Tag: aliens

  • Is er dan toch een planeet B?

    Is er dan toch een planeet B?

    Tot voor kort werd de zoektocht naar buitenaards leven afgedaan als pure onzin. Vandaag de dag is het een serieuze, wetenschappelijke zaak.

    Plotseling heeft iedereen het over aliens. Na decennia krijgt de vraag naar buitenaards leven eindelijk de aandacht die het daadwerkelijk verdient. Zo heeft NASA inmiddels een goed gefinancierd astrobiologieprogramma en zal de opvolger van de peperdure James Webb-ruimtetelescoop worden afgesteld om tekenen van buitenaards leven op te sporen. Ufo’s en andere uaps (‘unidentified aerial phenomena’ in het Engels) duiken daarnaast ook steeds vaker op in sensationele krantenartikelen.

    Wat is de betekenis van deze twee bewegingen, de wetenschappelijke zoektocht naar buitenaards leven aan de ene kant, en de eindeloze stortvloed aan onverklaarbare waarnemingen aan de andere? Een terugblik op de geschiedenis van discussie over buitenaards leven toont aan dat deze tegenstrijdige benaderingen eigenlijk nauw met elkaar verbonden zijn, maar niet op een goede manier.

    Jarenlang werden wetenschappers die serieus nadachten over leven in het universum geconfronteerd met wat nu bekendstaat als de ‘giechelfactor’. Meerdere keren dreigde deze factor de zogeheten ‘search for extraterrestrial intelligence’ ofwel SETI vervroegd te beëindigen. Hoewel nieuwe ontdekkingen en technologie de zoektocht nieuw leven hebben ingeblazen, blijft de giechelfactor nog altijd een obstakel.

    Als hoofdonderzoeker van NASA’s allereerste subsidie om tekenen van buitenaards leven op exoplaneten te bestuderen, zoeken mijn collega’s en ik onder andere naar sporen van buitenaardse technologie. Mijn aanname van deze rol is de bekroning van een levenslange fascinatie voor de vraag naar leven in het universum. Deze fascinatie ontstond toen ik als kind in de zeventiger jaren mijn vrije tijd doorbracht met sciencefictionromans, ufo-documentaires en herhalingen van Star Trek. Als tiener die zowel Carl Sagan als Erich Däniken (auteur van het controversiële, pseudowetenschappelijke Waren de Goden Kosmonauten) las, moest ik al vroeg leren hoe ik het kaf van het koren kon scheiden.

    Achteraf bleek deze periode in mijn jeugd een trainingsgrond voor het werk dat ik nu verricht. Zo moet ik, als wetenschapper en wetenschapsambassadeur, kunnen begrijpen hoe mensen zonder wetenschappelijke opleiding of kennis vragen over ufo’s en buitenaardse wezens benaderen. Tijdens het schrijven van een recent en populair boek getiteld The Little Book of Aliens keek ik daarom ook zorgvuldig naar de verstrengelde geschiedenis van ufo’s, de wetenschappelijke zoektocht naar leven in het heelal en de allesbepalende vraag naar normen van bewijsvoering.

    Wat geldt als bewijs voor het bestaan van buitenaards leven? Deze vraag dook voor het eerst op in het allereerste virale ufo-verhaal. Op 24 juni 1947 was de lucht boven het stadje Mineral in de noordwestelijke staat Washington helder en zonnig. Kortom: een perfecte dag voor amateurpiloot Kenneth Arnold. Fladderend langs de imposante piek van Mount Rainier op weg naar een vliegshow in Oregon hield Arnold een oogje in het zeil voor een sportvliegtuig van de Amerikaanse marine die onlangs vermist was geraakt. Wie het wrak als eerste vond, zou een beloning ontvangen. Denkend aan het prijsgeld draaide Arnold een extra rondje om de berg, niet wetende dat hij op dat moment regelrecht de ufo-geschiedenis invloog.

    Terwijl Arnold de berghelling inspecteerde, zag hij plotseling een blauwe lichtflits. In de verte vloog een DC-4, een verkeersvliegtuig, maar daar kwam de flits niet vanaf. Toen verscheen het licht opnieuw, ditmaal van dichterbij. Arnold keek vol verbazing toe hoe negen objecten ‘als de staart van een Chinese vlieger’ in diagonale formatie langs hem vlogen. Voor de amateurpiloot het wist, waren deze objecten echter weer verdwenen. Met een ‘angstaanjagend gevoel’ in zijn onderbuik bracht Arnold zijn vliegtuig vervolgens aan de grond.

    ‘Schotelachtige vliegtuigen’

    Arnolds verhaal, dat hij na het landen met vrienden deelde, verspreidde zich haast net zo snel als de mysterieuze objecten de horizon benaderen. Verslaggevers van een lokale krant, de East Oregonian, nodigden de piloot uit op de redactie en zagen hem als een geloofwaardige getuige en zorgvuldige waarnemer. Zo beschreef hij niet alleen het uiterlijk van de objecten, maar ook hun geavanceerde bewegingen. Zijn historische woordkeuze zou de samenleving voor altijd bijblijven: ‘als schotels die je over het water laat scheren.’

    De East Oregonian citeerde Arnolds beschrijving als ‘schotelachtige vliegtuigen’. Toen de Associated Press het verhaal oppakte, werd de krantenkop verder verdraaid: ‘Supersonische vliegende schotels gezien door piloot uit Idaho.’ De sensationele titel veroorzaakte een culturele lawine. In minder dan zes maanden tijd verscheen het artikel in meer dan 140 Amerikaanse kranten en in de jaren daarna werden steeds vaker vliegende schotels waargenomen.

    ANP 447464905
    Een vliegende schotel voor de Kamer van Koophandel in Roswell. – ©ANP

    Een van de belangrijkste lessen die ik van het Arnold-incident opstak, was de kracht van een meeslepend verhaal. Arnold was de eerste persoon die vliegende schotels zag en zijn kleurrijke waarneming verklaart waarom zo veel lezers zonder enig verifieerbaar bewijs meegingen in het speculeren over buitenaards leven en ufo’s. Zijn verhaal markeerde het punt waarop het idee van technologisch geavanceerd, interstellair leven het publieke bewustzijn definitief binnendrong. Met de verschijning van de eerste ufo’s verscheen ook de huidige ufo-cultuur: een cultuur die neigt naar ongeloofwaardigheid en paranoia. Natuurlijk waren er ook veel mensen die interesse toonden in ufo’s zonder hun scepticisme op te offeren. Als sociaal fenomeen zouden discussies over ufo’s echter gestuurd worden door twijfelachtig bewijs, samenzweringstheorieën en regelrecht bedrog.

    Neem bijvoorbeeld de zogeheten Roswell-affaire. Deze affaire betreft een boer die, slechts een paar weken na de waarnemingen van Arnold en de daaropvolgende mediahype, een stel uit stokken, draad en folie bestaande wrakstukken op zijn landgoed tegenkwam en deze vervolgens als de restanten van een gecrashte ufo aan een lokale krant liet overleveren.

    Ruim 30 jaar later werd de affaire nieuw leven ingeblazen door een reeks bestsellers en ‘documentaires’ die wederom beweren dat het vuilnis van deze boer daadwerkelijk uit de hemel was komen vallen. Met ieder boek en iedere film werd het verhaal alsmaar complexer en verwarrender. Zo werden er steeds meer getuigenissen aan het licht gebracht, waaronder begrafenisondernemer Glenn Dennis, die meende dat de boer hem persoonlijk de lijken van aliens heeft laten zien. Sommige bronnen beweren dat er meer schotels en meer buitenaardse passagiers waren dan de oorspronkelijke rapportage had vermeld. Enkele beweren zelfs dat de inmiddels opgeruimde lijken werden bezichtigd door niemand minder dan toenmalig president Dwight Eisenhower.

    Bewijsmateriaal

    Afwezig in de Roswell-affaire is het belang van bewijsmateriaal. Iedereen die in de verste verte gerelateerd was aan de boer, mocht zijn of haar verhaal vertellen. Nieuwe boeken stapelen zich op oude boeken en de theorieën vermenigvuldigen tot zelfs de hardnekkigste ufo-onderzoekers er geen touw meer aan vast weten te knopen. Ontwikkelingen zoals de Roswell-affaire creëerden zo een ‘alles kan’-mentaliteit wat betreft discussies rondom ufo’s en buitenaards leven in het algemeen.

    Deze mentaliteit had ook zeker een invloed op mij als tiener. In mijn puberjaren las ik zowel boeken over ware wetenschap (Sagan) als speculatieve werken over ufo-gerelateerde onderwerpen. Zo was ik een tijdlang gecharmeerd door Von Dänikens Waren de Goden Kosmonauten (1968) en zijn beweringen dat veelal archeologische mysteries verklaard konden worden door buitenaardse wezens die millennia geleden de aarde bezochten. Mijn fascinatie eindigde toen ik op een avond een PBS-documentaire genaamd The Case of the Ancient Astronauts (1977) tegenkwam. De documentaire bestond uit interviews met echte wetenschappers die hun leven hadden gewijd aan onderwerpen waar Von Dänikens enkel over speculeerde. De eenvoud en logica waarmee ze Von Dänikens boeken met de grond gelijk maakten, maakte mij zowel kwaad (ik voelde me door de auteur bedrogen) als opgetogen. Het vaststellen van bewijsmateriaal, dat is wat echte wetenschappers onderscheidt van Von Dänikens en zijn wensdromen.

    Als ik niet zo kwaad was geweest, had ik er haast om kunnen lachen. Dit is dan ook precies die giechelfactor die het werk van professionele astrobiologen zoals mijzelf zo moeilijk maakt. Arnold, de Rosswell-affaire en Von Dänikens maakten SETI een kwetsbaar doelwit voor spot.

    Het vaststellen van bewijsmateriaal, dat is wat echte wetenschappers onderscheidt van Von Dänikens en zijn wensdromen

    Het eerste SETI-project vond plaats in 1960 onder leiding van een jonge astronoom genaamd Frank Drake. Drake gebruikte een radiotelescoop om ‘niet-natuurlijke’ signalen van twee zonachtige sterren op te sporen. Erkenning voor Drakes inspanningen als startpunt van de moderne astrobiologie is een zelden besproken maar cruciaal punt, mede omdat de astronoom de normen voor bewijsmateriaal uiterst serieus nam. Om foutmarge te verminderen, schonken Drake en zijn collega’s tijdens het ontwerp van hun experiment dan ook aandacht aan vragen over signalen, ruis en fout-positieven. Drakes SETI-project en de daaropvolgende projecten trokken enorme publieke aandacht. Toch werd het opbouwen van een samenhangend, blijvend wetenschappelijk onderzoeksteam almaar verhinderd door de ufo-gekte.

    Kort na Drakes project hadden verschillende wetenschappelijke instanties nog een gezonde belangstelling voor de zoektocht naar buitenaards leven, intelligent of anderszins. Het was per slot van rekening de Amerikaanse National Academy of Sciences die in 1961 de Interstellar Communications-bijeenkomst organiseerde waar Frank Drake zijn befaamde Drake-vergelijking formuleerde. NASA was eveneens enthousiast in haar onderzoek naar microben op planeten in ons zonnestelsel, mits deze bereikt konden worden. In de zeventiger jaren werken SETI-wetenschappers met NASA aan nieuwe telescooptechnologie, waaronder Project Cyclops: een gigantische opstelling van wel duizend radiotelescopen die ongekend zwakke signalen uit de uithoeken van het heelal kon oppikken.

    Al deze projecten confronteerden wetenschappers met de vraag hoe ze het beste bewijs konden verzamelen en evalueren. Op deze vraag was geen duidelijk antwoord. Onderzoekers waren zich er terdege van bewust dat het leven op andere planeten een compleet andere vorm kon aannemen dan hier op aarde. Mensen buiten wetenschappelijke kringen keken daar echter anders naar.

    Giechelfactor

    William Proxmire was een senator uit Wisconsin die zichzelf graag zag als een strikte bewaker van de staatskas. Te allen tijde stond hij op de loer voor wat hij beschouwde als verspilling van belastinggeld. In 1978 stuitte de senator op NASA’s financiering van een handvol SETI-projecten waar hij de zin niet van kon inzien en daarom besloot hij de geldkraan dicht te draaien. Proxmire trok zich pas terug toen Sagan, op dat moment al een gerespecteerd schrijver, wetenschapper en wetenschapsambassadeur, hem persoonlijk benaderde. Hoewel de overheidsfinanciering van SETI-projecten in 1983 weer doorging, was de reputatie van de onderzoekers permanent aangetast. De doorsnee burger zag SETI als geldverspilling en onzin, impliciet verbonden met de ufo-gekte.

    Financiële steun voor SETI bleef miniem in de periode na Proxime. Toen NASA in 1990 haar bijdrage aan onderzoek naar het microgolfgebied van het elektromagnetische spectrum van 4 miljoen naar 12 miljoen dollar probeerde te verhogen, kwamen volgelingen van de senator opnieuw in actie. ‘We hoeven dit jaar geen 6 miljoen dollar uit te geven om bewijs van deze schurkachtige wezens te vinden,’ spotte congreslid Silvio Conte uit Massachusetts. ‘Een roddelblad in de supermarkt kost slechts 75 cent.’

    ANP 377222239
    De Amerikaanse astronoom en astrofysicus Frank Drake speelde een sleutelrol in het zoeken naar buitenaards leven. – © ANP

    Toen die 12 miljoen dollar drie jaar later alsnog werd toegewezen, zette het debat zich voort. Zo zag senator Richard Bryan uit Nevada een kans om wat krantenkoppen te genereren en sponsorde hij daarom een campagne om het microgolfproject de das om te doen. ‘Beëindig het jachtseizoen op Mars op kosten van de belastingbetaler,’ luidde zijn slogan. Dat NASA helemaal niet bezig was met Mars, deed er niet toe. Bryans met humor aangedikte campagne vond een groot publiek en legde wederom een verband tussen SETI en de culturele randgebieden waar het ufo-enthousiasme rondzweefde. De giechelfactor had de zoektocht naar buitenaards leven zwaar benadeeld.

    Tussen deze zeer openbare afstraffingen door leerde NASA dat SETI politiek vergif was. Hoewel SETI-onderzoekers zoals Drake en de onvermoeibare Jill Tarter hun best deden om aan te tonen dat hun veld wel degelijk een vorm van wetenschap was, dacht de rest van de maatschappij daar anders over. Toch lieten de onderzoekers zich niet klein maken. Als ze niet meer in aanmerking konden komen voor overheidssubsidies, zouden zij een sponsor vinden in de privésector.

    De giechelfactor had de zoektocht naar buitenaards leven zwaar benadeeld

    De afknelling van overheidssubsidies had echter wel degelijk grote gevolgen voor de zoektocht naar leven in het universum. Het bouwen, onderhouden en gebruiken van ruimtetelescopen kost veel geld en zonder stabiele financiering kwam de zoektocht uiteindelijk tot een stilstand. Dankzij aardse politiek bleef de hemel in andere woorden jarenlang onontdekt.

    De rol die ufo’s in dit tragische verhaal hebben gespeeld, valt niet te ontkennen. Historicus Stephen Garber schreef in een artikel over SETI en NASA dat de astrobiologie ‘slachtoffer werd van een “giechelfactor” die voortkwam uit een door de pers gelegde associatie met de speurtocht naar “kleine groene mannetjes” en ongeïdentificeerde vliegende objecten’. Door deze associatie kregen astronomen lange tijd geen kans om hun echte zoektocht uit te voeren.

    In het begin van de negentiger jaren leek het inderdaad alsof niemand geïnteresseerd was in de wetenschappelijke mogelijkheden van buitenaards leven. De Viking-missies van NASA uit 1975-1976 voerden biologische experimenten uit op Mars die de deur leken te sluiten voor de rode planeet als een thuis voor zelfs microbieel leven. Het spoor naar leven van welke aard dan ook leek te zijn gekoeld.

    Exoplaneten

    Een verrassende wending arriveerde in 1995 toen wetenschappers verkondigen dat ze zojuist de allereerste exoplaneet, een planeet die om een andere ster draaide dan de zon, hadden gevonden. Het bleek een historisch moment. Na 2500 jaar discussiëren over het bestaan van andere werelden hadden we eindelijk bewezen dat de planeten in ons zonnestelsel niet uniek waren. Binnen de kortste keren werden overal in het heelal nieuwe exoplaneten ontdekt. Nu weten we dat vrijwel elke ster die je ’s nachts ziet, vergezeld wordt door een familiekring van werelden.

    Een tweede omwending arriveerde toen wetenschappers een stukje van Mars tegenkwamen in Antarctica. De meteoriet, die ooit van de rode planeet was afgebroken door een asteroïde-inslag, leek tekenen van fossiel leven te tonen. Hoewel deze conclusie nu niet langer wordt geaccepteerd, gaf toenmalig president Bill Clinton aan NASA een opdracht om terug te keren naar Mars om daar de zoektocht naar leven te hervatten. De geldkraan ging weer open, waardoor onderzoekers nieuwe experimenten konden voorstellen en uitvoeren.

    Vandaag de dag kunnen we precies zien welke exoplaneten zich bevinden in de bewoonbare zone van hun ster, een regio waar vloeibaar water (de sleutel voor leven, aldus wetenschappers) kan bestaan. Dit betekent dat we ook precies weten waar de grootste kans is om buitenaards leven tegen te komen, iets waar Drake alleen maar van kon dromen.

    Nog opmerkelijker is dat astronomen inmiddels weten hoe ze naar buitenaards leven op exoplaneten kunnen zoeken zonder ze met een raket te bezoeken. Dit doen ze door middel van het analyseren van sterrenlicht dat door de atmosfeer van deze planeten is afgereisd en door verschillende chemicaliën in de atmosfeer is geabsorbeerd. Onder wetenschappers staan dit soort sporen bekend als biosignaturen: tekenen van stoffen die alleen in de atmosfeer kunnen zitten als ze daar door een vorm van leven zijn geplaatst.

    Spectaculaire vooruitgang in de jacht op biosignaturen leidde tot een diepgaande verfijning van onderzoekscriteria. Een vroege vorm van signaturen was de aanwezigheid van zuurstof in een buitenaardse atmosfeer. Op aarde maakt zuurstof onderdeel uit van de atmosfeer enkel omdat fotosynthetische organismen het produceren. Echter hebben astronomen in de afgelopen tien jaar alternatieve mechanismen ontdekt waardoor planeten zonder leven mogelijk zuurstofrijke lucht kunnen produceren. Dit was een grote sprong in de ontwikkeling van methoden voor het evalueren van fout-positieven: de manieren waarop we denken dat we ergens bewijs voor buitenaards leven hebben gevonden terwijl dat leven er in werkelijkheid helemaal niet is.

    Astronomen hebben in de afgelopen tien jaar alternatieve mechanismen ontdekt waardoor planeten zonder leven mogelijk zuurstofrijke lucht kunnen produceren

    Deze nieuwe ontdekkingen herstelden de reputatie van SETI. Zo is er tegenwoordig een nieuw onderzoeksveld voor de zoektocht naar wat wetenschappers als ik ‘technosignaturen’ noemen, waarbij klassieke SETI-methoden worden omarmd en de zoektocht naar buitenaards leven nieuwe richtingen inslaat. In plaats van een baken opzetten en onze aanwezigheid aan het universum verkondigen, zoals de eerste generatie SETI-wetenschappers dat deed, proberen we nu zelf contact te leggen met buitenaards leven. Door te zoeken naar sporen van de dagelijkse activiteiten van buitenaardse samenlevingen (oftewel technosignaturen) stellen we een nieuwe gereedschapskist samen om intelligent, beschavingsvormend leven te vinden.

    Het was in 2019 dat NASA mijn collega’s de eerste subsidie toekende om atmosferische technosignaturen te bestuderen. Hoewel er nog steeds maar een handvol technosignatuur-subsidies zijn in vergelijking met onderzoek naar biosignaturen, was dit een duidelijk teken dat de giechelfactor eindelijk afnam. Sindsdien is onze groep hard aan het werk om voorbeelden van mogelijke technosignaturen op te pikken, onder andere met behulp van de James Webb Space Telescope. Bovendien hebben we aangetoond dat er geen goede reden is om aan te nemen dat biosignaturen vaker voorkomen dan technosignaturen. Juist omdat we allemaal dezelfde technieken gebruiken, is het logisch om beide zoekopdrachten tegelijk uit te voeren.

    De criteria voor zoekopdrachten naar biosignaturen zijn bovendien relevant voor zoekopdrachten naar technosignaturen. Ons team, onder leiding van de astrofysicus Manasvi Lingam van het Florida Institute of Technology, publiceerde onlangs een van de allereerste studies waarin wordt geprobeerd een basismethode op te stellen voor het evalueren van fout-positieven in technosignaturen. Projecten als deze stellen ons in staat om volledig te begrijpen hoeveel vertrouwen we kunnen hechten aan ieder spoor van intelligent leven.

    Maar wat betekent de afname van de giechelfactor dan eigenlijk voor ufo’s en uaps? Daar blijven de wateren ietwat troebel. Natuurlijk is het fijn dat piloten het gevoel hebben dat ze hun waarnemingen kunnen melden aan de autoriteiten zonder angst voor represailles of vernedering, helemaal met betrekking tot luchtveiligheid en defensie. Een transparant en agnostisch onderzoek naar uaps fungeert bovendien als een masterclass voor hoe wetenschappers kennis van geloof onderscheiden.

    Als mijn collega’s en ik beweren leven op een andere wereld te hebben gevonden, dan zouden we ons verplicht voelen om bewijs te leveren dat aan de hoogste wetenschappelijke standaarden voldoet. Op dit moment is er simpelweg geen overtuigend bewijs rondom ufo’s en uaps. Een recente hoorzitting van het NASA-uap-panel onthulde dan ook dat een groot percentage van de gemelde waarnemingen niets met aliens te maken kon hebben.

    Wat telt, is dat na duizenden jaren aan speculeren over leven in het universum, onze collectieve wetenschappelijke inspanningen ons eindelijk op een punt hebben gebracht waar rigoureuze wetenschappelijke studie van het onderwerp van start kan gaan. De volgende grote ruimtetelescoop van NASA zal het Habitable Worlds Observatory gaan heten. Die naam vertelt je alles wat je over het apparaat moet weten. We gaan ons binnenkort volledig inzetten voor de zoektocht naar buitenaards leven omdat we eindelijk over de middelen beschikken die zo’n zoektocht mogelijk maken. Kortom, de giechelfactor is officieel geschiedenis.

  • Ufo-onderzoeker toont ‘bewijs’ voor aliens in Mexicaans Congres

    Ufo-onderzoeker toont ‘bewijs’ voor aliens in Mexicaans Congres

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Vrouw ‘El Chapo’ komt vrij uit gevangenis

    » Mogelijk 20.000 doden door overstromingen in Libië

    De controversiële onderzoeker nam twee mummies mee

    Een zelfverklaarde ufo-onderzoeker heeft getuigd in het Congres van Mexico over zijn bevindingen. Daarbij nam hij twee mummies mee, waarvan hij beweerde dat het de lichamen van buitenaardse wezens waren. El Universal bracht foto’s over de bijzonder getuigenis naar buiten.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Jaime Maussan toonde twee wezens die volgens hem in 2017 in Peru waren gevonden. Het zou gaan om aliens. Op foto’s blijkt dat het gaat om kleine, grijze wezens met drie vingers per hand en gekrompen hoofden. Volgens experts gaat het mogelijk om gestolen mummies van het Peruaanse Nazca-volk.

    Deze experts noemen de getuigenis van Maussan ‘beschamend’. De journalist staat in Mexico bekend als pseudowetenschapper die eigen gezondheidssupplementen verkoopt via YouTube. Het Congres-lid dat Maussan had uitgenodigd voor de getuigenis legde later uit ‘alle perspectieven’ over buitenaards leven te willen horen.

    Lees ook:

  • Ufo’s worden weer serieus genomen, bijna té serieus

    Ufo’s worden weer serieus genomen, bijna té serieus

    Onlangs vloog een verdachte ballon boven de Verenigde Staten en recenter werden unidentified flying objects waargenomen. Is er te veel verkeer in de stratosfeer? Spionage? Verhoogde buitenaardse belangstelling? De waarheid ligt niet ergens daarbuiten, maar diep in onszelf.

    De terechte vraag hoe buitenaardse wezens zullen reageren als ze als eerste mens uitgerekend Kurt Waldheim gaan horen, die hun in een enigszins Oostenrijks Engels (‘Greedings!’) de hartelijke groeten van de aarde overbrengt, werd door Tim Burton in 1996 al beantwoord in zijn film Mars Attacks!: het zal ze vermoedelijk veel hoofdbrekens kosten.

    Ruim vijfenveertig jaar geleden, op 5 september 1977, werd de ruimtesonde Voyager I het heelal in geschoten. De nummer 1 in de Amerikaanse hitlijsten was die herfst de discoversie van Star Wars Theme. Dit stuk muziek stond helaas niet op de gouden plaat waarmee de Voyager op zijn verre reis werd gestuurd; wel bevatte die een boodschap van de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, evenals vijfenvijftig begroetingen in evenveel talen (met interessante variaties: in het Duits klinkt een eenvoudig ‘Hartelijke groeten aan iedereen’, maar in het Mandarijn een al bijna joviaal ‘We hopen dat het jullie allemaal goed gaat. We denken aan jullie allemaal. Kom alsjeblieft hierheen en bezoek ons, als jullie tijd hebben.’)

    Men achtte het anno 1977 dus niet volkomen uitgesloten dat de Voyager ooit eens op intelligente levende wezens met platenspelers zou stuiten. Een andere wereld werd voor mogelijk gehouden. Maar het gouden tijdperk van de ufologie was op dat moment allang voorbij.

    Het onderscheid tussen feit en fictie is moeilijk te maken; maar dat is juist de lol ervan

    Dit klassieke tijdperk was op 24 juni 1947 begonnen met een rondvlucht van hobbypiloot Kenneth Arnold boven Mount Rainier in de Amerikaanse staat Washington. Arnold zag toen negen ongeïdentificeerde vliegende objecten in de vorm van boemerangs, die zich voortbewogen als ‘schotels die over het water ketsen’. Dat werd journalistiek ingekort tot ‘vliegende schotels’ – een beeld dat zich in het collectieve geheugen grifte als een pick-upnaald in de groef van een plaat. Alleen al in de tweede helft van 1947 registreerden de autoriteiten in de VS nog 850 andere ufomeldingen, evenals een vermoedelijk ongeval van een buitenaards ruimteschip ten noorden van het stadje Roswell in New Mexico. 

    De US Air Force richtte daarop de ufowerkgroep ‘Project Blue Book’ op, misschien ook onder invloed van de Koude Oorlog en de bijbehorende, ietwat paranoïde veiligheidspolitiek – tot het gewoon te veel werd. Tegen het eind van de jaren zestig zorgden ufomeldingen en waarnemingen van aliens – als onderdeel van de populaire mediacultuur intussen alom aanwezig – steeds weer voor hysterische taferelen. Dus werd er iets tegen ondernomen: in 1969 stelde een commissie onder leiding van natuurkundige Edward Condon een laatste bericht op voor het ‘Blue Book’-project, waarin men tot de conclusie kwam dat verder onderzoek naar ufo’s niet in het belang was van de wetenschappelijke vooruitgang. Basta.

    Pseudowetenschap

    Het bericht van Condon werd het worstcasescenario van de ufologie en verwees de bloeiende pseudowetenschap linea recta naar het rijk der complottheorieën. Niet dat ze daar niet prachtig verder bloeide. Het menselijk verlangen naar aandacht is groot, en als die aandacht ook nog buitenaards is: des te opwindender. Daarbij kwamen in de loop der jaren een verhoogde sensibiliteit voor onverklaarbare fenomenen en een steeds betere waarnemingstechnologie (alleen de camera’s van mobieltjes laten het bijna altijd afweten als het erop aankomt). In de afgelopen weken was deze fundamentele bereidheid om onverklaarbare dingen als buitenaards te interpreteren weer eens heel duidelijk waarneembaar. Uiteindelijk achtten ook serieuze instanties het mogelijk dat weggewaaide weerballonnen en verroeste metalen boeien sporen van buitenaardse intelligentie bevatten. Zelfs in Oostenrijk werden in het voorjaar dertig ufowaarnemingen gemeld, onlangs bijvoorbeeld in de omgeving van Knittelfeld.

    Florian Freistetter, astronoom en ‘science buster’, maakt over dit onderwerp een nuchtere rekensom: ‘We weten helaas niet hoe groot de waarschijnlijkheid is voor het ontstaan van intelligent leven. Als dat bij een op de miljoen planeten het geval was, dan zou het in het heelal heel vaak voorkomen. Ligt de waarschijnlijkheid bij een op een triljard, dan zou het ook kunnen dat wij het enige geval zijn. Dat zouden we dan ook weer raar en saai vinden.’ 

    Omdat hij een prominent astronoom is, krijgt Freistetter steeds weer meldingen van ufowaarnemingen. ‘Er is aan de hemel inderdaad heel erg veel te zien: er zijn sterren, er zijn planeten, vallende sterren, satellieten, en je hebt het ruimtestation ISS. Het probleem is dat verreweg de meeste mensen niet weten wat er allemaal aan de hemel te zien is. Veel mensen komen dus in situaties waarin ze iets waarnemen wat ze niet kunnen plaatsen. In de late herfst, als het weer vroeg donker wordt, is Venus vaak in de avondschemering al heel goed te zien. En die planeet kan extreem helder zijn. Maar de meeste mensen weten dat niet en zien een heel helder licht. Dan krijg je een hoop meldingen.’ En teleurstellingen.

    ‘We weten helaas niet hoe groot de waarschijnlijkheid is voor het ontstaan van intelligent leven’

    Want niets is zo deprimerend als een geheim dat er helemaal geen blijkt te zijn. We willen zo graag geloven. In 1980 publiceerden de pseudowetenschappelijke auteurs Charles Berlitz (De Bermudadriehoek) en William L. Moore (Het Philadelphia-experiment) het boek The Roswell Incident, over die allang vergeten gebeurtenis in de woestijn van New Mexico. Vermeende ooggetuigen en insiders vertellen in het boek over de vondst van een buitenaards ruimtevaartuig met bemanning, en de daaropvolgende doofpot op last van hoogst geheime kringen. Roswell werd het codewoord, en het boek een brontekst voor de nieuwere ufologie, tot en met de mysterieserie The X-Files. In de slipstream daarvan werd het nachtprogramma van commerciële tv-zenders volgestopt met autopsieën van aliens en complotdocu’s. De waarheid is ergens daarbuiten.

    Zou het? Waarom gelooft men in aliens, waarom hoopt men op ufo’s? Wellicht speelt eenzaamheid een rol: die van de mensheid in het oneindige universum, maar ook die van de lichtjarenlang reizende buitenaardse wezens op weg naar ons. Dat denkbeeld maakt een oeroud gevoel wakker dat ons ontvankelijk maakt voor mythen. Uit ufologie ontstaat gemakkelijk religie. De centrale geloofsbelijdenis uit het boek van [de Zwitserse schrijver] Erich von Däniken was: buitenaardse wezens hebben de menselijke beschaving gesticht. Dat is zo ongeveer ook wat de Raëlianen geloven, de volgelingen van de Fransman Claude Vorilhon, alias Raël, die ervan uitgaan dat de buitenaardse ‘Elohim’ iets meer dan twintigduizend jaar geleden de mens geschapen hebben naar hun beeld.

    Uitstekende biotoop

    George Knapp op zijn beurt, een onderzoeksjournalist uit Las Vegas, ziet de zaak duidelijk pragmatischer: wij zijn misschien een soort landbouwproject van een buitenaardse intelligentie – onwetenden in de Hof des Heren. Het internet heeft zich bewezen als een uitstekende biotoop voor bloeiende theorieën van het griezelige soort. Het onderscheid tussen feit en fictie is daarbij in principe moeilijk te maken; maar dat is geen probleem, het is juist de lol ervan. ‘Toen je nog complottheoreticus moest zijn om erin te geloven, was alles mooi en goed,’ schreef de in ufo’s geïnteresseerde Oostenrijkse auteur Clemens J. Setz in een essay voor het Hamburgse weekblad Die Zeit. Hij zinspeelde daarmee op een opmerkelijke ontwikkeling: ufo’s worden de laatste tijd weer serieus genomen, bijna té serieus zelfs.

    UFO-meldingen

    Het zijn niet de minsten die ufo’s zien. Op een formulier van het International UFO Bureau in de Jimmy Carter Presidential Library beschrijft de oud-president hoe hij in het stadje Leary in Georgia een lichtbal zag ‘die gedurende 10 tot 12 minuten veranderde van grootte, helderheid en kleur’. Vorig jaar werden in Engeland 411 en in Schotland 52 meldingen van ufo’s gedaan volgens de Britse krant The Mail.
    Serieuze Amerikaanse kranten en bladen als The New Yorker en het beroemde actualiteitenprogramma 60 Minutes hebben uitgebreid aandacht geschonken aan het fenomeen. Het Amerikaanse leger heeft vorig jaar zelfs bevestigd dat soldaten onverklaarbare dingen zien.

    In december 2017 berichtte The New York Times dat het Pentagon al sinds jaren een ufo-onderzoeksteam heeft. Prominente senatoren zoals de Republikein Marco Rubio en de Democraat Harry Reid speculeerden daarop in het openbaar over de mogelijkheid van buitenaardse bezoeken, er werden vage opnames gepubliceerd van geheimzinnige vliegende objecten, gefilmd door gevechtsvliegtuigen van de VS. In een persbericht van het Pentagon uit juni 2021 werden 144 meldingen van ufowaarnemingen geanalyseerd en in verschillende categorieën ondergebracht: geheime vliegende objecten van eigen of buitenlandse makelij, weersverschijnselen, atmosferische troep en ‘overigen’ – zeg: aliens? 

    De ufologie beleeft op dit moment haar scientific turn, ze wordt ‘mainstream’ en bevrijd van het gefantaseer – en daarmee verliest ze helaas ook iets van haar romantische aura. Waar eerst vliegende schotels waren, dwarrelen nu spionageballonnen. De lucht boven ons hoofd is weer een beetje dunner geworden. Maar niettemin: hartelijke groeten aan iedereen!

    Schrijver Sebastian Hofer griezelde in zijn jeugd bij The X-Files en heeft, mogelijk daardoor
    aangestoken, ook echt een keer een ufo gezien. Die kon overigens snel worden geïdentificeerd:
    de plaatselijke disco had een nieuwe skybeamer aangeschaft.

  • Amerikaanse leger haalt meerdere onbekende vliegende objecten neer

    Amerikaanse leger haalt meerdere onbekende vliegende objecten neer

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Erdogan onder vuur wegens overheidsoptreden na aardbeving

    » Israël breidt aantal nederzettingen op Westelijke Jordaanoever uit

    Op sociale media gaan geruchten rond over aliens

    Het Amerikaanse leger heeft toegegeven de afgelopen dagen drie keer een onbekend object uit het luchtruim te hebben neergehaald, meldt CNN. Openheid over de precieze aard van de objecten wordt niet gegeven, al zegt het Witte Huis dat het niet om Chinese spionageballonnen gaat. Twee objecten werden neergehaald vlak bij Canada, één object werd neergeschoten boven Alaska.

    Vanwege het gebrek aan officiële informatie gaan op sociale media in toenemende mate verhalen rond over ufo’s en aliens. Volgens ongeverifieerde beelden op Twitter zou het laatste neergehaalde object een achthoekige vorm hebben gehad. Waarom de Amerikaanse strijdkrachten ervoor hebben gekozen de objecten neer te halen is onduidelijk.

    Op 4 februari haalde het Amerikaanse leger een Chinese spionageballon neer die boven de staat South Carolina vloog. De objecten die de afgelopen dagen werden neergehaald zouden echter een stuk kleiner zijn geweest. Veiligheidsexperts sluiten uit dat de objecten drones waren, omdat ze op zeer grote hoogte vlogen.

    Lees ook:

  • ‘Wie zich engelen kan voorstellen, kijkt niet op van buitenaardse wezens’

    ‘Wie zich engelen kan voorstellen, kijkt niet op van buitenaardse wezens’

    Astrofysicus Guy Consolmagno is de baas van de sterrenwacht van het Vaticaan. 
Wetenschapsjournalist Stefan Klein van Die Zeit sprak met hem over de vraag of wetenschap en religie te verenigen zijn, het verschil tussen mens en dier, en buitenaards leven.

    Als we de wereld met natuurwetten kunnen verklaren, waar blijft God dan? Wie zich bezighoudt met het ontstaan en de opbouw van het universum wordt onvermijdelijk met dit soort vragen geconfronteerd. In het lastige grens-gebied tussen weten en geloven beweegt zich de astrofysicus Guy Consolmagno. Hij is jezuïet en zwaait de scepter over de sterrenwacht van de paus in diens zomerresidentie Castel Gandolfo bij Rome, waar de telescoopkoepel al van verre is te zien. Het Vaticaanse observatorium werd in de huidige vorm in 1891 gesticht om de uitwisseling tussen wetenschap en religie te bevorderen; als internationaal onderzoeksinstituut heeft het ook een grote telescoop in de woestijn van Arizona.

    Consolmagno komt uit Detroit. Hij is expert in meteorieten en doet onderzoek naar het ontstaan van de hemellichamen in het zonnestelsel. Hij heeft een lange witte baard, draagt een sweatshirt, praat snel en lacht veel. Als 
ik niet beter wist, dan zou ik denken dat hij een 
professor van een Amerikaanse universiteit in het Midwesten is.

    Met ruimteobservatoria kunnen we tegenwoordig het eerste licht van het universum na de 
oerknal opvangen, de kosmische achtergrondstraling. De Amerikaanse astrofysicus George Smoot heeft enkele jaren geleden bij een presentatie over deze straling gezegd: ‘Als je religieus bent, dan is het alsof je oog in oog staat met God.’ Bent u dat met hem eens?

    Guy Consolmagno: Smoot heeft die ervaring heel nauwkeurig beschreven. Plotseling zie je iets waarvan je nooit gedacht had het ooit te kunnen zien. Dat heeft inderdaad veel weg van een religieuze beleving.

    Wat voelt u als u naar de sterrenhemel kijkt?

    Dezelfde verwondering die ik als kind voelde, maar met het voordeel meer te weten. Door wat ik weet waardeer ik de dingen die ik waarneem nog meer. Ik heb zelf een kleine telescoop. Wie daardoor naar de Orionnevel kijkt, zal zeggen: wat prachtig! Ikzelf kijk echter naar de Orionnevel in de wetenschap dat daar sterren worden geboren. Met een grotere telescoop kun je zelfs de processen waarnemen die leiden tot het ontstaan van planetenstelsels. Het is vergelijkbaar met naar muziek luisteren of een zonsondergang bewonderen. De bloedrode zon is mooi en 
hetzelfde geldt voor de maxwellvergelijkingen die beschrijven hoe haar licht ons bereikt. Die elegantie van de natuur ervaar je echter alleen als je kennis hebt van de wetenschap erachter.

    Ik begrijp wat u bedoelt, een bijna extatische verwondering over het feit dat de schoonheid van de wereld zich op zo veel terreinen aan ons vertoont.

    Het simpelste woord daarvoor is ‘vreugde’. Als ik 
me niet goed voel, kijk ik door de telescoop. Daarna ben ik gelukkiger.

    Zou u dat geluk een religieus gevoel willen 
noemen?

    Ja. Met de nadruk op gevoel. Religie is meer dan emoties. Maar de vreugde die ik ervaar bij een blik door de telescoop of ook wanneer ik gegevens uit 
de computer heb geprint en plotseling iets doorzie, 
is vergelijkbaar met de vreugde die ik in het gebed heb beleefd.

    Guy Consolmagno bij de uit 1935 daterende Zeiss-telescoop in de koepel van de sterrenwacht in het Vaticaan. – © Annette Schreyer / HH
    Guy Consolmagno bij de uit 1935 daterende Zeiss-telescoop in de koepel van de sterrenwacht in het Vaticaan. – © Annette Schreyer / HH

    U hebt twintig jaar als wetenschapper gewerkt voordat u jezuïet werd. Hoe bent u bij de orde gekomen?

    Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en heb me altijd zeer op mijn gemak gevoeld bij mijn Ierse moeder en mijn Italiaanse vader. En ik had bewondering voor mijn leraren, dat waren jezuïeten. Religie was een belangrijk deel van ons leven, maar ik heb me er nooit met schuldgevoelens beladen of onderdrukt door gevoeld. Integendeel, ik geniet van de religie. 
De dagelijkse gang naar de mis geeft me nog altijd grote voldoening en als ik niet ga, ervaar ik dat als een gemis.

    U bent gelovig uit hedonisme.

    Zou ik dat woord gebruiken? Maar inderdaad, ik 
heb nooit dingen gedaan die ik niet leuk vond. Toen we achttien waren dronken mijn vrienden whisky. 
Ik vond dat naar mondspoeling smaken. Waarom zou ik die rommel drinken?

    Je moet wennen aan de smaak van whisky. Net 
als aan de mis.

    Bij de mis heeft het in elk geval voor me gewerkt. Wetenschapper werd ik omdat ik sciencefictionfan ben. Dat was ik al in mijn tienerjaren. Toen ik in 
Boston de bibliotheek van de Science Fiction Society in het Massachusetts Institute of Technology (MIT) zag, wilde ik per se daar studeren. In een bevlieging schreef ik me in voor geowetenschappen. Het was geweldig. Wij studenten mochten onderzoek doen en ik schreef mijn eindscriptie over de oceanen op de ijsmanen van Jupiter. Destijds, in de jaren zeventig, was dat allemaal nog speculatie. De ruimtesondes die daar in de afgelopen jaren zijn geweest, hebben mijn voorspellingen over vloeibaar water onder de ijskorsten bevestigd. Mijn verklaringen ervoor waren evenwel onjuist. Toen ik naar de dertig liep, haalde ik geen voldoening meer uit onderzoek. Ik vroeg me af: wat ben je eigenlijk aan het doen met je leven? Hoe kun je je het hoofd breken over manen van Jupiter als mensen op aarde verhongeren?

    En tot welke conclusie kwam u?

    Ik nam ontslag bij het MIT en meldde me aan bij 
het Peace Corps, dat Amerikaanse vakmensen naar andere landen stuurt. Ik ging naar Nairobi om les 
te geven in astronomie, maar ik had wel gedacht praktischer bezig te zullen zijn voor de armen. In 
het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten 
kijken. Ze ervoeren natuurlijk precies die vreugde waarover we zojuist spraken. Toen begreep ik dat 
de vreugde om het universum te zien alle mensen verenigt.

    In 
het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten 
kijken

    Omdat we zien dat we deel uitmaken van een 
groter geheel. Ik denk dat daar een diep verlangen achter schuilgaat: we willen weten wie we eigenlijk zijn en waar we vandaan komen. Veel mensen hopen een antwoord te krijgen in de religie, 
anderen zoeken dat in de wetenschap.
    Een vriend van mij zoekt de verklaring daarvoor in 
de omvang van onze hersenen. Kennelijk zitten daar delen in die meer willen dan alleen maar dat er de volgende ochtend genoeg te eten is. En ja, u kunt het verlangen toeschrijven aan het bewustzijn van 
onszelf, op wat de grote filosofen de menselijke ziel noemden. Ik zou dat gevoel omschrijven als de vreugde om dicht bij God te zijn. Maar ik probeer 
dat niet te verklaren. Ik observeer de vreugde alleen maar en neem die serieus. Ze hoort bij het menselijk leven. Met die gevoelens onderscheiden we ons van weldoorvoede runderen.

    Maar dat is niet de reden dat u jezuïet bent 
geworden.

    Nee. Nadat ik na twee jaar was teruggekeerd uit Kenia heb ik een paar jaar lesgegeven aan een 
Amerikaans college. Ik was gelukkig. Maar toen liep mijn relatie op de klippen en werd me duidelijk dat een gezin hebben niet strookt met mijn persoonlijkheid. De tijd leek me rijp om toe te treden tot de orde. Hier kan ik het onderzoek doen dat ik altijd al wilde doen en tegelijkertijd mijn geloof beleven.

    U zag geen contradictie in het als wetenschapper afleggen van de kloostergelofte?

    Waarom zou dat moeten?

    Omdat een wetenschapper alleen gebonden zou moeten zijn aan kennis. Als jezuïet hebt u uw 
kerk echter onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gezworen. ‘Wat in mijn ogen wit lijkt te zijn, beschouw ik als zwart als de hiërarchische kerk dat zo beslist,’ heeft Ignatius, de stichter van 
uw orde, geschreven. Niet bepaald een heel wetenschappelijke instelling.

    Een metafoor. Hopelijk.

    Waarom denkt u dat Ignatius dat niet zo heeft bedoeld?

    U moet die zin in zijn context zien. Wij jezuïeten hebben altijd al de naam gehad rebels te zijn. Maar rebellie en overgave zijn niet in strijd met elkaar. 
Het een brengt het ander met zich mee.

    Soms.

    In mijn geval is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Onze missie bij het Vaticaanse observatorium is 
heel eenvoudig om goede wetenschap te bedrijven. Niemand geeft ons opdracht waarnaar we onderzoek moeten doen en met welke resultaten.

    In 1996 bent u voor de sterrenwacht van de paus 
in Antarctica geweest om naar meteorieten te zoeken.

    Ja. Meteorieten bieden informatie over de geschiedenis van het zonnestelsel. Maar de meeste meteorieten die op aarde terechtkomen worden niet als zodanig herkend. De mensen denken dat het doodgewone stenen zijn en op een gegeven moment verdwijnen ze in de bodem. Maar in Antarctica beweegt het ijs zich vanuit het midden naar de rand van het continent, waar het smelt. Daarbij komen meteorieten tevoorschijn die duizenden jaren geleden zijn ingevroren. 
Je hoeft alleen maar je ogen open te houden: de 
zwarte stenen die zich tegen het blauwe ijsoppervlak aftekenen, zijn meteorieten.

    Hoe lang bent u in die ijswereld geweest?

    Maanden. Meestal waren we met z’n zessen, telkens twee onderzoekers in een tent. Elke ochtend reden we met de sneeuwmobiel verder naar een ander gebied. Als je langere tijd in zo’n kale omgeving 
doorbrengt, verandert je waarneming. Kleuren 
worden intenser, geuren worden krachtiger. Je begint zelfs de lucht te proeven. Hoewel je je een vreemde voelt in die natuur besef je dat ook die bij onze wereld hoort. En dat het universum veel rijker en gecompliceerder is dan we ons voorstellen.

    Heb je nog behoefte aan religie als je dat soort ervaringen in de natuur hebt?

    Ik wel. Ik had een plastic doosje met geconsacreerde hosties bij me. Elke nacht om twee uur nam ik er eentje en sprak een gebed uit. Voor mij was het in 
die volledige afzondering zelfs nog belangrijker om verbinding te zoeken, mezelf eraan te herinneren 
dat de wereld groter is dan onze drie tenten.

    Consolmagno met zijn baas: paus Franciscus. – © L’Osservatore Romano / HH
    Consolmagno met zijn baas: paus Franciscus. – © L’Osservatore Romano / HH

    Waarom midden in de nacht?

    Omdat ik altijd wakker word rond dat uur. En 
omdat ik niet wilde dat mijn reisgenoten het zouden meekrijgen. Wat ik deed was te belangrijk en te intiem. Wie in die mate op elkaar is aangewezen, zoals wij dat waren, kan het best al het persoonlijke overboord zetten.

    Uw collega’s in de tent zouden u waarschijnlijk ook niet hebben begrepen. Ik ken maar heel 
weinig wetenschappers die religieus zijn.

    Die ervaring deel ik niet. Normaal gesproken 
schrikken wetenschappers ervoor terug om over 
religie te spreken. Maar toen ik toetrad tot de orde vertelden veel collega’s me over hún geloof. Wetenschappers zijn even religieus als andere mensen.

    Onderzoeken leiden tot een andere conclusie. 
In de VS gelooft bijvoorbeeld bijna 90 procent van de bevolking in God, maar slechts 30 procent van de hoogleraren. En van de geleerden die vanwege bijzondere prestaties in de Amerikaanse 
Academie van Wetenschappen zijn gekozen, is zelfs maar 7 procent religieus.

    Ik denk dat wetenschappers de vraag bij dergelijke onderzoeken anders interpreteren dan andere mensen, niet of ze geloven maar of ze regelmatig bidden en naar de kerk gaan. Zo komt u natuurlijk op lagere percentages. En de Academie is een verzameling oude mannen. Wie in zo’n instituut wordt gekozen, heeft buiten zijn research nooit een leven gehad.

    Wat mij betreft is er een veel voor de hand liggendere verklaring voor deze cijfers. De wetenschappers zijn niet gelovig omdat de religie 
hun niet plausibel voorkomt. De kerk verkondigt een leer die meer dan tweeduizend jaar geleden is ontstaan, in een heel andere wereld. En dat doet ze bovendien nog in een taal die geen mens meer begrijpt. Toen het Oude Testament werd geschreven, dacht men dat de aarde plat was. 
En men kon zich geen andere voorstelling maken dan dat een hoger wezen de mensen op 
de wereld had gezet. Tegenwoordig hebben we betere verklaringen.

    Maar ook een rijkere theologie. In Babylon, waar 
het scheppingsverhaal van het boek Genesis zijn oorsprong vindt, dachten de mensen dat de aardschijf werd begrensd door gebergten en dat daaroverheen een firmament was gespannen. Men vroeg zich af wat daarachter zou zijn. Tegenwoordig weten we dat de horizon, waar we niet achter kunnen 
kijken, miljarden lichtjaren verwijderd is.

    Zo’n horizon is er omdat het licht uit nog verder verwijderde delen van de ruimte sinds de oerknal niet genoeg tijd heeft gehad om ons te bereiken. Maar daarachter gaat het heelal verder. We 
kunnen alleen niet weten hoe het er daar uitziet.

    We moesten astronomie bedrijven om daarachter 
te komen. In elk geval houdt de vraag wat er aan de andere kant van de horizon is ons nog altijd bezig. Die vraag is er alleen maar fascinerender op geworden. Er wordt vaak gezegd dat wij astronomen met onze telescopen naar de laatste antwoorden zoeken. Dat is niet zo. In werkelijkheid geven we de aanzet tot het stellen van filosofische vragen.

    Hoe nuttig zijn geloofsbegrippen uit een tijd waarin de mensen dachten dat de wereld in zeven dagen is geschapen?

    Ik geloof niet dat we te maken hebben met nieuwe vragen. We zien de oude vragen alleen op een nieuwe manier. Het boek Genesis verhaalt niet over wetenschap, want die was er toen nog niet. Maar alles 
wat er over de schepping in de Bijbel staat, heeft één thema gemeen: het universum is het werk van een bovennatuurlijke god die deze wereld wilde en 
liefheeft. Dat is een diepzinnige overweging die overeind blijft, ook al breidt onze kosmologische 
kennis zich uit.

    Eens. In een wereldse taal zou ik die gedachte als volgt uitdrukken: het universum is in beginsel goed. Maar een dergelijk geloof heeft helemaal niets te maken met wat we over het ontstaan van de kosmos kunnen ontdekken.

    Een ander voorbeeld: in de oudheid vermoedde 
men de aanwezigheid van monsters op de 
onbekende continenten aan de andere kant van de oceanen. Natuurlijk weten we nu dat die monsters er niet zijn. Maar in de afgelopen jaren zijn er wel bijna duizend planeten in andere zonnestelsels 
ontdekt. En het zou heel, heel merkwaardig zijn 
als niet op enkele van deze exoplaneten intelligente wezens wonen. Hoe denken die schepsels over de grote vraagstukken? Welke ideeën hebben zij over de reden van hun bestaan en het ontstaan van het universum? Dan kijk ik naar mijn religie en besef dat de wereld niet alleen maar uit de mensheid bestaat.

    Als ik me goed herinner, spelen andere schepsels van de natuur nauwelijks een rol in de Bijbel.

    De christenen in de middeleeuwen geloofden in elk geval helemaal niet dat de mensheid het middelpunt van alles vormde. Die fout hebben de humanisten pas veel later gemaakt.

    Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven

    In de Middeleeuwen geloofden de mensen in engelen. Die wilt u toch niet gelijkstellen met buitenaardse wezens?

    Wie zich een voorstelling kan maken van engelen, heeft geen problemen met buitenaardse intelligentie.

    Ik heb nooit echt begrepen wat het woord ‘god’ eigenlijk betekent.

    Er zijn veel voorstellingen van God, verkeerde en 
zelfs gevaarlijke voorstellingen. Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven.

    En waarin kunt u geloven? Laten we het met een betekenis proberen waarover we het misschien eens kunnen worden: ‘god’ is de oorzaak van alles. Het woord is een omschrijving van de onbeantwoordbare vragen waarom de wereld bestaat en waarom die is zoals hij is.

    Eens. Maar voor mij is het meer dan dat. De God 
die verantwoordelijk is voor de supernova’s en de natuurwetten hóúdt ook van mij.

    Waarom zou hij uitgerekend in u geïnteresseerd zijn? Of in mij?

    Tja, waarom vinden mijn vrienden me leuk? Als ik daarvoor een lijst van argumenten moet opstellen, ben ik verloren. Eigenlijk zijn er geen redenen. 
Desondanks is de vraag beslist niet triviaal. De liefde komt voor al het andere.

    Gevoelens zijn menselijke emoties. Ik vind 
het moeilijk te begrijpen hoe je zoiets kunt toekennen aan een oergrond van het universum. 
Wilt u ook beweren dat God een wil heeft en 
handelend optreedt?

    Ja.

    Alsof hij een persoon is? De gedachte dat achter 
de laatste onbeantwoorde vraag uitgerekend een wezen met menselijke trekken schuilgaat, lijkt me zachtjes uitgedrukt onwezenlijk.

    Onwezenlijk, ja. Zelfs wonderbaarlijk: God verricht wonderen. Maar dat vind ik niet ongelooflijk.

    Dan moeten we maar eens een wonder tegen 
het licht houden. Gelooft u in de opstanding van het vlees?

    Ja. Als het eenmaal gebeurd is, dan kan het opnieuw.

    Wat doet u aannemen dat Jezus na zijn dood fysiek is opgestaan?

    De mensen die de Verrezene hebben gezien, geloofden er zo heilig in dat ze liever zouden sterven dan die gebeurtenis te verloochenen.

    Hebt u een verklaring voor het fenomeen?

    Natuurlijk niet.

    En als ik zeg dat ik mensen heb ontmoet die bij hun leven zweren dat ze een werkend perpetuum mobile hebben gezien, zou u dat geloven?

    Nee. De opstanding gaat samen met alles wat ik 
verder over God weet. Het perpetuum mobile 
daarentegen is onverenigbaar met alles wat ik over 
machines weet.

    Zowel de opstanding als het perpetuum mobile zijn onverenigbaar met alles wat we over de natuurwetten weten.

    Inderdaad. Beide zijn in tegenspraak met het natuurwetenschappelijke model dat we van het 
universum hebben. Dus kloppen ofwel de data of 
het model niet.

    Welke data?

    De getuigenissen van de mensen die de Verrezene en naar u beweert het perpetuum mobile hebben gezien. Nu gaat u me natuurlijk vragen waarom ik in het ene geval de getuigenissen wel geloof en in het andere niet.

    Of waarom u in de opstanding gelooft, maar niet in het scheppingsverhaal zoals het in de Bijbel staat.

    Omdat er niet zomaar iemand is opgestaan en 
omdat de getuigen met hun leven instonden voor de waarheid van hun verklaring. En vooral omdat de opstanding de kern vormt van een hele theologie 
die het universum zinvol maakt en omdat die mij waarachtig in de oren klinkt.

    Ik wil graag geloven dat de discipelen Jezus na de kruisiging echt hebben gezien. Ze moeten in een enorme shock hebben verkeerd en hallucinaties na een traumatische ervaring zijn een bekend verschijnsel. Ook ik vind dat de opstanding een krachtig verhaal is, maar ik kan dat verhaal niet letterlijk opvatten. Ik lees het als een parabel 
die laat zien hoe het goede soms op verbazingwekkende wijze de haat en het geweld overwint. Zoals ook u Genesis figuurlijk en niet letterlijk opvat.

    Maar wat is dan het verschil tussen uw lezing en 
de mijne? Het komt op het volgende neer: als de opstanding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dan mogen ook wij die verwachten. En als God tegen mij zegt dat er een eeuwig leven is, dan zeg ik geen nee.

    Twijfelt u wel eens aan uw geloof?

    Natuurlijk. Een religieus leven zonder twijfel bestaat niet. Maar ik twijfel niet vaak. In wezen ligt het aan mijn hedonisme. Ik vraag me dan af wat ik eraan heb als ik afstand doe van mijn geloof.

    Eerlijkheid. Waarheid is niet iets wat ik zo wil draaien dat het me het best uitkomt.

    Goed. Maar dan moet u me eens vertellen waarom 
u zo veel waarde hecht aan de waarheid dat u er geen afstand van wilt nemen. Ik zou zeggen dat u ook daarmee een religieus besluit hebt genomen.

    Auteur: Stefan Klein
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | oplage 540.000

    Tolerant en liberaal met grote politieke analyses. 
Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.