Het aantal branden was dit jaar 61 procent meer dan vorig jaar
Het Amazonegebied beleefde dit jaar het slechtste eerste halfjaar in twintig jaar als het gaat om het aantal branden, bericht O Globo. Brazilië registreerde 13.489 branden in de eerste helft van het jaar in het Amazonegebied, het slechtste cijfer in twee decennia en 61 procent meer dan vorig jaar, toen het aantal 8344 was, volgens cijfers die op maandag 1 juli werden gepubliceerd en waar O Globo naar verwijst.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Dit is slecht nieuws voor president Luiz Inacio Lula da Silva, die het hoofd moet bieden aan deze toename van bosbranden, ondanks het feit dat de ontbossing in het Amazonegebied blijft afnemen’, schrijft de krant.
Pakyi en Tamandua zijn de laatste twee bekende, geïsoleerd levende leden van het inheemse Piripkura-volk. De mannen vormen de kern van een groter vraagstuk waar Brazilië al jaren mee worstelt: wie heeft recht op het woud?
Kilometers lang is er alleen maar regenwoud. Dan stuiten de twee rijksagenten op een geïmproviseerde schuilplaats. Het vuur smeult nog na. Ze zien twee paar voetafdrukken, twee machetes en twee plekken voor hangmatten. ‘Hier was hij gewoon,’ zegt Jair Candor, een van de agenten. Het is juni en hij hurkt neer onder het bladerdak terwijl zijn collega foto’s maakt. Al vijfendertig jaar lang zoekt Candor naar een man die niet gevonden wil worden. Nu heeft hij hem op een haar na gemist.
Die man, Tamandua Piripkura, is al zijn hele leven op de vlucht. Niet voor autoriteiten of vijanden – hoewel veel mensen hem graag dood zouden zien –, maar voor de moderne tijd. Tamandua is een van de laatste drie bekende overlevenden van het Piripkura-volk, een aftakking van een grotere inheemse groep die hier ooit verspreid over een groot deel van het woud leefde. Zijn hele leven, vermoedelijk zo’n vijftig jaar, leefde hij geïsoleerd, diep in het Amazonewoud.
Hij deelde het isolement lange tijd met zijn oom Pakyi. Naakt en blootsvoets trokken ze door het woud met niet veel meer dan hun kapmessen en een zaklamp. De derde overlevende, een vrouw die Rita heet, verliet het gebied rond 1985 en trouwde met iemand van een andere stam.
Pakyi, die ouder en zwakker is, woont sinds kort vlak bij een Braziliaanse overheidsbasis, opgericht om de twee mannen in het woud te beschermen. Maar Tamandua is ervandoor gegaan – terwijl hij waarschijnlijk de enige hoop voor het voortbestaan van de Piripkura is.
De mannen vormen de kern van een groter vraagstuk waar Brazilië al jaren mee worstelt en dat gevolgen heeft voor de toekomst van het Amazonegebied en de inheemse bevolking die er al zo lang woont: wie heeft recht op het woud? De veeboeren en houthakkers die van de overheid rechten op het land hebben gekregen, of twee inheemse mannen wier voorouders hier al waren voordat Brazilië een regering had?
Milieuagenda
Toen Candor in 1989 Pakyi en Tamandua voor het eerst aantrof – in een boom, op zoek naar honing – koos Brazilië in feite de kant van de houthakkers. De volgende twee decennia deed de regering niets en konden houtkapbedrijven hun gang gaan in het woud.
In 2007 vond Candor de twee mannen terug. De linkse regering – beïnvloed door veranderende opvattingen over het behoud van de Amazone – huldigde toen andere standpunten. Bijna duizend vierkante kilometer bos, twee keer zo groot als Los Angeles, wees Brazilië aan als beschermd gebied, alleen voor Pakyi en Tamandua.
Die beschermingsmaatregel wekte woede op bij de mensen die dachten dat het land van hen was. Tientallen jaren eerder had de regering het grootste deel van het gebied voor een schijntje aan exploitanten verkocht. Het was destijds een poging om Brazilianen aan te moedigen het bos te ontginnen en de economie te laten groeien. De mensen die deze landrechten geërfd of gekocht hadden, vechten nu de beschermingsmaatregelen aan. Ze willen het land weer kunnen ontginnen en er vee weiden.
Die strijd wordt geleid door de Penço’s, een familie die de grootste kalksteenmijnen in de staat runt en bijna de helft bezit van het voor de Piripkura beschermde gebied. Pakyi en Tamandua hebben niet zoveel land nodig, beweren de Penço’s, en dat de regering hun rechten schendt, vinden ze een verhulde poging om de houtkap te stoppen.
‘Deze twee Indianen zijn slachtoffers. Ze worden misbruikt als middel om een milieuagenda door te drukken,’ zegt Francisco Penço, woordvoerder van de familie, tijdens een recent bezoek aan het woud in gezelschap van zijn advocaat. Hun nette schoenen zitten onder de modder.
Door toenemende druk in de afgelopen decennia zien regeringen zich gedwongen om inheems land te beschermen
Eeuwenlang werden inheemse volken gezien als obstakels voor de vooruitgang en overal ter wereld werden ze afgeslacht. Maar door toenemende druk in de afgelopen decennia zien regeringen zich gedwongen om inheems land te beschermen. In Brazilië zijn dergelijke reservaten een pijler geworden onder de pogingen om het Amazonegebied te behouden. Veertien procent van het land – ruwweg de grootte van Frankrijk en Spanje samen – is inmiddels inheems grondgebied.
Toch worden deze gebieden voortdurend bedreigd door indringers en sinds 2019 zijn er bijna achthonderd inheemse mensen vermoord. Na jaren van genocide en ontbossing zijn er van de meeste stammen nog maar enkele tientallen leden over. Maar volgens deskundigen is geen enkele bekende stam in Brazilië kleiner dan de Piripkura, en hun bescherming loopt nu gevaar.
Na vijftien jaar uitstel wil de regering begin volgend jaar het onderzoek afronden naar de vraag of de Piripkura aanspraak kunnen maken op een permanent reservaat of überhaupt op bescherming. De Penço’s en andere tegenstanders stellen dat het beschermde gebied aanzienlijk kleiner moet worden of helemaal moet verdwijnen. Pakyi woont nu al dicht bij de overheidsbasis, is hun argument. Voor voorstanders van de beschermingsmaatregelen is het daarom van cruciaal belang om te bewijzen dat Tamandua nog leeft.
Dus daarom rijdt Candor, drieënzestig en met een grijze baard, in zijn met modder besmeurde overheidstruck vijf uur door het regenwoud over een onverharde weg die de Penço’s hebben aangelegd om hout te winnen. Het is juni, en Candor is op weg naar de basis om Tamandua te zoeken. Hij heeft hem nu twee jaar niet meer gezien.
Hij is nog maar net gearriveerd op de basis, of er verschijnt een figuur bij de hordeur: een man van een meter tachtig, bedekt met de rode kleurstof van een vrucht uit het Amazonegebied. Het is Pakyi. Hij komt binnen en kijkt argwanend naar de nieuwkomers: twee overheidsagenten en twee journalisten. Maar al snel toont hij een brede glimlach, schudt hun handen en trekt aan hun baarden. Hij is kleren gaan dragen toen hij zag dat anderen dat ook deden. Zijn vuile shirt heeft hij achterstevoren en is bedrukt met een tekst: ‘Niemand van ons is beter dan wij allemaal samen.’
Met plezier vertelt hij over de jachtpartijen van vroeger, maar vragen over zijn familie en zijn neef negeert hij of weigert hij te beantwoorden. De volgende dag gaat hij op een boomstam zitten en begint te praten. Tamandua is in het bos, zegt hij via een tolk, en hij wil niet gevonden worden.
Vuur
Een van de laatste keren dat Tamandua werd gezien, was in 2017. Pakyi en hij kwamen naar de overheidsbasis met een eenvoudig verzoek: steek onze fakkel aan. Candor had hen voor het laatst vuur gegeven in 1998. Hij denkt dat ze sindsdien het vuur brandend hielden door met de fakkel het kampvuur aan te steken en omgekeerd. Als het regende, wikkelden ze de sintels in bananenbladeren.
Pakyi en Tamandua maken hangmatten van schors, jagen met vallen op miereneters en bouwen schuilplaatsen met de brede palmbladeren van de babaçuboom. Toch maken ze geen vuren meer, gebruiken ze geen pijlen meer en verbouwen ze geen cassave meer.
Minder dan een eeuw geleden leefden de Piripkura in een dorp met meer dan honderd mensen – het kunnen er meer zijn, denken antropologen – met dezelfde hulpmiddelen als hun buren: vuur, wapens, aardewerk, gewassen.
Hoe de Piripkura van een compleet dorp tot slechts drie mensen zijn vervallen is onduidelijk. Antropologen hebben de geschiedenis grotendeels samengesteld op basis van verhalen van de derde overlevende, Rita, die waarschijnlijk de zus is van Pakyi. Rita zegt dat haar familie haar heeft verteld dat alles veranderde toen de witten arriveerden.
In de jaren veertig deelde de regering goedkoop land uit in het Amazonegebied. ‘Meer rubber voor de overwinning!’ vermeldde een poster van de Braziliaanse regering uit 1943, waarop mannen werden opgeroepen om rubbertapper te worden om de geallieerden bij hun oorlogsinspanningen te helpen.
Kolonisten slachtten de inheemse bevolking af. De Braziliaanse regering heeft erkend dat tijdens de militaire dictatuur van het land tussen 1964 en 1985 tenminste 8300 inheemse mensen zijn vermoord.
Bij één bloedbad werd een dorp in Piripkura gedecimeerd, vertelden familieleden aan Rita, die in de zestig is. Mannen hakten lichamen in stukken, verminkten genitaliën en lieten slachtoffers gespietst achter op boomstammen, vertelde Rita aan overheidsfunctionarissen. Toen Rita en Pakyi nog kinderen waren, telde hun groep nog maar tien tot vijftien leden. Als een van de weinige vrouwen was Rita zeer begeerd. Ze kreeg twee kinderen van een man van een andere stam en toen hij stierf aan een infectie, vroegen Pakyi en haar vader haar ten huwelijk. ‘Ben je gek?’ zei ze in een interview. ‘Trouwen met mijn vader?’
‘Het enige wat hij vroeg was of we hem niet wilden doden’
Toen kwam het moment waarop de familie uit elkaar viel: Pakyi vermoordde de twee kinderen van Rita. Eerst vermoordde hij haar oudste zoon, die vier of vijf geweest moet zijn, omdat hij huilde, volgens Rita en een overheidsrapport uit 2012. Pakyi scalpeerde de jongen en begroef zijn lichaam, aldus het rapport. Later droeg hij Rita’s dochtertje het bos in en liet haar daar achter. Pakyi heeft er nooit over gesproken, zegt Candor, en de regering heeft de moorden nooit verder onderzocht.
Rita vluchtte en rende urenlang naar een veeboerderij met de naam Change Farm waarvan ze wist dat er witte mannen woonden. De boerderij is eigendom van de Penço’s. ‘Het verbaast me dat mensen zeggen dat veeboeren de Indianen willen doden,’ zegt Penço. ‘We hebben Rita beschermd toen ze moest ontsnappen.’
Bij Change Farm kwam er een einde aan het isolement van Rita. Van 1983 tot 1985 werkte ze op de ranch, waar ze kleren begon te dragen en Portugees leerde. Volgens het rapport van een antropoloog werd ze er ook mishandeld en geslagen met een bezem. In 1985 liep ze weg en kwam uiteindelijk terecht bij specialisten van de overheid die op zoek waren naar haar stam. Ze liet hun zien waar haar familie had gewoond, maar toen ze er aankwamen waren de huizen verlaten.
In 1989 sloot ze zich aan bij een nieuwe expeditie, dit keer met Candor. Op de tweede dag, na een bezoek aan het graf van de zoon van Rita, waadden ze borstdiep door een moeras naar een eiland.
Daar zagen ze Pakyi en Tamandua, die op zoek waren naar honing. Pakyi vluchtte weg. Tamandua bleef steken in de boom. ‘Hij begon te beven,’ zegt Candor. ‘En het enige wat hij vroeg was of we hem niet wilden doden.’
Uiteindelijk namen Pakyi en Tamandua Rita en Candor mee naar hun schuilplaats. De groep bracht twee weken samen door en Candor stelde Pakyi en Tamandua steeds weer dezelfde vraag: waar zijn de anderen? ‘Ze zeiden dat ze dood waren. Maar op een ander moment zeiden ze dat ze ergens daarbuiten waren,’ zegt Candor. ‘Maar ze zeiden nooit waar of waarom of wat er gebeurd was.’
Officieel had Candor een nieuw volk ontdekt – een ontdekking die normaal gesproken zou leiden tot bescherming door de overheid. Maar eind jaren negentig liet de regering de zaak grotendeels rusten.
In 2007 vroeg een andere inheemse stam aan de regering wat er met de Piripkura was gebeurd en Candor werd opnieuw op onderzoek gestuurd. Toen hij met Rita aankwam, was de plek veranderd.
‘Overal waren houthakkers,’ zegt Candor. ‘Overal hoorde je het gejank van kettingzaken en zag je omgevallen bomen.’ Na drie maanden zoeken stonden Candor en Rita op het punt het op te geven. Toen hoorden ze het tweetal in de verte praten. Pakyi en Tamandua waren inmiddels tien jaar ouder, maar nog steeds in leven en alleen in het bos.
Spelregels
Jarenlang haalde de familie Penço hout uit het gebied, waarvan een groot deel bestemd was voor vloeren in de Verenigde Staten. De beschermingsmaatregelen die in 2008 werden uitgevaardigd, maakten abrupt een einde aan die handel. De patriarch van de familie, Celso Penço, had tientallen jaren eerder goedkope stukken regenwoud gekocht van de overheid. Toen hij in 2016 stierf, liet hij bijna tweeduizend vierkante kilometer van het Amazonegebied na aan zeven erfgenamen – een gebied dat zeker half zo groot is als Long Island. Twee derde daarvan lag binnen het voor de Piripkura beschermde gebied.
De Penço’s beweren dat de grensmarkeringen van het gebied willekeurig en verouderd zijn, en gebaseerd op sporen van schuilplaatsen die tientallen jaren geleden zijn gevonden. In plaats daarvan zouden Pakyi en Tamandua hooguit zo’n vierhonderd vierkante kilometer moeten krijgen, zeggen ze, oftewel een zesde van het huidige beschermde gebied. ‘En niet omdat we geloven dat deze twee Indianen zoveel ruimte nodig hebben,’ aldus Rodrigo Quintana, een van de advocaten van de Penço’s.
Volgens Candor daarentegen hebben de Piripkura een sterkere claim op het land dan de Penço’s. ‘Als zij recht hebben op dit alles,’ zegt hij over de Penço’s, ‘waarom hebben de jongens die hier geboren en getogen zijn en die hier hun familieleden hebben zien sterven, dat dan niet?’
Francisco Penço, de zoon van Celso Penço, zegt dat de regering de ‘spelregels’ heeft veranderd nadat het land verdeeld was. Als de regering het land wil hebben voor de Piripkura, zal ze de landeigenaren moeten betalen. Volgens zijn berekeningen heeft zijn familie dan 45 tot 70 miljoen dollar tegoed. Penço betwijfelt het of de mannen echt geïsoleerd leven en wijst erop dat moderne medicijnen hen verschillende keren in leven hebben gehouden. In één geval, in 2018, droegen Candor en een collega Tamandua uit het bos omdat hij niet kon lopen. In het ziekenhuis ontdekten artsen een bloedprop in zijn hersenen.
Pakyi en Tamandua zagen decennia lang vrijwel alleen elkaar en geloven volgens antropologen dat moderne technologie afkomstig is van een godheid boven de wolken, en wordt opgehaald door witten in vliegtuigen. Maar nu zaten ze zelf op een commerciële vlucht naar São Paulo, de grootste stad van Latijns-Amerika, voor een hersenoperatie. Op het vliegveld hadden ze bijna in het openbaar geplast. In het vliegtuig greep Pakyi naar de borsten van een vrouw.
Ze bleven anderhalve maand in São Paulo en sliepen in hangmatten die het ziekenhuis voor hen had opgehangen. ‘Ze vroegen de hele tijd of ze weg mochten,’ zegt Cleiton Gabriel da Silva, de federale agent die hen begeleidde. ‘De stad was traumatiserend.’ Vooral voor Tamandua was de ervaring erg zwaar. ‘Snijden in zijn hoofd, hem steeds opnieuw injecteren en verdoven,’ aldus Da Silva. ‘Hij begreep niet dat dit allemaal nodig was om zijn leven te redden.’
Candor denkt niet dat Pakyi, met zijn leeftijd en temperament, nazaten zal krijgen. Maar voor Tamandua geldt dat misschien wel
Kort na hun terugkeer koos Pakyi ervoor in de buurt van de overheidsbasis te verblijven. Hij kookt vogeltjes die de agenten voor hem vangen en probeert te voetballen, waarbij hij vooral zijn handen gebruikt. Hij en Rita hebben nog steeds een moeizame relatie, maar hij slaapt elke nacht met een opgezette uil die ze hem heeft gegeven. Tamandua is nog steeds spoorloos.
Dat is de reden waarom Candor in juni samen met de twee journalisten terugging naar de basis. Daar vond hij de schuilplaats en de twee paar voetafdrukken op slechts dertig minuten lopen het bos in. Voor hem het bewijs dat Tamandua nog in leven is – een vondst die cruciaal kan blijken voor de bescherming. De oprichting van een Piripkura-reservaat zou dit deel van het bos kunnen redden, maar misschien niet de Piripkura zelf.
Enkele jaren geleden bracht Candor Pakyi en Tamandua naar het dorp van een andere inheemse groep die een vergelijkbare taal spreekt. Candor hoopte dat het bezoek hen zou inspireren. Antropologen zouden eventuele nakomelingen van de twee mannen als een nieuwe Piripkura-generatie beschouwen. Candor denkt niet dat Pakyi, met zijn leeftijd en temperament, nazaten zal krijgen. Maar voor Tamandua geldt dat misschien wel.
‘Als er een vonk overspringt tussen hem en een van de meisjes daar? Zeker,’ zegt Candor. Alleen bleken de vrouwen in het dorp meer geïnteresseerd in hun smartphone. ‘Ze zijn in de ban van de nieuwe technologie,’ zegt Candor, ‘en hebben geen interesse in het leven hier, zwervend door het bos.’
Wat Rita betreft is een groot deel van het regenwoud waar haar familie ooit leefde met de grond gelijk gemaakt, net als het heilige gebied waar haar volk, inclusief zijzelf, ooit is bevallen.
Of er nog een Piripkura geboren wordt, zegt ze, hangt af van één persoon: Tamandua.
De meeste moorden werden in Latijns-Amerika gepleegd
Colombia was in 2022 het dodelijkste land ter wereld voor milieuactivisten, met ruim zestig doden in één jaar tijd. Dat schrijftThe Guardian op basis van het Global Witness Report. Daarmee werd in Colombia een derde van alle moorden op milieuactivisten wereldwijd gepleegd. Daarnaast is het een verdubbeling ten opzichte van 2021.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Latijns-Amerika was sowieso de regio met de meeste moorden: bijna 90 procent van de milieuactivisten werd hier vermoord. Naast Colombia bleken ook Brazilië en Mexico zeer gevaarlijk voor activisten. Een derde van alle vermoorde milieuactivisten kwam van een inheemse groepering.
Verder valt op dat veel moorden in het Amazonewoud werden gepleegd: ruim 20 procent. In het gebied is veel georganiseerde misdaad actief, die verdient aan illegale houtkap, illegale visserij, illegale mijnbouw en de productie van cocaïne.
‘Het tiental landen dat al duizenden jaren zijn tropische bossen het beste beschermt’ wil nu dat ‘de geïndustrialiseerde landen ophouden met beloftes te doen en hun portemonnee trekken,’ vat El País de boodschap van de Braziliaanse president Luiz Inácio Lula da Silva samen. De linkse leider drong er tijdens de Amazone-top op aan dat de rijke landen hun steentje bijdragen om het regenwoud te beschermen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Het zijn niet Brazilië, Colombia of Venezuela die geld nodig hebben, het is de natuur,’ verklaarde de Braziliaanse president in Belém, waar de landen van de Amazone-regio zijn samengekomen. ‘Het is de natuur aan wie zij [de rijke landen] moeten betalen om te herstellen wat ze in tweehonderd jaar van industriële ontwikkeling hebben vernietigd,’ voegde hij eraan toe.
Volgens El País haalde Lula uit naar de Europese Unie in het bijzonder: ‘Protectionistische maatregelen die slecht vermomd zijn als bezorgdheid om het milieu, zijn niet de weg vooruit.’ Hij doelde hiermee op de recente Europese wet die de import van producten uit ontboste gebieden verbiedt, aldus de Spaanse krant.
Ontbossing van de Amazone is het afgelopen jaar afgenomen
In Brazilië wordt de komende twee dagen een Amazone-top gehouden, waarop Zuid-Amerikaanse landen praten over hoe ze het unieke regenwoud het best kunnen beschermen. De top vindt plaats in de plaats Belém, waar de Amazone in de oceaan stroomt. Het is voor het eerst sinds 2009 dat er een Amazone-top wordt georganiseerd.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Onder de huidige president Lula is ontbossing in de Amazone afgenomen, waar zijn voorganger Jaïr Bolsonaro juist enorme schade aan het regenwoud toebracht. In 2030 wil Lula dat er helemaal geen bomen meer worden gekapt in het Braziliaanse deel van de Amazone, die zich verder ook over Bolivia, Ecuador, Peru en Colombia uitstrekt. Folha de São Paulo schrijft dat Lula op de top zal aankondigen dat zeker twee gebieden in de Amazone zullen worden uitgeroepen tot beschermd inheems gebied.
Het bos speelt een belangrijke rol in de strijd tegen klimaatverandering, omdat ruim een kwart van alle koolstofdioxide die wereldwijd wordt uitgestoten wordt opgenomen door de bomen van de Amazone. De deelnemende landen willen met een plan van aanpak komen om naast ontbossing ook illegale mijnbouw en visserij alsmede drugshandel tegen te kunnen gaan.
Een referendum moet uitsluitsel geven over de vraag of de Ecuadoraanse regering ruwe olie mag exploiteren in een gebied van ruim 1 miljoen hectare met de grootste biodiversiteit ter wereld. De oorspronkelijke bewoners, de Waorani, doen er alles aan om hun leefomgeving te beschermen.
Op 15 augustus 2013 maakte de president van Ecuador, Rafael Correa, de stopzetting van het Yasuní ITT-initiatief bekend. Het betrof een project dat was opgezet om de aanwezige aardolie in blok 43 van Nationaal Park Yasuní in de grond te houden. Dit park, het grootste beschermde gebied van Ecuador, beslaat meer dan een miljoen hectare verdeeld over de provincies Orellana en Pastaza, in het noordoosten van het Amazoneregenwoud.
De annulering van het project liep vooruit op de plannen van de regering om genoemd blok te exploiteren, ook al bevond het zich in een van de gebieden met de grootste biodiversiteit ter wereld; dit gebied is door de Unesco uitgeroepen tot biosfeerreservaat en is domicilie van de Tagaeri en de Taromenane, de laatste inheemse groepen die in Ecuador in vrijwillig isolement leven. Vanwege de stopzetting vroeg het milieucollectief Yasunidos om een referendum, met de bedoeling de burgers zelf te laten beslissen. Tien jaar later, na talloze juridische obstakels, gaf het Constitutioneel Hof toestemming; het referendum zal nu op 20 augustus worden gehouden.
Een dag na de gunstige beschikking om een referendum uit te schrijven begon de minister van Energie, Fernando Santos, over de te verwachten verliezen voor de staat als de exploitatie van blok ITT zou worden geblokkeerd: ‘Het gaat om 1,2 miljard dollar aan (jaarlijkse) inkomsten in een land met enorme problemen,’ zei hij. De regering gaf te kennen dat er irrationele verlangens ten grondslag lagen aan het verzet tegen het genereren van inkomsten die overduidelijk hard nodig waren. Ze liet welbewust de schaduwkanten van haar eigen pleidooi buiten beschouwing.
Koolstofdioxide
Het Yasuní ITT-initiatief hield in dat Ecuador zich verplichtte 846 miljoen vaten in de grond te houden, wat de uitstoot van 400 miljoen ton koolstofdioxide moest tegenhouden. In ruil daarvoor zou het land een financiële compensatie van de internationale gemeenschap krijgen van 3600 miljoen dollar, 50 procent van wat, heette het, de baten zouden zijn als de olie wel werd geëxploiteerd. Toen het initiatief, zes jaar nadat het was gelanceerd, werd afgeblazen, was er 13 miljoen dollar binnengekomen, amper 0,37 procent van het verwachte bedrag.
Het Nationaal Park Yasuní, dat in 1989 door de Unesco tot biosfeerreservaat werd verklaard, en het aangrenzende Voorouderlijk Leefgebied van de Waorani behoren tot de gebieden met de hoogste biodiversiteit ter wereld. In het park wees de Ecuadoraanse staat in 1999 een zona intangible aan, een ‘onaantastbare zone’ (ongeveer 74 procent van het totale oppervlak), die eeuwig moest worden gevrijwaard van oliewinning. Het aardolieblok ITT grenst aan een deel van de onaantastbare zone, waar de Tagaeri en Taromenane wonen; zij zijn verwant zijn met de Waorani, een van de veertien oorspronkelijke inheemse groeperingen van het land.
Tot halverwege de jaren vijftig leefden alle stammen met een Waorani-origine in vrijwillig isolement. Ze kregen met gedwongen verhuizing te maken toen zendelingen van het Linguïstisch Zomerinstituut hen, met toestemming van de staat, uit hun gebied weghaalden en verplaatsten naar een bepaald stuk grond met de bedoeling hen te ‘kerstenen’. Een deel van het territorium dat ze achterlieten werd prompt ingepikt door Texaco, waarmee het begin van de ecologische verwoesting door aardoliewinning een feit was.
Toen in 2008 de huidige grondwet werd opgesteld, werd revolutionair genoeg gedecreteerd dat de natuur moest worden erkend als rechtspersoon en dat de inheemse dorpen moest worden gegarandeerd dat ze tevoren zouden worden geraadpleegd over eventuele exploitatieplannen van hun territorium. Niettemin verzocht de toenmalige president Correa het parlement met een beroep op dezelfde grondwet, na de mislukking van het Yasuní ITT-initiatief te hebben afgekondigd, om de exploitatie van de aardolie in blok ITT van nationaal belang te verklaren.
Jongeren
Uit verontwaardiging over de teleurstellende beschikking vormden leden van mensenrechtenorganisaties, milieuactivisten en feministen, veelal jongeren tussen de zestien en dertig, het collectief Yasunidos, een onafhankelijk front dat inmiddels alle kritische geluiden tegen het grove verdienmodel bundelt en van de casus Yasuní ITT zijn speerpunt heeft gemaakt.
Niet veel later later deponeerde Yasunidos een vraag bij het Constitutioneel Hof om het genoemde referendum uit te schrijven: ‘Bent u het ermee eens dat de regering van Ecuador de ruwe olie van het ITT, bekend als blok 43, voor onbepaalde tijd in de grond houdt?’
Tegen april 2014 waren vrijwillige inzamelaars erin geslaagd 757.623 handtekeningen binnen te halen, veel meer dan het vereiste aantal. Ze werden diezelfde maand ter verificatie overhandigd aan de Nationale Kiesraad. Maar via een proces dat jaren later frauduleus zou worden bevonden schrapte dat instituut meer dan vierhonderdduizend handtekeningen en weigerde het toestemming tot het referendum. Er werden de idiootste redenen aangevoerd om de ongeldigverklaring van de handtekeningen te onderbouwen: dat er alleen met een blauwe balpen mocht worden ingevuld, dat de formulieren niet allemaal even groot waren of evenveel wogen, dat de kopie van de achterkant van het identiteitsdocument van de inzamelaars ontbraken, dat iemand die Batman heette niet mocht tekenen, al zijn er in Ecuador mensen die zo heten en had inderdaad een zekere Batman zich pro Yasuní uitgesproken.
Er was een kronkelig proces begonnen, waarin vanuit vijf regeringsinstanties een onbeschrijfelijke wirwar aan juridische beletselen naar voren kwam om maar te verhinderen dat het referendum werd uitgeschreven. Het proces zou tien jaar duren en drie regeringen overleven. ‘Het is duidelijk dat de staat, onafhankelijk van het zittende staatshoofd, waakt over de belangen van de grondstofwinning die het levensbloed van het kapitaal zijn,’ zegt zegt Pedro Bermeo, juridisch adviseur en spreekbuis van Yasunidos.
Uiteindelijk, in september 2022, toen het Constitutioneel Hof erkende dat de rechten van Yasuní en de ondertekenaars waren geschonden, gaf de Landelijke Kiesraad dan toch toestemming voor het uitschrijven van het referendum. Wel moest nog de vraag worden goedgekeurd die tien jaar eerder was voorgelegd.
De grootste armoede heeft zich juist in het Amazonegebied geconcentreerd
Als de uitslag ‘ja’ wordt, zou dat de geleidelijke ontmanteling moeten betekenen van de olievelden die daar al in werking zijn. Niets had kunnen verhinderen dat dat gebeurde. In 2016, zodra de verklaring over het vermeende nationaal belang van kracht werd, begon het staatsoliebedrijf Petroamazonas met de exploitatie van de velden Tiputini en Tambobocha, en in 2022 ging het een stap verder met het bodemonderzoek van het Ishpingo-veld.
Alicia Cahuiya en haar voorouders werden geboren in de gemeenschap Ñuneno, in het hart van wat nu het huidige Nationaal Park Yasuní is, in de zona intangible. Halverwege de jaren zeventig, toen ze zes maanden oud was, werden zij en haar familie uit hun grondgebied gehaald en overgeplaatst naar wat door de zendelingen als een protectoraat werd betiteld. Meer dan tien jaar lang woonden ze ver van hun geboortegrond.
Alicia, nu zevenenveertig en moeder van vijf kinderen, begon ze zich af te vragen hoe die ondernemingen hun land konden binnenkomen zonder de daar wonende gemeenschappen te hebben geraadpleegd. Op haar vijftiende kwam ze al met vrouwen van haar eigen stam samen te komen om het verzet te organiseren en begon een politieke loopbaan die ze tot nu toe vastberaden heeft volgehouden.
Op een gegeven moment besefte ze dat het complot tussen de staat en de zendelingen uiteindelijk zijn beslag kreeg dankzij de medewerking van corrupte leiders van hun eigen mensen die, in ruil voor privileges, de plundering toestonden. Om het recht op financiële autonomie te verkrijgen en politieke bewegingsvrijheid af te dwingen richtte ze de Amwae op, het Verbond van Waorani-vrouwen uit het Ecuadoraans Amazonegebied; later werd ze de op een na belangrijkste persoon van de Nawe, de organisatie die de hele Waorani-gemeenschap van Ecuador omvat.
Economisch profijt
Sinds Ecuador in 1972 veranderde in een olie exporterend land, heeft in de collectieve verbeelding het argument postgevat van economisch profijt als gevolg van de oliewinning. Dat groeide langzaamaan uit tot een panacee van jewelste: het zou een einde maken aan honger en armoede. Dit is doel niet gehaald, sterker nog, de grootste armoede heeft zich juist in het Amazonegebied geconcentreerd.
Wat betreft de bodemonderzoeken in het Ishipingo-veld, het kwetsbaarste omdat het grenst aan de zona intangible, zei minister Santos begin mei in een lokale krant dat ‘het een teleurstelling was, omdat er een heel dikke teer naar boven kwam’.
Vanwege alle complicaties die samenhangen met het oppompen van ruwe olie in blok ITT heeft [de nationale oliemaatschappij] Petroecuador erop gewezen dat van de 846 miljoen vaten die in 2007 werden geacht nog als oliereserve aanwezig te zijn, er vandaag de dag nog maar 136 miljoen resteren. Ter verdediging voerde het bedrijf aan dat de winst de komende 33 jaar zo’n 4800 miljoen dollar zou bedragen, dat wil zeggen 148 miljoen per jaar, een bedrag dat hooguit 0,47 procent van de nationale begroting in 2023 bedraagt.
‘De plek met de meeste biodiversiteit ter wereld wordt vernietigd vanwege een verwaarloosbaar getal,’ zegt Pedro Bermeo. Fernando Benalcázar, de voormalige onderminister van Mijnbouw, verdedigt de exploitatie van blok ITT en houdt vol dat juist het deel van het Nationaal Park Yasuní dat aangetast zou worden te verwaarlozen is. ‘Voorkomen dat beslag wordt gelegd op 85 hectare ten behoeve van 18 miljoen Ecuadoranen lijkt mij niet op z’n plaats,’ zei hij.
Als een van de alternatieven voor het oliewinningsmodel stelt Bermeo het schrappen van de belastingvrijstellingen voor de rijksten van het land voor. Volgens gegevens van de Dienst Interne Inkomsten liep Ecuador om die reden in 2021 6338 miljoen dollar mis, wat per jaar alleen al zo’n 30 procent meer is dan wat het in 33 jaar zou ontvangen met de exploitatie van blok ITT.
Als de inkomsten door de aardolieverkoop niet ten goede komen aan ontwikkeling, als ze bijna gelijk zijn aan wat wordt besteed aan het importeren van derivaten, als de reserves afnemen, wie wordt er dan rijker van die handel? ‘Dat zijn de grote ondernemingen die de branche diensten verlenen,’ antwoordt Ramiro Ávila, een raadsman van Yasuní en universitair hoogleraar.
Als de uitslag ‘ja’ is, zouden olievelden in werking ontmanteld moeten worden
Ecuador zou in een ander land veranderen sinds het een aardolie-economie werd. ‘De staat werd pas corrupt doordat er veel geld in het geding was,’ zegt Ávila. ‘Het exploitatiemodel is aan alle kanten corrupt: er wordt gesjoemeld om een aanbesteding te bemachtigen, en de winst te verdelen. Het is een ramp.’ Minister Santos zelf deed er een schepje bovenop in zijn inaugurale toespraak in oktober 2022. ‘De olie heeft vooruitgang gebracht, maar ook de kanker van de corruptie.’
Ondanks de bewijzen waaruit de huidige zwakte van de economie blijkt en ondanks de veelsoortige schade van ecologische aard die de exploitatie veroorzaakt, zal Ecuador in de nabije toekomst niet kiezen voor een verantwoordelijker en rechtvaardiger beleid. Toch kan het tegenhouden van de exploitatie van blok ITT wel degelijk symbolische betekenis hebben. ‘Het land stort niet in als blok 43 niet langer wordt geëxploiteerd,’ zegt Ávila. ‘Maar als we daarvoor kiezen, kiezen we voor een manier van leven die niet is gebaseerd op de exploitatie van de mens of de agressieve uitputting van de natuur. Dat is wat er op het spel staat.’
Lula behaalt niptste overwinning in Braziliaanse geschiedenis
Luiz Inácio Lula da Silva heeft in de verkiezingen van zondag nipt zittend president Jair Bolsonaro verslagen en gaat na de periode 2003-2010 aan een derde termijn beginnen als president van Brazilië. Sinds de terugkeer van de democratie in Brazilië in de jaren tachtig heeft een president nog nooit drie termijnen gediend. ‘Onze meest urgente verplichting is het opnieuw uitbannen van honger,’ zei Lula in zijn overwinningstoespraak in São Paulo. Ook beloofde het Amazonegebied te beschermen en verklaarde hij dat ‘wij één volk zijn’. Er zijn niet ‘twee Braziliës’, citeert Correiro Braziliense.
De kloof tussen de twee kandidaten in de tweede ronde was de kleinste in de geschiedenis, volgens Rio Times. Lula kreeg 50,89 procent van de stemmen en Bolsonaro 49,11 procent. Een verschil van ongeveer 2 miljoen stemmen, met een totaal van 120 miljoen Brazilianen die naar de stembus gingen. Zoals The New York Times opmerkt ‘blijft er bezorgdheid bestaan over de gezondheid van een van ’s werelds grootste democratieën’. Maandenlang heeft Bolsonaro bij voorbaat de uitslag van de verkiezingen in twijfel getrokken. ‘Nu vraagt een deel van het land: zal hij zijn nederlaag accepteren?’ aldus het dagblad. Volgens verschillende Braziliaanse kranten weigerde Bolsonaro, de eerste president die niet werd herkozen, zondag elk bezoek aan huis, ook van zijn familie. Ook heeft hij zijn tegenstander nog niet gefeliciteerd.
‘Brazilië kan weer ademhalen met het einde van het tijdperk-Bolsonaro’
Het Braziliaanse dagblad O Globo verwelkomt de overwinning van Lula: ‘Brazilië kan weer ademhalen met het einde van het tijdperk-Bolsonaro’. Lula staat echter voor een ‘groot aantal uitdagingen’, waarschuwt La Tercera. Het Chileense dagblad noemt de inflatie, de terugkeer op het internationale toneel na het unilateralisme van Bolsonaro en de ontbossing in het Amazonegebied. De Argentijnse krant Clarín herinnert Lula eraan dat sinds zijn twee mandaten in het begin van de jaren 2000 ‘het land niet meer hetzelfde is’. De welvaart in Brazilië is niet meer dezelfde als tien jaar geleden, door hoge schulden en de economische gevolgen van de pandemie.
Ook politiek gezien is de Zuid-Amerikaanse natie veranderd. ‘Ondanks zijn staat van dienst heeft het bolsonarisme zich geconsolideerd als een populaire rechtse optie in een verdeeld land’, merkt Folha de São Paulo op. Bolsonaro ‘heeft Donald Trump altijd als zijn idool gehad’ en de voormalige Amerikaanse president ‘is er zelfs buiten de macht in geslaagd het trumpisme in de VS levend te houden’. Lula kan daarom vijandige oppositie verwachten.
In het buitenland moet de 74-jarige leider juist rekenen op de steun van zijn buren. El País merkt op dat ‘de vijf belangrijkste Latijns-Amerikaanse economieën voor het eerst door links zullen worden geregeerd’. De leiders van Colombia, Mexico, Chili en Argentinië zullen de eerste zijn die Lula’s terugkeer op het wereldtoneel zullen steunen. ‘Deze zondag heeft de coalitie van Lula niet alleen Bolsonaro verslagen, maar ook de leiding genomen in een nog nooit eerder vertoonde regionale alliantie die geen precedent zal kennen‘, benadrukt het Spaanse dagblad.
Door de aanwezigheid van mijnbouwbronnen en een overvloed aan vis wordt de Braziliaanse Javari-vallei steeds vaker bedreigd door gewapende stropers die erop uit zijn de rijkdommen te plunderen.
Dit artikel stamt uit 2018; het wordt opnieuw gepubliceerd ter herinnering aan een van de auteurs, Dom Phillips, die in juni 2022 werd vermoord vanwege zijn betrokkenheid bij bedreigde inheemse volken van de Amazone.
Luister dit artikel:
Francisco Lima zit in een houten wachttoren en knipt een zoeklicht aan en uit terwijl hij de donkere rivier afspeurt. Hij kamt het gebied uit op eventuele commerciële vissers die de rivieren plunderen in de Javari-vallei, een afgelegen inheems reservaat aan de Braziliaanse grens met Peru.
Zijn wachttoren biedt uitzicht over de rivieren die uitmonden in dit reservaat, waar zesduizend mensen uit acht verschillende stammen wonen, elk met hun eigen taal en gebruiken. Dit gebied kent de hoogste concentratie van zogenoemde geïsoleerde inheemse groepen ter wereld. Naast de inheemse bevolking mogen alleen geautoriseerde bezoekers het reservaat betreden, maar het 12V-lampje dat de 55-jarige Lima gebruikt kan indringers maar moeilijk tegenhouden.
In het kort
• Illegale vissers en stropers bedreigen het bestaan van de inheemse bevolking in de Javari-vallei.
• Gouddelvers vervuilen de rivieren met kwik. Er wordt gejaagd op beschermde diersoorten, zoals schildpadden.
• Mensen die het reservaat binnendringen, moeten zwaarder worden gestraft, en er is meer geld nodig om het reservaat te beschermen.
‘Er is een kortere route,’ zegt hij, terwijl hij ergens in het halfduister een waterweg aanwijst die om de haven loopt. De haven is in het bezit van Funai, de Braziliaanse overheidsdienst voor de bescherming van de inheemse bevolking. De vissers laten hun kano’s vollopen, zegt Lima, dompelen zich onder en kunnen zo stilletjes de straal van het zoeklicht ontlopen.
Warrige schoonheid
Dit groepje houten hutten dat op palen boven de rivier uitsteekt, is een van de vier Funai-bases in de Javari-vallei. De vallei is een wildernis van dichte bossen, steile ravijnen en kronkelende rivieren, zonder wegen of mobieletelefoonnetwerken – en zonder politie. In de rivieren van Javari liggen anaconda’s en alligators op de loer; slangen, jaguars en schorpioenen zwerven door de bossen, apen krijsen in de bomen. Het is van een weelderige, warrige schoonheid die nog onbezoedeld is door menselijk ingrijpen.
Gedurende meer dan tien jaar nadat het reservaat in 1998 werd opgericht, behoorden de zestien geïsoleerde inheemse stammen tot de best beschermde in Brazilië. Maar vandaag de dag wordt het reservaat op meerdere fronten binnengedrongen, waardoor de geïsoleerde groepen, die met pijl en boog of met blaaspijpen jagen en contact met de moderne samenleving vermijden, gevaar lopen. Contact met buitenstaanders kan dodelijk voor hen zijn, omdat zij geen immuniteit hebben opgebouwd tegen ziekten zoals griep.
‘De kwetsbaarheid van deze volkeren neemt toe. Er is geen effectieve bescherming’
‘De kwetsbaarheid van deze volkeren neemt toe,’ vertelde Beto Marubo, een inheemse leider in Javari, in april aan het Permanente Forum over Inheemse Aangelegenheden van de Verenigde Naties in New York. ‘Er is geen effectieve bescherming.’
Inheemse leiders en medewerkers van Funai zeggen dat de conservatieve regering van president Michel Temer het instituut opzettelijk van middelen berooft, zodat ze de machtige lobby van de agro-industrie tevreden kan stellen. ‘Temer wil een einde maken aan inheemse gebieden,’ zegt João Gomes Kanamari, 49 jaar oud en stamlid van de Kanamari. ‘We hebben veel hout. We hebben veel goud en mijnbouwbronnen.’
Op de Funai-basis in Atalaia do Norte, de stad die het dichtst bij het reservaat ligt, zijn de telefoons afgesloten en werkt het internet niet meer. Contracten voor brandstof en andere goederen worden opgezegd en het gerucht gaat dat de basis binnenkort wordt gesloten. ‘Als je het systeem verzwakt, werkt het niet,’ zegt Bruno Pereira, een medewerker van Funai die met geïsoleerde en voormalig geïsoleerde inheemse mensen in het reservaat werkt.
Schildpadden
Diep in de Javari-vallei kunnen vissers tot een halve ton pirarucu [een zoetwatervis] en zevenhonderd schildpadden vangen op een enkele tocht. Allebei zijn het beschermde diersoorten. Ook jagen ze op het land, waardoor geïsoleerde bevolkingsgroepen worden beroofd van waardevolle voedselbronnen.
In de oostelijke regio’s van het land vervuilen illegale gouddelvers rivieren met kwik. Veeboeren rukken op vanuit het zuiden. In de buurt van de noordelijke grenzen worden drugs getransporteerd over de rivier de Solimões – afgelopen oktober werd na een schietpartij 776 kilo cocaïne in beslag genomen.
De Unie van Inheemse Volken van de Javari-vallei heeft de Noorse regering om financiële steun gevraagd. ‘De invasies reiken tot gebieden waar de geïsoleerde groepen leven,’ zegt Paulo da Silva, de coördinator. ‘Maar onze handen zijn gebonden, we kunnen er niets tegen doen.’
Op uitnodiging van zijn organisatie reisden verslaggevers van The Guardian met een Funai-team en inheemse bewoners in een open boot naar dorpen diep in Javari. Daarna trokken ze het bos in om de bewegingen van een geïsoleerde groep te volgen – wat neerkwam op een reis van zo’n 1020 kilometer. Het team onderzocht meldingen door de Marubo, die dicht bij het kleine, afgelegen gehucht São Joaquim een geïsoleerde stam hadden gezien.
‘Ze weten niet dat Funai en vissers verschillende groepen mensen zijn – voor hen is het één pot nat’
Net buiten het reservaat vestigt Bruno Pereira, die de expeditie leidt, de aandacht op een ploeg commerciële vissers. Drie houten boten en een groep kano’s liggen afgemeerd in het water naast een groen, cirkelvormig net om pasgeboren arowana’s [vissen] mee te vangen, die als huisdier worden verhandeld.
Vissers bedreigen de Korubo-stam, die diep in het reservaat woont, in het dorpje Vuku Maë aan de rivier. Naakt, ingesmeerd met het rode sap van urucumzaden of gekleed in kleine flarden stof zitten ze op boomstammen onder een rieten dak, terwijl om hen heen kinderen en kleine aapjes rondscharrelen. Ze vertellen dat het aantal invallen toeneemt. Die ochtend nog hebben vier vissers boven de hoofden van drie Korubo-kinderen waarschuwingsschoten gelost om ze weg te jagen. ‘We maken ons veel zorgen over hoe we kunnen vissen,’ zegt Txitxopi, een dorpshoofd. ‘We zijn bang.’
Xuxu Korubo weet hoe kwetsbaar geïsoleerde inheemse mensen zijn: zelf leefde hij in het wild in het bos tot 2015, toen er contact ontstond met zijn groep. ‘Er waren veel gevechten met vissers,’ zegt Xuxu. Hij maakt zich zorgen om zijn drie broers, die nog steeds in het bos wonen met een andere geïsoleerde groep. ‘Ze weten niet dat Funai en vissers verschillende groepen mensen zijn – voor hen is het één pot nat.’
Patrouilles
De bossen van Javari krioelden voorheen van de houtkappers en kolonisten, maar buitenstaanders werden verdreven toen het gebied in 1998 een inheems reservaat werd. Internationaal geld maakte het voor Funai mogelijk om regelmatig patrouilles uit te voeren, maar die zijn grotendeels stopgezet.
Afgelopen december nam een Funai-team zevenhonderd schildpadden en een halve ton pirarucu van een vissersploeg in beslag. Dat was mogelijk door de samenwerking met de plaatselijke politie – een uitzonderlijke gebeurtenis. Maar terwijl ze de vangst in beslag namen, voeren er alweer andere visserskano’s voorbij, zegt Gustavo de Souza, de plaatselijke coördinator van Funai. Het ontbreekt hem aan personeel en middelen om het gebied te bewaken, vertelt hij. Enkele maanden geleden werd een Funai-team beschoten door een andere groep vissers. Medewerkers van het instituut zijn doorgaans niet gewapend en er zijn geen duidelijke regels opgesteld om eventuele arrestaties te verrichten. ‘Het is gevaarlijk om achter vissers of jagers aan te gaan die gewapend zijn en werken in teams van zes,’ zegt De Souza.
De budgetten van Funai slonken al voordat president Temer in 2016 aantrad. Hij decimeerde wat er nog van over was en zette de afbakening van nieuwe reservaten stop. Het budget waarmee Funai het inheemse land, dat 13 procent van het Braziliaanse grondgebied beslaat, moet beschermen en nieuwe gebieden moet afbakenen, bedroeg vorig jaar slechts 3,8 miljoen Britse pond, minder dan een derde van wat er in 2013 voor was uitgetrokken. Daarvan was slechts 380.000 pond opzijgezet voor de bescherming van de Javari-vallei. Daartegenover gaf Brazilië in 2017 60 miljoen pond uit aan huisvestingstoelagen voor goedbetaalde rechters, zelfs voor rechters in het bezit van een eigen huis. ‘Er is een politieke groep in Brazilië die Funai wil verzwakken,’ zegt De Souza, ‘om deze gebieden makkelijker te kunnen uitbuiten.’
Veel vis
Er is weinig begrip voor dergelijke zorgen in Atalaia do Norte. Volgens Roberto da Costa, 47 jaar en voorzitter van de plaatselijke vissersvereniging, komt dat doordat het reservaat te groot is. ‘Het is veel land voor weinig inheemse mensen,’ zegt hij, en hij voegt eraan toe dat de visserij een van de weinige inkomstenbronnen is in deze verarmde regio. ‘Soms betreden [de vissers] het land van de inheemse bevolking omdat ze wel moeten, omdat het nodig is voor hun familie,’ zegt hij. ‘Er zit daar veel vis.’
Op de vismarkt in Leticia, net over de Colombiaanse grens, verkopen marktkramers openlijk pirarucu. Ze zeggen erbij dat de vis uit Brazilië komt, waar die legaal alleen in kwekerijen gevangen mag worden, en geven het mobiele nummer van een man die levende baby-arowana’s te koop aanbiedt voor 50 Britse pence per stuk. Een mannetjesvis kan er wel tweehonderd in zijn bek houden.
‘Veel vissers vallen binnen en nemen onze rijkdommen mee’
Op een bijeenkomst in het houten schoolgebouw van het dorp Rio Novo, diep in het reservaat, spreken Marubo-bewoners hun woede en frustratie uit over het falen van het instituut om te voorkomen dat vissers hun gebied binnendringen. Ook uiten ze hun zorgen over in isolatie wonende ‘familieleden’, zoals ze hen noemen. ‘Veel vissers vallen binnen en nemen onze rijkdommen mee,’ aldus Alderney Marubo van 45, de dorpsonderwijzer. ‘We willen toezicht houden op onze eigen rivieren.’ Zijn broer Daniel, 50 jaar en werkzaam bij de kliniek, vraagt om die reden om een boot met buitenboordmotor. ‘Het is ons land,’ zegt hij.
Volgens Bruno Pereira zouden inheemse bewoners die over gps beschikken en geschoold zijn in landbeheer veel meer kunnen doen – zoals ook gebeurt in andere Amazonestaten als Pará, waar leden van de Munduruku-stam hun eigen land in kaart hebben gebracht om druk uit te oefenen op een vastgelopen demarcatieproces. ‘We moeten hun meer macht geven,’ aldus Pereira. Hij is voorstander van meer samenwerking tussen Funai, de politie en het Braziliaanse milieu-instituut. Ook wil hij zwaardere straffen zien voor mensen die het reservaat binnendringen, en meer geld om het reservaat te beschermen.
Paulo da Silva van de Unie van Inheemse Volken zegt dat de mensen van de Javari-vallei een actievere rol moeten gaan spelen in het beheer van hun eigen gebied. Hij vertelt dat 36 inheemse bewoners onlangs een tiendaagse workshop van een non-profitorganisatie hebben bijgewoond. Daar leerden ze hoe ze gps en andere cartografische instrumenten kunnen gebruiken en hoorden ze ook hoe inheemse bewoners uit andere gebieden hun land bewaken. Dat was, aldus Da Silva, alvast een begin.
Nooit eerder zo veel bos gekapt in eerste kwartaal als in 2022
Ontbossingsgegevens van het Braziliaanse onderzoeksbureau Inpe wijzen uit dat in het eerste kwartaal van 2022 meer Amazonewoud vernietigd is dan in dezelfde periode in eerdere jaren. De Amazone verloor bijna 1000 vierkante kilometer aan bos, wat bijzonder hoog is, aangezien tijdens het regenseizoen over het algemeen relatief minder gekapt wordt. Dat is een record, sinds het vorige record van 2020, toen bijna 800 vierkante kilometer bos gekapt werd tijdens het eerste kwartaal, schrijft Folha de São Paulo.
Volgens het klimaatakkoord van Parijs moet Brazilië de broeikasuitstoot, onder andere veroorzaakt door houtkap, verminderen met 37 procent in vergelijking met 2005. In 2030 moet dat 50 procent minder zijn.
Onder de regering-Bolsonaro vond het hoogste niveau van ontbossing in meer dan een decennium plaats
Op dit moment onderzoekt het Braziliaanse Hooggerechtshof of de regering-Bolsonaro maatregelen tegen ontbossing in het Amazonegebied heeft ontmoedigd of tegengehouden. Onder de regering-Bolsonaro vond het hoogste niveau van ontbossing in meer dan een decennium plaats.
Volgens de oppositie is de regering-Bolsonaro nalatig geweest en heeft ze geen beleidsplan ingevoerd om ontbossing in het Amazonegebied te bestrijden. Ook zou Bolsonaro de grondrechten van de inheemse bevolking van het regenwoud hebben geschonden.
Meer bos verdwenen dan in de afgelopen vijftien jaar
In de periode van augustus 2020 tot juli 2021 is in het Braziliaanse Amazonegebied een oppervlakte van 13.235 vierkante kilometer ontbost, een toename van 22 procent ten opzichte van het voorgaande jaar, zo blijkt uit een officiële raming van het Braziliaanse Nationaal Instituut voor Ruimteonderzoek (INPE), meldt het dagblad O Globo.
Dit is de grootste ontbossing in vijftien jaar en maakt deel uit van ‘een opwaartse trend die al vier jaar aanhoudt’, aldus INPE. Het Braziliaanse dagblad merkt op dat ‘het rapport later dan gebruikelijk werd gepubliceerd’. ‘Ontbossing is de belangrijkste bron van CO2-uitstoot in Brazilië, dat zijn cijfers niet op tijd heeft ingediend voor de klimaatconferentie van Glasgow.’ Het INPE-document is echter gedateerd op 27 oktober, drie dagen voor het begin van COP26.
VS kondigt regionaal pact aan om ontbossing tegen te gaan
De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Antony Blinken heeft tijdens een bezoek aan Colombia aangekondigd dat zijn land een regionaal pact zal lanceren om de ontbossing in het Amazonegebied tegen te gaan, bericht MercoPress. Blinken prees de ambitieuze milieudoelen van Colombia: president Iván Duque legt zich erop toe ontbossing in 2030 tot staan te brengen.
Blinken deed zijn uitspraken kort voor de VN-milieutop die de eerste twee weken van november in het Schotse Glasgow worden gehouden. Ze kunnen worden gezien als een poging om een van de belangrijkste oorzaken van de opwarming van de aarde aan te pakken. Tijdens de top werd er al op dinsdag een akkoord bereikt om ontbossing te stoppen.
In het hart van Brazilië, ooit de zuidelijke flank van het Amazoneregenwoud, liggen kilometers plantages, die veevoer produceren voor de wereldwijde vleesindustrie. Het is de enige economische sector in Brazilië die gedurende de coronapandemie is gegroeid. Het regenwoud wordt er echter almaar kleiner door.
Keuze uit het archief
Deze week vond in Belém in Brazilië de Amazonetop plaats, een bijeenkomst van landen uit de Amazoneregio. Op deze top vroeg de Braziliaanse president Luiz Inácio Lula da Silva aandacht voor de ontbossing van het Amazoneregenwoud. Daarbij richtte de linkse leider zich vooral tot de rijke landen, die hij ertoe opriep hun steentje bij te dragen om het regenwoud te beschermen. ‘Het zijn niet Brazilië, Colombia of Venezuela die geld nodig hebben, het is de natuur aan wie de rijke landen moeten betalen om te herstellen wat ze in tweehonderd jaar van industriële ontwikkeling hebben vernietigd,’ aldus Lula. Dit artikel uit El País legt de oorzaak bloot van de massale ontbossing in de Amazone: intensieve veeteelt. Al die dieren moeten gevoed worden en als er niet genoeg land is om te begrazen of als de dieren vooral binnen staan, wordt er bijgevoerd met soja, dat in het bijzonder uit het Amazonegebied afkomstig is. Daar wordt kostbaar regenwoud gekapt voor illegale sojaplantages met ernstige gevolgen voor de natuur en de inheemse bevolking.
De vader van Tamires Vasconcelos was wat in Brazilië een desbravador wordt genoemd, een pionier, een wegbereider, iemand die de wildernis temt. Veertig jaar geleden kwam hij naar Amazonia en verdiende er zijn brood door met een graafmachine paden door de dichte begroeiing te ploegen, die later wegen werden. Wegen waarover nog weer later de kolonisten kwamen. En er kwamen steden. En akkers. De plaatselijke bewoners van nu beschouwen de trek naar het oerwoud, die door de toenmalige dictatuur in gang was gezet, als het grote heldenepos van de pioniers. De zwart-witfoto’s van de aankomst in de jaren 1970 contrasteren met de groene akkers vol soja die zich nu tot de einder uitstrekken. Hier en daar een klein plukje bomen.
De wieg van de sojaindustrie staat in het hart van Brazilië, in de staat Mato Grosso, zo’n 2300 kilometer landinwaarts van Rio de Janeiro. Het is de zuidelijke flank van het Amazonegebied, het grootste oerwoud ter wereld. Die velden en vrachtwagens en silo’s vormen de motor van de Braziliaanse economie. De fazendeira (plantagehoudster) Vasconcelos, de enige nakomelinge, de erfgename van de desbravador, die ervoor koos van de landbouw haar leven te maken, behoort tegenwoordig tot een klasse van welvarende ondernemers.
Hier regeert de soja. De plantages beslaan zo’n slordige 38 miljoen hectaren (ongeveer de oppervlakte van heel Duitsland). De economische geschiedenis van Brazilië heeft altijd in het teken gestaan van de productie van grondstoffen. Wat de soja is voor de eenentwintigste eeuw, dat was de suiker voor de zeventiende, het goud voor de achttiende en de koffie voor de negentiende eeuw.
Heden en verleden
Vasconcelos en de 5100 hectaren bouwland waarover ze de scepter zwaait, genaamd Minuano, maken deel uit van de enige economische sector in Brazilië die gedurende de pandemie is gegroeid. ‘Ons voornaamste gewas is soja, mais komt op de tweede plaats en verder verbouwen we ook nog rijst en bonen,’ zegt deze landbouwingenieur van 35 terwijl ze op een zonnige dag in maart onder een boom een kopje koffie drinkt. Uit deze streek komt een groot deel van de soja die tot voedsel dient voor koeien, varkens en kippen, die op hun beurt weer de hele wereld voeden.
Zelfs in de moeilijke coronatijd ging het gesmeerd met de Braziliaanse landbouw. De productie is hoger dan ooit, de prijzen op de wereldmarkt zijn de pan uit gerezen, de koers van de Braziliaanse munt is laag en nog nooit heeft deze sector zo’n hechte bondgenoot gehad als nu met president Jair Bolsonaro. Braziliaanse boeren zijn de grootste sojaproducent ter wereld. Voor de houders van sojaplantages is er maar één donkere wolk aan de lucht: de internationale weerstand tegen ontbossing van het Amazonewoud, dat zo cruciaal is voor het tegengaan van de klimaatverandering.
Dit is een streek waarvan zelfs veel Brazilianen het bestaan niet kennen
Als niet iedereen hier Portugees sprak zou je denken in een ander land te zijn. De geblokte overhemden, de honkbalpetjes, de hoeden, de laarzen, de pick-uptrucks, allemaal maken ze dat je je in de Amerikaanse Midwest waant. In Sinop, net als in sommige andere Braziliaanse steden, staat een imposante replica van het Amerikaanse vrijheidsbeeld bij de ingang van een aantal grote warenhuizen die eigendom zijn van een vriend van Bolsonaro. De sertanejo, de countrymuziek van deze streek, is de soundtrack van deze plattelandssteden, hoewel vanwege het virus alle cafés gesloten zijn. Dit is een streek waarvan zelfs veel Brazilianen het bestaan niet kennen. Er zijn geen ansichtkaarten van. Het is Bolsonaroland.
Al voor het ochtendgloren is Vasconcelos op weg naar Sinop, de grootste stad in de regio. Daar in de buurt ligt haar haciënda. Wie denkt dat de naam is afgeleid van China, de grote afnemer die de handel in soja weergaloos heeft opgedreven, vergist zich. De naam is een acroniem van Sociedad Inmobiliaria del Norte del Paraná, oftewel ‘Handelsmaatschappij Onroerende Goederen van Noord-Paraná’, waarbij Paraná de buurstaat is waar veel kolonisten vandaan komen. Zoals João Marcus Menegace.
Menegace is taxichauffeur en hij kwam als kind met zijn ouders en zeven broers en zussen in een bestelbusje naar deze streek. ‘We aten onderweg op de vluchtstrook van de snelweg,’ vertelt hij. Na dagenlang reizen kwamen ze in het beloofde land aan. Het wagenpark, met bijna evenveel voertuigen als inwoners, de gourmetwinkel met geïmporteerde delicatessen en een hippe handtassenboetiek die niet zou misstaan in de duurste winkelstraat van São Paulo, geven een idee van de rijkdom hier.
#ElAgroNoPara is de hashtag die bij het uitbreken van de coronacrisis in dit gebied viraal ging. De mondkapjes herinneren eraan dat de pandemie nog niet voorbij is, maar die heeft de handel nauwelijks aangetast. ‘De pandemie was hier veel minder voelbaar, omdat wij de prijs voor de oogst van 2020-2021 al uitonderhandeld hadden,’ legt de plantagehoudster uit. De levering was al betaald, de oogst was verkocht. Werken in de openlucht met weinig mensen en veel machines, dat maakt de zaken in tijden van covid gemakkelijker.
Wat ze hier ‘beschermingsmiddelen’ noemen is wat de Braziliaanse milieuactivisten ‘landbouwgif’ noemen
Haar haciënda heeft nog maar weinig te maken met die welke haar vader, Elmo Leitzke, begon. Bijna alle processen zijn geautomatiseerd en de werknemers zijn speciaal opgeleid. Ze sproeien met vliegtuigjes. Vasconcelos laat de silo zien die ze op de haciënda heeft laten bouwen, ‘handje contantje betaald’, zegt ze trots. Het feit dat ze nu zo binnenlopen, zegt ze, is het gevolg van ‘jaren investeren in technologie en onderzoek van het klimaat, de grond, de zaden, de beschermingsmiddelen’. Wat ze hier ‘beschermingsmiddelen’ noemen is wat de Braziliaanse milieuactivisten ‘landbouwgif’ noemen. Bestrijdingsmiddelen, dus.
Van eind februari tot begin maart werd de eerste sojaoogst van 2021 en het inzaaien van de eerste mais gehinderd door zware regens. Hier wordt twee keer per jaar geoogst en soms wel drie of vier keer. Een zeer intensieve landbouw, voornamelijk voor export naar China en de Europese Unie. Brazilië produceert een derde van alle soja in de wereld. Dat wil zeggen dat het land in een paar decennia de Verenigde Staten heeft ingehaald als sojaproducent, dankzij een verdubbeling van de productie per perceel en een verdriedubbeling van het landbouwareaal sinds de jaren 1980 (zie Our World In Data).
De spectaculaire groei van de landbouwsector en van het middenwesten van Brazilië is aangejaagd door de enorme vraag vanuit China, een land met een bevolking die door de toenemende welvaart meer vlees is gaan consumeren. Vasconcelos, die met haar haciënda dertig gezinnen onderhoudt, verkoop haar soja aan een van de grootste multinationals in graanproducten ter wereld, Cargill, dat zijn zetel in de Verenigde Staten heeft.
De sojaproductie was een van de belangrijkste aanjagers van de ontbossing
De Braziliaanse landbouwsector draaide volgens officiële cijfers in 2020 een omzet van 150 miljard euro. De totale economische activiteit die de sector genereert is echter in de laatste tien jaar van 20 procent gestegen naar 26 procent van het bnp, aldus het instituut Cepea van de Universiteit van São Paulo, terwijl de industrie en de dienstensector zijn gekrompen.
Guilherme Miqueleto, hoogleraar economie aan de Federale Universiteit van Mato Grosso, somt bijkomende factoren op die hebben bijgedragen aan de spectaculaire groei van de productie: de economische stabiliteit, betere juridische zekerheid en ‘de uitbreiding van het landbouwareaal naar het noorden gedurende de laatste vijftien tot twintig jaar’, dat wil zeggen de ontginning van het Amazonewoud.
Ook in andere landen worden bomen gekapt om plaats te maken voor landbouw en veeteelt, maar nergens gebeurt dat op zo grote schaal als in Brazilië, dat een derde van de ontbossing in de hele wereld voor zijn rekening neemt. De grote boosdoener is de veeteelt. De sojaproductie was een van de belangrijkste aanjagers van de ontbossing, tot in 2006 de handelaars een akkoord sloten met de ngo’s en de regering om geen graan en soja meer te kopen van akkers die illegaal verbouwd werden. Met het opdrogen van de vraag verdween dit type soja vrijwel volledig. Het moratorium op soja in het Amazonegebied ‘is doeltreffend in het tegengaan van ontbossing die rechtstreeks verband houdt met soja,’ verklaart Cristiane Mazzeti, medewerkster van Greenpeace. Slechts 2 procent van de huidige productie is afkomstig van illegaal gekapt oerwoud.
Maar omdat soja lucratiever is dan koeien, is er bedrog. Eerst wordt er ontbost voor veeteelt en na een aantal jaren maken de weiden plaats voor akkers – et voilà!
Politiek en bedrijfsleven
Ondanks de stortregen is er een constant verkeer van vrachtwagens van de haciënda’s naar de silo’s. In een van de verwerkingsbedrijven inspecteert een medewerkster van het internationale accountants- en adviesbureau KPMG de soja om te zien of er genetisch gemodificeerde soorten tussen zitten, want daarvoor moet de producent royalty’s aan Bayer-Monsanto betalen.
Vrij van verontreiniging gaat de koopwaar op transport naar de rivier de Tapajós, een zijrivier van de Amazone, over de drukke weg die recht van noord naar zuid door Mato Grosso loopt. Dat is de BR-163, aangelegd door het militair bewind in de jaren 1960, om te verzekeren dat het Noord-Amerikaanse imperium het uitgestrekte gebied niet zou inpikken.
In de regentijd is op veel wegen hier het verkeer een lijdensweg. Daarom kregen de inwoners van Sinop schoon genoeg van de politici die in verkiezingstijd de regio bezochten en allerlei beloftes deden over de BR-163. Tot Bolsonaro op het toneel verscheen en de zaak in een mum van tijd voor elkaar kreeg. ‘Geen enkele president is er in de afgelopen 24 jaar in geslaagd de weg over de hele lengte te asfalteren, maar Bolsonaro kreeg in een jaar voor elkaar dat de laatste 175 kilometer gedaan werden,’ zegt Ilson Redivo, voorzitter van de rurale werkgeversbond waar 270 ondernemingen bij zijn aangesloten.
Zo’n 80 procent van de kiezers in Sinop heeft in 2018 op Bolsonaro gestemd
De 900 kilometer lange weg maakt de reis naar de haven vier dagen korter. Voor de alternatieve route moest de lading eerst 2500 kilometer per vrachtwagen naar het zuiden worden gereden, om vervolgens op een kustvaarder te worden geladen, die 5000 kilometer naar het noorden, naar het Panamakanaal, voer, legt Redivo uit. De besparing in tijd en geld is enorm. Nu vertrouwen ze erop dat de president ook in de komende maanden zijn belofte waarmaakt om een spoorlijn aan te besteden die parallel zal lopen aan de BR-163 en die hen nog meer geld uitspaart. ‘Elke trein heeft een capaciteit van driehonderd vrachtwagens,’ zegt Edeon Vaz, promotor van de ferrogrão, de ‘graantrein’, zoals hij genoemd wordt.
Zo’n 80 procent van de kiezers in Sinop heeft in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen in 2018 op Bolsonaro gestemd, een extreemrechtse ex-militair. Ze bewonderen hem nog steeds. En niet voor niets. Hij benoemde de voorzitter van het zogenaamde ‘Landbouwfront’ in het parlement (Frente Parlamentar da Agropecuária) tot minister van Landbouw. Iedereen hier heeft lof voor de discrete en doortastende Tereza Cristina Dias, want zij heeft nieuwe markten voor hen geopend. Ze hebben nu zelfs de minister van Milieu, Ricardo Salles, aan hun kant, zoals heel Brazilië kon zien op een video van de ministerraad die in mei 2020 een schandaal veroorzaakte. We zien Salles voorstellen de pandemie te gebruiken om de boiada (‘de kudde’, dat wil zeggen de hele regelgeving die gunstig is voor de landbouwsector) erdoor te drukken.
De inwoners van Sinop juichten voor de president toen hij in september, midden in de pandemie, op bezoek kwam. Redivo en zijn werkgeversbond zijn zo enthousiast over hem dat ze een poster voor hem hebben laten maken. Naast een portret van Bolsonaro met de presidentiële sjerp staat de spreuk: ‘Wij geloven in God en staan voor het gezin’. De mensen hier zijn conservatief. Een paar straten verderop is een modezaak waar ze kleding voor evangelische vrouwen verkopen.
Voor Redivo zijn die posters ‘de erkenning van een persoon die tracht dit land weer op de rechte weg te zetten. Want we gingen dezelfde kant op als Venezuela en Cuba. En 99 procent van de mensen in de productiesector willen geen communisme in Brazilië.’
Na elke parlementsverkiezing groeit het Landbouwfront in het Congres. Ze zitten nu al bijna op driehonderd parlementariërs. Ze zijn zelfs groter dan de evangelisten. De ex-afgevaardigde Nilson Leitão, een vooraanstaand lid van die fractie en burgemeester van Sinop, zegt dat de handel in landbouwproducten prominent op de politieke agenda moet staan omdat ‘Brazilië een land is met een stedelijke bevolking, maar met een rurale economie’.
Leitão is dankbaar dat met deze regering een einde is gekomen aan de landbezettingen door landloze boeren. Maar het stoort hem dat Bolsonaro wrijvingen heeft met China. Wat de markt nodig heeft is vertrouwen en zekerheid, zegt hij. ‘Vechten met je grootste klant is niet goed voor de handel.’
Geld eisen voor natuurbehoud?
De milieukwestie heeft momentum gekregen in Brazilië door het wereldwijd toenemende klimaatbewustzijn en door de komst van Bolsonaro, die vindt dat behoud van de ecologische omgeving de economische ontwikkeling in de weg staat. ‘Het doel van de landbouwproductie,’ zegt de ex-afgevaardigde van de streek, ‘is ervoor te zorgen dat het economisch haalbare ecologisch correct is.’
Jaren zijn verstreken sinds het toenemend ecologisch bewustzijn voor het eerst de degens kruiste met de pioniers die deze uithoek van Brazilië ten koste van de natuur tot een van welvarendste gebieden hadden gemaakt. In de jaren 1970 ging het om hout. De economische activiteit bestond grotendeels uit het kappen van bomen en de verkoop van hout, de grootste schat die het Amazonewoud te bieden heeft. In het begin van de eenentwintigste eeuw kwam, tezamen met de regering van Lula da Silva en de ongeremde ontbossing, druk vanuit de milieubeweging en moesten ze op zoek gaan naar andere bronnen van inkomsten.
Toen kwam de soja op, een industrie die elk jaar groter wordt. Nu, met de systematische ontmanteling van de milieumaatregelen, krijgt de agrarische industrie te maken met de druk van milieuactivisten en van Europa.
De Franse president Manuel Macron uitte de beschuldiging dat de Braziliaanse soja verantwoordelijk is voor de ontbossing van het Amazonewoud. De burgemeester van Sorriso, Ari Lafin, voelde zich aangesproken. Logisch. Zijn stad ten zuiden van Sinop, produceert 3 procent van de Braziliaanse soja. Hij reageerde op Macron met een uitnodiging. ‘Ik heb hem hier uitgenodigd, zoals ik ook met de president (Bolsonaro) gedaan heb, omdat het goed is de regio met eigen ogen te zien,’ legt hij uit in een videogesprek. ‘De verantwoordelijkheid voor het milieu is een prioriteit van de lokale agrarische sector,’ stelt hij. ‘Produceren met vernietiging van de natuur is uit den boze,’ voegt hij eraan toe.
De wet bepaalt dat 80% van de vegetatie in het Amazonegebied moet worden beschermd
Sorriso heeft honderdduizend inwoners en groeit jaarlijks met zo’n 8 procent. ‘Dit is een land, een stad, met kansen, waar heel veel werk is. Hier moeten we vroeg opstaan, we hebben geen vaste werktijden, we nemen haast nooit pauze. Je hebt de soja nog maar net geoogst of je staat alweer mais in te zaaien. De ene oogst na de andere en dat brengt een keten op gang die uiteindelijk leidt tot wat er in de winkel te koop is…’ De welvaart is heel hoog hier. Het bbp per hoofd van de bevolking is hoger dan in São Paulo. De banen die zij scheppen zijn niet van de traditionele soort, maar hebben te maken met diensten of met toeleveranciers. Advocatenkantoren, accountants, machinehandelaars, vastgoedontwikkelaars, winkels, restaurants…
De nieuwe generatie fazendeiros, universitair geschoolde dertigers, heeft meer oog voor het milieu dan hun vaders en grootvaders. ‘In de laatste vijf tot tien jaar zijn de zaken abrupt veranderd en niet iedereen heeft dat kunnen bijbenen,’ zegt Vasconcelos. ‘We produceren op een manier die minder impact heeft (op het milieu), maar we hebben wel erg te lijden onder de druk. Vooral van desinformatie,’ zegt ze.
De fazendeira legt uit dat produceren met minder impact betekent dat de richtlijnen voor het gebruik van pesticiden, meststoffen, en dergelijke naar de letter moeten worden opgevolgd, ‘om de grond te ontzien en terug te geven wat er door de oogst aan is onttrokken’. Ook belangrijk is dat de emballage op de juiste wijze wordt verwijderd: ‘alles wordt drie keer schoon gespoten voordat het naar het bedrijf teruggaat, waar het op een nette manier wordt verwerkt’.
Ze accepteert de uitnodiging voor een interview met deze krant omdat ze wil dat het verhaal van de rurale producenten gehoord wordt. En ook in de hoop dat wat ze zegt tot voorbeeld kan strekken. Als moeder van twee kinderen en getrouwd met een studiegenoot van de landbouwuniversiteit wil ze haar dochters laten zien dat je als vrouw een haciënda kunt leiden. Hoewel ze dat al twintig jaar doet, maakt ze nog steeds mee dat mensen verbaasd zijn als ze horen dat zij de baas is van het bedrijf.
Zoals iedereen hier, en in lijn met de mantra van Bolsonaro, staat ze erop dat ‘geen enkel ander land zoveel aan natuurbescherming doet’. Deze stelling, die door de hele sector als één man verdedigd wordt, stoelt op twee harde cijfers die zowel de agrarische producenten als de milieudeskundigen met kracht op tafel leggen: Brazilië beschermt 66 procent van de oorspronkelijke vegetatie (iets waar weinig ontwikkelde landen op kunnen bogen) en de wet bepaalt dat in het Amazonegebied 80 procent van de vegetatie beschermd moet worden, hetgeen betekent dat slechts 20 procent van het land ontgonnen mag worden. In andere Braziliaanse regio’s die ecologisch van groot belang zijn is die verhouding 50/50.
Het punt is dat de regels voor bosbehoud vaak niet worden nageleefd
Maar het punt is dat ‘de regels voor bosbehoud vaak niet worden nageleefd,’ zegt Cristiane Mazzetti van Greenpeace. En ze komt met een cijfer dat er niet om liegt: ‘99 procent van de boskap in 2019 was illegaal’.
Redivo, de voorzitter van de rurale werkgeversbond, stelt dat, gezien de fenomenale handel, de wetten versoepeld moeten worden om het volledig landbouwpotentieel uit de grond te halen, ook al is die volgens de wetenschap van groot ecologisch belang en cruciaal voor het terugdringen van de opwarming van de aarde.
Hij is een klimaatscepticus. ‘De opwarming van de aarde heeft niets te maken met de ontbossing van het Amazonegebied,’ stelt hij kortaf. En hij voegt er zonder blikken of blozen aan toe: ‘Vandaag de dag vang je meer CO2 af op landbouwgrond dan op bosgrond.’ Maar als de rest van de wereld zich zo’n zorgen maakt over het Amazonewoud, dan heeft Redivo wel een oplossing: ‘Dat ze ons dan maar betalen voor het behoud van de biodiversiteit, wij alleen kunnen dat niet aan.’
De klimaatwetenschappers waarschuwen er al tijden voor dat de ecologische schade door de ontbossing van het Amazonewoud zo groot is dat we dicht bij het omslagpunt komen waarbij het bos CO2 gaat uitstoten in plaats van afvangen. Dat is een omslag met grote consequenties, omdat het gebied dan bijdraagt aan de opwarming van de aarde in plaats van die te dempen.
Miqueleto, de econoom, benadrukt dat als de koeien en de sojabonen verder noordwaarts terrein blijven winnen, de boeren de gevolgen daarvan zullen ondervinden. Dan komen er óf zware regens, óf droogtes, en dan kunnen ze hun ‘fenomenale handel’ wel vergeten.
Koploper in de Braziliaanse presidentsverkiezingen is Jair Bolsonaro. Maar zijn aantreden zou volgens wetenschappers de grootste bedreiging voor het Amazonegebied betekenen sinds Brazilië een dictatuur was.
Elke nieuwe hap die er uit het enorme Braziliaanse regenwoud wordt genomen, verkleint onze kans om de opwarming van de aarde tot 1,5° C te beperken. Dit woud is namelijk cruciaal om de hoeveelheid broeikasgas in de atmosfeer te verminderen. Naar het zich laat aanzien gaat de extreemrechtse Jair Bolsonaro, de ‘Trump van de Tropen’, de tweede ronde van de presidentsverkiezingen winnen, en dit betekent een acuut gevaar voor het Amazonegebied. Bolsonaro heeft gezegd dat hij mijnbouw in indianenreservaten wil toestaan en eventueel zelfs een geasfalteerde snelweg door het Amazonegebied wil aanleggen. Deze en andere plannen zouden de ‘grootste bedreiging voor het Amazonegebied betekenen sinds Brazilië een dictatuur was’, vertelt wetenschappelijk adviseur Doug Boucher van het Union of Concerned Scientists’ Tropical Forest and Climate Initiative. ‘Ze bedreigen het klimaat van de hele planeet.’
Controversiële politicus
Tussen 2005 en 2012 ging het best goed met het Braziliaanse oerwoud. Tijdens de regeerperiode van Luiz Inácio Lula da Silva nam de ontbossing met zo’n twee derde af – van twintigduizend vierkante kilometer per jaar vóór zijn aantreden tot slechts zesduizend vierkante kilometer per jaar bij zijn aftreden. En sindsdien is de ontbossing op ditzelfde relatief lage niveau gebleven, waardoor de CO2-uitstoot van Brazilië met ruim de helft afnam, vertelt Boucher.
Een regeringswissel in het land zou deze vooruitgang in één klap teniet kunnen doen. Sowieso wordt er rondom Braziliaanse presidentsverkiezingen meestal meer gekapt, ongeacht welke kandidaat gekozen wordt, omdat er tijdelijk minder toezicht wordt gehouden. Maar Bolsonaro houdt er ook een uitzonderlijk beangstigende kijk op milieuzaken op na. Niet alleen staat hij bekend om zijn homofobe, racistische en misogyne opvattingen, maar de controversiële politicus heeft ook een lange staat van dienst als het gaat om weerstand tegen milieumaatregelen. Hij is gekant tegen elke vorm van actie tegen klimaatverandering en heeft daarom beloofd Donald Trumps voorbeeld te volgen en uit het klimaatakkoord van Parijs te zullen stappen.
‘In plaats van de ontbossing en de georganiseerde misdaad te bestrijden, richt Bolsonaro zijn pijlen op het ministerie van Milieu’
Bolsonaro laat er ook geen misverstand over bestaan hoe hij het rassenvraagstuk ziet. Hij bekritiseerde de toezegging van de huidige Braziliaanse regering om grote stukken van het Amazonegebied voor inheemse volkeren te reserveren. Hij stelt dat hij ‘de indianen geen centimeter land meer zal geven’. Bovendien is Bolsonaro een alliantie aangegaan met het rechtse ruralista-blok, dat opkomt voor de belangen van landbouwbedrijven en grootgrondbezitters. Jarenlang ondersteunde hij initiatieven om beleidsmaatregelen tegen ontbossing op te heffen. De lijst van Bolsonaro’s milieudoelwitten is lang. Hij is van plan het ministerie van Milieu op te heffen en het onder te brengen bij het ministerie van Landbouw, dat door de landbouwsector wordt beheerst. ‘In plaats van de ontbossing en de georganiseerde misdaad te bestrijden, richt Bolsonaro zijn pijlen op het ministerie van Milieu, Ibama en ICMbio [Brazilië’s nationale milieuagentschappen]’, vertelt de huidige minister van Milieu Edson Duarte. ‘Dat is net zoiets als zeggen dat je de politie van straat wilt halen.’
Het lijkt erop dat de oud-legerofficier Bolsonaro het Braziliaanse beleid ten aanzien van het Amazonegebied uit de tijd van de dictatuur in ere wil herstellen. Het land stimuleerde in die periode – tijdens de jaren zestig, zeventig en tachtig – een snelle ontwikkeling van het Amazonegebied, legde wegen aan en kapte bos om plaats te maken voor akkers en landerijen.
Het wereldwijde gevecht tegen de catastrofale klimaatverandering is in een hogere versnelling terechtgekomen en bossen zijn een belangrijke schakel in die strijd. Volgens een somber nieuw VN-rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is het stoppen van ontbossing cruciaal als we de opwarming tot 1,5°C willen beperken. Bos kan immers grote hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer halen en opslaan.
‘We kunnen er niet omheen koolstofdioxide uit de atmosfeer te halen. Dat is nodig om een zeer gevaarlijke temperatuurstijging te verhinderen, en een toename van het aantal overstromingen, zware stormen en hittegolven tegen te gaan’, zegt Boucher. ‘Verreweg de eenvoudigste manier om dat te doen, is door onze bossen te behouden en zelfs nieuwe te planten.’ Als je beschermt wat er nog over is van het Braziliaanse oerwoud, ben je al een heel eind. En zestig procent van het Amazonewoud – op afstand het grootste oerwoud ter wereld – ligt in Brazilië. Dit woud haalt het hele jaar door CO2 uit de lucht, dankzij het continu vochtige en warme klimaat.
Bolsonaro kreeg tijdens de eerste ronde van de Braziliaanse presidentsverkiezingen bijna een absolute meerderheid van de stemmen, maar toch is het niet zeker dat hij de tweede ronde zal winnen. Zijn tegenstander is de linkse Fernando Haddad, die in de eerste ronde als tweede eindigde.
‘De samenleving moet druk blijven uitoefenen – en dat gebeurt ook’, vertelt Boucher. ‘Nu is het afwachten wat er verder gebeurt.’
Laat zogenaamde fixers aan het woord: mensen die ‘opmerkelijke, ambitieuze oplossingen hebben voor de grootste uitdagingen van de mensheid’. De missie van Grist is om ons een goed gevoel te geven over de toekomst.
De Deense eurocommissaris van mededinging Margrethe Vestager geldt als de schrik van Silicon Valley sinds ze megaboetes uitdeelde aan Apple en Google. De Financial Times strikte haar voor een lunchinterview.
Margrethe Vestager schuift over de leren bank aan het hoektafeltje naar me toe en gaat naast me zitten. Onze knieën raken elkaar bijna in een rechte hoek. Ze glimlacht. Ik kijk naar het mes met de vork en het aquavitglas er keurig tegenover, en naar de houten stoel waar ze niet op is gaan zitten. Onze tafel, in een knus restaurant in Kopenhagen, biedt ruim plaats aan vier personen; wij nemen slechts plaats in voor anderhalf. Zo moet het voelen, denk ik, om door ’s werelds sluwste antitrusthandhaver klem te worden gezet.
Met die ervaring bevind ik me in goed gezelschap. Nog geen drie jaar geleden stapte de 49-jarige Vestager van de Deense politiek over naar de Europese Commissie. Toch heeft ze nu al de EU-records verpulverd voor het onttakelen van kartels, het uitdelen van boetes en het innen van achterstallige belasting. Waarschijnlijk heeft niemand in de democratische wereld zo veel macht – en is niemand er zozeer toe bereid die te gebruiken – als de eurocommissaris voor mededinging. Vraag het maar aan Tim Cook van Apple (dat Ierland 13 miljard pond aan achterstallige belasting moest betalen), aan Sundar Pichai van Google (dat een boete van 2,4 miljard pond kreeg voor misbruik van zijn marktpositie) of aan de vrachtwagenfabrikanten, farmaceuten en financiële topmannen die het met Vestager aan de stok kregen. Haar besluiten kunnen eventueel pas jaren later door de rechtbank worden teruggedraaid.
Haar legendarische onverzettelijkheid gaat gepaard met huiselijke persoonlijke trekjes. Het levert krantenprofielen van Vestager op die lezen als de sage van Vikingkoningin Margrethe III, bedwingster van Silicon Valley, gesel van belastingontduikers, temster van superego’s uit het bedrijfsleven, breister van olifanten (die ze aan regeringsmedewerkers geeft en die soms grote oren hebben als aansporing om beter te luisteren) en vermaard kaneelbroodjesbakster.
Het is allang duidelijk dat Vestager zich als politicus aan de zwaartekracht onttrekt. Ze is afkomstig uit een kleine partij uit een klein land en voerde ooit campagne onder de lekker antipopulistische slogan: ‘Luister naar de economen. Dat doen wij ook.’ Vestager, scherp en hoffelijk, vormde de inspiratie voor de populaire Deense tv-serie Borgen, die volgens haar bewonderaars bleek afstak tegen de werkelijkheid. Maar in de Verenigde Staten geldt ze als belichaming van de politieke tegenwind die Silicon Valley bedreigt. Daar beschouwen velen haar als de laatste in een lange reeks Europese bemoeials die het goede oude Amerikaanse bedrijfsleven de voet dwars zetten. Vorig jaar vatte Cook die andere kijk op haar werk fijntjes samen: ‘Alleen maar politiek gelul.’
Smørrebrød
We zitten in de Kronborg, een tot restaurant omgetoverde kelder, bekend om zijn smørrebrød: sneeën roggebrood die rijkelijk zijn belegd. Het is een prima plek om op een regenachtige middag in Kopenhagen te schuilen. De balken aan het plafond zijn donker, de muren wit, op lichtgroene versieringen na.
Vestager is er op haar gemak. Ze heeft een bordeauxrode jurk en een zwart gebreid vestje aan en een gouden halsketting om. Haar staalgrijze haar zit keurig in model. Het personeel is er maar wat trots op de voormalige vicepremier te mogen ontvangen. Een dertigtal vrouwen die aan de tafeI tegenover ons een verjaardag vieren, werpen steeds nieuwsgieriger blikken. Waarschijnlijk kennen ze haar nog van de coalitieregering uit 2011-2015 van Helle Thorning-Schmidt, een sociaaldemocrate die het niet aan flair ontbrak. Thorning-Schmidt vervreemdde haar kiezers bijna onmiddellijk van zich door zich te laten gelden als een belastinghavik. De belangrijkste oorzaak: Vestager, een kleine coalitiepartner met een flinke vinger in de pap van het beleid. Ze wist wat ze wilde en harkte het grotendeels binnen. De relatie verzuurde op slag. Vestager zegt dat ze tegenwoordig op veel betere voet staat met de ‘geweldige’ Thorning-Schmidt. ‘Maar de rúzies die we hebben gehad…’
Het was een onwaarschijnlijk machtige positie voor de leider van een sociaalliberale nichepartij – liefkozend de caffè-lattepartij genoemd – met als electoraal hoogtepunt 15 procent van de stemmen… in 1968. Maar tijdens de coalitiegesprekken ging Vestager er met de winst vandoor. Ik breng het verschil ter sprake tussen de situatie nu en Vestagers eerste lunch met Thorning-Schmidt, een jaar of twintig geleden in een café verderop. Bij het afscheid gaf Vestager Thorning-Schmidt haar telefoonnummer: ‘Misschien komt het nog een keer van pas.’ Thorning-Schmidt noteerde het, maar gaf het hare niet. Vestager was zeker niet belangrijk genoeg? ‘O ja!’ zegt Vestager. ‘Dat was ik helemaal vergeten. Dat is wel heel lang geleden.’
Ik kijk op de kaart in de hoop dat een van de negen haringvariaties er beter op is geworden sinds ik voor het laatst heb gekeken. Ik ben geen liefhebber. We nemen allebei de dagschotel: ‘Sol over Gudhjem’, gerookte haring met rauwe eidooier.
Vestager groeide op in het stationsplaatsje Ølgod (‘Biergoed’), niet ver van de vlakke, door weer en wind geteisterde westkust van Jutland. Haar ouders waren lutherse predikanten en politiek actief. Die kerkelijke achtergrond deelt ze met de Duitse Angela Merkel, de Britse Theresa May en de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice, en ik vraag of er sprake is van een patroon.
‘In Denemarken zeggen ze dat predikantenkinderen de ergste zijn,’ zegt ze met een lach. ‘Die moeten zich wel afzetten. Omdat het er bij ons thuis helemaal niet zo religieus aan toeging, had ik weinig om me tegen af te zetten. Als er één ding belangrijk is – ik weet niet veel van de verschillende gezindten – dan is het dat je je voor anderen inzet.’
Volgens Vestager struikelde ze zowat de politiek binnen. ‘Eind jaren tachtig stelde ik me verkiesbaar voor het parlement, alleen maar omdat ik wist dat ik toch geen kans maakte om te worden gekozen,’ zegt ze. Het betrof een zetel waar haar moeder zich ooit kandidaat voor had gesteld. ‘Ik was erg verlegen toen ik jong was, maar nieuwsgierig naar wat het inhield.’
Op haar vijfentwintigste deelde Vestager het partijvoorzitterschap terwijl ze een baan had op het ministerie van Financiën. Op haar negentwintigste werd ze, zonder te zijn gekozen, minister van Onderwijs en Godsdienstige Zaken. ‘Ik besefte niet dat ik jong was, ik dacht er niet over na, dus was er niet bang voor,’ zeg ze. ‘Had ik het wel beseft, dan zou ik doodsbenauwd zijn geweest. Het was ontzettend zwaar. Als ik het over mocht doen, dan zou ik het heel anders aanpakken.’
Vestagers politieke persoonlijkheid heeft ze tot op zekere hoogte te danken aan de dieptepunten die ze aan de top beleefde. Haar eerste jaren als partijleider waren verschrikkelijk, met slechte peilingen omdat ze zo gereserveerd en afstandelijk overkwam. ‘Ze is als volwassene geboren!’ riep een collega destijds denigrerend uit. Vestager besloot dat het tijd werd zich aan te passen. Ze besefte dat als ze het toch anders moest aanpakken, ze net zo goed kon gaan staan voor waar ze in geloofde. Na een hap haring legt ze uit dat ze ‘andere kanten van zichzelf naar voren schoof, en weer andere misschien een beetje terugdrong’. Het was een vorm van beheerste authenticiteit die haar voormalige spindoctor de vergelijking met een oester ontlokte: verleidelijk en eerlijk, maar zo open als ze zelf wil zijn.
Brusselse juristen verwijten Vestager vooral dat ze de neiging heeft de rol die haar van godswege lijkt ingegeven te gebruiken als preekstoel om “rechtvaardigheid” te prediken
Iedereen die Vestagers kantoor in Brussel bezoekt snapt wat dat betekent. Het is een meesterlijk ingerichte kamer vol curiosa en snuisterijen. Je vindt er een gipsen middelvinger (gekregen van een vakbond die tegen bezuinigingen protesteerde), een straatnaambordje met ‘Vestervej’ erop en foto’s van het winderige vlakke land van Jutland waar ze opgroeide. Aan elk voorwerp kleeft een bijzonder verhaal, maar ze lijken weinig prijs te geven over Vestager.
Vestager is vermaard om de ‘vergadertechniek’ waarmee ze de grote ego’s der aarde met beide benen op de grond zet. Ze weet wat ze wil en gaat zonder aantekeningen de bijeenkomst in. Ze schenkt koffie voor haar gasten in. Ze vertrok geen spier toen Cook in 2016 tekeerging tegen haar belastingonderzoek, dat hij met steeds grotere stemverheffing vergeleek met de Venezolaanse rechtspraak. Directeuren van Gazprom kregen te horen dat ze hun entourage moesten inkrimpen zodat iedereen aan tafel paste, met als gevolg dat driekwart van de delegatie op de gang moest blijven. Een aanwezige beweert dat Vestager de bijeenkomst ondanks herhaalde seintjes een kwartier liet uitlopen. Bij het naar buiten gaan zag het gezelschap dat Jack Lew, destijds de Amerikaanse minister van Financiën, zich in de wachtkamer zat op te vreten.
Brusselse juristen verwijten Vestager vooral dat ze de neiging heeft de rol die haar van godswege lijkt ingegeven te gebruiken als preekstoel om ‘rechtvaardigheid’ te prediken. In een bekend geworden toespraak verwees ze naar Luther, Adam en Eva en de hebzucht die aan de basis ligt van monopolistisch gedrag. Ze vindt de kritiek duidelijk misplaatst. ‘Ik heb de 95 stellingen van Luther niet aan mijn deur genageld; ik werk met het Europese mededingingsrecht. Maar wie je ook bent en wat je ook doet, je kunt altijd nadenken over hoe je het doet.’
Wat dat betreft tekent het haar dat ze de reuzen van Silicon Valley uitdaagde: Google, Apple, Facebook en Amazon. Alle vier hebben ze openlijke aanvaringen met Vestager gehad, en ze is van Berlijn tot Washington geprezen omdat ze ze heeft aangepakt. Maar ze krijgt ook het verwijt dat haar interventies (vooral op belastinggebied) niet zozeer juridisch als wel politiek zijn gemotiveerd. Sommigen kunnen het niet uitstaan dat ze zo overtuigd is van haar gelijk. Ik vraag haar of haar welhaast koninklijke voorrecht – als aanklager, rechter, jury én beul – niet te groot is. Ze wuift mijn bezwaar weg en zegt dat de rechtbanken, juristen en media er zijn ‘om haar eerlijk te houden’. ‘En ik heb sterk het gevoel dat ze dat ook doen,’ voegt ze eraan toe.
Het rumoer in het restaurant wordt een tikje minder. Naast ons worden cadeautjes uitgepakt, onze borden worden weggehaald. Ik kies een andere aanpak. Er woedt een academische discussie over de vraag of de aloude antitrustmiddelen – en de orthodoxie van de Chicago School, met de nadruk op nadelige prijseffecten voor consumenten – de spectaculaire veranderingen in maatschappij en economie kunnen bijbenen. Met andere woorden: goedkope producten vragen misschien een hoge prijs, terwijl door concurrentie ingegeven fusies (bijvoorbeeld in de landbouwwereld) om milieuredenen wellicht een slecht idee zijn. Ik vraag of ze, idealiter, geen bredere opdracht zou willen om zich sterk te maken voor een bredere opvatting van consumentenwelzijn.
Haar antwoord is diplomatiek: de principes van het Europese recht zijn breed genoeg. ‘Ook de consument moet zich realiseren dat hij uiteindelijk altijd betaalt. Je betaalt hoe dan ook, zonder dat je alle cijfers van je creditcard intoetst,’ zegt ze. ‘Tot op zekere hoogte zijn sommige firma’s ouderwetse reclamebedrijven in een nieuw jasje. Ze doen fantastische dingen. Hun innovaties hebben onze samenleving veranderd. Dat neemt niet weg dat ze nog steeds een verantwoordelijkheid hebben. Als je dominant bent in de markt, heb je een speciale verantwoordelijkheid.’
Het is een verwijzing naar Google, een bedrijf dat ze op het matje riep omdat het zijn dominante positie misbruikte om zijn eigen zoekresultaten te bevoordelen. Als Google straks geen onderscheid meer maakt, maar de klantbeleving er slechter op wordt, is ze dan nog steeds tevreden? ‘Wie ben ik om daarover te oordelen?’ antwoordt ze. ‘Op zichzelf is het goed als je iets te kiezen hebt.’
Vrachtwagenkartel
De zaken die ze tegen technologiereuzen aanspande trokken de aandacht, maar louter vanuit het oogpunt van consumentenwelzijn bezien vallen ze in het niet bij haar ontmanteling van het vrachtwagenkartel. Dat hanteerde niet alleen vaste prijzen, maar dwarsboomde ook de technologie om de uitstoot te verminderen. Een klokkenluider heeft vergelijkbare aantijgingen gedaan jegens autofabrikanten die onder één hoedje spelen. Had de commissie eerder moeten ingrijpen? Ze noemt de auto-onderdelenkartels die het afgelopen decennium zijn bestraft.
‘Het houdt maar niet op,’ zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. ‘In dat opzicht staat het al tijden bij ons op de agenda, maar het emissieschandaal is niet echt een antitrustkwestie. Misschien is het milieufraude, zoiets… We zien misschien een autokartel door de vingers waarin schijnbaar hecht wordt samengewerkt. We gaan ernaar kijken, maar hebben al heel wat middelen in die sector gestoken.’
Aan haar termijn komt een einde op het hoogtepunt van haar loopbaan. Volgens sommige collega’s zou ze dolgraag directeur van het Internationaal Monetair Fonds worden. Anderen zien graag dat ze de nieuwe commissievoorzitter wordt. Maar liberalen krijgen bijna nooit een topfunctie, en zij komt ook nog eens uit een land zonder euro dat in Europees verband vaak zijn eigen weg kiest. ‘In een andere wereld wordt een sociaalliberaal misschien ergens de baas van,’ schertst ze. Het klinkt althans als een grap, maar helemaal zeker ben ik er niet van.
Ze werpt een laatste blik op het roggebrood en daar gaat ze, alleen de motregen in. Ik kijk naar haar halfopgedronken koffie en haar keurig opgevouwen servet, en denk na over wat een klein land groot maakt.
Auteur: Alex Barker
Vertaling: Nico Groen
Financial Times
Verenigd Koninkrijk, dagblad, oplage 448.000
Gezaghebbende krant voor de Londense City en de rest van de zakenwereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. Het in 1888 opgerichte dagblad wordt inmiddels in 23 landen gedrukt en heeft naast de Britse ook drie Europese, een Amerikaanse en een Aziatische editie.
In 1928 stichtte autofabrikant Henry Ford een stad in Amerikaanse stijl in het Braziliaanse Amazonegebied. Behalve rubber produceren wilde hij ook de lokale bevolking verheffen. Beide ondernemingen mislukten grandioos.
Fordlândia, Brazilië. Het oerwoud van de Amazone heeft de golfbaan Winding Brook al opgeslokt. Overstromingen hebben de begraafplaats geteisterd, met een berg betonnen kruisen tot gevolg. En het honderd bedden tellende ziekenhuis, ontworpen door de beroemde architect Albert Kahn? Verwoest door plunderaars.
Gezien de ernst van het verval in deze stad – in 1928 door grootindustrieel Henry Ford gesticht in een verre uithoek van het Amazonebekken – had ik niet verwacht dat ik op de statige, goed geconserveerde huizen aan Palm Avenue zou stuiten. Maar daar waren ze dan, met dank aan de krakers.
Bron voor rubber
‘De straat was een paradijs voor plunderaars. Dieven namen meubels mee, deurknoppen, alles wat de Amerikanen maar achterlieten,’ zegt de 71-jarige Expedito Duarte de Brito. De gepensioneerde melkboer woont in een van de huizen voor Ford-managers in wat een utopische plantagestad had moeten worden. ‘Ik dacht: óf ik pik dit stukje geschiedenis in, óf het wordt de zoveelste ruïne van Fordlândia.’
In mijn meer dan tien jaar als journalist in Latijns-Amerika heb ik ettelijke uitstapjes naar het Amazonegebied gemaakt. Elke keer weer werd ik aangetrokken door de enorme rivieren, schitterende luchten, uitdijende steden, verloren gegane beschavingen en verhalen over door de natuur getorpedeerde hoogmoed. Maar om de een of andere reden was ik nooit in Fordlândia geweest.
Dat veranderde toen ik het afgelopen jaar in Santarém, een buitenpost op de kruising van de Amazone en de Tapajós, aan boord ging van een rivierschip en in zes uur naar de plaats voer waar Ford, destijds een van de rijkste mannen ter wereld, had geprobeerd een kolossale lap Braziliaans oerwoud te veranderen in een fantasieland à la het Amerikaanse Midwesten.
Ik verkende Fordlândia te voet, dwaalde tussen de ruïnes rond en sprak met de goudzoekers, de boeren en de afstammelingen van plantagearbeiders die er wonen. Met zijn tweeduizend inwoners is het niet echt een verdwenen stad, al wonen sommigen in de afbrokkelende gebouwen die bijna een eeuw geleden zijn neergezet.
En in 1930 kwamen arbeiders die genoeg hadden van Fords dieet van havermout, perziken uit blik en bruine rijst in opstand
Ford, de autofabrikant die wordt gezien als de uitvinder van Amerikaanse massaproductiemethoden, kwam tot zijn plan voor Fordlândia toen hij op zoek ging naar een eigen bron voor de rubber die hij nodig had voor autobanden en onderdelen als ventielen, slangen en pakkingen.
Zo stortte hij zich in een industrie die de sporen draagt van imperialisme en botanisch vals spel. Brazilië was het thuisland van de Hevea brasiliensis, de felbegeerde rubberboom, en het Amazonebekken had zich tussen 1879 en 1912 razendsnel ontwikkeld dankzij de Noord-Amerikaanse en Europese vraag naar rubber.
Maar tot ongenoegen van de Braziliaanse overheid had Henry Wickham, een Britse botanicus en ontdekkingsreiziger, duizenden Heveazaadjes uit Santarém meegesmokkeld, waarmee hij de genetische basis legde voor rubberplantages in Britse, Nederlandse en Franse kolonies in Azië.
De ondernemingen aan de andere kant van de wereld brachten de Braziliaanse rubbereconomie een vernietigende slag toe. Maar Ford vertrouwde liever niet op de Europeanen. Hij vreesde een voorstel van Winston Churchill voor de vorming van een rubberkartel. Zo kwam het dat Ford, tot groot genoegen van de Brazilianen, een fors stuk land in het Amazonegebied aankocht.
Vanaf het begin werd de onderneming geplaagd door stommiteit en pech, zoals nauwgezet is opgetekend in een boek van historicus Greg Grandin dat ik op de boot naar Tapajós las. Medewerkers van Ford, vol dedain voor deskundigen die hadden kunnen adviseren over tropische bosbouw, plantten zaad van twijfelachtige kwaliteit en lieten de aanplant door bladvuur om zeep helpen.
Ondanks die tegenslag bouwde Ford een stad in Amerikaanse stijl, waar hij Brazilianen wilde laten wonen die zich conformeerden aan wat hij als Amerikaanse waarden beschouwde.
Medewerkers namen hun intrek in gepotdekselde huizen, ontworpen in Michigan. Sommige staan nog steeds overeind. Straatlantaarns verlichtten betonnen stoepen. Er liggen nog steeds hele stukken van, naast rode brandkranen en in de schaduw van wegkwijnende danszalen en instortende pakhuizen. ‘Detroit blijkt niet de enige stad waar Ford voor ruïnes heeft gezorgd,’ zegt Guilherme Lisboa, 67 jaar en eigenaar van het piepkleine hotel Pousada Americana.
Ford, geheelonthouder, antisemiet en wars van de Jazz Age, wilde duidelijk niet alleen rubber produceren maar ook zijn werknemers in de jungle verheffen. Zijn Amerikaanse managers verboden de consumptie van alcohol, maar moedigden tuinieren, squaredansen en het reciteren van de gedichten van Emerson en Longfellow aan.
Zogeheten zuiveringsteams voerden Fords utopische droom nog verder door. Ze doodden zwerfhonden, legden poelen droog waar malaria overdragende muggen zich in konden vermenigvuldigen en controleerden of medewerkers venerische ziekten hadden. ‘Met een vastberadenheid en een gebrek aan nieuwsgierigheid naar de wereld die ons maar al te bekend voorkomen legde Ford welbewust de adviezen van deskundigen naast zich neer en ging aan de slag om het Amazonegebied te veranderen in het Midwesten uit zijn verbeelding’, schrijft historicus Grandin in zijn relaas over de stad. Vandaag de dag getuigen de ruïnes van Fordlândia van de dwaasheid om te proberen de jungle te onderwerpen aan de menselijke wil.
Om ervoor te zorgen dat de auto er een vorm van recreatie werd – net als de golfbaan, de tennisbanen, de bioscoop en de zwembaden – legden managers een wegennet van bijna 50 kilometer rond Fordlândia aan. Maar er is bijna geen auto te zien op de modderweggetjes in de stad. Ze vallen in het niet bij de motoren die je in alle steden in het Amazonegebied ziet.
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was duidelijk dat de exploitatie van rubberbomen rond Fordlândia niet winstgevend was. De boosdoeners waren bladvuur, concurrentie van synthetisch rubber en plantages in Azië, waar Japan niet langer de dienst uitmaakte.
‘Er gebeurt hier helemaal niets, en dat bevalt me uitstekend’
Nadat Ford de stad in 1945 aan de Braziliaanse overheid had overgedragen, gaven ambtenaren Fordlândia de ene publieke bestemming na de andere, vooral voor mislukte experimenten op het gebied van tropische bosbouw. De stad leek permanent in verval.
‘Er gebeurt hier helemaal niets, en dat bevalt me uitstekend,’ zegt Joaquim Pereira da Silva, 73 jaar oud en boer uit de staat Minas Gerais. Hij raakte bij toeval in 1997 in Fordlândia verzeild. Nu woont hij aan Palm Avenue in een oud Amerikaans huis dat hij voor 20.000 real [zo’n 6000 euro] in opgeknapte staat heeft gekocht van een kraker. ‘De Amerikanen hadden geen verstand van rubber, maar wel van bouwen voor de eeuwigheid,’ aldus Pereira da Silva.
De mislukte utopie raakt een gevoelige snaar bij kunstenaars. Fordlândia vormde de inspiratiebron voor een plaat uit 2008 van de IJslandse componist Johann Johannsson en een roman uit 1997 van de Argentijnse schrijver Eduardo Sguiglia, over een avonturier die naar Fordlândia gaat om er plantagearbeiders te werven.
Afstammelingen van arbeiders die zich in Fordlândia hebben gevestigd, laten net als nieuwe migranten uit andere delen van Brazilië bultrunderen grazen op kleine lapjes grond. Anderen verbouwen maniok, daar waar tientallen jaren geleden rubberbomen werden gekapt. Velen zijn afhankelijk van een uitkering of pensioen.
En dan zijn er inwoners als Eduardo Silva dos Santos, die 66 jaar geleden werd geboren in het ziekenhuis dat was ontworpen door Albert Kahn, de architect die tekende voor een groot deel van het twintigste-eeuwse Detroit. Dos Santos woont tegenwoordig in een huisje naast de ruïnes van het ziekenhuis. Hij maakte een lamp om mee te vissen van oude auto-onderdelen en een specerijmolen van afgedankte machines, achtergelaten door de Amerikanen.
Gemengde gevoelens
Dos Santos, die opgroeide nadat Ford afstand had gedaan van de stad, heeft gemengde gevoelens over het Fordlândia van tijdens het Amerikaanse bestuur. ‘In Fords tijd was het hier schoon. Er waren geen insecten, geen dieren en de jungle kwam tot aan de stadsgrens,’ aldus Dos Santos, een van elf kinderen uit een gezin dat teerde op de rubberindustrie. ‘Mijn vader werkte voor ze en deed wat hem werd opgedragen. Arbeiders zijn net honden: ze gehoorzamen.’
Maar tot wanhoop van Ford deden ze dat soms juist niet. Managers probeerden het alcoholverbod te handhaven, maar de arbeiders namen gewoon de boot naar een nabijgelegen ‘eiland van onschuld’ vol bars en bordelen. En in 1930 kwamen arbeiders die genoeg hadden van Fords dieet van havermout, perziken uit blik en bruine rijst in opstand in de smoorhete eetzaal. Ze sloegen prikklokken kapot, sneden de elektriciteit naar de plantage af en riepen: ‘Brazilië voor de Brazilianen, dood aan de Amerikanen’. Ze dwongen sommigen managers het oerwoud in te vluchten.
Het Amazonegebied zelf was voor de Amerikanen al lastig genoeg. Sommigen konden zich niet aanpassen en kregen een zenuwinzinking. Een van hen verdronk tijdens noodweer toen zijn boot op de rivier de Tapajós omsloeg. Een ander vertrok nadat drie van zijn kinderen waren bezweken aan tropenkoorts.
Ford had zulke tragedies en het wanbeheer van de plantage kunnen voorkomen als hij had geluisterd naar rubberboomdeskundigen en historici die wisten dat de Amazone grootschalige ondernemingen de voet dwars zet. Maar leren van het verleden was Ford een gruwel. ‘Geschiedenis is flauwekul,’ zei hij in 1921 tegen The New York Times. ‘Wat maakt het nou uit hoe vaak de oude Grieken gingen vliegeren?’
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.