Tag: ammaniti

  • Help ons in godsnaam

    Help ons in godsnaam

    Sicilië is verworden tot een desolaat eiland zonder elektriciteit, met roedels wilde honden en lege snelwegen. Een virus heeft alle volwassenen uitgeroeid, alleen de jeugd is gespaard gebleven. Niccolò Ammaniti (1966) schreef de bestsellers Ik haal je op, ik neem je mee (300.000 exemplaren verkocht in Nederland), Ik ben niet bang (160.000 exemplaren) en Zo God het wil. Iedere dag is er een voor de Ammaniti-fans die halsreikend naar de nieuwe Anna uitkijken. Houd vol. Het duurt niet lang meer. Hier alvast een voorpublicatie.

    Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen T-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.

    De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug 
te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.

    Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed. Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.

    De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden. Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf 
met open ogen.

    Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fluisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.

    De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.

    Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man 
die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.

    Hij liep wankelend verder, alsof hij zijn beentjes niet in bedwang kon houden. Op een andere brancard, naast een poster die maande tot borstkankerpreventie en een andere met een foto van de Sint-Pauluskathedraal in Luik, lag het lijk van een bejaarde vrouw. Het kleintje liep verder onder een knetterende gele tl-lamp.

    Een jongen in nachthemd en badstof slippers lag dood in de deuropening van een langgerekte slaapzaal, een arm naar voren, de vingers samengetrokken alsof hij zich niet wilde laten opslokken door een draaikolk. Aan het eind van de gang vocht de 
duisternis tegen de lichtstralen die door de hoofdingang van het ziekenhuis naar binnen schenen.

    Het jongetje bleef staan. Links van hem de trap, de liften en de receptie. Achter de roestvrijstalen balie zag je omgevallen computerschermen op de bureaus en een glazen wand die in duizenden stukjes uiteen was gevallen. Hij liet het treintje vallen en rende naar de uitgang. Hij kneep zijn ogen dicht, strekte zijn arm uit, duwde tegen de grote deuren en 
verdween in het licht. Buiten, voorbij de grote trap, voorbij de rood-witte plastic afzetlinten, staken de zwarte silhouetten van de politieauto’s, de ambulances, de brandweerwagens af.

    Iemand schreeuwde. ‘Een jongetje. Daar loopt een jongetje…’ Een lompe figuur rende naar hem toe en verduisterde de zon. Het jongetje had nauwelijks 
tijd om te zien dat de man was ingepakt in een gele plastic overall.

    Toen werd hij vastgepakt en afgevoerd.

    Vier jaar later…

    Anna rende over de snelweg en kneep in de riempjes van de rugzak die op haar rug stuiterde. Nu en dan keek ze achterom. De honden waren er nog steeds. Keurig in een rij achter elkaar. Zes, zeven. Een paar haveloze honden waren onderweg afgehaakt, maar de grootste, voorop, kwam steeds dichterbij. Ze had ze twee uur daarvoor in de verte op een afgebrande akker tevoorschijn zien komen tussen de donkere keien en geblakerde stronken van de olijfbomen, maar ze had er verder geen aandacht aan besteed.

    Het was haar wel eerder overkomen dat ze werd 
achtervolgd door roedels wilde honden, die kwamen even achter je aan, kregen er vervolgens genoeg van en gingen dan weer hun eigen gang.

    Maar toen ze deze roedel niet meer zag had ze een zucht van verlichting geslaakt. Ze was gestopt om het water dat ze nog over had op te drinken en was verder gelopen.

    Ze vond het leuk om te tellen tijdens het lopen. Ze telde hoeveel stappen er in een kilometer gingen, ze telde de donkerblauwe auto’s en de rode, ze telde de viaducten.
    Toen waren de honden weer verschenen.

    Het waren wanhopige stakkers, stuurloos op drift in een zee van as. Ze had er al zoveel gezien, met kale plekken in hun vacht, trossen teken die aan hun oren hingen, uitstekende ribben. Ze verscheurden elkaar om de resten van een konijn. De zomerbranden hadden de vlakte verschroeid en er was bijna niets meer te eten.

    Ze liep langs een rij auto’s met ingeslagen ruiten. 
Er groeide onkruid en koren rondom de karkassen, die bedekt waren met een laag as.

    De sirocco had de vlammen tot aan de zee voortgestuwd en daarbij een woestijn achter zich gelaten. 
De strook asfalt van de A29 die Palermo verbond met Mazara del Vallo sneed een dode vlakte in tweeën waaruit zich de geblakerde rompen van de palmbomen en een paar rookpluimen verhieven. Links, voorbij de overblijfselen van Castellammare del Golfo, vermengde een stukje grijze zee zich met de lucht. Rechts dreef een rij lage, donkere heuvels op de vlakte als verre eilanden.

    De rijbaan was versperd door een gekantelde vrachtwagen. De oplegger had de middenvangrail geramd en wastafels, bidets, toiletpotten en scherven wit keramiek lagen over tientallen meters verspreid. 
Het meisje liep ertussendoor.

    Haar rechterenkel deed pijn. Ze had in Alcamo de deur van een kruidenierswinkel opengetrapt.

    En dan te bedenken dat alles voorspoedig was verlopen totdat de honden kwamen.

    T

    © Hollandse Hoogte
    © Hollandse Hoogte

    Toen ze was vertrokken was het nog donker. Ze moest steeds iets verder weg om eten te zoeken. Eerst was het makkelijk, dan ging je gewoon naar Castellammare en vond je wat je wilde, maar de branden hadden alles ingewikkeld gemaakt. Ze had drie uur lang gelopen onder een zon die klom in een bleke, onbewolkte hemel. De zomer was al een tijdje voorbij, maar de hitte wilde niet wijken. Na het vuur te hebben aangewakkerd was de wind verdwenen, alsof 
dat deel van de schepping hem niet meer interesseerde. In een kwekerij had ze naast een krater die was veroorzaakt door een ontplofte benzinepomp een grote doos vol etenswaren onder stoffige zeilen gevonden.

    In haar rugzak had ze zes blikjes Cirio-bonen, vier blikjes Graziella-gepelde tomaten, een fles Lucano Amaro, een grote tube gecondenseerde melk van Nestlé, een rol beschuiten die gebroken waren maar nog goed om op te lossen in water, en een pond vacuümverpakte pancetta. Ze had zich niet ingehouden, de pancetta had ze meteen opgegeten, in stilte gehurkt op de zakken teelaarde die lagen opgestapeld op de met muizenkeutels bedekte grond. Het was taai als leer en zo zout dat haar mond ervan brandde.

    De zwarte hond won terrein. Anna versnelde haar pas, haar hart pompte op het ritme van haar voetstappen. Ze zou het niet lang meer volhouden. 
Ze moest stoppen en het gevecht aangaan. Had ze ten minste maar een mes. Ze droeg er altijd een bij zich, maar die ochtend was ze het vergeten. Ze was vertrokken met een lege rugzak en een fles water.

    De zon stond op vier vingers van de horizon. Nog heel even en hij zou worden opgeslokt door de vlakte. De maan aan de andere kant was dun als een nagel.
    Ze keek om.

    De hond was er nog steeds. De andere hadden een voor een opgegeven, maar hij niet. In de laatste 
kilometer was hij niet dichterbij gekomen, maar zij rende en hij dribbelde.

    Misschien wachtte hij met aanvallen tot het donker was, maar dat leek haar onwaarschijnlijk, honden kunnen niet logisch nadenken. En hoe dan ook zou zij het nooit volhouden tot het donker werd. Haar enkel bonkte en haar kuit was hard van de pijn.

    Ze passeerde een groen bord. Nog vijf kilometer naar Castellammare. Om recht te blijven rennen volgde ze de onderbroken streep op het midden van de rijweg. Als ze niet doof was door haar eigen ademhaling en haar voeten die stampten op het asfalt, had ze de 
stilte gehoord. Geen zuchtje wind was er, geen vogels, geen krekels, geen cicaden.

    Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong

    Toen ze langs een auto rende, fluisterde de vermoeidheid dat ze erin moest gaan zitten, maar 
haar verstand zei dat ze dat niet moest doen. Ze kon proberen hem de beschuiten toe te werpen, of door het hek langs de snelweg te glippen, maar dat had dichte mazen en geen gaten waar je doorheen kon.

    Op de middenberm stonden oleanders die het vuur hadden overleefd, vol rode bloemen en hun takken bogen zwaar door. De zoetige geur vermengde zich met die van brand.

    De barrière was hoog.

    Maar jij bent de kangoeroe, zei ze tegen zichzelf. Op school noemde juffrouw Pini, de gymlerares, haar 
de kangoeroe omdat ze nog beter kon springen 
dan de jongens. Anna was niet blij met die bijnaam, kangoeroes hebben flaporen. Ze was liever een 
luipaard geweest, die kan ook springen maar is veel mooier.

    Ze haalde haar rugzak los en gooide die over de 
struiken. Ze nam een aanloop, zette een voet op 
de betonnen kantsteen, liep door de begroeiing 
en was op de andere rijbaan.

    Ze pakte de rugzak op en telde hijgend tot tien. 
Ze hief een vuist in de lucht en glimlachte. Ze had een mooie glimlach vol witte tanden die ze zelden toonde.
    Hinkend liep ze verder. Nu hoefde ze alleen nog 
over het hek te klimmen en dan was ze veilig.

    Aan de andere kant was een talud dat uitkwam op een weggetje dat parallel aan de snelweg liep. 
Niet het beste punt om met die gehavende enkel overheen te klimmen. Ze legde de rugzak neer en draaide zich om.

    Ze zag de hond uit de oleanderstruiken tevoorschijn springen en op haar af galopperen.

    Hij was niet zwart maar wit, zijn vacht bedekt met as, en had een afgehapt oor. Het was de grootste hond die ze ooit in haar leven had gezien.

    En als je niet in beweging komt vreet hij je op. Ze klampte zich vast aan de mazen van het hek, maar haar armen waren verlamd van angst. Ze draaide zich om en gleed op de grond.

    Het dier vloog over de laatste meters snelweg en sprong over de vangrail en de bermgoot. Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong.

    Anna hief haar elleboog op en stootte die tussen de ribben van de hond, die ineenkromp en naast haar neersmakte. Ze krabbelde overeind.

    Het beest lag languit op het gras. Een bijna menselijke verbazing gleed over zijn inktzwarte pupillen.

    Het meisje griste haar rugzak van de grond en schreeuwend sloeg ze hem daarmee. Een, twee, drie keer. Eerst op zijn kop, toen tegen zijn nek, en nog eens op zijn kop.

    De hond jankte stomverbaasd terwijl hij probeerde op te staan. Anna draaide als een kogelstoter die gaat werpen in een volmaakte cirkel om haar eigen as, maar de riem van de rugzak liet los en ze verloor haar evenwicht. Ze stak haar been uit maar de pijnlijke enkel kon haar niet houden. Ze viel.

    De twee lagen naast elkaar en staarden elkaar aan, toen kromde de hond zich grommend en stortte zich met opengesperde bek op haar.

    Anna trok haar gezonde voet op en zette haar hak in het borstbeen van de hond waardoor hij met zijn rug tegen de vangrail vloog.

    Het dier belandde op zijn zij. Hij hijgde, de lange tong gekruld onder zijn neus en zijn ogen gereduceerd tot donkere spleten.

    Terwijl de hond probeerde op te staan zocht Anna iets waarmee ze hem kon afmaken. Een steen, een stok, maar er was niets, alleen verbrand afval, plastic zakken, ingedeukte blikjes.

    ‘Wat wil je van me? Laat me met rust!’ schreeuwde 
ze tegen hem. ‘Heb ik je soms kwaad gedaan?’

    © Getty Images
    © Getty Images

    Het beest staarde haar aan met ogen vol haat terwijl hij zijn zwarte lippen optrok en zijn gelige tanden en de kwijlbellen tussen zijn kiezen toonde. Een laag, dreigend gegrom trilde in zijn borstkas.

    Het meisje maakte zich uit de voeten, slingerend naar rechts en naar links, struikelend over haar schoenveters. De oleanders, de donkere lucht, het geblakerde geraamte van een boerenhuis zonder 
dak vervaagden en verschenen opnieuw bij elke stap. Ze bleef staan en keek om.

    De hond volgde haar.

    Anna hinkte naar een donkerblauwe stationcar met een ingedeukte voorkant. Het voorportier stond wijd open en in de achterklep ontbrak het glas. Met haar laatste krachten kroop ze erin en trok ze aan het 
portier, maar dat klemde. Ze probeerde het met twee handen. Het portier knarste in de verroeste scharnieren en stuiterde tegen het geoxideerde slot. Ze probeerde het nog eens, zonder resultaat. Uiteindelijk kon ze het sluiten door de veiligheidsgordel om het handvat te binden. Ze legde haar hoofd tegen het stuur en ademde met gesloten ogen de lucht, die verzadigd was van vogeluitwerpselen, in en uit. De met as en stof bedekte ruiten maakten dat het donker was in de cabine. Op de passagiersstoel hield een skelet bedekt met witte guano haar gezelschap. De perkamentachtige resten van het donzen Moncler-jack waren versmolten met de bekleding van de stoel, en uit de scheuren in de stof staken veertjes en gele ribben. De schedel bungelde op de borst, vastgehouden door de verdroogde pezen. Aan de voeten nubuckleren laarzen met hoge hakken. Anna kroop naar de achterbank, klauterde eroverheen, strekte zich uit in de bagageruimte en keek door de glasloze achterklep. Ze had niet de moed haar hoofd naar buiten te steken, maar de hond was verdwenen.

    Ze rolde zich op naast twee leeggehaalde trolleys. 
Ze kruiste haar armen over haar borst en stak haar handen onder haar bezwete oksels. Al haar adrenaline was verbruikt en het kostte haar moeite haar ogen open te houden. Vijf minuutjes slapen zou 
voldoende zijn. Ze pakte de koffers en probeerde die in de opening van de achterklep te zetten. De ene was te klein, maar de andere kon wel blijven staan 
als ze er met haar voeten tegenaan duwde. Ze streek over haar lippen. Haar blik bleef hangen op een 
vieze bladzijde uit een schrift. Bovenaan stond in hoofdletters: HELP ONS IN GODSNAAM!

    Dat moest van de vrouw op de passagiersstoel zijn geweest. Ze zei dat ze Giovanna Improta heette, dat ze stervende was en dat ze twee kinderen had in Palermo, Ettore en Francesca, op de bovenste verdieping van Via Re Federico 36. Ze waren pas vier en 
vijf jaar en zouden omkomen van de honger als 
niemand ze ging redden. In de la van de commode 
in de gang lag vijfhonderd euro.

    Anna gooide het papier weg, liet haar hoofd rusten tegen het raampje en sloot haar ogen.

    Ze werd met een schok wakker, ondergedompeld in de duisternis en de stilte. Het duurde een paar seconden voordat ze weer wist waar ze was. Even flitste het idee door haar heen om naar buiten te gaan en 
te plassen, maar ze bedacht zich. Er was geen maan. Ze zou blind en weerloos zijn.

    Ze had een regel. Altijd een schuilplaats vinden voordat de zon onderging. Een paar keer had ze zich laten verrassen door de duisternis en had ze zich moeten verbergen in het eerste het beste huis dat ze tegenkwam.

    Dan maar liever plassen in de kofferbak en naar de achterbank kruipen. Ze knoopte haar korte broek los. Terwijl ze zich liet zakken benam een plotseling geluid, als een tak die breekt, haar de adem. Een geluid van snuffelende honden.

    Ze hield haar hand voor haar mond en viel met blote billen op de bekleding van de kofferbak, proberend niet te ademen, niet te trillen, niet eens haar tong 
te bewegen.
    De nagels van de honden krabden tegen het staal en deden de auto heen en weer schudden.

    Haar blaas ontspande zich en een natte warmte gleed langs haar bovenbenen. Het tapijt onder haar billen werd drijfnat en er was een kort moment van puur genot waarop ze haar lippen half opende.

    Ze begon te bidden. Een wanhopig verzoek om hulp dat tot niemand gericht was.

    De honden vlogen elkaar in de haren. Ze liepen om de auto heen. Hun nagels tikten op het asfalt.

    Ze stelde zich voor dat het er duizenden waren. 
De auto was omringd door een tapijt van honden 
dat reikte tot aan de zee en tot aan de bergen en dat de hele planeet omwikkelde met hondenvacht.

    Ze drukte haar handen tegen haar oren.

    Denk aan ijsjes.

    Zoet en koud als hagelstenen, in alle smaken. Uit de gekleurde bakken kon je kiezen welke je het lekkerst vond en ze gaven het in biscuithoorntjes. Ze herinnerde zich dat ze een keer bij het stalletje was van strandtent Le Sirene. Ze had haar gezicht tegen het glas van de koelvitrine gedrukt: ‘Ik wil chocola en citroen.’

    Mama had een gezicht getrokken. ‘Bah, wat vies…’

    ‘Hoezo?’

    ‘Dat zijn smaken die niet samengaan.’

    ‘Mag ik het toch hebben?’

    ‘Ja, maar dan moet je het wel helemaal opeten.’

    En zo was ze met haar hoorntje in de hand het strand op gegaan en bij de branding gaan zitten. De meeuwen liepen met die stokkepootjes van ze achter elkaar aan.
    Vóór de brand was er nog chocola te vinden. Marsen, mueslirepen, Bounty’s en chocolaatjes. Ze waren uitgedroogd, bedekt met schimmel of aangevreten door de muizen, maar soms, als je geluk had, vond je nog lekkere. Maar nooit zo lekker als ijsjes.

    Koude dingen waren samen met de Grote Mensen verdwenen.

    Ze haalde haar handen van haar oren af.

    De honden waren er niet meer.

    Het was dat moment van de dageraad waarop de nacht en de dag hetzelfde gewicht hebben en de 
dingen groter lijken dan ze zijn. Een melkwitte streep tekende het einde van de vlakte en de wind ruiste tussen de toefjes koren die door het vuur waren gespaard. Anna klauterde uit de auto en rekte zich uit. Haar enkel was stijf maar deed, na de rust, minder pijn.

    De snelweg ontrolde zich als een dropveter. Om de auto’s heen was het asfalt bedekt met pootafdrukken. Ongeveer vijftig meter verderop lag iets, op de onderbroken streep. Eerst dacht ze dat het een rugzak was, toen een deken en daarna een hoop vodden. Vervolgens stonden de vodden op en transformeerden in een hond.

    Auteur: Niccolò Ammaniti
    Vertaler: Etta Maris

    Niccolò Ammaniti (1966) is een Italiaanse schrijver. Hij maakte deel uit van de ‘giovani cannibali’, de ‘jonge kannibalen’, een schrijversgroep van relatief jonge Italiaanse auteurs die een nieuw soort literatuur schreef: ruig, gewelddadig en conventieloos.

    Anna van Niccolò Ammaniti verschijnt op 20 januari 
bij Lebowski Publishers.