerste door een machine geschreven roman’.
Al moet erbij gezegd dat Goodwin die eer wegwuift: ‘Die komt misschien eerder toe aan het in de jaren tachtig door software geschreven The Policeman’s Beard Is Half Constructed,’ zegt hij. Hoe dan ook is het een hallucinerend en gek genoeg ook verhelderend verslag van het leven van een bot op de snelweg. Een kruising van The Electric Kool-Aid Acid Test en Google Street View, verteld door Siri.
Gezag
Op de dag van vertrek kwamen Goodwins reisgenoten naar zijn flat om alle apparatuur in de Cadillac te installeren: zijn zus Beth, zijn verloofde Lily Beale-Wirsing en zijn vriendin Nora Hamada, Google-medewerkers Kenric McDowell en Christiana Caro en een kleine filmploeg van Lewis Rapkin, die in een eigen auto meereed om de reis vast te leggen. (Google, dat al interesse had getoond in Goodwins werk aan de NYU, betaalde de huurauto en de camera; een jaar later trad Goodwin in dienst bij het Artists and Machine Intelligence-programma van de internetgigant.)
‘Dat het een Cadillac was,’ vertelt Goodwin me aan de telefoon, ‘kwam trouwens omdat we een auto wilden die gezag uitstraalt, en een Ford Crown Victoria konden we niet krijgen.’ Hij was bang om voor terrorist te worden aangezien, als mensen een auto vol elektronische huisvlijt en bedrading zagen langskomen.
Met de Cadillac wilde hij inspelen op het stilzwijgende geloof dat veiligheidsdiensten zulk onderzoek doen. ‘Ik hoopte dat mensen dachten dat het een auto van de overheid was.’ Blijkbaar met succes: Goodwin hoorde later dat de eigenaar van een avondwinkel in zijn wijk die dag besloot zijn winkel dicht te houden omdat hij hem met zijn apparatuur had zien langskomen. ‘We waren geen rijdende reclame voor Cadillac,’ zegt hij lachend. ‘Ons sponsorverzoek werd afgewimpeld.’
Zodra de apparatuur in Brooklyn werd aangezet, sloeg de inspiratie toe. ‘Het was zeventien over negen in de ochtend en het huis was zwaar,’ rolde er uit de printer. Als zin voor een boek over een roadtrip best passend – raak zelfs.
‘Ik vind het een prachtige zin’, zegt Goodwin. ‘De kiem was in dit geval het tijdstip: alles wat volgt op “zeventien over negen” komt daaruit voort.’ Dat ging dus zo: de klok registreerde het tijdstip en dat werd ingevoerd in het neurale netwerk dat door Goodwin met drie enorme corpora literaire teksten was getraind. (Elk corpus was circa 120 MB ofwel twintig miljoen woorden groot.
Eén corpus bevatte voornamelijk poëzie, het tweede sciencefiction en het derde wat Goodwin omschrijft als ‘sombere’ literatuur. ‘Bij elkaar vertegenwoordigden die teksten de stem die ik in dit boek wilde horen,’ zegt Goodwin, ‘een stem die volgens mij zou passen bij deze reis, de historische en literaire betekenis ervan. Ik wilde het netwerk niet gericht trainen met Kerouac of andere Amerikaanse reisliteratuur, dat zou een beetje voelen als valsspelen.’
Goodwin kon de drie corpora naar believen omwisselen.) Kauwend op dat corpus vormde het neurale netwerk letter voor letter nieuwe zinnen. ‘De lexicale invulling werkt op dezelfde manier als bij het vertalen van Engels naar Frans,’ zegt Goodwin. De resulterende woorden waren dus een product van de door literaire teksten gevormde wijze waarop het neurale netwerk dat specifieke tijdstip in de ochtend begreep.
Onderweg produceerden de verschillende sensoren zinnen van uiteenlopend poëtisch gehalte: nauwkeurige gps-coördinaten werden aangevuld met mystieke frasen. (‘35,415579526 N, -77,999721808 W, op 47,148 meter boven zeeniveau, snelheid 0 kilometer per uur, en de eerste vlakte van het verhaal in het land is de eerste in een deel van de wereld.’) Camerabeelden werden omgezet in unheimisch proza. (‘Een skiliftbedrijf voor de laatste keer dat de trein al werd verduisterd en de straat er al was.)
Foursquare-locaties leverden surrealistische observaties op. (‘Eagles Nest Diner: een Amerikaans restaurant in Goldsborough of Marine Station, een plaats van vis leek een man te zijn die al drie dagen in elkaar gezet wordt.’) Door de microfoon opgevangen gesprekken werden verminkt. (‘Ik ietsje als ik aan waarom ik niet gewond raakte ja mijn auto is een elke neer weet ik?’)
En zo verwerkte het artificiële brein alle klanken en taferelen van de sleetse infrastructuur aan de oostkust, een betoging van rechtse demonstranten die het verkeer stillegde, de flora en fauna onderweg, en vermoedelijk ook het moment waarop ze even stopten bij een winkel waar Goodwin, zoals hij me vertelde, een extra adapter voor de sigarettenaansteker moest kopen omdat zijn apparatuur meer stroom nodig had.
Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen?
‘Elke zin in dit boek is de uitkomst van een zelfstandig generatief proces en is op een specifiek tijdstip geproduceerd’, zegt Goodwin. ‘De zinnen zijn met elkaar verbonden door de reis en door de auto met sensoren die het verhaal dicteerden, en zo is dat kunstwerk ontstaan. Alles komt voort uit wat het systeem onderweg zag.’ Het doet denken aan de werkwijze van Kerouac, die de mythe creëerde dat zijn magnum opus in drie weken was geschreven, dat hij in één lange, door speed gedreven roes al zijn gedetailleerde indrukken op één lange rol papier had gekwakt.
Lewis Rapkin, die een korte film over de reis heeft gemaakt, mailt me dat de artificiële intelligentie ‘soms iets verontrustends had’. Zeker in het begin zaten ze continu naar de output te staren in een poging te doorgronden wat het systeem wilde zeggen, hoe het tot zijn teksten kwam. ‘Associeert het apparaat die vervallen fabriek met de geschiedenis van mensen die van het platteland naar de stad trokken om werk te vinden?’ zegt Rapkin.
‘Beseft het dat dit nog maar het eerste verhaal van ons land is, en dat technologie het tweede verhaal gaat worden? Vergelijkt het ons stedelijk verval met de Middeleeuwen omdat ons land uiteen begint te vallen en eruitziet als een eeuwenoude ruïne?’
Verrassend geslaagd
Goodwin vindt zijn vier dagen durende reis duidelijk geslaagd, verrassend geslaagd zelfs. ‘Ik achtte het mogelijk dat er een verhaallijn in zou zitten, dat het als een roman zou voelen,’ zegt hij, ‘en dat is ook gebleken. Er zitten dingen in die als een roman voelen.’ Dat de auto zelf als personage fungeerde, geeft de tekst volgens hem een zekere continuïteit die vaak ontbreekt in door AI gegenereerde fictie. ‘Mocht iemand het zich afvragen, ik heb alles gelezen,’ zegt Goodwin lachend. ‘Samenhangend proza is de heilige graal van natuurlijke tekstgeneratie.
Het gevoel dat ik in zekere zin een klein stukje van dat probleem heb opgelost, gaf een kick. En ik denk dat dit wel iets verrassends en interessants zegt over taal in de tijd.’ Dat denk ik ook. Ik heb geprobeerd om het hele boek in één ruk uit te lezen, zoals Goodwin me aanraadde, en dat is me min of meer gelukt. Ik zal niet zeggen dat het een samenhangende verhaallijn bevat in de zin van klassieke vertelkunst. Maar de bonte collage van beelden uit het moderne Amerika levert veel verpixelde poëzie op. En een paar treffende, memorabele regels, zoals: ‘picknick toonde een verleden dat van de zijkant van het spoor al haren had’.
1 the Road klinkt alsof een auto van Google Street View zichzelf vertelt over een reis door het land. Het is een interessante benadering omdat je een paar uur kunt meeluisteren met het uitgestrekte netwerk van dataverzamelende voertuigen – drones, auto’s en andere apparaten – die momenteel ons grondgebied doorkruisen.
‘Net als het genre van de Amerikaanse roadtrip dat de inspiratie voor dit project vormde, gaat het om het vastleggen van een tijd en een plaats. En we leven nu in een tijd dat AI ons vooral nog verwart en verbaast, dus juist die verwarring en verwondering worden vastgelegd’, zegt Rapkin. ‘Is dat diepzinnig of onzinnig? Allebei.’
‘Dit is een heel onvolmaakt document (…) Maar er zitten wél personages in, wat heel vreemd is’
Het is een rondleiding door onze lawaaiige gebouwde omgeving zoals die gezien wordt door machines. Het is bewakingstechnologie-fictie, geschreven door hetzelfde soort technologie dat onze bewakingsbeelden vastlegt en de datastroom verwerkt. Wat kan een AI-auteur ons onthullen dat een menselijke auteur niet kan vertellen over een wereld die al zozeer gevormd en beïnvloed is door het soort data dat de AI verzamelt?
Goodwin lijkt vast van plan om daar achter te komen. ‘Dit is een heel onvolmaakt document, dit is rapid prototyping. De output is nog verre van perfect. Dit is geen roman zoals mensen schrijven, in de verste verte niet’, zegt Goodwin. Maar ‘er zitten wél personages in, wat heel vreemd is.’ Zo verschijnt er in de derde zin een mysterieuze schilder die vraagt: ‘Wat is het?’ En die schilder duikt steeds weer op in de tekst: ‘Een watermassa viel van de zijkant van de straat omlaag. De schilder lachte en zei toen: Dat staat me wel aan en ik wil het niet zien.’
Voor zover je als lezer in de verleiding komt om in het werk de schrijver (of ‘de schrijver van de schrijver’) terug te vinden – wat je bij reisverhalen onwillekeurig toch doet – lijkt die schilder nog het meest op een stand-in voor Goodwin. ‘Ik had een groot begin kunnen maken,’ zegt de door het apparaat gegenereerde schilder op een gegeven moment. En je kunt je dan maar al te goed voorstellen dat hij op het project zelf doelt en al aan nieuwe vergezichten denkt: ‘Ik wil hier weg, de tijd is gekomen.’
The Atlantic
Verenigde Staten | 11 x per jaar | 462.000
In 1857 opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Bekend als intellectueel podium voor de betere schrijvers van het moment. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en illustratie.
Eeuwenlang vormden verkoolde papyrusrollen uit de antieke bibliotheek van Herculaneum een even mysterieuze als onbereikbare schat. Italiaanse onderzoekers hebben nu een algoritme ontwikkeld waarmee ze de papyri kunnen lezen.
Het is alsof ze terugkeren van een lange, vermoeiende reis. De karakters van het oude Griekse alfabet, die meer dan tweeduizend jaar geleden op papyrus zijn geschreven, worden met elke aanslag op het toetsenbord duidelijker zichtbaar op het computerscherm. Ze hervinden hun elegante lijnen; ze ordenen zich in rijen, vormen woorden en zinnen, krijgen weer betekenis.
Het is alsof ze dankzij de straling van het Europese Synchrotron in Grenoble [een deeltjesversneller die buitengewoon krachtige röntgenstraling produceert] uit de schaduwen tevoorschijn komen. Dat is geen metafoor. ‘De schaduwen zijn gaten, plooien, oneffenheden op het oppervlak van de papyrus. De invallende energie van de synchrotron stelt ons in staat binnen in de rol te kijken, die te verlichten,’ vertelt Alessia Cedola, natuurkundige aan het Instituut voor Nanotechnologie van de CNR [Nationale Raad voor Natuurwetenschappelijk Onderzoek] in Rome, die met papyroloog Graziano Ranocchia het team leidt dat zich bezighoudt met het virtueel ontrollen van de beroemde verkoolde papyri van Herculaneum, de enige antieke bibliotheek die ons nu nog in haar geheel ter beschikking staat.
De onderneming brengt onvoorspelbare moeilijkheden met zich mee, waaraan een congres is gewijd door de Accademia dei Lincei [een Italiaans wetenschappelijk genootschap]. ‘Het is namelijk de eerste keer dat innovatieve en niet-invasieve technologieën worden losgelaten op dermate kostbare en fragiele documenten,’ legt Cedola uit. Om een idee te krijgen hoef je maar te kijken naar de afbeelding van een van de duizend nog gesloten rollen die worden bewaard in de zaal van de Herculaneum-papyri in de Nationale Bibliotheek in Napels: met zijn onregelmatige vormen, deuken en bulten lijkt die meer op een verbrande cocon dan op een papyrusrol.
Het licht van de synchrotron is recent gebruikt om palimpsesten te lezen, beschreven perkamenten die in de loop der eeuwen steeds weer afgeschraapt en opnieuw beschreven werden. Maar de papyri zijn nog lastiger te lezen. In 2015 heeft een ander Italiaans team (van de CNR in Napels) onder leiding van Vito Mocella de synchrotron al gebruikt om de geheimen van de Herculaneum-papyri te onderzoeken. Daarbij werden de papyrusrollen die in 1802 door Ferdinand IV van Bourbon aan Napoleon Bonaparte zijn geschonken en in het Louvre worden bewaard, aan fasecontrasttomografie onderworpen. Sommige letters waren op die manier te achterhalen, evenals de samenstelling van de inkt. Maar het was niet mogelijk geweest de tekst in de oorspronkelijke volgorde te zien. ‘Het probleem zit hem in de staat van de rollen. De lagen papyrus zijn soms op elkaar geperst. Ze zijn gegolfd. Er zitten gaten in, veroorzaakt door spelden die achttiende-eeuwse geleerden erin hebben geprikt om de textuur te testen,’ reconstrueert Cedola. ‘Voor het virtueel ontrollen ervan hebben we dus een specifieke methodologie en een ad-hocalgoritme ontwikkeld.’
Het team uit Rome heeft twee papyri uit de bibliotheek van Napels mee naar Grenoble genomen, om hun bevindingen te kunnen vergelijken met die van de Napolitaanse onderzoekers. ‘We raadplegen elkaar. En we staan ook in contact met buitenlandse onderzoekers, zoals Brent Seales van de Universiteit van Kentucky, die een CT-scan heeft gemaakt van een verkoold perkament uit een synagoge bij de Dode Zee.’
Gepantserd koffertje
Om de methode van de groep van de CNR uit Rome te begrijpen, is het nuttig de reis door de tijd van de Herculaneum-papyri te reconstrueren. De verzameling van meer dan 1800 rollen is hoogstwaarschijnlijk aangelegd door Lucius Calpurnius Piso, schoonvader van Julius Caesar en de veronderstelde eigenaar van de villa in Herculaneum waar de papyri zijn teruggevonden. Onder zijn vrienden bevond zich de Griekse filosoof Philodemus van Gadara, uit de Epicurische school, auteur van het merendeel van de tot op heden ontcijferde traktaten in de bibliotheek. Die lagen in de rond 50 v.Chr. gebouwde ‘Villa van de Papyri’, die in 79 n.Chr. werd bedolven bij de uitbarsting van de Vesuvius.
De pyroclastische stroom zorgde er niet alleen voor dat het papier verkoolde, maar ook dat de bibliotheek zelf hermetisch werd afgesloten. Nadat de villa in de achttiende eeuw was ontdekt, is met behulp van diverse technieken getracht de documenten te ontrollen. Het meeste succes had een door de priester Antonio Piaggio uitgevonden tractieapparaat dat werkte met een systeem van contragewichten. Met die methode lukte het driehonderdvijftig rollen te openen, al werden met dat procedé vaak slechts fragmenten gered.
De moderne reis van de rollen begint met het vervoer in een gepantserd koffertje uit de bibliotheek van Napels: gewikkeld in rijstpapier arriveren de papyri in het laboratorium. Ze worden in een beschermend omhulsel van badstof gestopt en dan begint de analyse. ‘Voordat we met de echte papyri aan de slag gingen, hebben we een “spookrol” gemaakt, die diende om het algoritme te ontwikkelen.’ Dat algoritme maakt het mogelijk de papyrus uit te rollen op het computerscherm zonder hem fysiek te openen. Nu kost het ongeveer drie maanden voor elke rol, maar in de toekomst zal dat sneller gaan,’ aldus Inna Bukreeva, de onderzoekster van de CNR die het algoritme heeft opgesteld.
De onderzoekers hebben zo grote stukken tekst van het traktaat van Philodemus over retorica en politiek ontcijferd. En ze werken nu aan een tweede rol. Maar de nog grotendeels niet-onderzochte bibliotheek zal zeker nog voor verrassingen gaan zorgen. En voor belangrijkere auteurs. In de in het verleden geopende rollen zijn namelijk fragmenten gevonden van het verloren gegane wetenschappelijk-filosofische werk Over de natuur van Epicurus. Alessia Cedola: ‘Epicurus is de reden waarom we ons in dit avontuur hebben gestort. Maar niet de enige. De teksten zijn bijna allemaal geschreven in het Grieks, maar archeologen zijn op zoek naar een tweede bibliotheek, met Latijnse papyri.’ Daarmee zou onze kennis van de antieke filosofie een revolutionaire verandering kunnen ondergaan.
De belangrijkste krant van de Fiat-groep, leunt tegen het establishment aan. De grote foto’s op de voorpagina hebben de krant diverse prijzen opgeleverd.
In de zogenaamde gig-economie, worden werknemers niet door werkgevers aangestuurd, maar door een algoritme dat met ze communiceert via hun smartphone. Is dat bevrijdend, of biedt het juist een ‘fantastische kans voor grove uitbuiting’?
Het Londense zijstraatje weergalmt van het gebrul van motorfietsen en het geloei van toeters. Een jongeman schreeuwt schor door een megafoon: ‘Ja, hierdoor komen ze in de problemen! Want wij komen ook in de problemen! Dat geld hebben we nodig om te leven!’ Tientallen mannen in T-shirt en spijkerbroek juichen en laten hun toeter of fietsbel horen. Veel deelnemers aan de demonstratie hebben een vel papier op hun rug geplakt waarop staat: ‘Wij zijn mensen, geen Uber-werktuig!’
Deze protestdemonstratie bij het Zuid-Londense kantoor van UberEats is een van de eerste arbeidsconflicten in de zogenaamde gig-economie [deeleconomie] van de city. Het is een vreemde actie. Dit zijn werknemers zonder werkplek, die staken tegen een bedrijf dat niet hun werkgever is. Ze worden niet door mensen aangestuurd, maar door een algoritme dat met ze communiceert via hun smartphone. En hun opstand is gericht tegen een app-update.
Net als veel andere ervaren koeriers heeft Manou zijn baan bij een andere bezorgdienst opgezegd omdat Uber beter betaalde. Niet meer dus
UberEats werd afgelopen juni in Londen gelanceerd, met de belofte ‘Het eten waar je zin in hebt, van je favoriete Londense restaurants, Uber-snel bezorgd.’ Aanvankelijk bood UberEats een loon van 20 pond [22 euro] per uur om zelfstandige koeriers te trekken die maaltijden van restaurants naar klanten brachten. Maar naarmate het aantal klanten steeg, ging het bedrijf het loon verlagen. Na een paar maanden verdienden de koeriers een stukloon volgens een ingewikkelde formule: 3 pond 30 per levering plus 1 pond per mijl, min 25 procent ‘Uber-servicekosten’, plus een ‘rittoeslag’ van 5 pond. Toen, op een dag, ontdekten de koeriers dat de app alweer een update had gehad. De ‘rittoeslag’ was verlaagd en bedroeg nu 4 pond voor bestellingen rond lunchtijd doordeweeks en voor het avondeten in het weekend, en 3 pond voor doordeweekse avonden en lunchtijd in het weekend. Buiten die periodes was hij helemaal afgeschaft.
‘Ze hebben ons belazerd,’ brult een man boven het geraas uit, hangend over het stuur van zijn motorfiets. Net als veel andere ervaren koeriers heeft Manou zijn baan bij een andere bezorgdienst opgezegd omdat Uber beter betaalde. Niet meer dus. ‘Ze geven ons het gevoel dat ze ons kunnen gebruiken en ons dan gewoon kunnen dumpen om nieuwe machines te bouwen,’ zegt hij. Imran Siddique, een van de leiders van de demonstratie, vertelt hoe ellendig hij zich voelt, omdat hij andere koeriers heeft overgehaald om zich ook bij UberEats te melden, voordat het bedrijf de betaling veranderde. ‘Als ze niet met een oplossing komen, zal deze staking zich als een bosbrand verspreiden.’
Het lijkt lastig om medestanders te verzamelen als je niet weet wie je collega’s zijn. Maar daar weten de koeriers wel raad mee. Ze openen hun app als klant en bestellen een maaltijd. Als UberEats-koeriers met hun pizza’s op de plek aankomen waar hun app ze heen heeft gedirigeerd, vertellen de stakers over het protest en roepen ze op om mee te doen. Hallo, algoritmisch management, maak kennis met algoritmisch actievoeren.
Algoritmisch management
Niemand weet precies hoe groot de gig-economie wereldwijd is, maar in de VS verdienen zo’n 800.000 mensen op deze manier geld – via online bemiddelaars als TaskRabbit, Lyft, Uber en Deliveroo – zonder bij iemand in dienst te zijn. De term ‘algoritmisch management’ werd vorig jaar gemunt door mensen van het Human-Computer Interaction Institute van de Carnegie Mellon University. Volgens hen is het deze innovatie die de gig-economie mogelijk maakt. Voor bedrijven als Uber, dat als missie heeft om ‘vervoer even betrouwbaar te maken als stromend water’, vormt algoritmisch management de oplossing van een probleem: hoe kun je een groep losse medewerkers die je niet in dienst hebt, zo controleren en aansturen dat hun dienstverlening snel, foutloos en gestandaardiseerd is?
Volgens voorstanders van algoritmisch management biedt de methode nieuwe kansen voor werkgelegenheid, een betere en goedkopere dienstverlening aan de consument, transparantie en eerlijkheid op dat gedeelte van de arbeidsmarkt waar inefficiëntie, ondoorzichtigheid en grillige menselijke bazen de dienst uitmaken. Maar de wilde stakingen in de Londense gig-economie hebben laten zien dat een deel van die losse arbeidskrachten genoeg krijgt van de tegenstelling tussen ‘eigen baas zijn’ en strak gemanaged worden door de smartphone in je broekzak.
De hoofdkantoren van de techbedrijven Lyft (links) en Uber in San Francisco.
Bezorger Bhone Kyaw staat al een halfuur stil op straat, als zijn telefoon tjilpt. Het is een zwoele maandagavond in de chique Londense wijk St. John’s Wood en eindelijk beginnen de orders binnen te komen. Kyaw is een van de 20.000 zelfstandige koeriers die werken voor Deliveroo, een maaltijdbezorgdienst die in 2013 door de voormalige bankier en investeerder Will Shu in Londen werd opgericht. Inmiddels is het bedrijf actief in 84 steden in 12 landen en onlangs heeft het 275 miljoen dollar opgehaald bij investeerders, zodat het totale budget bijna een half miljard dollar is, en daarmee is Deliveroo een van de best gefinancierde start-ups van Europa.
Kyaw, een jongensachtige dertiger, rijdt nu zo’n negen maanden voor Deliveroo. Hij werkt veertig tot vijftig uur per week, verdeeld over zes dagen en verdient tussen de 400 en 450 pond, waar dan nog belastingen en verzekering en onderhoud van zijn motor vanaf moeten. In de meeste delen van Londen maakt Deliveroo dienstroosters, waar de koeriers zich een week van tevoren op vastleggen. Ze moeten minstens twee van de drie weekendavonden werken (al zegt Deliveroo dat diensten eventueel geruild kunnen worden). Ze krijgen 7 pond per uur, plus 1 pond per levering en fooien en benzinegeld.
Een veegbalkje zegt “Accepteer bezorging”. Dat is de enige keuze
Kyaw rukt zijn telefoon tevoorschijn. De app verwacht van hem dat hij binnen dertig seconden op een nieuwe bestelling reageert. Het scherm toont een kaart en het adres van de plaatselijke Carluccio’s, een keten Italiaanse restaurants. Een veegbalkje zegt ‘Accepteer bezorging’. Dat is de enige keuze. Het algoritme vertelt hem pas op welk adres de bestelling bezorgd moet worden als hij de maaltijd bij Carluccio’s heeft opgehaald. Deliveroo-koeriers krijgen een redelijk klein werkgebied toegewezen, maar volgens Kyaw ligt het afleveradres soms ver buiten zijn zone.
Je kunt een bestelling alleen weigeren door de bezorgerslijn te bellen. ‘Daar zeggen ze dan: “Nee, je moet het wel doen, je hebt het eten al opgehaald.’’ Als je het eten terug wilt brengen naar het restaurant, noteren ze dat als een weigering van de koerier – dat is slecht.’
Hoezo slecht? Het algoritme van Deliveroo houdt de koeriers scherp in de gaten en stuurt ze elke maand een gepersonaliseerde ‘beoordeling op dienstverlening’, met hun gemiddelde ‘order-acceptatietijd’, ‘reistijd naar restaurant’, ‘reistijd naar klant’, ‘tijd bij klant’, ‘te laat afgeleverde bestellingen’ en ‘niet aangenomen bestellingen’.
Het algoritme vergelijkt de prestatie van elke koerier met zijn eigen geschatte tijd. Een voorbeeld van een van Kyaws beoordelingen: ‘Je gemiddelde reistijd naar klant lag onder onze schatting, wat betekent dat je op dit onderdeel aan het vereiste serviceniveau voldoet. Het verschil was gemiddeld -3,1 minuut.’
Rapport
Chauffeurs voor de taxi-app van Uber, waarvan er zo’n miljoen over de hele wereld zijn, worden via eenzelfde algoritme aangestuurd. Ze kiezen zelf wanneer ze willen werken, maar als ze eenmaal op de app inloggen, hebben ze maar tien tot twintig seconden om te reageren op ‘ritverzoeken’ die door het algoritme naar ze doorgestuurd worden. Ze komen de uiteindelijke bestemming van de passagiers pas te weten als ze ze hebben opgehaald. Als chauffeurs drie verzoeken achter elkaar missen, worden ze automatisch voor twee minuten uitgelogd. Uber stuurt de chauffeurs wekelijks een rapport waarin onder andere staat hoeveel ritten ze hebben aangenomen en hoe hoog hun gemiddelde klantwaardering is (op een schaal van vijf). Uber ‘deactiveert’ chauffeurs waarvan de scores te laag worden, al komt dat volgens het bedrijf ‘uiterst zelden’ voor.
Bij de stukken die werden ingediend tijdens een proces van de chauffeursvakbond tegen Uber in Londen, zat een e-mail aan chauffeur Ashley DaGama: ‘Hallo, we willen je graag een vrolijke kerst wensen en een gelukkig nieuwjaar. We zijn nu bezig met de planning voor 2014 en we willen jou ook graag weer inschakelen. Maar daarvoor moeten we wel verbetering zien in je huidige prestaties.’ Twee weken later stuurde Uber weer een e-mail om te melden dat zijn scores niet genoeg verbeterd waren en dat zijn account per direct was ‘gedeactiveerd’.
Algoritmisch aansturen klinkt misschien als toekomstmuziek, maar er klinken griezelige echo’s uit het verleden in door. Honderd jaar geleden veroverde een nieuwe theorie, ‘wetenschappelijk management’, de fabrieken van Amerika. Het was het geesteskind van Frederick W. Taylor. Hij zag in fabrieken arbeiders die zo langzaam mogelijk werkten, en werkgevers die zo weinig mogelijk betaalden. Dat was in zijn ogen erg inefficiënt en hij wilde ‘regels, wetten en formules instellen, die het eigen oordeel van de individuele arbeider vervangen’.
Om dat te bereiken stuurde hij managers met stopwatch en aantekenboek de werkvloer op. Zij observeerden, timeden en noteerden elk stadium van elk werkproces en bepaalden hoe dat het efficiëntst kon worden uitgevoerd. In zijn boek Scientific Management, dat in 2011 verscheen, schreef Taylor: ‘Het allerbelangrijkste in het moderne management is misschien wel de taakomschrijving. Deze schrijft niet alleen voor welke taak iemand moet uitvoeren, maar ook hoe hij die moet uitvoeren en hoe lang hij er precies over mag doen.’
Taylors wetenschappelijk management nam een grote vlucht en verbeterde de productiviteit van de enorme fabrieken in het begin twintigste-eeuwse Amerika. En de erfenis ervan is zichtbaar in de fabrieken, call centers en magazijnen van vandaag, al heeft nieuwe technologie de plaats ingenomen van Taylors instructiekaarten en stopwatches. Jeremias Prassl, hoogleraar Rechten in Oxford, ziet de algoritmisch-managementtechnieken van Uber en Deliveroo als taylorisme 2.0. ‘Algoritmes bieden een mate van controle en overzicht waarvan zelfs de meest fanatieke tayloristen niet durfden te dromen, zegt hij.
Shopperopbrengst
Het volgende terrein waarop het algoritmisch management zich waagt, is de traditionele dienstverlening in winkels en restaurants. Een van de bedrijven in Silicon Valley die zich daarop richt, is Percolata. Dit technologiebedrijf heeft veertig retailketens als klant, waaronder modeketen Uniqlo en supermarktbedrijf 7-Eleven. Het installeert in winkels sensoren die bijhouden hoeveel en wat voor type klanten de winkel in- en uitgaan, combineert dat met data over de hoeveelheid verkochte artikelen per winkelmedewerker, en berekent vervolgens de ‘werkelijke productiviteit van een winkelmedewerker’, zoals Percolata het zelf noemt. Dat cijfer heet dan ‘shopper-opbrengst’ of ‘verkoop gedeeld door traffic’.
Percolata voorziet het winkelmanagement van een lijst waarop de medewerkers staan gerangschikt van laagste naar hoogste ‘shopperopbrengst’. Met behulp van het algoritme maakt het bedrijf van elke medewerker een profiel – wanneer doet hij of zij het goed? Wanneer niet? Het laat zien of iemand misschien beter werk levert in combinatie met bepaalde collega’s, en slechter in combinatie met andere. Het houdt rekening met het weer, de hoeveelheid traffic op de website van de winkel en andere signalen die iets zeggen over het aantal klanten dat naar de winkel komt. Dan stelt het voor elk kwartier van de dag een rooster op met de voor de verkoop optimale mix aan personeel. De manager drukt op een knop en het rooster gaat naar de persoonlijke smartphones van de medewerkers. Mensen met de hoogste shopperopbrengst krijgen meestal meer uren dan de anderen. Sommige bedrijfsleiders van winkels printen de prestatielijst uit en hangen die in de kantine. ‘Dat verhoogt de onderlinge ambitie: als ik meer uren wil, moet ik wel een tandje bijzetten,’ verklaart Greg Tanaka, de 42-jarige oprichter van Percolata.
Het bedrijf doet ook ‘vergelijkend onderzoek’, waarbij het twee winkels neemt die sterk op elkaar lijken en bij één daarvan het systeem invoert. Tot nu toe wijzen de data erop dat het algoritme de verkoop met 10 tot 30 procent kan verhogen, volgens Tanaka. ‘Het ironische is dat we niet de banen van de verkoopmedewerkers automatiseren, maar die van de managers, en het blijkt dat ons algoritme beter werk levert dan zij.’
‘Een en dezelfde regel voor iedereen zou wel eens minder billijk kunnen uitvallen dan subtiel menselijk beoordelingsvermogen’
Beter voor de werkgever? Of beter voor de medewerkers? Voor allebei, beweert Tanaka. Anders dan menselijke bedrijfsleiders geven algoritmes geen extra uren aan mensen die ze aardig vinden, of die familie van ze zijn, of die op hen lijken. Tanaka levert voortdurend strijd tegen de ‘ongelooflijke vooroordelen’ van managers die zijn zo zorgvuldig uitgebalanceerde roosters willen aanpassen. ‘Dan denkt zo’n bedrijfsleider: Hee, degene met wie ik het best kan opschieten, werkt niet als ik werk, dus ik zal dat rooster even veranderen. En alleen al door dat te doen loopt hij procentpunten aan verkoop mis.’
Volgens Tanaka is zijn algoritme een betrouwbaarder baas omdat het de vraag beter kan voorspellen: medewerkers melden in de app wanneer ze beschikbaar zijn en krijgen hun rooster van tevoren toegestuurd. Ze hebben geen last van de chaos in veel retailbedrijven, waar medewerkers soms vroeg naar huis worden gestuurd omdat het onverwacht stil is in de winkel of thuis moeten zitten wachten tot ze een telefoontje krijgen om te komen werken.
Niet iedereen gelooft in het idee dat een algoritme mensen eerlijk behandelt. ‘Dat kun je niet serieus nemen,’ zegt Guy Standing, hoogleraar ontwikkelingsonderzoek aan de School of Oriental and African Studies van de University of London, die zich bezighoudt met het onderwerp los werk. ‘Een en dezelfde regel voor iedereen zou wel eens minder billijk kunnen uitvallen dan subtiel menselijk beoordelingsvermogen.’
Stukloon
Percolata kan een maand van tevoren de vraag voorspellen en de medewerkers daarnaar inroosteren, maar Tanaka gelooft dat retailbanen uiteindelijk zo flexibel zullen meebewegen met de vraag dat ze deel worden van de gig-economie. Zou het niet beter zijn om mensen meer te betalen voor de tijd waarin ze echt productief zijn? vraagt hij zich af. ‘Dat is wat Uber doet: zij betalen mensen ook niet om in hun auto te zitten wanneer daar verder niemand anders in zit.’
Deliveroo heeft onlangs ook voor deze benadering gekozen. Het bedrijf is in enkele delen van Londen een proef gestart met een nieuw systeem, waarbij koeriers niet van tevoren worden ingeroosterd, maar kunnen inloggen wanneer ze zelf willen. Daar staat tegenover dat ze een stukloon betaald krijgen: 3,75 pond per bezorging. Het levert ze flexibiliteit op, maar het betekent ook dat ze zelf het financiële risico dragen – dat voorheen voor het bedrijf was – van onbetaald staan wachten als er weinig vraag is.
Dat is prima voor iemand als Anja Bosio, een eenentwintigjarige studente die voor Deliveroo rijdt omdat ze van fietsen houdt en die voornamelijk in de drukke uren werkt. Vroeger werkte ze als serveerster, maar ze vindt het prettiger om in haar eentje op pad te gaan voor opdrachten die via haar telefoon binnenkomen. ‘Als serveerster liep ik voortdurend over mijn schouder te kijken. Dit is een stuk ontspannener.’
Maar het nieuwe beloningssysteem heeft andere koeriers wél in problemen gebracht, zoals Bhone Kyaw, voor wie Deliveroo een fulltimebaan is. Hij en zijn partner hebben twee kleine kinderen; zij werkt ook voor Deliveroo, maar alleen in het weekend, als haar moeder op de kinderen kan passen. ‘Wij kunnen echt niet leven van £ 3,75 per bestelling,’ zegt hij. Hij heeft meegedaan aan een wilde staking van Deliverookoeriers die – met hulp van de vakbond voor zelfstandigen – het management tot enkele concessies wist te dwingen: een gegarandeerd aantal bestellingen per uur tijdens piekuren in de proefperiode en een belofte dat wie niet aan de proef deel wilde nemen, in een andere zone kon gaan werken.
Maar Kyaw vreest dat Deliveroo het nieuwe systeem na het aflopen van de proef gewoon zal doorvoeren. Eerder die ochtend had hij drie uur gewerkt en vijf bestellingen gekregen. Volgens het oude systeem zou hij daarmee 26 pond hebben verdiend; volgens het nieuwe maar 18,75 pond.
Een paar maanden geleden werd hij aangereden op zijn motorfiets en hij moest de reparatie daarvan zelf betalen, omdat de verzekering van de schuldige partij de schade niet dekte. Hij was gewond aan zijn knieën en ellebogen en kon een week lang niet werken. ‘We hebben op zijn minst een vangnet nodig voor onze verdiensten, om onze motor te onderhouden, de verzekering te betalen, de huur, de vaste lasten.’ Is het onterecht dat koeriers Deliveroo proberen te gebruiken als fulltimebaan, terwijl het bedrijf daarop duidelijk niet is ingericht? Nee, houdt Kyaw vol. Deliveroo heeft hem als werknemer behandeld toen dat het bedrijf goed uitkwam. Bijvoorbeeld toen hij afgelopen maart griep kreeg en een e-mail stuurde om te melden dat hij niet kon werken. Deliveroo mailde hem: ‘Omdat u zonder bericht niet beschikbaar bleek heb ik besloten uw overeenkomst met Deliveroo te beëindigen… We betalen u uw borg niet terug en wachten met het betalen van uw laatste honorarium tot u uw opzegtermijn hebt volgemaakt, uw uitrusting hebt ingeleverd en hebt laten zien dat u alle Deliveroostickers van uw bezorgkoffer hebt verwijderd.’
Toen Kyaw screenshots had gestuurd waaruit bleek dat hij zich wel ziek had gemeld, namen ze hem weer aan. ‘Ze behandelen je als werknemer, dus hoe kunnen ze zeggen dat je zelfstandige bent?’ In zijn ogen heeft Deliveroo wel de macht van een werkgever, maar niet de verantwoordelijkheid.
Volgens sommige deskundigen oefenen bedrijven met dit soort algoritmes zo veel controle uit over degenen die voor hen werken, dat die volgens de letter van de wet eigenlijk bij hen in dienst zijn en dus een minimum uurloon, ziekengeld, vakantiegeld en dat soort dingen horen te krijgen.
Uitbuiting
De bedrijven van de gig-economie verlenen diensten die consumenten duidelijk graag willen afnemen, en veel mensen die er werken zijn onmiskenbaar blij met de flexibiliteit van kunnen werken wanneer je wilt. Wanneer je ons dwingt mensen te behandelen als traditionele werknemers, zeggen deze bedrijven, zal dat verdwijnen.
Maar voor critici als Guy Standing is ‘de flexibiliteit van de een de onzekerheid van de ander.’ De gig-economie schept volgens hem een ‘precariaat’ van losse arbeidskrachten die het moeten doen zonder de bescherming van een traditionele baan. Algoritmes bieden ‘fantastische kansen voor grove uitbuiting’ van mensen die toch al de onderkant van de arbeidsmarkt vormen. ‘Zo kan een bedrijf medewerkers controleren en ze alleen betalen voor de tijd waarvoor het echt wil betalen, en toch dag en nacht mensen klaar hebben staan die willen werken.’
Diezelfde discussie ontstond honderd jaar geleden rond het ‘wetenschappelijk management’ van Taylor. De Amerikaanse vakbonden wisten de methode nog een tijdlang tegen te houden. Maar net als veel bedrijven in de gig-economie van vandaag was Taylor stilletjes overtuigd van zijn gelijk. Net als Uber en Deliveroo had hij er vertrouwen in dat de kracht van zijn systeem de consument zou voorzien van betere en goedkopere spullen. En dat, geloofde hij, zou uiteindelijk alle bezwaren wegvagen.
‘Op het eerste gezicht lijkt het of hierbij maar twee partijen betrokken zijn: de arbeiders en hun werkgevers. We zien de machtige derde partij over het hoofd: de consumenten, die het product van deze twee kopen.’
‘Uiteindelijk,’ voorspelde hij, ‘zal het volk de nieuwe orde opleggen aan werknemer en werkgever.’
Auteur: Sarah O’Connor
Vertaler: Annemie de Vries
Financial Times
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000
Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.